|
|
|
| |
Het achtervoegsel aard
1).
Het is van algemeene bekendheid, dat het achtervoegsel aard
veelal met het gelijkluidend zelfstandig naamwoord verward wordt. Op de vraag:
wat is een wreedaard? krijgt men dikwijls ten antwoord: iemand, die
wreed van aard is. Het antwoord is schijnbaar bevredigend en voldoet,
oppervlakkig beschouwd, ook bij valschaard, gierigaard, snoodaard,
enz., | | | | maar bij de woorden grij(z ?)aard, rijkaard,
dronkaard en Spanjaard kunnen wij de methode niet meer toepassen.
Men kan zich wel iemand voorstellen, die grijs van haar, geenszins iemand, die
grijs van aard is geworden. Men kan wel denken aan iemand die rijk is,
maar wat zou rijk van aard moeten beteekenen? Een dronkaard is
iemand die dikwijls dronken is, maar de dronkenschap maakt zijn wezen, zijn
aard, niet uit; zij is geen kenmerk, dat altijd aan hem gevonden wordt, en
waardoor hij zich van alle andere wezens, die tot dezelfde soort behooren,
onderscheidt. En hoe zou met het begrip aard de voorstelling van Spanje
kunnen verbonden worden? Wanneer de Spanjaard een Spaanschen aard heeft,
waarom dan ook niet de Duitscher een Duitschen, de Hagenaar een
Haagschen en de Rus een Russischen? - Indien nu bij de laatste woorden
eenigzins de ongegrondheid van het beweren, dat het bedoelde aard ons
zelfstandig naamwoord zou zijn, gebleken is, dan mag men verwachten, dat ook
bij de eerstgenoemde: wreedaard, valschaard, gierigaard en
snoodaard de onhoudbaarheid der stelling blijken zal. De vergelijking
met andere woorden, als: lomperd, dikkerd, wreedaard, diender, dienaar,
tollenaar, zondaar, ziener, blafferd, vein(z ?)aard, drinker,
e. a. leert ons, dat wij hier te doen hebben met het achtervoegsel er,
dat om verschillende redenen door het gebruik gewijzigd en versterkt wordt,
hetzij door achtervoeging van een medeklinker, hetzij door verwisseling van een
toonloozen klinker met een openen, hetzij door beide middelen. De gegevene
voorbeelden toonen dit, volgens onze meening, zoo duidelijk aan, dat alle
verdere verklaring overtollig geacht mag worden. Ons tegenwoordig doel is dan
ook alleen om over de spelling der genoemde woorden te spreken.
Uit het aangevoerde volgt dus, dat de woorden op aard
afgeleide en geene zamengestelde woorden zijn. Deze opmerking is voor de
spelling en de verdeeling in lettergrepen van enkele hunner van belang. Vrij
algemeen schrijft men grijsaard, veinsaard, luiaard, lajaard; bij
sommige schrijvers | | | | vindt men grijzaard, veinzaard, luijaard,
en misschien laffaard. Vrij algemeen breekt men ze aldus af:
wreed-aard, valsch-aard, gierig-aard; bij enkele schrijvers zal men
vinden wree-daard, val schaard, gieri-gaard. Het komt mij niet
ondienstig voor, dat de aandacht nogmaals op dit punt wordt gevestigd. Het is
jammer, dat woorden, die betrekkelijk dikwijls voorkomen, verschillend
geschreven en afgebroken worden
Wij hebben dus een vraagstuk uit de spelling der afgeleide woorden,
die door achtervoegsels, welke met een klinker beginnen, gevormd zijn. De
regel, die hier toegepast moet worden, is: ‘Voeg een of meer der
slotmedeklinkers van den stam bij het achtervoegsel.’ Wij laten eenige
voorbeelden volgen.
