|
|
|
| |
| | | |
| |
Eene vertaling.
De Jood van Verona of de geheime genootschappen in
en rondom Italië, historische Novelle uit de jaren 1846 tot
1849, door
Antonio Bresciani. Vrij naar het Italiaansch.
Met Aanteekeningen. Terborgh, R.T. Daamen, 1859.
| |
II.
Onder de voortreffelijke eigenschappen onzer moedertaal wordt door
deskundigen teregt genoemd hare geschiktheid voor figuurlijke spreekwijzen;
zelden heb ik dit zoo gewaardeerd, als in ‘de Jood van Verona.’ Ook
in dit opzigt is het een mooi boek, en wil ik eenige der voornaamste
voorbeelden overschrijven. Ik begin met p. 174, waar genoemde Barones
Babje ten gevolge van den gepleegden moord in verzekerde bewaring
genomen wordt door den chef der policie, die daarna ‘het vertrek
hermetiesch digtgrendelt.’ Op p. 194 staat krijschen niet
van vogels, maar van lazzaroni, even als hij op p. 204 dit woord van Lola
Montez gebruikt. Dezelfde figuur vind ik op p. 298 ‘het wemelde alom
van zwermen heen- en weêrtrekkende soldaten.’ Op p. 258 lees
ik ‘de jonge dandy rigtte zijne schoorvoetende schreden naar de
Badia, de gruwzaamste plannen woelden door zijn ontstelde hersenen, de heftige
storm zwoegde in zijn boezem; eensklaps midden op de brug even over de
balie leunend hoort hij den zachten klank van een klokje, het
golfgeklots in den boezem zoekt rust, 't is of in dien maalstroom van
ongeregelde gepeinzen en folterende aandoeningen de orde en het licht
allengskens wederkeeren, maar de klank van het klokje scheen te willen
sterven, hij luistert, en andermaal | | | | het zwijgen van den
vollen middernacht; hij stoot tegen een hinderpaal, onbewust of
geen gevaarvolle kuil daar voor zijne voeten ligt, rondtastend als iemand, wien
eensklaps de grond onder de schoenen wil ontglippen; de diepe
eenzaamheid in dien omtrek, dat plegtige uur van den nacht, die zwijgende,
pikzwarte natuur enz.’ Welk lezer ziet niet de stoute en treffende
figuren, wie geeft niet toe, dat de vertaler slag heeft die woorden te kiezen,
welke kracht bijzetten aan de schildering? En hij verstaat de kunst zijne
beelden goed vol te houden, als b.v. op p. 314 ‘Och, Monsignore, het is
enkel door troebele, drabbige, vervuilde buizen, dat onze wateren
vlieten, en hoe kan het anders bij de heillooze bron, waaruit ze tot
Italië's ongeluk opwellen? Maar het oog van de wel straalt door den
zuiger henen; de geheime genootschappen zijn het, die tusschen de reten
en spleten hunner spelonken de slechte wateren laten doorzijpelen, van waar ze
dan vervolgens door de dagbladen voortstroomen en de wereld verpesten.’
Vooral in de figuurlijke uitdrukkingen aan het water ontleend slaagt onze
Terborger; zoo op p. 108 ‘de slagting zal wel zoo wreedaardig
schrikbarend wezen, dat men het burgerbloed als de wateren in den regentijd van
julij [in welke maand het in Rome niet regent] tappelings door Rome's
straten kan zien stroomen’; of op p. 197 ‘De Lombardijers hebben
zich verbonden voortaan geen Oostenrijksche cigaren meer te koopen, om
zoodoende den enormen geldstroom, die voortdurend de schatkist van het
Rijk bewatert, allengskens droog te laten loopen.’ Verheven is
zeker de gedachte op p. 43 aldus uitgedrukt: ‘een geestdrift, die
zóo hoog klom en zóo algemeen was, als die, welke tijdens de
troonsbeklimming van
Pius IX over den ganschen aardbodem,
gelijk een wereldzee, aller harten deed overstroomen, zoo'n schouwspel
had men nog nooit gezien en zal men welligt nimmer meer zien’, en een
waar woordje tevens; jammer, dat het niet zoo blijven kon, want, zie p. 141
‘trouwloos werd er partij getrokken om gunsten te bekuipen; en wèl
beschouwd laat zich dat onbesuisd voort-
| | | | hollen van koncessie tot
koncessie met niets beter vergelijken, dan met een vreeselijken rotsklomp, die
aan de hooge spits eens bergs ontlaten, daar eensklaps neêrploft,
op een effen vlak gelukkig vastraakt en hier werkelijk schijnt stand te willen
houden, om echter dra met des te verschrikkelijker geweld en in nog rapper
vaart, naar beneden te bonzen in het diepe dal, hetwelk hij met zijn
puinhoop aanvult’; is dit niet krachtig en juist voorgesteld? Even
zoo op p. 125 ‘daar klonk en herklonk, dat 't een tijd lang daverde, het
blijde stormgelui der algemeene toejuiching.’ Hetgeen op p. 111
staat ‘de heiligen, die het christenhart met deugden leerden versieren,
welke door de leeraren hun ingeplant en bezwangerd door den H. Geest zoo
vele vruchten hebben voortgebragt’, is een uitdrukking, die voor deze
gedachte minder ongehoord is.
