|
|
|
| |
| | | |
Over een paer vraegstukken van taelkundigen aert.
door Prof. J. David. (Voorgelezen op het
Taal-Congres te 's Hertogenbosch.)
Daer blijven in onze tael, even als in vele andere, of laet ik
zeggen in alle levende talen, steeds onbesliste vraegstukken, waeromtrent men
voortdurend dobbert, schrijvende deze zus, gene zoo, volgens ieders eigen
begrip of inzigt. Andere punten worden, in het gebruik, voor vastgesteld
gehouden en genoegzaem algemeen nagekomen, alhoewel zij op geene goede gronden
steunen en men ze derhalve te regt kan in twijfel trekken, ja tegenspreken.
Meer dan ooit echter is men er heden op gezet om, het zij door een ernstig
onderzoek het duistere te verklaren, het onzekere te vestigen, het zij, door
eene nadere toetsing aen de eigenschap of de regels der tael, de verouderde
misgrepen te herstellen: en reeds, als ieder weet, zijn er, in de geleerde
tijdschriften van ons achtbaer medelid Dr.
De Jager, eene menigte van gebruikelijke
woorden of spreekwijzen door kundige handen op den proefsteen gebragt, en
nauwkeurig bewezen van goed of slecht gehalte te zijn, tot groot voordeel onzer
spraek, die niet min te verliezen heeft bij valsche woordsmederij of het
invoeren van germanismen en barbarismen, dan zij winnen kan door nieuwe termen
en uitdrukkingen op de analogie gegrond en met den waren aert der tael
overeenstemmende. | | | |
Het zij mij toegelaten uwe aendacht een oogenblik te vestigen op een
woordje van dagelijksch gebruik, dat zoo oud is als onze volksstam zelf, maer
dat, naer mijn inzien, sedert een paer eeuwen niet altijd met bescheid wordt
aengewend. Het geldt namelijk het adjectivael telwoord al. Is het waer
dat, gelijk de grammatici het opgeven, dit woordje, wanneer het gevolgd is van
het artikel of van een bezittelijk voornaemwoord, immer onveranderd blijft, en
dat men, sprekende van deze leer, zeggen moet dat zij gemeen is aen al
en niet aen alle de spraekkunstschrijvers? Het is de beroemde
Hooft die, zoo wij ons niet bedriegen, de
eerste zulks heeft beweerd in zijne Waernemingen op de Hollandsche tael
1), alwaer het luidt, § 9:
al, voor 't artikel, schijnt niet gedeclineerd te willen zijn;
en sedert heeft men hem dit nagezegd, zonder te onderzoeken of de vermaerde man
zich door den schijn niet heeft laten misleiden.
Evenwel is het zeker dat onze middeleeuwsche schrijvers de
onbuigzaemheid van het woord niet hebben erkend, zoo min als de opstellers van
den Staten-Bijbel, als
Huydecoper toont in het tweede Deel zijner
Proeve, bl. 366, waer het tevens aenkomt op een vers van
Vondel, die den onderstelden regel niet eens
vermoedde. Wat het volksgebruik betreft, kunnen wij getuigen dat, zoo niet in
Noordnederland, ten minste in de zuidelijke of Belgische provincien,
alle zoo dikwerf gehoord wordt als al.
Men ziet dus dat de meening van Hooft weinig steun heeft.
Maer hoe komt het dan dat hetgeen voor hem slechts een schijn was, na
hem door allen of nagenoeg allen voor een stellig feit is aengenomen geworden
en tot stelregel gemaekt? Wij houden het daervoor dat Hooft noch zijne
navolgers den waren aert van ons onbepaeld telwoord niet hebben ingezien, en
dat daeruit het misbruik is voortgesproten. Voor ons, althans, is het duidelijk
dat al met eene | | | | tweevoudige kracht of beteekenis in de rede
kan aengewend worden, namelijk met eene collectieve of met eene
distributieve kracht, en dat in het eerste geval het telwoord
onveranderd moet blijven, maer daerentegen in het tweede geval wel degelijk
behoort verbogen te worden.
