De Taalgids. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Tweede jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1860.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 217]

Onderwerpen uit de theorie der logische analyse.

II.

Kan het woordje er het onderwerp van eenen zin uitmaken?

In het voorgaande nummer van dit Tijdschrift, Jaarg. II, blz. 141-167, heb ik Prof. Roorda's ‘Logische Analyse der Taal’ verdedigd tegen eene ongegronde beschuldiging, voorkomende op blz. 1 van Dr. Van Wieringhen Borski's Handleiding voor de praktische oefening in de zinsontleding. Op de eerste bladzijde van het laatstgenoemde werkje vindt men nog iets, dat den argeloozen lezer, die, in vast vertrouwen op de naauwgezetheid en scherpzinnigheid van den Referent en Leidsman, verzuimt het hoofdwerk na te slaan, noodwendig in den waan moet brengen, dat de Hooggeleerde Wijsgeer en Taalkenner òf geen begrip heeft van hetgeen men in de verschillende takken der wijsbegeerte een subject noemt, òf dat het hem aan genoegzame kennis van onze taal ontbreekt. Ieder rechtschapen mensch, die maar eenig besef van billijkheid heeft, zal gevoelen, dat dit zoo niet blijven kan, en dat het meer dan tijd is om het lezend publiek de oogen te openen. Hij zal daarom zijne goedkeuring niet weigeren aan ‘de Taalgids,’ wanneer deze voortgaat met de verongelijkingen, die de waarheid en de wetenschap hebben geleden, zoo veel doenlijk, goed te maken. Het bedoelde ergerlijke feit, waaruit zulke verziende gevolgen kunnen getrokken worden, schuilt onderaan op de bladzijde. Men leest daar:

‘In: Men lacht, Het regent, Er wordt geklopt, zijn men, het en er, de onderwerpen van de gezegden: lacht, regent, wordt geklopt (bl. 127 en 128).’

[p. 218]

In overeenstemming met het daar geleerde vindt men op blz. 5 de volgende analyse:

‘1. Er onderw. als object.
2. is hier gerookt.{ objectief gezegde, waarin is gerookt
 { hoofdw. hier complem. daarvan.’

De verwijzing in parenthesi: (bl. 127 en 128) slaat, gelijk men weet, op het werk van den Heer Roorda. Wanneer men nu die bladzijden raadpleegt, ziet men, dat daar niet uitdrukkelijk staat, dat het woordje er in dergelijke zinnen het onderwerp is. Wel leest men er, dat het ‘tot onderwerp gebruikt wordt’, maar is dit hetzelfde? Als ik, van een behoeftigen huurkoetsier sprekende, zeg: De man gebruikt een paardedek en een stuk oud tapijt tot of voor dekens, beweer ik dan, dat een paardedek en een tapijt waarlijk dekens zijn? Men kan wel is waar niet ontkennen, dat de gansche redeneering van den Hoogleeraar ter aangehaalder plaatse zeer geschikt is om een verkeerd denkbeeld te verwekken bij een vlugtig lezer, die in eene zomerhitte van 80o Fahrenheit het boek na den maaltijd ter hand neemt om zich te amuseeren en den slaap uit de oogen te houden; maar het boek is ook volstrekt niet geschreven om te amuseeren of om gelezen te worden in omstandigheden, waarin het wel eens meer gebeurt, dat men niet heel goed hoort en leest. En wie weet niet, dat men bij alles, wat men behoorlijk doen wil, zijn gezond verstand moet gebruiken, en dat men wel pratende kan breijen, maar niet goed soezende over de taal philosopheeren? Ook weet ieder verstandig mensch, dat men niet alles letterlijk moet opvatten. Waar zou dat heen? Als iemand uitroept: He! wat gebeurt daar ginder?, en gij geeft ten antwoord: Ja, dat weet ik ook niet; mijn oog viel daar ook al op, dan zou hij al een erge bloed moeten wezen, indien hij, meenende, dat uw oog inderdaad zoo ver weg gevallen was, uit gedienstigheid heensnelde om het u terug te halen. Zoo onnoozel is intusschen de bedoelde misvatting niet. De Schrijver der Handleiding zou zich zeer goed tegen den Schrijver van de Logische Analyse der Taal kunnen ver-

[p. 219]

dedigen, indien deze hem - wat evenwel niet te verwachten is - om de bedoelde vergissing wilde lastig vallen; want deze bezigde even te voren de woorden ‘gebruikt worden tot’ inderdaad in de plaats van zijn; maar een welgezind Referent, die de zaak, welke hij refereert, met hart en ziel voorstaat, zal, zoo veel hij kan en met de eerlijkheid bestaanbaar is, de goede zijde zoeken en eene minder juiste of dubbelzinnige uitdrukking menschlievend op de verstandigste wijze voorstellen en uitleggen. Hij zal er geen bespottelijken zin aan geven. Dit is hier evenwel blijkbaar geschied. De Heer Borski zal zeker bijzondere redenen voor zijne handelwijze gehad hebben; of het mogt wezen, dat hij zelf de zaak niet beter inzag en werkelijk in dien toestand verkeerde, waarin hij den Heer Roorda te zien geeft. In dit geval kon hij wel niet anders en is hij onschuldig, en meer te beklagen dan te berispen. Alleen zou de Heer Roorda het hem tot een klein verwijt kunnen maken, dat hij zich eene te zware taak op de schouders geladen en reeds op de eerste bladzijde van zijn boekje de doorslaandste bewijzen gegeven had, dat hij tegen dat werk niet was opgewassen. De intentie evenwel blijft altijd loffelijk; en wie ook zou gedacht hebben, dat een onnoozel woordeken van twee letters, als dat oolijke er, zoo leelijk in iemands kaarten kon kijken? Laten wij echter thans eens zien, wat er van dat schelmsche er aan is, om te kunnen beoordeelen, of het wel ooit als subject kan voorkomen, en of het ook misschien uit onkunde en gebrek aan doorzigt met een ander woord is verward.