Stout maar niet oneigenaardig oordeel ik de figuur op p. 279
‘meteen onttakelt hij den brief’, en ten minste veel
sterker dan op p. 281, waar een brief slechts ontplooid wordt,
welk werkwoord in mijn oog beter past op p. 149, waar ‘de hotelbedienden
zoodra de pikeur van Babje's reisrijtuig stilhield, de
treden ontplooijen’, even als op p. 273, waar de handeling duidelijk
genoeg wordt weergegeven, en ook op p. 267, waar ‘de preutsche juffer als
dappere mannin heel wat anders in 't brein hebbende, (snor en bakkebaard en
hofmakerij!) geen lip verplooide.’ Die plooijen doen mij denken
aan den ‘rijk geplooiden schoot der Honoraire kamerheeren’
naar de Italiaansche mode der XVIe eeuw, p. 49, en aan p. 15, waar
‘de Moeder-overste, terwijl Alisa's vriendinnetjes haar nokkend
en kermend een pijnlijk vaarwel toezeiden, de plooijen harer jurk
rangschikte, tot eindelijk een leeke-zuster haar den stroohoed op het
hoofd plaatste, en een der meisjes kwam aanhuppelen, om den zijden
hoedband onder de kin te mogen vastknoopen.’ Wat dit laatste
onderschrapte woord betreft, men zal ligt begrijpen, dat ik geen oordeel
uitspreek over het juiste gebruik; het is om dezelfde reden, dat ik meen beter
te zullen doen met al de | | | | mij vreemde woorden, die tot de kleedkamer
behooren, hier op te geven, ten einde deskundigen des te beter kunnen
oordeelen. Ik begin met p. 9 ‘als de fiere jongeling daar zoo vast en
mannelijk in zijn zadel zat, met witten hoed en roode zijden halsband,
waarvan de einden hem over de schouderen zwaaiden, in donkergroenen jas,
in geglansde laarzen tot boven de knieschijf, dan trok en boeide
hij de oogen der schoone sekse; een zacht avondwindje woei ligt over de haren
van zijn witten hoed, welke als een kleine zee in wanorde geraakten;
onder het galopperen fladderden de slippen zijns kleeds her- en
derwaarts, lustig dansten hem de haarlokken rondom de slapen, en
dit alles gaf hem een zoo bevallig uiterlijk, dat, enz.’ Als tegenhanger
deel ik eene sierlijke meisjeskleeding mede van p. 14 ‘zij was gekleed in
een lossen reismantel met witten plooikraag en daaronder een witte,
rooskleurig gestreepte japon met open lijf vol paarlemoeren knoopjes en
geschoeid in amarantgekleurde laarsjes. Heur schoone blonde haren vielen
van het voorhoofd, waar zij zich scheidden, glad naar achter, om onder de ooren
ineengevlochten en tegen het achterhoofd opgeknoopt een soort van diadeem te
vormen.’ Mij dunkt, dit laatste vooral is duidelijk beschreven. Ik
onthoud mij om uitdrukkingen als de volgende te beoordeelen: p. 50 ‘met
goud gestikten maliënkolder,’ en p. 27 ‘op de banieren
stond zijn naamcijfer gestikt,’ want op p. 49 lees ik, dat
‘de zijden vaandels vol waren van het fijnste borduursel,’
daarentegen beschrijft hij op p. 117 hoe op eene schilderij
Paus Leo eveneens voluit zit, ‘met
zijne purperen mozetta, die van voren op de borst en onder aan den zoom met
een hermelijnen streep geborduurd is.’ Het ligt zeker aan mijne
onkunde, maar dat hermelijnen borduursel is mij niet regt duidelijk, want
