[p. 71]

IETS OVER DE VERBUIGING.

Antwoord op vraag 22: ‘Is de verbuiging met drie gevallen of met vier naamvallen te verkiezen voor eene lagere school?’

 

Verbuigen, in den gewonen zin, is de verschillende vormen van een woord in eene bepaalde orde opnoemen. Eigenlijk is verbuigen de vormen maken door aan den stam de uitgangen te hechten. De vormen, die de zelfstandige naamwoorden met de woorden, die zij bij zich hebben, aannemen, om aan te duiden hoe zij in den zin gebruikt worden, zijn naamvallen. Hieruit volgt, dat verbuiging en gevallen, begrippen zijn, die niet bij elkander behooren, en, als er geene spraak kan zijn van verbuiging met gevallen, dan vervalt van zelf de vraag of zij te verkiezen is boven verbuiging met naamvallen.

Maar er is in zooverre een verstandige zin aan de uitdrukking te verbinden, als men er mede te kennen wil geven: de naamvallen plaatsen naar aanleiding van de verschillende diensten, die de zelfstandige naamwoorden in den zin bewijzen.

De zaak is niet nieuw. Anslijn is, als ik mij niet vergis, de eerste geweest, die op deze wijze begon; anderen zijn hem daarin nagevolgd. Duidelijk vindt men haar voorgesteld in de veelzins verdienstelijke werkjes van den onlangs overleden onderwijzer G.C. Mulder. Niemand zal het mij, hoop ik ten kwade duiden, wanneer ik bescheidenlijk mijne bedenkingen op het daar geleerde voordraag.

Op blz. 28 van de Beknopte Nederlandsche Spraakkunst lezen wij: ‘De gevallen zijn de betrekkingen, waarin een naamwoord ten aanzien van het voorstel kan voorkomen.

[p. 72]

Deze betrekkingen zijn: 1e geval, als onderwerp; 2e geval, als voorwerp; 3e geval, als bepaling. - Naar deze betrekkingen wordt somtijds het zelfstandig naamwoord, doch meestal het lidwoord, veranderd. Deze verandering met inachtneming van geslacht en getal, noemt men de verbuiging der zelfstandige naamwoorden en lidwoorden.

 

Voorbeeld van verbuiging met het bepaalde (?) lidwoord.

 


    Mannelijk Enkelvoud.
1e geval de man.
2e geval den man.
3e geval den man (met een voorzetsel.)
des mans (voor van den man.)
den man (voor aan den man.)

 


    Mannelijk Meervoud.
1e geval de mannen.
2e geval de mannen.
3e geval de mannen (met een voorzetsel.)
der mannen (voor van de mannen.)
den mannen (voor aan de mannen.)

 

Op blz. 30 lezen wij verder: ‘Wanneer men de verbuiging niet alleen naar de betrekking, maar ook naar de verandering van het lidwoord en naamwoord regelt, dan onderscheidt men vier naamvallen.’ Daarop volgt een voorbeeld van de verbuiging van een zelfst. naamw. op de gewone wijze.

De eerste bedenking, die wij hebben op de zoogenaamde verbuiging met drie gevallen is, dat zij omslagtiger is, dan de gewone. Er staat eigenlijk: 1e, 4e, 4e, 2e, 3e naamval. Het eenig onderscheid in de opgave der vormen bestaat dus alleen in de verandering der volgorde en in de herhaling van den vierden naamval.

De tweede bedenking betreft het woord voorwerp. De

[p. 73]