Iedereen weet, dat er in onze taal tweederlei er bestaat. Het eene is de genitivus pluralis van een persoonlijk voornaamwoord van den derden persoon, waarvan de nominativus singularis wel nog in het Friesch gebezigd wordt: Hwet scil er? Hwet siekt er? (Wat wil, Wat zoekt hij?), maar in het Hollandsch buiten gebruik is geraakt. De genitivus singularis es schuilt nog in de woorden iets = iet-'s en niets = niet-'s; en de dativus en accusativus komen onder de vormen em, en en ne veelvuldig voor in het Middelnederl., waar zij encli-

[p. 220]

tisch achter aan de werkwoorden werden gehecht: Ic sachen (Ik zag hem), Hi tracken (hij trok hem), Daer doeptene st. ian (daar doopte hem St. Jan), Walewein quetstene (Walewein kwetste hem). In het Hoogduitsch luidt het: er, …, ihm, ihn; …, ihr, ihr, …; es, …, ihm, es; de genit. van het masculinum en neutrum, die es zou moeten luiden, wordt door seiner vervangen, maar schuilt nog in Nichts. Dit er is door Dr. Kern behandeld in ‘De Taalgids’, Jaarg. I, blz. 87 vv., en ook door Prof. Roorda, Logische Analyse der Taal, blz. 126 en 127. Het is niet dat er, hetwelk hier in aan merking kan komen, want het treedt nooit op aan het hoofd van den zin, maar staat, hoewel afgescheiden, eigenlijk enclitisch achter een woord met den vollen toon: Vrijster, moet Mevrouw ook versche aspersies? - Neen, we hebben er (daarvan) dezen morgen al gekocht. - Dan ook jonge worteltjes? Neen, we hebben er nog; er zijn er nog in huis. - Het andere er, - dat, waarop het hier aankomt - is een bijwoord van plaats, misschien eene verkorting van daar. Prof. Roorda erkent het ten minste als zoodanig. Op blz. 126 van de Log. Anal. der Taal heet het: ‘En evenzoo hebben wij in het aanwijzend voornaamwoord van plaats daar het verkorte voornaamwoord er, dat dus het plaatselijk voornaamwoord genoemd moet worden; (b.v. Wat doet hij buiten? Hij jaagt er); maar dat, evenals daar bij bijwoorden van eigenlijk plaatselijke beteekenis ook menigmaal in de plaats van het zakelijk voornaamwoord gebruikt wordt; bij voorbeeld: Wat hebt gij er tegen? Ik kan er niet wijs uit worden! Wat zegt hij er van? Hij is er tevreden meê.’ Deze woorden van den Hoogleeraar vereischen misschien voor sommige lezers eenige opheldering. Er bestaat in iedere taal eene bijzondere klasse van woorden, die van de overige scherp gescheiden is. De woorden, die er toe behooren, komen daarin overeen, dat zij geen vast en onveranderlijk begrip vertegenwoordigen, maar dat hunne beteekenis afhankelijk is van den persoon, die spreekt of schrijft, of van de plaats, waar, of van het oogenblik, waarop hij

[p. 221]

spreekt of schrijft: b.v. ik, mijn, dit, hier, heden, gij, uw, dat, daar, ginds, morgen, gisteren, straks, zoo even. Zij moeten in drie soorten onderscheiden worden. Die, waarbij men zich eene zelfstandigheid, eenen persoon of een voorwerp, vertegenwoordigt, als: ik, hij, datgene, degene, wie, wat, pleegt men zelfstandige voornaamwoorden te noemen. De tweede soort, waarbij men zich eene bepaling van eene zelfstandigheid voorstelt, als: mijn, deze, zulk, zoodanig, welk, is in de Grammatica bekend onder naam van bijvoegelijke voornaamwoorden. De derde soort, die uit bepalingen van onzelfstandigheden bestaat, en waartoe hier, daar, ginds, herwaarts, derwaarts, heden, gisteren, morgen, straks, weldra, zoo, hoe, enz. behooren, wordt door de Grammatici gewoonlijk niet afzonderlijk vermeld, maar onder de bijwoorden gerekend. Bijwoorden zijn het dan ook inderdaad, doch zij deelen tevens in de natuur der voornaamwoorden, dewijl hunne beteekenis veranderlijk is en geheel van de omstandigheden afhangt. Immers van hetgeen heden geschiedt, zal men morgen zeggen, dat het gisteren gebeurd is, terwijl morgen dan heden, gisteren dan eergisteren zal geworden zijn; wat ik hier noem, zal voor een ander daar of ginds wezen. Men zou deze soort van bijwoorden daarom ook wel voornaamwoorden kunnen noemen, en wel bijwoordelijke voornaamwoorden, naast de zelfstandige en bijvoegelijke, welke in beteekenis met de zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden overeenkomst hebben. Het is dien zin, dat Prof Roorda de bijwoorden daar en er niet ongepast ‘voornaamwoorden’ noemt. Ik heb daar ook niets tegen, mits men de drie soorten behoorlijk onderscheidt en uiteenhoudt, en volstrekt niet uit het oog verliest, dat de zelfstandige voornaamwoorden, evenals de zellfstandige naamwoorden, dienen om zelfstandigheden te vertegenwoordigen; de bijvoegelijke, evenals de bijvoegelijke naamwoorden, om aan bepalingen van zelfstandigheden te denken, en de bijwoordelijke, gelijk alle andere bijwoorden, om bepalingen van onzelfstandigheden, van hoedanigheden, hoeveelheden, werkingen, wijzen van werkingen en geheele

[p. 222]