hermelijn is immers een beestenvel, en ik herinner mij zeer goed meer dan eens
gezien te hebben ‘de huisgeestelijken van 's Pausen gevolg in paarsch
laken gekleed met mantel en pelskraag, of wel met hermelijn- en
zibelijnvel op den arm’ p. 50, en dat heb ik altijd voor | | | | bont gehouden, van het bekende hermelijn- en sabeldier,
zoo als de Hollandsche bontwerkers dat noemen. Als een staaltje hoe ver het
dragen der nationale kleuren wel ging, lezen wij in onzen ‘Jood’ op
p. 43 ‘witgeel droegen de heeren op de aldus gestreepte ‘of
ingelegde of gedobbelsteende das of vest, die bij koud weder van
oranjekleurig fluweel, en van zilveren plaatjes, bloemen en
belegsels voorzien waren’; ik begrijp hieruit, dat metalen
belegsels als geschikte warmtegeleiders in den winterdag van pas waren, maar
als mijn kleêrmaker van belegsel sprak, dacht ik altijd aan iets,
dat van binnen tegen een kleedingstuk was bevestigd, was hij dus geen
taalkenner, of is het hier verkeerd? - En op p. 7 waar ik lees ‘dat de
boerenknecht van prins Ruspoli met zijn rood buisje met witten rug
(dus een rood lakensch vest met linnen rug) en pimpernoten
knoopen, groote tot aan het bovenbeen vastgehechte stevels, (maar die
lederen beenbekleedsels zijn even min stevels als de scheenharnassen der ouden,
waar zij op gelijken) een lange stok aan den arm en eindelijk zijn
hemelsblaauw vest (dat moet een buis zijn, de vertaler of de schrijver was in
de war, die livrei is mij genoeg bekend) met Ruspoli's wapenveld op het
belegsel - dit alles boezemde den Franschen schildwachten zoo veel ontzag
en eerbied in, dat’ enz.
Door den loop der gebeurtenissen behoort de Romeinsche burgerwacht
van 1848 tot de geschiedenis; ik kan daarom niet nalaten van die montering mede
te deelen, zoo als zij op p. 100 beschreven staat; na lang getwist te hebben
‘besliste de uitslag voor den Pruisiesch-Sardinischen uniform, de
Beijersche helm werd het hoofdversiersel, of liever de oud-Romeinsche stormhoed
met een klein rabat en ter zijde met gele reepen op zwart leder;
het sikkelvormig tooisel zou vervangen worden door een bronzen spits, waaruit
een digte scharlaken vederbos wapperde, zoodat het scheen of de helm vuur
regende, wat inderdaad een schoon en aangenaam schouwspel aanbood. De
degens herinnerden onwillekeurig aan de sabels der oud-Romeinsche
legioenen, en wer-
| | | | den niet door den bandelier over den schouder maar
aan een gordel rondom de lenden gedragen. De broek was met scharlaken
roode strepen voorzien en de geheele uniform van hemelsblaauwe kleur,
met roode mazen, koorden en opslagen afgezet; boven aan den jas hing een
groote hoofdkap, juist als bij de oude Romeinen.’ Voeg hier nog
bij, hetgeen wij op p. 146 lezen, dat ‘de zakriempjes met witsel
bepleisterd’ werden. - Op p. 135 maakt onze Terborger een nieuw woord
voor de kleedkamer ‘hij kwam nooit buiten de deur, tenzij
gekeurslijfd in een harnas, waar nog geen borduurnaald door kon;’
maar op p. 289 bezigt hij het minder Hollandsche ‘onder den uniform
bespeurde zij een korset, dat van voren digt was geregen, zij greep de
schaar en sneed de rijgkoorden door.’