onvolledigheid der verdeeling voor een oogenblik daargelaten, is zij onzes inziens onjuist. De leerling, die onderwerp en voorwerp gesteld ziet tegenover bepaling, denkt spoedig, dat het deel van den zin, dat men net voorwerp noemt, geene bepaling is; ja, er zijn zelfs onderwijzers, die zoo denken; ik geloof ten onrechte. Men houde mij ten goede dat ik dit punt hier wat breeder uiteenzet. Wat verstaat men door het voorwerp? Het boekje van den Heer M. antwoordt daarop: ‘Dikwijls gebeurt het, dat het gezegde alleen niet duidelijk of niet volledig is, zoodat het door de uitdrukking van één of meer bijkomende denkbeelden duidelijk en volledig gemaakt moet worden. Een dezer bijkomende denkbeelden wordt het voorwerp genoemd.’ Wij kunnen na dit antwoord de vraag niet terughouden; wat zijn dan bepalingen? en het antwoord luidt: ‘Al wat buiten het voorwerp dient om het gezegde aan te vullen of beter verstaanbaar te maken, wordt bepaling van het gezegde genoemd. Iets bepalen is iets duidelijk kenbaar maken.’ Vinden wij hier niet ten klaarste verkondigd, dat het zoogenoemde voorwerp ook eene bepaling is? Alleen missen wij de opgave van het kenmerk, waardoor het voorwerp van de andere bepalingen onderscheiden is. In de Spraakkunst voor Schoolgebruik leest men dan ook, dat de schrijver het voorwerp tot de bepalingen rekent: ‘Onder de aanvullende bepalingen onderscheidt men nog bijzonder de bijstelling en het voorwerp’ en eenige regels verder ‘het voorwerp is dat, waarop het gezegde onmiddellijk overgaat.’ Men zal mij zeker niet van hardheid beschuldigen, als ik deze definitie duister noem. Anslijn zegt: ‘datgene, waarop de handeling des onderwerps overgaat, of dat bewerkt wordt, noemt men het voorwerp.’ Het overgaan van een gezegde weet ik in het geheel niet te verklaren; het overgaan van een handeling nog wel, maar het begrip dat men aan deze uitdrukking verbindt, strijdt met het tweede ‘of dat bewerkt wordt’ want als eene handeling op iemand overgaat, wordt hij actief, maar als hij ‘bewerkt wordt’ passief. Als iemand geeuwt, ziet

[p. 74]

hij zijne handeling wel eens op zijn buurman overgaan, maar toch mag men niet zeggen, dat hij zijn buurman geeuwt, wel dat hij hem aan het geeuwen maakt, zoodat deze geeuwt. Maar de bedoeling is, naar het voorbeeld het kind eet brood te oordeelen, en ondanks de definitie, wel te vatten. Men behoeft niet te vreezen, dat de leerlingen zullen denken, dat de handeling eten op het brood zal overgaan, zoodat zij zich een brood voorstellen, dat zoolang gegeten wordt, totdat het zelf gaat eten. Er blijft nog een bezwaar over, al neemt men het met de woorden der definitie zoo naauw niet, namelijk dit: Als men nu zegt Het brood wordt door het kind gegeten, blijft dan het brood het voorwerp? Ik kan zeggen ja, want het wordt bewerkt; neen, want het wordt niet door het onderwerp bewerkt, het is zelf het onderwerp. Men zal zich toch uit deze moeijelijkheid met geen gunstig gevolg redden door het brood onderwerp als voorwerp te noemen, en hoe zal men dan, in onderscheiding van dit, het onderwerp uit den eersten zin, het kind, noemen? Ik geloof dat men het lager onderwijs eene dienst bewijst, als men deze en dergelijke duisterheden zooveel mogelijk wegneemt.

Indien nu het woord voorwerp als kunstterm wordt aangenomen, zie ik er zooveel kwaad niet in; om zijne kortheid verdient het zelfs aanbeveling, maar de verklaring van hetgene men er in de analyse mede bedoelt, moet den leerling dikwijls worden voorgehouden. Deze verklaring zal, dunkt mij, zoo wat hierop nederkomen: Eene bepaling van het begrip, door het werkwoord uitgedrukt, zijnde deze bepaling het begrip eener zelfstandigheid, die als lijdend wordt voorgesteld; korter: een lijdend voorwerp, dat is, eene zelfstandigheid, die wordt voorgesteld door eene werking in een anderen toestand te komen. Die toestand, waarin eene zelfstandigheid door eene werking komt, wordt uitgedrukt door het verleden of lijdend deelwoord. In het voorbeeld de moeder geeft haar kind eenen appel, wordt het begrip geven door twee voorstellingen bepaald, haar kind en eenen appel; beide

[p. 75]

zijn voorstellingen van zelfstandigheden, of wat hetzelfde beteekent, van voorwerpen, doch een van beide wordt maar voorgesteld als in eenen anderen toestand te komen, namelijk de appel; de werking geven doet ons denken aan een toestand gegeven en in dien toestand komt de appel, niet het kind. Het kind moge door dat geven blijde of treurig worden, en werkelijk in een anderen toestand komen - in de woorden, waarmede wij hier alleen te doen hebben, ligt dat niet, het kind wordt niet als lijdend voorgesteld. Hierbij moet men niet uit het oog verliezen, dat een andere toestand niet alleen ontstaat door verandering der hoedanigheid, maar ook door verandering der hoeveelheid en der betrekking. De beteekenis aan den kunstterm voorwerp te hechten zal dan wezen: het begrip van een lijdend voorwerp, dat als bepaling van een praedicaats-begrip voorkomt; en dan wordt de tweede beteekenis van zelf: het voorwerp is het woord of de vereeniging van woorden, waardoor zulk een begrip in den zin wordt vertegenwoordigd.