gedachten, uit te drukken. Vooral moet men dit niet vergeten bij de bijwoordelijke voornaamwoorden, en deze in geen geval verwarren met de zelfstandige, ofschoon sommige niet zelden dienen moeten om in ééne enkele betrekking er den schijn van te dragen en de plaats daarvan te vervullen. De volgende zinnen, door Prof. Roorda aangevoerd: ‘Wat hebt gij er tegen? Ik kan er niet uit wijs worden! Hij is er tevreden meê’, leveren voorbeelden van dat gebruik op. Wat hebt gij er tegen? beteekent: Wat hebt gij tegen dit of dat? tegen dit plan, tegen dat besluit? Ik kan er niet wijs uit worden! is zooveel als: Ik kan uit dat, uit dat schrift, uit dien brief niet wijs worden. Niet alleen er, maar ook hier, daar en waar, en in een minder beschaafden stijl ook ergens en nergens, worden in hetzelfde geval in de plaats van zelfstandige naamwoorden of voornaamwoorden gebezigd; b.v.: Het huis, waarin (= in hetwelk) hij thans woont; Beiden stemmen hierin (= in dit opzigt) overeen; Waardoor (= door wat) heeft hij zich die eer waardig gemaakt? Hier hebt gij een brief, ga daarmede (met dien brief) naar den Burgemeester; Kan ik u ergens meê (= met het een of ander) dienen? Hij weet nergens van (= van niets). Men merke echter wel op, dat de bijwoordelijke voornaamwoorden slechts in één eenig en zeer bijzonder geval de plaats van zelfstandige naamwoorden en voornaamwoorden kunnen bekleeden, te weten, wanneer deze van een voorzetsel verzeld zijn en dus met dit voorzetsel zamengenomen eene bepaling uitmaken, gelijk in al de aangevoerde voorbeelden plaats heeft. De bijwoordelijke voornaamwoorden, of misschien duidelijker: de voornaamwoordelijke bijwoorden behouden dan echter altijd hunne bijwoordelijke natuur, zonder in ware zelfstandige naamwoorden of zelfstandige voornaamwoorden over te gaan. Immers het wezen der bijwoorden bestaat hierin, dat zij bepalingen zijn, bepalingen, die steeds door een zelfstandig naamwoord met een voorzetsel kunnen omschreven worden; b.v. goed is hetzelfde als: op eene behoorlijke wijze; ginder = in de verte; zeer = in een hoogen graad;

[p. 223]

lang = gedurende een langen tijd; heden = op dezen dag; spoedig = in of binnen een korten tijd; nooit = te geener tijd; gemakkelijk = met gemak; duidelijk = op eene ligt verstaanbare wijze; snel = met snelheid. De bijwoorden, die zelfstandige naamwoorden kunnen vervangen, zijn alle bijwoorden van plaats. Nu is hier = op deze plaats, daar = op die of die plaats, waar = op welke plaats, ergens = op de eene of andere plaats, nergens = op geene plaats, er = op de genoemde plaats, of = op eene onbepaalde plaats. Wanneer zij een voorzetsel bij zich krijgen: hierin, daaruit, waardoor, ergens mede, er van, dan wordt als het ware het voorzetsel op, dat in al die woorden ligt opgesloten, tot zwijgen gebragt, en de betrekking, die het uitdrukt, door een bijgevoegd voorzetsel gewijzigd. De gansche verandering komt dus hierop neer: in de plaats van het voorwerp zelf wordt de plaats genoemd, waar het voorwerp zich bevindt, en het voorzetsel, dat in de laatste uitdrukking opgesloten ligt, verliest zijne kracht en zwijgt, zoodat zelfs op in zulk een geval opnieuw uitgedrukt moet worden: hierop, daarop, waarop, ergens op, nergens op, er op. Slechts één geval is er, waarin bijwoorden zonder voorzetsel de plaats van zelfstandige naamwoorden schijnen te bekleeden; namelijk in de volgende uitdrukkingen: de plaats, waar hij woont; de tijd, wanneer hij komt; de wijze, hoe hij dit gedaan heeft. Maar wie ziet niet, dat waar, wanneer, en hoe alsdan hunne eigenlijke beteekenis, d.i. die, welke zij als bijwoorden hebben, geheel behouden? Immers is waar = op welke plaats, wanneer = op welken tijd, hoe = op welke wijze.

Uit het bijgebragte is, meen ik, overtuigend gebleken, dat de bijwoordelijke voornaamwoorden hunne bijwoordelijke natuur nooit geheel afleggen, en in geen geval echte zelfstandige voornaamwoorden worden. Nog overtuigender blijkt zulks, wanneer men opmerkt, dat zij nooit in de betrekking van nominatief, genitief of datief voorkomen, noch in die van den eigenlijken accusatief, die dienen moet om het lijde-

[p. 224]

lijke voorwerp aan te duiden. Men zegt niet: Het paard, waar voor de deur staat, waars pooten wit zijn, waar hij haver gegeven heeft, waar hij heeft gekocht, voor: dat voor de deur staat, welks pooten wit zijn, dat hij haver gegeven en dat hij gekocht heeft; noch het uur, wanneer hij mij bepaald had, was verstreken, voor: dat hij mij bepaald had. Maar indien zoodanige bijwoorden nooit de eigenlijke functies der zelfst. naamw. vervullen, dan kunnen zij ook niet als subjecten, d.i. in den nominatief, voorkomen: er evenmin als de overige. Van een paard sprekende kan men wel zeggen: Ik ben er op hier gekomen en wil er ook weer mede naar huis; maar niet: Er is kreupel, zadel er evenwel, en leid er voor de deur, voor: Het is kreupel, zadel het evenwel en leid het voor de deur. Een genitief ers heeft het ook niet, noch een datief. Men zegt niet: Geef er eerst nog wat voeder, zelfs niet eens: Geef er eerst wat voeder aan. Subjecten stelt men zich altijd als zelfstandigheden voor. Zij zijn òf ware zelfstandigheden, d.i. personen of voorwerpen; òf onzelfstandigheden, d.i. hoedanigheden, toestanden of werkingen. In het laatste geval evenwel worden deze niet door bijvoegelijke naamwoorden of werkwoorden aangeduid, maar door zelfstandige naamwoorden of zelfstandige voornaamwoorden, waardoor zij dan ook als ware zelfstandigheden voorgesteld worden. Men zegt niet: Heet hindert mij, maar: De hitte hindert mij; niet: Zwaar van dien balk, overtreft zwaar van dezen, maar: De zwaarte van dien balk, of Zij overtreft de zwaarte van dezen; niet: Zegt verwondert mij, maar: Uw of Dat zeggen, of Dat verwondert mij. Subjecten kunnen derhalve alleen door zelfst. naamw. en zelfst. voornaamw. worden vertegenwoordigd. Wie er dus voor een subject aanziet, miskent òf de natuur der subjecten, òf die der bijwoorden en zelfstandige naamwoorden, en is heel ver van den weg. De Heer Borski, die anders soms een blind vertrouwen in Prof. Roorda schijnt te stellen en diens eer zoo veel mogelijk tracht op te houden, schijnt hier te hebben gemeend, dat Zijn H. Gel. van dat alles niets wist. Of het

[p. 225]

moest zijn, dat hij het zelf zoo ingezien en zijne eigene verkeerde meening voor die van den Hoogleeraar uitgegeven had. Intusschen wat hiervan zij, kan ons onverschillig wezen; het zij ons genoeg de zaak in te zien en te begrijpen, zoo als zij is.