Verder behoort nog het kleermakersgild deze beschrijving op p. 255
‘de Engelsche dandy was vreemder dan ooit te voren, zijn das hing hem los
en ongeknoopt om den hals, een stroohoed torschte hij half op 't hoofd,
hij stak van top tot teen in sneeuwwitte kleederen, en hield zijn regtervuist
geheimzinnig onder den linkeroksel verscholen’, en ten slotte nogdeze van
p. 150 ‘de barones liet met den linkerarm haar eene hand op de zijleuning
van de veilleuse rusten, terwijl de ander gestadig speelde met de dikke
snoeren, welke kwastgewijs het voorkleed behingen;’ dit
laatste is even regelmatig gevormd als op p. 289 ‘wijd gaapte de
branderige wond, en tappelings gudste van uit de zijde het bloed over de
korstige bobbels, welke het bereids tusschen de huid en het onderkleed
gevormd had. De bezorgde vrouwen begonnen die gestolde bloedklonters zachtjes
weg te pluizen, maar hoe meer zij peuterden, zooveel te heviger vloot het
bloed.’ Men zal dit alles niet zeer kiesch vinden, maar men houde in het
oog, dat het van boerenmenschen komt; zij meenden het overigens goed, want de
moeder, ‘wiesch de lijderes het doodzweet van het aangezicht, sprak haar
liefderijk moed in 't lijf,’ p. 290 en daarna is op p. 291 ‘met
laauwen wijn de wond voorzigtig gewasschen; en na deze | | | | wasschende
zuivering knipte zij een flink stuk linnen uit het hemd, doorweekte het in den
wijn, drong de lippen der wond digt tegen elkander aan en verbond ze.’ Is
dit alles niet haarfijn beschreven? Even zoo is de schildering van de zes
vermomde vlugtende Jezuiten goed uitgevallen op p. 273, een hunner was
‘zwaar gewond aan de hand, die hij in een zwachtel droeg; de
burgerkleederen pasten niet te best, zoodat iedereen het hun wel kon aanzien,
dat het een geleend pak was ter vermomming, daarbij kwam dat onverminderd de
bleeke schrik het karakteristieke hunner waardigheid van priester niet
onduidelijk op hun gelaat te lezen stond,’ zij werden herkend en hun
rijtuig door de Italiaansche krijgslieden overrompeld, die p. 274 ‘de
paarden bij het gebit greepen, den disselboom zwenkten en hals
over kop op den bok klauterden, en naar boven en achter op het rijtuig of er in
stapten.’ Dit laatste noemt hij elders, p. 236 ‘hij besteeg
de sjees,’ dat hetzelfde moet beteekenen als instappen, want een sjees,
zooals daar op de Piazza San Eustachio (lees Eustacchio) gehuurd werd, is een
open laag rijtuig op vier wielen, zoo een, als ‘waaruit zij
afsteeg’ op p. 20.
Dit laatste woord brengt mij een ander verschijnsel in de
gedachte: wij zijn soms zoo zuinig met onze woorden, dat wij tevreden zouden
zijn met het niet zamengestelde werkwoord, maar wie ziet gevaar in eene min of
meer overbodige zamenstelling als op p. 30 ‘naar buiten de poort
uitgaan’ op p. 247 ‘later op zijn beurt dezelfde dienst
terugbewijzen,’ en p. 268 ‘'t is alsof de auteur met een
gouden pen zijn rijkdom van gedachten heeft neêrgeboekt, in het
git van welk een gouden pen een helsch rattenkruid schuilde;’ is dit nu
wel zoo slecht gezegd, al zou een ander het op zijn Hollandsch anders gezegd
hebben? Zoo zijn wel overbodig, maar niet hinderlijk de volgende
zamenstellingen: p. 126, waar men van arme kinderen zegt ‘bloesems, die
eerlang tot de smakelijkste vruchten zouden aanrijpen;’ of op p.
182 op het een of ander voorwerp aanstooten, of tegen een der
‘karren horten,’ en p. 181, waar onze Terborger over het | | | | Lucrino-meir en lago d'Averno sprekende, zegt ‘de
herinnering aan de dikke nevelen, waarin de heidensche fabel deze zeeën
omhulde,’ of wel p. 63 ‘ontvliedt hij den gezant met
studie;’ ik geloof dat onze vertaler bang was zich anders niet duidelijk
genoeg uit te drukken. Zoo zegt hij p. 250 ‘midden in dit dal, waar de
wederzijdsche afhellingen elkander bijkans raken en de loop van den
vloed het ergst is, betreedt men eene geëffende vlakte, op welker bodem
een klooster zich verheft te midden van het geboomte, waarvan de hooge toppen
die woning des vredes overlommeren.’ Dit is alles wel wat breeder
omschreven, maar daarom des te helderder, zoo ook op p. 477 ‘met
één voet bereids in de hel liggen, noch geloof genoeg weer
terug bekomen om te ontstellen,’ en op p. 17 ‘onder 's pausen
voorzitterschap zal de eeuwige stad haar aloude waardigheid van voorrang
terugerlangen, en andermaal groot en algemeen gevierd
herbloeijend schitteren,’ zoo ook op p. 64 ‘de meeste
wanden, welke afgekalkt, uitgeslagen en goor of bestoven waren, door schilder
en stukadoor op nieuw bijstrijken,’ even als op p. 271 in deze
vrolijke beschrijving ‘nu zouden ze den armen waard (die slechte eijeren
voorzette) ‘en zijn mede toegeschoten knechts met de dunne eijeren
in het aangezicht hebben getroffen, hadden niet deze zich behendig
neêrgebogen, zoodat de bui op eenige soldaten nederplonsde, wier
ruggen, eensklaps als met kalfsoogen opgesierd, van zonnestralen
schitterden als een gouden firmament.’
