TAALSNIPPERS.Op bladz. 41 van den eersten jaargang van dit tijdschrift merkt de Red. op, dat de Zeeuwen het werkwoord mogen in de dubbele beteekenis van mogen en moeten gebruiken. Dit is echter slechts van toepassing op den onvolm. verl. tijd; in de overige tijden wordt het verschil behoorlijk in acht genomen. De onv. verl. tijd van mogen, ik mogt (mocht) of ik most, en evenzoo is die van moeten, ik most of ik mogt (mocht). De vormen mocht en most worden met elkander verwisseld en verdienen o.i. een plaatsje onder de voorbeelden van den overgang van ch tot st, door den grondigen woordafleidkundige V. d. Helm bijeengebragt (Taalgids, II, 255 en vv.).
Bij de lezing van het door den Heer V. d. Helm meêgedeelde, betrekkelijk de afleiding van groen-sweerde herinnerde ik mij het Engelsche greensward gevonden te hebben in childe Harolds pilgrimage van Lord Byron. In het 49e vers van den eersten zang luidt het:
Sward wordt dan ook in Walker's Pronouncing Dictionary verklaard door the skin of bacon en the surface of the ground. In de eerste beteekenis kent men het in Zeeland nog en luidt het zwêrd, met den klank der e in wereld. In hetzelfde woordenboek wordt greensward, greensword, verklaard door the turf on which grass grows.
Parijsch staat in de plaats van Parijssch (Taalgids, II, bl. 285; Brill, Holl. Spraakl., bl. 401). Zoo ook staat Sluisch voor Sluissch, Goesch voor Goessch, enz. Velen schrijven nogtans, wanneer het woord met e verlengd wordt, Sluissche, Goessche, enz. en zoo ook, wanneer het woord in lettergrepen wordt gesplitst, daar zij beweren, dat in dat geval de uitgeworpene s hare plaats herneemt. Daarenboven - zoo zegt men - wordt daardoor een gewenscht onderscheid in acht genomen tusschen Goessche en Groêsche gevormd van Goes en Groê, enz. Hoe denken de lezers van de Taalgids hierover?
J.H. v. D.. |