‘Misschien,’ zal welligt de eene of andere lezer zeggen, misschien heeft tot de vergissing, dat er het subject is in: ‘Er wordt geklopt, Er is hier gerookt, het Hoogduitsch medegewerkt. Dit zegt immers: Es wird geklopft, Es ist hier geraucht worden, en daarin is es werkelijk grammatisch subject.’ Maar is het dan te denken, dat de Heer Borski niet zou geweten hebben, dat het hoogd. es een heel ander woord is, dan ons er? Es is een waar persoonlijk, en dus een zelfstandig voornaamwoord, bestemd om zelfstandigheden, en derhalve ook subjecten te vertegenwoordigen; het kan daarom ook in alle naamvallen voorkomen. In het Oudhoogduitsch luidde het iz. De s is dus ontstaan uit z, evenals in Fass en Wasser, ohd. faz, uuazar. Dit iz is het Gothische ita en het Oudsaksische it, en zou dus, zoo het bij ons nog bestond, et wezen. Ofschoon de t bij ons wel eens in s, en de s in r overgaat, getuige spies, oudt. spiet, wis en gewis van weten, waren voor wazen, verloren van verliezen, zoo hebben die veranderingen toch niet in ons er plaats gehad. De r in er toch is oorspronkelijk, gelijk in alle bijwoorden van plaats, die gebezigd worden bij werkwoorden van rust, of van beweging ergens naar toe, als hier, daar, waar. Het Hoogduitsch zou dus alleen aanleiding tot de vergissing hebben kunnen geven bij Nederlandsche taalgeleerden, die noch het Nederlandsch, noch het Hoogduitsch kennen, maar zoodanige geleerden wagen zich niet aan eene philosophische verklaring van onze taal.

Maar zou de oorzaak ook in een onjuist begrip van subject kunnen liggen? Wij hebben in het vorige nummer van ‘de Taalgids,’ Jaarg. II, blz. 141-157, gezien, dat de Heer Borski geen heel zuiver begrip van praedicaat had, zoo weinig zelfs, dat het tot in het ongerijmde liep. Wanneer wij nu in aanmerking nemen, dat de begrippen van

[p. 226]

subject en praedicaat zoo innig zamenhangen, dat zij onafscheidelijk bijéen behooren, en het eene alleen door het andere, en omgekeerd, kan begrepen worden, dan krijgt dit vermoeden wel eenige waarschijnlijkheid. Trachten wij ons het begrip van subject zoo scherp en duidelijk mogelijk voor te stellen; het is wel der moeite waardig, het is een grondbegrip niet alleen in de Logische Analyse, maar ook in de Logica en in de Psychologie.

In ons vorig, zoo even genoemd opstel hebben wij gezien, dat men noodzakelijk onderscheid moet maken tusschen het grammatische en het logische subject; dat een logisch subject zonder logisch praedicaat, en omgekeerd, een logisch praedicaat zonder logisch subject volstrekt ondenkbaar was; dat het eene zonder het andere in den volsten zin des woords als een onding, een nonens, moest beschouwd worden; maar dat er wel zinnen en uitdrukkingen waren, waarin òf het grammatisch subject, òf het grammatische praedicaat ontbreekt, òf wel beide te gelijk. Om den lezer de moeite van het naslaan te besparen, en tevens ter aanvulling, zal ik hier eenige weinige voorbeelden van zulke onvolledige zinnen opgeven, en het daarin ontbrekende tusschen teksthaakjes aanvullen: [Gij, subject] luister eens een oogenblik. - Wie heeft die ruit gebroken? Ik [heb die ruit gebroken, praedicaat]. - Zal hij het doen? Ja [= hij zal het doen, subject en praedicaat]. - Wat doet hij voor den kost? Schrijven [= hij schrijft voor den kost, praedicaat]. Uit het daar aangevoerde bleek bij gevolgtrekking dat subject en praedicaat, streng genomen, eigenlijk en alleen het logische subject en het logische praedicaat beteekenen; dat deze voorstellingen of begrippen zijn, d.i. werkingen van den denkenden geest, terwijl men door het grammatische subject en het grammatische praedicaat gesproken of geschreven woorden verstaat; dat men bij de laatste de woorden subject en praedicaat niet zoo streng moet nemen, want dat niet alleen het eene zonder het andere zeer goed kan bestaan, maar dat het ook niet zelden gebeurt, dat het grammatische praedicaat

[p. 227]

dienen moet om bij den hoorder of lezer de voorstelling van het logische subject te verwekken; en dat het grammatische subject alsdan volstrekt alle beteekenis mist, gelijk b.v. in den zin: Het regent op dit oogenblik, welke eigenlijk beteekent: Regenen heeft op dit oogenblik plaats, geschiedt op dit oogenblik.

Dat de begrippen van grammatisch subject en praedicaat geheel verschillend zijn van die van logisch subject en praedicaat blijkt nog duidelijker bij eene nadere beschouwing. In een bevestigend oordeel is het praedicaat iets, dat in of aan het subject gevonden wordt. Zeg ik: Het bloed der zoogdieren en visschen is rood, en het doorloopt hun geheel ligchaam, dan beteekent dit, dat ik in de voorstelling, die ik heb van het bloed der zoogdieren en visschen, de gedeeltelijke voorstellingen roode kleur en rondloopen heb opgemerkt. Wanneer ik mij bloed, met al zijne hoedanigheden, als roodheid, vloeibaarheid, warmte, beweging, voedende kracht, stolbaarheid enz., voorstel, dan moeten zich in die voorstelling van het subject ook de praedicaatsvoorstellingen rood en rondloopen bevinden. Er bestaat dus eene onmiddellijke betrekking tusschen subject en praedicaat. Dit geldt echter alleen van het logische subject en het logische praedicaat, niet van het grammatische. Of geef ik met het bovenstaande oordeel te kennen, dat het woord, de klank: rood, in de woorden of klanken: Het bloed der zoogdieren en visschen, gelegen is, of misschien dat de letterteekens b, l, o, e en d het geheele ligchaam van zoogdieren en visschen rondloopen? Men ziet de verhouding tusschen het grammatische subject en praedicaat is geheel anders dan die tusschen het logische subject en praedicaat.