Onder het lezen van ‘de Jood van Verona’ viel mijn
aandacht op de vergedreven Hollandsche zuinigheid, want hoe dikwerf volstaan
wij met halve woorden, waar wij zoo ligt het heele hadden kunnen bezigen.
Daarom prijs ik onzen Terborger, die op p. 31 schreef van ‘de hout-,
wijn- en kolenvarende schippers,’ ofschoon wij spreken van
kolenschippers, even als van planten, gewassen, gebouwen,
waarvoor de vertaler om den oorsprong beter te doen uitkomen, duidelijker zegt:
‘planten en kostbare natuurgewassen’ p. 67, en pag. 40
‘op de binnenplaats van de Gregoriaansche uni-
| | | | versiteit, een der prachtigste gedenkteekenen van der pausen vrijgevigheid, stonden bij een
sloot of zijhoek andere natuurplanten, tijm-, lavendel- en
marjolijnstruiken in bosschaadjes gegroepeerd,’ en op p. 168 noemt hij de
basiliek van Monreale door kunst voortgebragt een kunstgebouw, even zoo
de kunstschoonheden van p. 251. Het is wel wat langer dan wij anders
spreken en schrijven, maar op een enkel woord komt het toch niet aan, bovendien
is ‘het rijksgebied van wetenschap en fraaije letteren,
verheerlijkt door nog eenige paters,’ beter gezegd, dan wij dachten.
Om de buigzaamheid onzer taal beter in het oog te doen springen
volgen hier eenige voorbeelden van het tegenovergestelde, dat is, waar de
Terborger het beter vond een woordeke of een lettergreep weg te laten en die er
slechts bij te denken; ik bedoel de nadagen van p. 257 voor
najaarsdagen, even als wij van voortijd spreken voor de verloopene
eeuwen. Dikwerf omschrijven wij een begrip met twee of drie woorden, dat met
één doelmatig zamengesteld woord kan uitgedrukt worden; ik bedoel
op p. 246 ‘zich aan gemakzucht en weelderigen lediggang over te
geven, dat is eene eeuwige schande,’ voor zucht tot een gemakkelijk
leven; of in plaats van een stuk vleesch op p. 271 ‘de
broodjes en vleeschstukken schenen meer eerbied in te boezemen,’
en p. 203 ‘den gestoolden Jupijn in een sakristijhoek van
Lateranen wegmoffelen’ voor een hoek van de sakristij in de kerk
van het Lateraan; zoo ook op p. 54 ‘de sluimerende
Italië-wereld,’ en p, 184 ‘een of ander
consuls-gedenksteen.’ Men vat dadelijk den zin van die vreemde
zamenstellingen, als schandhoer dat de schrijver op p. 204 en
schandfreule, dat de vertaler op p. 205 van Lola Montez bezigt,
‘wier komediespel te Munchen een onbeschrijfelijke beroering maakte;
lantaarns en vensterruiten werden daar met steenworpen
verbrijzeld,’ p. 208 voor ons omslagtiger geworpen steenen.
Beknopter is ook op p. 261 gezegd voor ons lange het bovenste gedeelte van
haar lijf, ‘ofschoon zij aan de beenen verlamd was en steeds, terwijl
tal van kussens het | | | |
bovendeel schraagden, te bed moest
zitten, droeg zij die folterende ziektesmarten zwijgend en
lijdzaam,’ in plaats van smartelijke ziekte. Korter is ook op 183
‘het vijfde bedrijf van nog verderfvoller ontsteltenis en panische
angsten,’ dan hetgeen wij zeggen zouden nog meer verderf
aanbrengend, tenzij wij voor die uitdrukking in het Hollandsch
verderfelijker bezigen.
Nog een paar voorbeelden van hetgeen men al niet zoo van 't
Hollandsch maken kan; op p. 273 zegt onze Terborger voor hoesten de
omschrijving ‘hoestjes maken en rogchelen;’ en op p. 126
spreekt hij niet van weêrgaloos maar van ‘het uitstekend
eerbewijs van gadelooze goedheid van Pius IX,’ zo ook op
p. 221 ‘zóo ruw, zóo laaghartig en gadeloos gemeen,
als destijds de razernij de losse teugels vierde;’ hier is sprake van een
vreeselijk voorval, dat de vertaler als het ware bij ons heeft overgeplaatst,
ofschoon het te Rome plaats greep; want hij drukt zich aldus uit.