Heeft men deze verklaring aangenomen, dan kost het zeer weinig moeite, om haar met eenvoudige woorden onder het bereik van de leerlingen eener lagere school te brengen. b.v. men vrage eenvoudig, naar aanleiding van dezen of een anderen zin, de boer brengt ons dagelijks melk: als het brengen gedaan is, wat is dan gebragt? Alleen bij het werkwoord hebben ontmoet men moeilijkheid, omdat men niet zegt de melk is gehad, doch wel de melk heb ik gehad; die moeilijkheid is echter niet onoverkomelijk.

De derde bedenking betreft de onvolledigheid der verdeeling. Ik zou kunnen volstaan met te verwijzen naar het vertoog van Dr. L.A. te Winkel ‘over het aantal naamvallen in het Nederlandsch,’ geplaatst in no. 4 van den tweeden jaargang van dit Tijdschrift; maar ik mag niet uit het oog verliezen, dat hier de vraag wordt gedaan met betrekking tot het lager onderwijs. Als wij dan het voorwerp tot de categorie der bepalingen brengen, dan behouden wij niets anders over dan onderwerp en bepaling. Onder de laatste

[p. 76]

categorie begrijpen wij nu ook alle vereenigingen van voorzetsels met zelfstandige naam- of voornaamwoorden.

Wij missen dadelijk twee gevallen, 1. wanneer het praedicaatsbegrip door een zelfstandig naamwoord wordt vertegenwoordigd; 2. het woord, waarmede de hoorder wordt genoemd. De apposities of bijstellingen kunnen afzonderlijk bij elken naamval vermeld worden. Nemen wij nu verder in aanmerking dat men voor het onderwerp, het gezegde, nu in de beteekenis van woord genomen, en voor het zelfst. nw., waarmede de hoorder genoemd wordt, de eerste naamval gebruikt, dan komen wij tot onze laatste bedenking: door deze verbuiging met gevallen wordt toch al zeer weinig, bijna niets van het gebruik der vormen geleerd. Of wat zal een leerling er aan hebben, als ge hem zegt: wanneer nu het woord mannen als bepaling voorkomt, gebruik dan der mannen of den mannen of de mannen. Immers niets. Voor het geval, dat bepaling genoemd wordt, schieten nog over de 2e, 3e en 4e naamval, zelfs al geeft men mij niet toe, dat het voorwerp ook tot de bepalingen behoort. Op grond van het aangevoerde, stel ik, dat de gewone verbuiging met vier naamvallen, verreweg de voorkeur verdient. Het blijve dan aan den onderwijzer overgelaten, te leeren in welke gevallen die vier verschillende vormen gebruikt moeten worden.

Hier ontmoet ik echter eene bedenking tegen deze wijze van handelen. Men zegt: gij spreekt van vier naamvallen of vormen, maar ik zie ze nergens; het mannelijk enkelvoud heeft er maar drie, want de derde is, althans meestal, gelijk aan den vierden, het vrouwelijk enkelvoud heeft er maar twee, het onzijdig enkelvoud twee - of wilt ge - drie; het meervoud voor alle geslachten drie. Waarom dan altijd gesproken van vier naamvallen? - Al nemen we eens gaaf aan, dat de derde naamval van het mannelijk en onzijdig enkelvoud in ons tegenwoordig stelsel van verbuigen niet meer te huis behoort, dan kan er nog niets van het getal vier worden afgenomen. Wij hebben, om dit te bewijzen niets anders te doen, dan de verbuiging van

[p. 77]

drie zelfst. naamw. van verschillend geslacht naast elkander te schrijven, en de lezer zal erkennen, dat niet een van de vier, door het geheele stelsel heen, gemist kan worden.


Mann. enk. Vrouw. enk. Onz. enk. Meervoud.
1. de man. de vrouw. het kind. de mannen.
2. des mans. der vrouw. des kinds. der vrouwen.
3. als 4. als 2. als 1. den kinderen.
4. den man. als 1. als 1. als 1.

 

En bovendien, de bewering, dat de derde naamval van het mannelijk en onzijdig enkelvoud volstrekt niet meer tot het tegenwoordig Nederlandsch zou behooren, is nog in het geheel niet als eene bewezen stelling aan te merken.

 

Leiden.

J.A. van Dijk.