Om de begrippen en de verhouding goed te vatten moeten wij beginnen met zinnen, wier grammatische vorm met de daarin uitgedrukte gedachten overeenstemt: Het ijs is koud, IJzer roest ligt. Hierin zijn de woorden, d.i. de gesproken klanken of de geschreven letterteekens: het ijs en ijzer de grammatische subjecten, en zij heeten zoo, l. omdat ik mij

[p. 228]

bij het ijs water voorstel, in den toestand van een vast ligchaam, en bij het woord ijzer het bekende nuttige metaal; en 2. omdat ik deze voorstellingen tot subjecten maak. Woorden of reeksen van woorden heeten derhalve in zulke zinnen dan de grammatische subjecten, wanneer zij de logische subjecten vertegenwoordigen. Evenzoo heeten de woorden: koud en roest ligt, de grammatische praedicaten, omdat ik mij daarbij de praedicaatsbegrippen, de logische praedicaten: koude en geneigdheid tot roesten, voorstel. De onmiddellijke betrekking tusschen het grammatische subject en het grammatische praedicaat bestaat eenig en alleen daarin, dat beide binnen den omvang van eenen en denzelfden zin voorkomen, en dat - hetgeen wel niet anders kan - het eene voorgaat en het andere volgt. Deze onmiddellijke betrekking heeft niets te beduiden en bevat niets kenmerkends, daar alle andere woorden in eenen zin onderling in dezelfde betrekking staan. Maar de eigenlijke karakteristieke betrektrekking is middellijk of, zoo als men ook wel zegt, zamengesteld, en wel drieledig, even als b.v. de betrekking tusschen twee neven. Albert is een zoon van den Heer Binkhorst, de Heer Binkhorst een broeder van Mevrouw Crusius en Daniel een zoon van Mevrouw Crusius, en daarom is A. de volle neef van D. Deze verschillende betrekkingen kunnen aldus voorgesteld worden:

A, zoon van B, broeder van C, moeder van D.

De betrekking tusschen A en D gaat als het ware door B en C heen; neef A behoort bij neef D, omdat B als broeder bij C behoort, en A en D ieder respectievelijk bij B en C behooren. Evenzoo is het bij het grammatische subject en praedicaat:

1. Gramm. Subj. - 2. Logisch Subj. - 3. Log. Praedic. - 4. Gramm. Praed.

De band tusschen 1 en 4 ligt in de eerste plaats en eigenlijk in de betrekking tusschen 2 en 3, en vervolgens in die tusschen 1 en 2 , en 3 en 4; 1 is de uitdrukking van 2, 2 behoort als subject bij 3, en 4 is de uitdrukking

[p. 229]

van 3. De gewone, normale betrekking tusschen het grammatische subject en praedicaat is derhalve drieledig, en de beteekenis dezer benamingen is niet eigenlijk, maar slechts overdragtig; woorden of uitdrukkingen heeten alleen daarom subjecten of praedicaten, omdat zij de teekens voor de ware, eigenlijke subjecten of praedicaten zijn. Maar wanneer de grammaticale vorm van een zin niet in overeentemming is met de gedachte, die hij uitdrukt, dan verandert dikwijls ook de verhouding tusschen het grammatische subject en praedicaat, en dan steunen die benamingen op andere gronden. In den zin: Het ontbreekt hem aan ijver, is het 't grammatische subject, en al de overige woorden: ontbreekt hem aan ijver, maken het grammatische praedicaat uit. De logische gedachte, die in dien zin ligt is echter: IJver ontbreekt hem, waarin de voorstelling ijver het logische subject, en ontbreekt hem het logische praedicaat is. Of misschien wordt de gedachte beter door de volgende zinnen uitgedrukt: Zijn gebrek ligt in zijn ijver, of: Iets ontbreekt hem, en dit gebrek ligt in zijn ijver. Hoe men haar ook opvat, het logische subject, hetzij dan ijver, hetzij gebrek, wordt niet vertegenwoordigd door het, maar zit in het grammatische praedicaat, hetzij in het werkwoord: ontbreken, hetzij in de bepaling: aan ijver. Wat maakt het hier dan tot gramm. subject? Immers louter de vorm van den zin, die hier volstrekt een woord wil, dat ten minste den schijn van een subject heeft. En is het dan niet natuurlijk, dat de taal om dien schijn te bewerken steeds een woord zal kiezen, hetwelk men gewoon is voor subject aan te zien, d.i. een woord, hetwelk in vele gevallen inderdaad het logische subject vertegenwoordigt. Wanneer een dief of zakkeroller zich het voorkomen wil geven van een fatsoenlijk man uit den voornamen stand, dan trekt hij niet het pakje aan van een molenaarsknecht of een schoorsteenveger; hij zal zich dan als een heer kleeden en zoo goed mogelijk beschaafde taal spreken. Tot de zoodanige woorden nu, die dikwijls als subject optreden, behoort het. Van een kind, een boek, een papier sprekende,

[p. 230]

zegt men: Het speelt, Het ligt op den lessenaar, Het is verscheurd. Daarom gebruikt men het ook in de existentiale oordeelen, betreffende het weder en den tijd, die wij in het vorige opstel hebben leeren kennen, b.v. Het dondert = Donderen heeft nu plaats; Het is tijd = De tijd (voor iets) is nu, is nu aanwezig. In zinnen, waarin het logische onderwerp uitgedrukt wordt door woorden, die anders niet dienen om subjecten te vertegenwoordigen, namelijk door infinitieven en bijzinnen, bezigt men om den vorm dikwijls twee grammaticale subjecten; b.v.: Het is gezond veel te wandelen; Het is goed, dat gij mij waarschuwt, voor: Veel te wandelen is gezond; Dat gij mij waarschuwt, is goed. Het is dan een grammaticaal subject, maar strikt genomen overtollig, omdat de logische subjecten werkelijk vertegenwoordigd zijn door de grammatische: veel te wandelen en dat gij mij waarschuwt. Het dient hier blijkbaar om aan de zinnen een beteren rhythmischen vorm, een welluidender val te geven. Grammaticale subjecten zijn derhalve woorden of reeksen van woorden, waardoor de logische subjecten òf inderdaad òf in schijn worden vertegenwoordigd. Het bevreemdende verschijnsel, dat het grammatische subject in sommige zinnen ontbreekt, is dus uit zijne natuur gemakkelijk te verklaren. Het kan gemist worden, zoo dikwijls de beteekenis van den zin zonder zijn aanwezen duidelijk genoeg is. De beteekenis van Regent is niet duidelijk. Men weet niet, of het een oordeel dan wel eene vraag is, of men het verstaan moet als: Het regent, dan wel: Regent het?; daarom moet hier een schijn-subject aanwezig zijn. Het Latijnsche: Pluit (het regent) daarentegen is voldoende, omdat de vraag Pluitne? (regent het?) luidt en zich dus duidelijk genoeg van het oordeel: Pluit, onderscheidt. De voornaamste reden, waarom de taal somtijds een schijn-subject vereischt, ligt wel hierin, dat een verbogen werkwoord (verbum finitum) nooit aan het hoofd van oordeelen komt te staan. Wanneer een zin met een werkwoord begint, is hij altijd òf eene vraag: Komt hij? òf een bevel:

[p. 231]

Kom morgen, òf een wensch: Leve de Koning! Gave God, òf een hypothetische bijzin: Doet hij het, dan is hij ongelukkig; maar een oordeel moet altijd met een ander woord beginnen: Hij was gisteren erg ongesteld. Gisteren was hij erg ongesteld. Erg ongesteld was hij gisteren. Daarom beginnen de existentiale oordeelen in den lijdenden vorm, waarin geen gramm. subject voorkomt, steeds met een bijwoord van plaats, of met eene bepaling van plaats, bestaande uit een voorzetsel met een zelfst. naamwoord; als: Hier Daar, Ginder wordt gedanst; In het bosch wordt veel gewandeld; In dit water mag niet gevischt, en in dat park mag niet gejaagd worden. Het werkwoord kan in zulke zinnen, omdat zij oordeelen zijn, niet vooraan staan, en daarom gebruikt men het onbepaalde bijwoord van plaats er = op deze of gene plaats, wanneer eene bepaalde aanwijzing van plaats ontbreekt: Er wordt gedanst, gewandeld, niet gevischt, niet gejaagd. Opmerkelijk is het, dat zulke zinnen steeds juist eene bepaling van plaats bij zich moeten hebben. Lang werd gedanst, Hevig werd gekeven, Verrukkelijk werd gespeeld, kan men niet zeggen; er moet ten minste er of een andere plaatsbepaling bijgevoegd worden: Lang werd er gedanst, Hevig werd er in de herberg gekeven, Verrukkelijk werd daar gespeeld, Nog nooit is hierin gevischt; doch liefst zet men de plaatsbepaling voorop: In de herberg werd hevig gekeven, Daar werd verrukkelijk gespeeld, enz. De reden van die constructie moet daarin gezocht worden, dat het existentiale oordeelen zijn, dat is: zinnen, waarin het werkelijke bestaan van eene zelfstandigheid of van eene werking gepraediceerd wordt. Alles, wat wij ons als werkelijk bestaande denken, stellen wij ons voor als bestaande of voorvallende in de ruimte. Ruimte is iets, dat wij uit onze voorstellingen van bestaande dingen en werkingen niet kunnen verbannen, en de taal heeft de vermelding daarvan aangegrepen als het geschiktste middel om het reëele bestaan uit te drukken. Daarom beginnen de meeste zinnen, die een oordeel van existentie bevatten, met eene bepaling van plaats,

[p. 232]

en wel liefst met er, hetwelk dan een onbepaald bijwoord van plaats is en gelijk staat met: op de eene of andere plaats: Daarom zegt men: Er is, of Er bestaat een God; Er zijn, of Er bestaan geene spoken, voor: Een God is of bestaat, Spoken zijn niet of bestaan niet, Er wordt over die zaak veel gebeuzeld. Aan deze wijze van voorstelling hebben de uitdrukkingen: plaats hebben, vinden of grijpen, stattfinden, locum habere, avoir lieu, to take place, dastellen, Daseyn, Il y a, arriver (komen aan eene plaats en gebeuren) hun ontstaan te danken. Door het menigvuldige gebruik van er in existentiale zinnen heeft er, eene geheel eigenaardige kracht gekregen. De uitdrukking: Een God is of bestaat (waarin God tegelijk log. en gramm. subject, en is of bestaat log. en gramm. praedicaat) is minder krachtig en duidelijk dan: Er is of Er bestaat een God; maar waarom zou er hier hebben opgehouden een bijwoord van plaats te zijn om persoonlijk voornaamwoord te worden, ten einde geheel noodeloos en ongepast het subject God te vertegenwoordigen, hetwelk straks genoemd zal worden. Indien er in de zinnen, waarin over de existentie van zelfstandigheden geoordeeld wordt, een bijwoord van plaats is, hetwelk juist moet dienen om het eigenaardige van die zinnen te doen uitkomen, waarom dan ook niet in zinnen als: Er wordt gevochten, Er is hier gerookt, waarin de existentie van werkingen wordt beweerd en een grammatisch subject overtollig is? Ik geloof, dat niemand, die het verhandelde onbevooroordeeld overweegt, dit zal blijven staandehouden. Trekken wij dat alles te zamen, dan hebben wij gezien: 1. dat er een voornaamwoordelijk bijwoord van plaats is, hetwelk òf overeenkomst heeft met een persoonlijk voornaamw. van den derden persoon en op eene te voren genoemde plaats terugslaat, b.v. Wat doet men toch in die kroeg? Men kijft er, even als b.v. hij terugziet op een te voren genoemden persoon: Wat doet die man voor den kost? Hij weeft; òf aan eene geheel onbepaalde plaats doet denken: Er wordt over dit punt nog veel getwist. Er zijn geene spoken.

[p. 233]

2. dat er, gelijk andere bijwoorden van plaats, wanneer het van een voorzetsel vergezeld gaat, dienen kan om aan een voorwerp te doen denken, maar dat het dan zijne bijwoordelijke natuur niet aflegt;

3. dat er, even weinig als andere bijwoorden van plaats, nooit een waar zelfstandig voornaamwoord wordt, en dus ook nooit de geschiktheid kan hebben, om in een zin het subject te vertegenwoordigen;

4. dat de zinnen, waarin er naar het gevoelen van sommigen het grammaticale subject zou zijn, geen gramm. subject, maar juist een bijwoord van plaats vereischen, en dat zij daarom veeleer minder duidelijk en krachtig zouden wezen, indien er daarin als persoonlijk voornaamwoord het subject vertegenwoordigde.