‘Andermaal naderden sjouwers, voerlui en Polsbroekers, om met moker en
bijl de rest van 't (Oostenrijksch) keizerlijk wapenschild tot gruis te
vermorzelen; en daar er juist een met vuilnis bevrachte ezel voorbij kwam,
grepen zij dien, laadden de Oostenrijksche fragmenten in zijn korven, en
terwijl nu twee stevige kerels het vadsige dier bij den halster mennen en een
derde hem bij den staart trekt, kletst en dapper bridst, weêrgalmt het
uit aller tongen: het vuur maar in! en zie daar! met stroo en rijs het vuur der
vreugde ontstoken, de buit er in gesmakt. En de ezel werd naar den Tiber
gedreven, fiksch ingezeept, helderschoon afgewasschen, en nu eerst mogt hij
rein en van alle keizerlijkduitsch oostenrijksche bezoedeling gekuischt, vrij
en ongedeerd weêr voor het front komen.’ Zoo ging het toe met dat
wapenschild, of wapenveld, zoo als op p. 7 staat, waar het 't
zelfde is als geslachtwapen en blazoen van p. 116.
Na al deze nieuwe vormen en uitdrukkingen aangestipt te hebben
vraag ik, of onze vertaler de Hollandsche taal niet merkbaar verrijkte, en toch
is dit nog niet alles, want er is | | | | nog iets anders in ‘de Jood
van Verona’ waarbij ik stil moet staan; ik bedoel de nieuwe beteekenis
door den Terborger aan verscheidene Hollandsche woorden gegeven, welke evenwel
altijd uit het verband duidelijk blijkt, als p. VII ‘zou hun de
verdenking kunnen bijvallen’ voor invallen, p. 63
‘met de kopstukken van Jong-Duitschland houdt hij
briefwisseling’ voor hoofden; op p. 65 ‘daarachter had men
de borden en schotels, de zilveren messen, lepels en vorken opeengetast, en
hier en daar lagen op het ledige plat van het buffet, groene wijngaardranken en
afgeknotte roosjes’ in plaats van afgeplukte. Uit de
geheele beschrijving van het huis op p. 93 blijkt, dat voor binnenplaats
van p. 94 de vertaler zegt ‘hij sloop stilletjes het hofje
uit’ op p. 98; maar niet in dezen zin bezigde hij hetzelfde woord op p.
256 ‘met de innigste godsvrucht van vurig geloof en kinderlijke
hartelijkheid stelde zich het bekommerde kind onder de bijzondere hoede van
Maria, het verborgen boete-leven der nonnen had haar getroffen, zoodat zij de
wereld wenschte vaarwel te zeggen, om in dit Christus-hofje met al heur
bloemen van schoonheid ook de ongerepte lelie harer onschuld over te
planten.’ Op p. 197 staat ‘door de bemiddeling onzer
telegraafboden is de tijding gearriveerd’ in plaats van ons middel
en zoo blijkt uit het verband, dat de vertaler op p. 243 ‘hij schoof in
een vertrek, alwaar het deurtje bij de geheime trap wagenwijd open stond, toen
steeg hij tot op den effen grond naar beneden,’ bedoelde ons
vlak of beganen grond. En op p. 294 ‘wat al domme streken
heeft men tegen die arme Duitschers niet uitgehaald’ zal wel voor
ons bedreven staan. Als ik goed zie, gebruikt onze Terborger op p. 183
‘de schoone wondervolle harmonie in het geheelal’ in plaats
van ons heelal, terwijl hij dit antwoord op p. 72 ‘dit forum, waar
de belangen van het heelal gewikt en beslist werden’ voor de
geheele wereld bezigt.
Men ziet evenwel dat de zamenhang ons altijd voor
begripsverwarring behoedt, die bij die oneigenlijke uitdrukkin-
| | | | gen ligt kan ontstaan; zoo is ook op p. 269 ‘ze zou dit juweeltje
terdeeg hebben gekonterfijt,’ niet in den ouderen zin van
afbeelden maar van misvormen gebruikt, zoo als het verband uitwijst.
