|
|
|
| |
| | | | | |
Ziedaar een woord, waarmede onze schrijvers en letterkundigen
gewoonlijk zeer vaardig ter hand zijn, en dat dikwerf - om niet sterker nog te
spreken - alleen maar de mate hunner eigene vertaalkracht aangeeft; dat zij dus
ook beter deden op een meer bescheiden wijs - bijv. met het bijvoegsel
mij onvertaalbaar - aan te wenden, om niet hunner arme moedertaal te
doen verwijten, wat veelal slechts aan hen zelf alleen te wijten is.
‘Onvertaalbaar’ en ik nam daaruit aanleiding tot het
opschrift dezer aanteekeningen - onvertaalbaar noemde onlangs zelfs Ds.
Busken Huet in een nieuwerwetsch-Godgeleerd
vertoog in den Gids een titel, dien hij toch vertaalde; en in zoo verre
is dan ook het bovengezegde omtrent die vertaalkracht hier niet van toepassing,
gelijk hem in 't algemeen de eer toekomt zich, blijkbaar met goed gevolg, op
een gekuischte taal en stijl toe te leggen. Hij spreekt er echter van ‘de
onvertaalbare titel’ van
Schwarz' zur Geschichte der neuesten
Theologie, hoewel hij dat zelf eene ‘Bijdrage tot de Gesch. der
nieuwste Godgeleerdheid’ noemt. Dat zur, enz. is dan ook minder
onvertaalbaar, dan 't wel een - niet juist lofwaarde - eigenschap van 't
Hoogduitsch is, om zich met meer algemeene en schemerachtige uitdrukkingen te
vreden te houden, en dus dat Bijdrage, dat in 't Nederlandsch hier
onmogelijk gemist kan worden, maar weg te laten. Men zal echter, dunkt | | | | mij, inzien, dat men zulk een meer slordige Duitsche schrijfwijs, al
kan men ze (naar den aard der Nederlandsche taal) alleen door een juistere
teruggeven, daarom nog niet onvertaalbaar heeten mag, en dit woord hier dus
minder goed gekozen is.
Onvertaalbaar daarentegen heeft dezelfde Godgeleerde, zonder het
uitdrukkelijk te zeggen, in datzelfde vertoog, blijkbaar eenige andere Duitsche
uitdrukkingen en zegswijzen gerekend, die hij òf in 't Duitsche
taaleigen zelf te boek stelt òf letterlijk in 't Hollandsch overbrengt,
zonder dat één van beiden noodig was. Zoo spreekt hij bijv.
herhaaldelijk van ‘kolebranders-geloof,’ het bekende Hoogduitsche
Köhlerglaube, waarmede onze nieuwerwetsche Godgeleerden onze taal
thans dreigen te verrijken, en waartegen wij dus weldoen, hoe eer hoe beter in
verzet te komen. Kolebranders toch behooren geheel op Duitschen bodem thuis, en
er is geen Nederlander - tenzij hij door Duitsche lectuur met dat
Kohlerglaube heeft kennis gemaakt - die weten kan, wat een
‘kolenbrandersgeloof’ is. Al geeft men dus ook het Duitsche
‘Köhler’ met dat Holl. kolebrander terug, de
uitdrukking zelf mag daarom gerust onvertaald heeten. Ze zal eerst vertaald
wezen, wanneer men er een Hollandsche voor in de plaats geeft, die in ieder
Nederlander - ook zonder dat hij een woord Duitsch kent, of ooit van een
kolebrander gehoord heeft - hetzelfde denkbeeld opwekt, dat de Duitschers onder
de hunne verstaan. Met een woordelijke overbrenging is hier niets gewonnen;
Busken Huet voelt dat ook wel - beter dan
zijn geestverwant Dr.
Pierson, die ons 't woord maar als gave kost
opdischt - en zegt in een aant. ronduit, dat het ‘meer Duitsch dan
Hollandsch’ (neen, geheel Duitsch) is. Maar waarom 't dan gehouden, en
niet liever bijv. van een ‘gemeenemansgeloof’ gesproken; dat ook
nog dit voor heeft, dat het niet een bepaald beroep uitmonstert en ten toon
stelt. Op een andere bladzijde weder spreekt Huet van de
‘phasen van een ontwikkelingsgeding;’ en 't valt
daarbij zeker in hem te prijzen, | | | | dat hij ons van dat jammerlijke
proces verschoont, 't geen ons 't meerendeel zijner medegodgeleerden
daar waarschijnlijk had voorgezet; maar zijn geding (daar proces
hier niet in rechtszin gebezigd wordt) is er een slechte plaatsvervanger voor,
om van dat afschuwelijke phasen nog niet eens te gewagen. Waarom niet
liever eenvoudig ‘ontwikkelingspunten’ geschreven? Proces
zelf is niet anders dan gang of beloop. Elders weder lees ik dat
iets ‘allseitig entspricht;’ waarom niet ‘volkomen
beantwoordt, of overeenstemt?’ Nog weêr elders spreekt
Huet van Vermittlung (waarom niet
bemiddeling?), onstandvastige gang (waarschijnlijk voor 't
Duitsche unstäter; maar iemands gang kan men in 't
Hollandsch niet onstandv., men dient hem onzeker te noemen);
extra-historische voorstelling (lees: boven-hist. gelijk men
bovennatuurlijk zegt; extra-h. zou bijzonder-hist. te
kennen geven). Aan 't slot van zijn schrijven noemt Huet zijne
ingenomenheid met de Duitsch-Zwitsersche beweging volkomen nuchter, dat
in dezen zin ook geen Hollandsch, maar zuiver Duitsch is; in overdrachtigen zin
gebezigd, luidt nuchter in 't Hollandsch (men denke slechts aan 't
nuchter kalfvleesch, een nuchtere opmerking, enz.) lang niet
loffelijk; of wenschte Huet gezegde ‘ingenomenheid’ in
dien zin opgevat te zien? Denkelijk evenmin als dat hij, bij eenig nadenken,
het herhaaldelijk door hem en anderen gebezigde Duitsche zeggen ‘aan iets
tegenoverstellen’ (voor ‘tegenover iets stellen’) voor
Hollandsch zal willen laten doorgaan.