Men kan natuurlijk niet vergen, dat iedereen dat alles zoo precies inziet en weet. De Heer Borski schijnt dit ook zoo te begrijpen; maar eenigzins bevreemdend is het, dat Z. Z. G. zich zelven zoo weinig gelijk is gebleven. In den zin: ‘In het bosch wordt zelden gewandeld,’ is volgens hem ‘volstrekt geen subject denkbaar,’ en toch zou er - volgens hem - een kunnen aanwezig zijn in: ‘Er wordt geklopt!’ ‘Er is hier gerookt?’ Welk eene ergernis moet Z.Z. G. door dit beweren gegeven hebben aan zijn stadgenoot, den Heer Q. N., een man, die inconsequenties voor ‘de ergste zonden tegen de Logica’ houdt, en die, naar het zeggen van mijn melancholischen vriend Dr. Skarp, daarvoor banger moet wezen dan een dolle hond voor water, zoodat hij als een ijlende koortszieke zelfs daar inconsequenties meent te zien, waar met de grootste logische juistheid geredeneerd is.

Laten wij thans eens nagaan, wat Prof. Roorda ter aangehaalder plaatse van er zegt. Op bl. 127 leest men:

i. Verder heeft men in het Hollandsch ook voornaamwoorden voor een onbepaald onderwerp, om een onderwerp, of iets waarover men spreekt, op een geheel onbepaalde of onbestemde [?] wijze voor te stellen of aan te duiden, omdat men het namelijk niet noemen kan, daar het slechts

[p. 234]

onbepaald of donker voor den geest staat, of omdat men het niet noemen wil.’

Dan worden onder 1o. als onbepaalde onderwerpen voor personen opgenoemd: men, iemand en zij of ze: ‘Men zegt het; Iemand kan geen twee heeren dienen. Ze voorspellen een strengen winter.’ Vervolgens heet het:

‘2o. wordt tot voornaamwoord van onbepaald onderwerp, wanneer men het als een zaak wil aanduiden, het zakelijk voornaamwoord het gebruikt; bij voorbeeld: Het regent, Het ontbreekt hem aan krachten; Het werd hem bang gemaakt.’

Men zou hier in de eerste plaats kunnen vragen, tot welke der beide door den Hoogleeraar opgenoemde gevallen de zin: Het regent, moet gebragt worden. Heeft de Nederlandsche natie van regenen een zoo ‘onbepaald of donker’ begrip, dat zij het ‘niet noemen kan?’ Of is het regenen een geheim; of ligt er misschien iets onfatsoenlijks of iets kwetsends in, zoodat men het ‘niet noemen wil’?

In de tweede plaats zou men kunnen vragen, wat Z. H. G. bedoelt met de uitdrukking: ‘wordt gebruikt tot’. Doorgaans bezigt men bij het werkwoord gebruiken het voorzelsel tot, wanneer men het doel opgeeft, dat men met het gebruiken van iets beoogt. Het doel wordt dan uitgedrukt door eene onbepaalde wijs, of door een zelfstandig naamw., hetwelk eene werking te kennen geeft. Zoo zegt men: Tot het smelten van goud en zilver gebruikt men potlooden kroezen; Het vleesch der schapen wordt tot voeding, de wol tot dekking van den mensch gebruikt; en zoo zou de Heer Roorda ook zeer gepast hebben kunnen zeggen: Men gebruikt het woordje het tot of ter vertegenwoordiging, of ter aanduiding van het subject. Maar niemand zal zeggen: In den zin: Mijn vader is ziek, wordt zijn vader tot onderwerp gebruikt; want zijn vader is dan het onderwerp, het is het gramm. subject, en duidt tevens het logische subject aan. De eenige gepaste, en daarom ook de eenige bepaalde en duidelijke uitdrukking zou derhalve zijn: De woorden mijn vader zijn het gramm. subject, en de voorstelling,

[p. 235]

door deze woorden verwekt, is het log. subject. Gebruiken tot onderstelt een wezenlijk onderscheid, geene eenzelvigheid. Men kan daarom zeer goed zeggen: Men gebruikt op de postkantoren rietjes tot pennen, of beter nog: als pennen, want er bestaat verschil tusschen een riet en eene ganzepen; maar men gebruikt geene pen tot pen, omdat eene pen eene pen is.

Evenzoo wordt in den zin: Het regent, het woordje het niet gebruikt tot onbepaald subject, maar het is het grammat subject, ofschoon het dan niet dient, niet gebruikt wordt tot aanduiding van het logische subject, want dit is regenen; dit zit dus in het gramm. praedicaat regent. Waarom, zal men vragen, bezigt de Hoogleeraar hier niet is, maar de uitdrukking: wordt gebruikt tot, welke in zulk een zin volstrekt ongewoon is? Zou het niet zijn, omdat Z. H. G. gevoelde, dat het niet op dezelfde wijze subject is als men, iemand en zij, die èn de gramm. subjecten zijn, èn tevens de logische subjecten aanduiden, terwijl het bloot gramm. subject is? Indien die gissing gegrond mag heeten, dan ligt de oorzaak van de zonderlingheid en duisterheid der uitdrukking daarin, dat de Hoogleeraar, gelijk wij reeds de vorige maal gezien hebben, verzuimd heeft het grammatische van het logische subject te onderscheiden. Wat men zich niet goed voorstelt, kan men ook onmogelijk goed zeggen, en duisterheid van uitdrukking verraadt een duister begrip.

Maar lezen wij verder:

‘3o. gebruikt men evenzoo tot voornaamwoord van onbepaald onderwerp, wanneer men het als iets plaatselijks wil aanduiden het plaatselijk voornaamwoord er; bij voorbeeld: Er valt sneeuw; Er wordt aan de deur geklopt. Zoo spreekt men namelijk in het Hollandsch in zulke zinnen, waarin men over geen súbject of óbject spreken wil, maar alleen wil zeggen, dat iets plaats heeft of geschiedt.’