Ten slotte iets over de woorden doen en laten. De
Terborger is niet de eenige, die niet juist het verschil tusschen doen
en laten weet. Ik schrijf een paar voorbeelden af om het gebruik van
onzen vertaler duidelijk te maken, p. 10, ‘Torlonia, die de vreemdelingen
in zijn salon deed vergaderen;’ p. 269 ‘heb ik hem niet
honderden malen voorzegd, dat die trotsche wipneus hem nog eens bitter zou
doen schreijen,’ maar p. 39 ‘in het Ghetto heeft hij het
pauselijk wapen laten schilderen,’ en p. 111 ‘opdat aan dien
lusttuin niets haperde, hadden ze voor zangerskoren stellaadjes laten
opslaan.’ Als ik mij niet bedrieg, is het gebruik van het eerste
werkwoord ook ongewoon op p. 97 ‘ik wed, dat er priesters zat gevonden
worden, die missen doen en Tedeums aanheffen;’ ik heb altijd
gehoord van mis bedienen, en liet voor mij in Italië ook wel missen
lezen, maar het doen van een mis is mij zoo ongehoord, dat ik
mijne oogen mistrouwde, las ik het niet in een boek als dit. Zeker is het weder
eene verrijking onzer taal even als met het andere op p. 180
‘onwillekeurig laat ge een gil,’ dat hij op p. 281
heet ‘bij deze woorden slaakte Adilia een hevigen
gil,’ mij dunkt ook hier blijkt de ontwikkeling van onze taal.
Maar ik heb reeds te veel van den lezer gevergd, en zal dus
eindigen; ik zie van mijn plan af om de eigenaardige woordvoeging in dit werk
aan te toonen, ik vlei mij door het voorgaande onze taalkenners reeds zoo veel
belangstelling te hebben ingeboezemd, dat zij van zelf dit boek ter hand zullen
nemen; slechts voor hen, die hiertoe niet komen, nog een paar plaatsen
afgeschreven, om dezen toch een denkbeeld te geven van de duidelijke
schildering in ‘de Jood van Verona.’ Ik kies p. 16 ‘Wel had
zij dat zoontje het leven geschonken, maar al spoedig overvielen het lieve kind
zulke hevige stuipen, dat het in de beangstigde armen
| | | | zijner
moeder den geest gaf; dit verlies viel haar zoo hard, en smartelijk, dat ook
zij onder haar lijden bezweek en stierf.’ Een goed staaltje van
stijl en taal is p. 180 ‘Wanneer gij ooit, beminde lezer! de stad
Napels bezoekt en van dáar, op een kleinen afstand buiten hare muren
(die Napels aan dien kant niet heeft) links van Puozzole (die stad heet
Puozzoli) naar Solfatura (die zwavelkrater heet de Solfatura)
opstijgende, nu en dan den grond onder uw voetzolen voelt trillen, de
onderaardsche afgronden dof uit de diepte hoort stenen en een' koolstof-zure
dampkring, dien de gas- en zwavellucht hier uit de kloven opdoemen, u
den adem bijkans verstikt, ja dan grijpen duizeling, angst en
vervaardheid u aan, en onwillekeurig laat gij een gil: “Ach hemel!
ik voel geen grond meer, ik zink in de diepte!” Zóo is het daar
alles brandend en hol, en ontwaart ge links en regts kolk op kolk, en niet
zelden schieten bliksemflitsen en wervelwinden, onverminderd de
duisternis als van den stikdonkeren nacht, u daaruit tegen. Verder op
door dit schrikoord doordringend, doet de Hondsgrot u ijzen;
waag, zoo ge durft, ettelijke schreden daarbinnen, en de haren
stijgen u ten berge, gij siddert, uw oogappels dwarlen,
ja, een doodskreet ontsnapt aan uw mond, die als een zieltogende naar adem
hijgt, zoodat gij werkelijk zoudt stikken, indien geen meêwaardige gids
zich uwer ontfermde en uit het bereik van dien moordenden pestwalm u op staande
voet uitleidde.’
Levendig is allezins de beschrijving van het rijden op p. 182
‘door de Posilippo-grot, dat hooge langdradige berghol midden door
den boezem van het gebergte henen. Zijt gij daarin eenige voetstappen
voortgeschreden, daar verneemt ge een dof, voor den vreemdeling
onverstaanbaar, door duizende echo's weêrgegeven, gejoel en geschreeuw,
want ondanks en te midden der toenemende duisternissen dezer
grot, is het er een gaan en komen en omgekeerd, zonder eind. En die
stofwolk, al die voetgangers, wagens en paarden, die kudden geiten, dat rundvee
met zijn schellen aan den hals, | | | | dat onafgebroken zweepgeklap der
voerlieden, welk een vreeselijk alarm! En waar het daglicht volstrekt
niet doorbreekt, kunt ge geen twee stappen vôor u iets onderscheiden,
want door de opstuivende stof kon het daar aangebragte lampenlicht
naauwelijks schijnen. En hadden u ginds die zwavelstank in de Solfatura, en die
uit Nero's badstoven opborrelende dampwalmen, en dat geheimnisvolle
nachtzwart der Cimmerische spelonken verhit en bedwelmd, hier, door dit
halfdonker henen, schreeuwt men u van alle kanten doof, onder het geroep van
“Alla montagna! Alla marina!” en omgekeerd, en “Halt! Halt!