Wij laten hiermede Ds. Huet varen, ons overtuigd
houdende, dat onze bescheiden opmerkingen aan niemand beter besteed zijn dan
hem, dien 't om 't belang der taal, en een deugdelijken Nederlandschen
schrijftrant, niet alleen zelf te doen is, maar die ook meer dan eens
dat zelfde belang van stijl en taal tegenover anderen reeds heeft voorgestaan.
Wij wenschen onze lezers ten slotte nog op een enkel woord slechts opmerkzaam
te maken, dat veelal ook voor onvertaalbaar doorgaat, en toch zoo gemakkelijk
te vertalen valt; 't is het door en sedert
Sterne vooral in zwang geraakte
sentimen-
| | | |
tal. De begaafde vertaler zijner bekende Reis
deelt ons in de voorrede zijner vertaling mede, dat hij ‘aan den titel
alleen verscheiden avonden gearbeid’, en toen na al die avonden het
Engelsche sentimental Journey eindelijk met sentimenteele reis
heeft vertaald, 't Is niet om hem te verbeteren - wie zou zich dat vermeten
willen? - sentimenteel is een reeds zoo lang met het Nederlandsche
burgerrecht vereerd bastertwoord, dat wel niemand den gekozen titel zijner
keurige vertaling wraken zal; maar 't komt ons niet onmogelijk voor er zoowel
hier, waar 't in meer onschuldigen, als ook elders waar 't in meer afkeurenden
zin gebezigd wordt, een zuiver Hollandsche uitdrukking voor aan te geven. In 't
laatste geval toch komt het ons door gevoelziek volkomen vertaald voor;
in 't eerste - voor den titel van
Sternes Reis - gelooven wij, dat alleen
daarom de vertaler te vergeefs naar een ander woord dan sentimenteel
gezocht heeft, omdat het hem wellicht niet is ingevallen, naar iets anders dan
een bijvoegelijk naamwoord te zoeken. Met Journey daarentegen vereenigd
gedacht, had het ééne Nederlandsche Gevoelsreis, onzes
inziens, ten volle aan beide Engelsche woorden beantwoord. Juist met dergelijke
samenstellingen, welker bondige kracht wel niemand loochenen zal, zijn wij in
staat velerlei omschrijvende zegswijzen onzer overzeesche en Zuider naburen te
vertolken, en allerlei verlammende adjectieven te vervangen. Een onderwerp, dat
voor rijke uitbreiding vatbaar ware, maar waarop ik mij voor 't oogenblik
vergenoegen zal met dit enkele woord te wijzen.
Deventer, 20 Juny 1860.
Van Vloten.
| |
Onder 't afdrukken dezes hooren wij juist, in het
Gids-nommer voor Aug., door Prof,
Vissering naar het ‘passende
Nederlandsche woord voor 't Hoogduitsche Zollverein, het Fransche
Union douanière’ vragen. Die vraag luidt bevreemdend bij
een zoo welbespraakt, zuiver, en vloeyend schrijver als Vissering;
waarom niet òf Tolvereeniging òf Tolverbond; | | | | beiden toch geven 't gevraagde woord volkomen terug. Wat echter nog
meer bevreemden moet,
Vissering zelf gebruikt ze beide eenige
bladzijden later, waar hij van ‘de gevolgen dier
vereeniging’ en het ‘hoofddoel van het aanbevolen
Tolverbond’ gewaagt.
Wat vertalingen betreft, valt ons nog het stuitend Anglicisme in,
waarmede een medewerker aan den Schat der Gezondheid - dat uiterst
practische Maandschrift, dat in de woonkamer van geen Nederlandsch huisvader,
in de raadzaal geener Nederlandsche gemeente ontbreken mag; - waarmede die
medewerker den titel van een van
Dickens Romans Harding Him vertaalt:
hem hardend schrijft hij, als of, omdat him in 't Holl.
hem en harding daar hardend heet, beide die woorden
vereenigd een zuiveren Hollandschen zin, naar de bedoeling des schrijvers,
gaven. Integendeel, waar de Engelschman (gelijk hier Dickens) het
deelwoord bezigt, gebruikt de Nederlander de onbepaalde wijs, en de titel van
't vermelde, allezins lezenswaardig stukjen had dus eenvoudig Harden
moeten luiden, om volkomen Hollandsch te zijn.
Katwijk, 5 Aug.
|
|
|