Ook deze woorden zijn van duisterheid niet vrij te pleiten; wie het zelf niet reeds beter weet, dan de Hoogleeraar het hier zegt, die kan het niet vatten. Wat beteekent ‘voornaamwoord’ hier? Moet men er een zelfstandig voornaam-

[p. 236]

woord door verstaan, of een voornaamwoordelijk bijwoord? Maar noch het een, noch het ander kan het zijn; want wij hebben gezien, dat er niets van een zelfstandig voornaamwoord heeft, dat het een bijwoord is en blijft; en wij hebben ook gezien, dat een bijwoord in het geheel niet geschikt is om een subject uit te drukken, dat men daartoe volstrekt een zelfst. naamw. of een zelfst. voornaamw. noodig heeft. - En wat moet plaatselijk beteekenen in: ‘wanneer men het’ d.i. het onbepaalde onderwerp, ‘als iets plaatselijks wil aanduiden?’ Kan er sneeuw vallen of aan eene deur geklopt worden, zonder dat zulks ergens in de ruimte, op de eene of andere plaats geschiedt? In dien zin is letterlijk alles, wat mep zich als bestaande of voorvallende denken kan, ‘plaatselijk’ te noemen. Doch mogelijk zal de een of ander aanmerken, dat plaatselijk doorgaans eene andere beteekenis heeft, b.v. in uitdrukkingen als: plaatselijk bestuur, plaatselijke schoolcommissie; en dat het dan de betrekking tot eene bijzondere plaats uitdrukt en tegenover gewestelijk, provinciaal of algemeen staat, b.v. tegenover: gewestelijk bestuur, provinciale schoolcommissie. Maar beteekent er dan in de zinnen: Er is een God, Er zijn geene spoken, dat het bestaan van God aan eene bepaalde plaats is verbonden, en dat er alleen op zekere bijzondere plaatsen geene spoken zijn, maar overal elders wel?

Wat moet men denken van zinnen, ‘waarin men over geen subject of object spreken wil?’ Bestaan er dan zinnen zonder subject? Of spreekt men in een zin soms over iets, waarover men in het geheel niet spreken wil? Is een zin dan niet de uitdrukking van eene gedachte, en zijn er gedachten, waarin men over niets denkt? Er is en gebeurt zeker heel veel in de wereld, dat wij niet begrijpen, hetwelk toch waarlijk is en gebeurt, en dat wij dus wel aannemen moeten; ik wil al dat onbegrijpelijke en ondenkbare ook aannemen, maar vraag dan eindelijk, waartoe in zulk een zin, waarin men over niets ‘spreken wil’, door middel van het woordje er dan toch met geweld een subject binnen gesleept? Is het omdat men, volstrekt niet over iets

[p. 237]

willende spreken, toch over iets spreken wil? - Of wil Prof. Roorda zeggen, dat men in zulke zinnen niet over eene zelfstandigheid, niet over een persoon of zaak, maar over eene werking als subject spreken wil; hoe is zijne uitdrukking dan in overeenstemming te brengen met hetgeen hij op blz. 28 gezegd had: ‘dat de mensch in zijn taal niet enkel werkelijke zelfstandige dingen of wezens, maar ook afgetrokken begrippen, zooals van een hoedanigheid, toestand, werking of verandering, als voorwerpen zich voorstelt, beschouwt en benoemt?’ Zeggen wij ook niet dagelijks: De wandeling heeft mij goed gedaan. Het beleg duurde tien jaren, en beteekenen wandeling en beleg iets anders, dan ‘hetgeen plaats heeft,’ en hebben deze zinnen geen subject?

Maar lezen wij al wederom verder:

‘Het onderwerp, waarover men spreekt, is dan niet een persoon of zaak; maar eene omstandigheid, iets dat plaats heeft.’ - Is omstandigheid en iets dat plaats heeft hetzelfde? Op een bal ‘heeft dansen plaats;’ maar is dansen daar eene ‘omstandigheid?’ Zou het niet de hoofdzaak zijn, die het wezen van het bal uitmaakt? Zou men het niet veeleer eene omstandigheid noemen, indien het bal op iemands verjaardag werd gegeven, of indien een der dansers zijn voet verstuikte? En hoe zijn de aangehaalde woorden te rijmen met de onmiddellijk voorafgaande, waarin gezegd is, dat men in zulke zinnen over geen subject of object spreken wil? Hebben zij dan tegen wil en dank van den spreker toch een ‘onderwerp’ gekregen?

‘Wordt nu deze omstandigheid,’ die het ingedrongene of ingesleepte onderwerp is, waarover men spreekt, ‘niet in het begin van den zin door een bepaalde benaming of een ander voornaamwoord als onderwerp aangeduid, dan geschiedt dit door het woordje er. Zoo zegt men: In dit park wordt zelden gewandeld; Tegenwoordig wordt veel gereisd; Over den prijs wordt nog onderhandeld; maar: Er wordt zelden in dit park gewandeld; Er wordt tegenwoordig veel gereisd; Er wordt nog onderhandeld over den prijs.’

[p. 238]

Hier dringen zich al weder verscheidene vragen en twijfelingen op. In dit park en tegenwoordig kunnen zeer goed uitdrukkingen van omstandigheden heeten, maar geven deze woorden dingen te kennen, waarvan men bij voorkeur zeggen zal, dat zij ‘plaats hebben?’ Zijn zij werkelijk de onderwerpen van die zinnen? drukken zij inderdaad datgene uit, waarover geoordeeld, waarvan iets gezegd wordt? - Zou er hier waarlijk de plaats moeten bekleeden van: in dit park, tegenwoordig en over den prijs? Drukken tegenwoordig en over den prijs hier iets ‘plaatselijks’ uit, zoo als aan het begin van deze alinea 3o, gezegd wordt? Ziedaar een aantal vragen, waarop moeijelijk andere antwoorden dan: Neen, neen! te vinden zijn, maar die noodzakelijk moeten oprijzen bij ieder, die denkt over hetgeen hij leest, wien het niet te doen is om klanken zonder zin, maar om heldere begrippen en gedachten, en die niet gezworen heeft alles mooi en verstandig te vinden wat eenen schrijver mag goed dunken op het geduldige papier te zetten? Kan men het den Heer Borski zoo euvel duiden, indien hij in verbijstering, die aan wanhoop grenst, ook hier, even als in 2o, de uitdrukking: wordt gebruikt tot, voor eensluitend houdt met is, en, vergetende, dat hij nog geene minuut geleden gezegd heeft, dat in dergelijke zinnen geen subject denkbaar is, nu er toch voor het subject van zulk een zin verklaart?

 

L.A. te Winkel.