Een paer voorbeelden zullen dit opklaren. Wanneer ik zeg: de
veldheer is mat al zijne krijgsknechten vertrokken, of de vader is met
al zijne kinderen op reis gegaen, zoo spreek ik wel zeker van de gewapende
manschap of van de kinderen collectief genomen, en niemand, meen ik, zal hier
denken om het telwoord te verbuigen. Doch wanneer ik zeg dat de veldheer aen
alle zijne krijgsknechten dubbel soldij heeft gegeven, zoo neem ik de
manschap niet meer in globo, maer iederen krijgsknecht in 't bijzonder,
en zou het in 't Latijn vertolken door singulis militibus. Zoo wederom,
als ik zeg dat de vader, uit den vreemde weêrkeerende, voor alle
zijne kinderen een geschenk heeft meêgebragt, dan druk ik, door het
verbuigen des telwoords, een distributief begrip uit; en zeg ik, in stede van
een geschenk, een bijzonder of verschillig geschenk, dan
zou het onverbogen al eene soort van tegenspraek in de termen vertoonen,
ja eenigerwijze wartael mogen heeten.
Het is waer, men kan, in zulke gezegden, het telwoord vermijden en
eene andere wending aen de rede geven; doch zulks ligt buiten de vraeg. Het is
ook waer dat, in vele gevallen, het vrij onverschillig kan wezen of men
al in eenen collectieven dan wel in een distributieven zin opvatte - en
daer ligt waerschijnlijk de eerste oorzaek der verwarring; - maer het
onderscheid is niettemin wezentlijk, en ik beweer dat, om nauwkeurig te zijn,
men sprekende van een huisgezin, behoort te zeggen: alle de kinderen zijn
zwart van hair, of hebben bruine oogen, of zijn vernuftig,
dewijl in deze voorbeelden het collectief denkbeeld noodwendig uitgesloten
blijft.
Zoo veel van al of alle.
Gaen wij over tot een ander punt, betreffende zekere adverbia of
liever adverbiale uitdrukkingen, waeromtrent het | | | | gebruik insgelijks
wankt en, naer ons inzien, soms buiten het goede spoor loopt. Sommigen
schrijven geenzins, anderen geenszins. Dat beide te wettigen is,
blijkt nagenoeg van zelf. Maer wij kunnen zulks niet zeggen van eenigszins,
anderszins, alleszins, gelijk men die woorden hier en daer aentreft. Ik wil
niet onderzoeken hoe men in de middeleeuwen met die adverbia omging, des te min
dat zij bij onze oude schrijvers zelden of nooit voorkomen; maer in den
huidigen toestand der tael houde ik het daervoor dat zij onregelmatig zijn.
Immers de adjectiva eenig, ander, al worden, althans heden, in genitivo
verlengd met den uitgang en, en men zegt des eenigen zoons, des
anderen boekdeels, allen mans voordeel. Men zou derhalve ook, om analogisch
voort te gaen, behooren te schrijven eenigen, anderen, allen zins,
gelijk dit laetste werkelijk door sommigen geschreven wordt. Doch wij meenen
dat het verkieslijk is het adjectief, of het eerste deel der samenstelling,
onveranderd te laten, en enkel het laetste door de adverbiale s te
kenmerken, en zulks om deze reden. De ouden hielden veel minder dan wij van
samenstellingen; zij schreven bijkans alle woorden afzonderlijk, en verbonden
slechts artikels, pronomina en preposities, bij wijze van proclitica of
enclitica, aen het hoofdwoord. Zoo schreven zij des anders daghes
even als des selfs daghes, en zoo ook bloofs hoofts, goeds moeds,
alles afzonderlijk. Dit waren dan absolute of, wil men, adverbiale
spreekwijzen, maer geene eigentlijk gezegde adverbia. Ten minste geeft men dien
naem met veel meer regt aen zulke uitdrukkingen welke, volgens het hedendaegsch
spraekgebruik, tot één woord versmolten zijn. Maer dan ook is er
geene reden meer om de onderscheiden deelen der samenstelling te kenmerken, en
men volstaet met aen den enkelen uitgang de adverbiale s toe te voegen,
schrijvende eenigzins, anderzins, allezins, en mede ja geenzins,
even als men luidkeels zegt, en veelzins, en anderdeels,
en 's anderdags, en somtijds, barvoets, dikwijls, grootelijks,
enz.
|
1)Deze Waernemingen zijn opgenomen door
Ten Kate in het eerste Deel zijner
Aenleiding, bl. 716, vlgg.
|
|