ach God! Alla montagna! zeî ik immers?” - “Alla
marina!” “Alla montagna!” En dat veroorzaakt een rumoer, een
gewemel, een wanorde, een geharrewar, ja een wezenlijke revolutie van stemmen,
van gedachten vooral en van gewaarwordingen.’ Mij dunkt de taal van den
nederigen schrijver komt die wezenlijke ommezwaai van zaken vrij wel nabij!
Voor dat ik de pen neêrleg, nog iets over de spelling van
dit Hollandsche boek, onze Terborger is het namelijk met zich zelven omtrent de
voornaamste geschilpunten nog niet eens geworden. Zoo schrijft hij voor de
Fransche g, zjeleijen op p. 123 maar ook sersjant op p. 245; de
i bezigt hij voor de verlenging der klinkers slechts zelden, als voor
sussen op p. 315 zuijen, en voor poehah! op p. 264
bohai! Voor de lange e heeft hij drie vormen, want hij schrijft
met ééne e p. IX trotseren, p. 177 posteren,
p. 316 kommentariëren, maar nu en dan zet hij er het accent op, als
p. IX hantéren, 216 regéren, 231
forméren p. 232 bivakkéren, daarentegen op p. 231
komitee en op p. 307 armee. Het is zeker ter afwisseling, dat hij
op p. 25 schrijft aggripijnsche sofa, op p. 64 sofa's en
aggripina's maar Agrippa op p. 65, even als hij door elkaâr
ja in denzelfden regel schrijft haar en heur, p. IX, 176, 271, of
ook naast de meervoudsvormen op s eenige ongewone op en, p. V
legeren, pag. IX burgeren, pag. 163 karabinieren, p. 306
luitenanten, p. 311 dagbladschrijveren. Soms schrijft hij zoo als
hij spreekt, als op p. 310 heerrelijkste, p. 274 leisels, | | | | maar dit is toch uitzondering. Verder vermijdt hij den Franschen
tweeklank ou in soeverein p. VII, en goevernante p. 74,
die zoo doende een Hollandsch karakter aannemen. Zoo poogt hij ook
eentoonigheid te vermijden door meestal den uitgang iesch te schrijven,
al is de Jood ook eene historische novelle volgens het titelblad, p. V,
VI, 100, 112, Umbrisch, Sanskritisch, naar Pruisiesch-Sardinisch,
en Hetruskische, maar op p. 16 Etruskiesch. De k gebruikt
hij meest in de vreemde woorden, want behalve conserven op p. 123, zegt
hij p. VII karrikaturen, p. VI konventikels, dat ik niet zoo
afkeur, daar op die manier op p. 65 kompot zijnen oorsprong tevens
vertoont, al loopt men dan ook gevaar, dat men aan verwantschap van ons
konkelen gaat denken met ‘konklaaf der
kardinalen.’
Maar genoeg, ik meen mijn best gedaan te hebben om op dit mooije
boek de aandacht van het Hollandsche publiek te vestigen; ik deed het vooral
met het oog op de vele nieuwe woorden, die voor de verzamelaars van het nieuwe
woordenboek niet onopgemerkt mogen blijven. Zullen daarin ook spreekwijzen
opgenomen worden, dan zou ik er nog ééne van onzen Terborger
bijvoegen, die ‘in plaats van zijne oogen te gebruiken, Kijkt met den
elleboog’ p. 269.
En hiermede neem ik afscheid van deze vertaling van ‘de Jood
van Verona,’ die ik een ruimen aftrek toewensch, even als aan den anderen
roman, welke ook te Rome speelt en dezer dagen door den boekhandelaar
Petri te Rotterdam uit het Duitsch vertaald
werd uitgegeven; de titel is mij ontschoten, maar ik weet wel dat de
hoofdpersoon muzikaal was, want meer dan ééns staat er, dat zij
zich aan haar vleugel plaatste, sprekende van een piano.
Leiden, 5 Februarij 1860.
Dr. W.N. du Rieu.
|
|
|