| er, | zang, | zan-ger; | schrijf, | schrij-ver. |
| ier, | tuin, | tui-nier; | koets, | koet-sier. |
| ig, | goed, | goe-dig; | dienst, | dien-stig. |
| el, | slot, | sleu-tel; | steek, | ste-kel. |
De aangevoerde voorbeelden mogen voldoende geacht worden om te
bewijzen dat de regel algemeen gevolgd wordt. Het afbreken van leer-aar
wordt door niets gerechtvaardigd en door die-naar en zon-daar
veroordeeld. Er zal derhalve aldus moeten worden afgebroken wree-daard,
val-schaard, gieri-gaard, indien de regel voor het afbreken volle kracht
heeft en aard werkelijk een achtervoegsel is. Maar de verdeeling van het
woord in lettergrepen heeft dikwijls invloed op de spelling. Men weet toch dat
de s van grijs in de plaats der z komt, die in geen
Nederlandsch woord achter den klinker geduld wordt, doch dadelijk hare rechten
herneemt, als zij door verbuiging of afleiding voor een anderen klinker wordt
geplaatst. Dat men schrijven moet grijs, grijze,
grijzer, grijzig is aan geene bedenking onderhevig;
er kan dus, als het bovengestelde doorgaat, niet aan getwijfeld worden of men
grij-zaard en vein-zaard schrijven moet. Dewijl de
geslotene klinker alleen in eene geslotene lettergreep kan voorkomen, schrijft
men laf-fe dus ook laf-faard. Wie achter de i eene
j als overgangsletter voegt, zal even als luije ook
luijaard
| | | | moeten schrijven. Het pleit zou dus in het
voordeel van grijzaard, veinzaard,
laffaard en luijaard beslist mogen heeten.
Evenwel, is de regel der achtervoegsels zoo gansch algemeen? Men
schrijft toch niet val-schachtig maar valschachtig, niet
vree-zachtig maar vrees-achtig, niet spot-tachtig maar
spot-achtig, niet klei-jachtig maar kleiachtig. In dit
opzigt bestaat geen verschil. Er wordt dus reeds ééne
uitzondering toegelaten. Prof.
Brill zondert dan ook dit achtervoegsel van den
gegeven regel uit: ‘Laat daarentegen,’ zegt Z.H.G. op blz. IV en V
van de Voorrede zijner Spraakl. v. I. v. H. O. 1849 en 1854, ‘bij het
achtervoegsel achtig de slotkonzonant van het stamwoord op den
voorgaanden schrijfregel staan, als vormde dit achtervoegsel zamenstelling en
geene afleiding.’ Hoe Z.H.G. over aard denkt, weet men dadelijk,
als men op bl. IV naast hei-land en sie-raad ziet staan
grij-zaard, Prof. Brill houdt dus aard voor een
achtervoegsel en laat ook den slotmedeklinker van den stam met het
achtervoegsel ééne lettergreep uitmaken. Op blz. 114 van dezelfde
grammatica staat veinzaard en op blz. 115 luijaard, welke
spelling bewijst, dat wij ons in de opvatting van de woorden des Hoogleeraars
niet vergissen. Toch verdient het opmerking, en het is hoogst waarschijnlijk
eene drukfout, hoewel niet onder de misstellingen vermeld, dat op
de laatst genoemde bladzijde, reg. 4 en 5 v. b. afgebroken wordt:
goedaard en wreed-aard. In het aangenomen stelsel zou het
goe-daard en wree-daard moeten wezen.
In het werkje: ‘de Nederlandsche spelling onder beknopte
regels gebragt door Dr.
L.A. te Winkel,’ vindt men (§ 135)
dat afgeleide woorden, door middel van het achtervoegsel achtig gevormd,
als zamengestelde woorden geschreven moeten worden, dus: vrees-achtig,
klei-achtig enz. In § 245 ziet men, dat de schrijver aard voor
een achtervoegsel houdt en onder de voorbeelden van § 247 treft men aan
lui-jaard, vein-zaard en laf-faard.
De twee genoemde taalgeleerden zijn het dus in dit opzigt volkomen
met elkander eens. Wanneer men echter in aan-
| | | | merking neemt, dat,
niettegenstaande de aangevoerde gronden, bijna algemeen lui-aard,
veins-aard, grijs-aard, laf-aard, wreed-aard, enz., geschreven wordt en dat
de scheiding in wree-daard, goe-daard, val-schaard o. i. volstrekt niet
bevorderlijk is aan de vlugge opvatting van de beteekenis dezer woorden, omdat
de opene a met een of meer medeklinkers voor, en twee medeklinkers
achter zich, eer een stamwoord dan een achtervoegsel doet verwachten, zou men
dan niet beter doen met eenvoudig een gebruik, dat bijna algemeen is, te
volgen, en laf-aard, grijs-aard enz. te blijven schrijven? Bij de eene
uitzondering (achtig) zou men slechts eene tweede (aard) te
voegen hebben.
Bestaan er echter bedenkingen tegen deze wijziging, dan houd ik mij
aanbevolen die te mogen vernemen.
Leiden, Febr. 1860.
J.A van Dijk.
|
1)De spelling aart, o. i. even goed, is
hier, als minder in gebruik, onvermeld gebleven.
|
|