ZAMEN OF SAMEN?

Antwoord op vraag 23: ‘Hoe moet men schrijven, zamen of samen?’

 

De inzender van deze vraag schijnt er nog niet aan te wanhopen, of zij voor eene volkomene oplossing vatbaar is. Ik koester zulke gunstige verwachtingen niet, en geloof evenmin, dat men gemakkelijk iemand zal overhalen om zijne eenmaal aangenomen schrijfwijze te laten varen; want zoowel zij, die naar het voorschrift van Siegenbeek zamen, als de anderen, die met Bilderdijk samen schrijven, hebben gronden voor hun gevoelen. Die de z verkiezen, geven de voorkeur aan den regel der afleiding, door Dr. Te Winkel regel der gelijkvormigheid genoemd, en die de s schrijven, volgen liever den regel der beschaafde uitspraak. Ons vraagstuk is dus een bijzonder geval van een algemeener:

[p. 78]

waaraan moet in de spelling meer gewigt toegekend worden, aan de afleiding of aan de beschaafde uitspraak?

Hoewel Siegenbeek meer aan de eerste, en Bilderdijk meer aan de laatste hechtte, zoo kan men toch van hen niet zeggen, dat zij een van de beide beginsels geheel en al aan het andere opofferden. Dat Bilderdijk in zijne spelling niet overal de beschaafde uitspraak volgde en dus niet schreef gelijk de ouden, is overbekend; men denke b.v. aan de slotmedeklinkers in woorden als brood, hard, gezaagd, die, hoewel scherp uitgesproken, toch als zachte worden afgebeeld. Siegenbeek gaf ook wel eens toe aan de eischen der beschaafde uitspraak, wanneer zij met de gelijkvormigheid in strijd was. Zoo geeft hij de voorkeur aan de spelling juffrouw, op grond van de spelling juffer, maar onzes inziens staan deze gevallen niet gelijk. Dat ver dezelfde beteekenis heeft als ons vrouw is niet aan ieder bekend. Behalve in deze zamenstelling en in enkele eigennamen, die evenwel niet verstaan worden, komt het woord ook niet meer voor; de taal, die thans gesproken en geschreven wordt, verklaart het woord ver niet: de regel der gelijkvormigheid kan dus in dit geval niet worden toegepast. Anders is het gelegen met het woord vrouw, dat duizenden malen voorkomt en aan ieder, die maar eenige vorderingen in het spreken der moedertaal gemaakt heeft, ten volle bekend is. Neemt men nu de spelling van juffrouw aan, dan zal men billijkerwijze ook ontfangen, ontsien moeten schrijven, want dezelfde grond die voor de f van vrouw in juffrouw kan worden aangevoerd, bestaat ook voor de f en s van vangen en zien in ontvangen en ontzien, namelijk, de overeenstemming van het letterteeken met den letterklank, dien men in de beschaafde uitspraak hoort.

Eene andere concessie aan de beschaafde uitspraak vinden wij in woorden op nis en lijk, voorafgegaan door eene toonlooze e. Als wij den regel voor de onechte f en s aldus stellen: indien v en z achter den klinker of den tweeklank eener lettergreep komen, worden zij door f en s vervangen,

[p. 79]

dan volgt er uit dat wij schrijven moeten: sterf, sterft, sterve, sterven, stervelijk; vrees, vreest, gevreesd, vreeze, vreezen, vreezelijk; begraaf, begraaft, begrave, begraven, begravenis, zoo ook droevenis. Neen! krijgen wij ten antwoord, de regel is te algemeen gesteld, zij behoort de woorden op enis en elijk uit te sluiten, schrijf dus: sterfelijk, vreeselijk, begrafenis, droefenis, dwaselijk, en, is het waar, dat de s tusschen twee klinkers als z wordt uitgesproken, schrijf zelfs vreesselijk, dwaasselijk. Ik geloof, dat men ook in het woord beeld(enis) om de uitspraak, de d in eene t verandert, zoodat de gewone spelling beeldtenis onjuist is en plaats zou moeten maken voor beeltenis. Dit echter in het voorbijgaan. Passen wij denzelfden regel toe op de v en z als beginletters van andere woorden, dan verkrijgen wij, vier, vijf, feertig, fijftig, een en veertig, een en vijftig, honderd fijftig, honderd en fijftig, honderd een en vijftig; zes, zeven, sestig, seventig, een en sestig, een en seventig. - Voor zooverre ik er over mag oordeelen, kan ik stellen, dat de beschaafde uitspraak op deze wijze naauwkeurig wordt aangewezen; nooit heb ik de genoemde woorden anders hooren uitspreken. De gelijkvormigheid in de spelling is nu geheel uit het oog verloren. Het verdient toch opmerking, dat men steeds sestig en seventig blijft zeggen, waar ook: een en sestig, twee en sestig enz. tot negen en sestig; een en seventig, twee en seventig enz. tot negen en seventig, terwijl men na feertig en fijftig gezegd te hebben, dadelijk weer voortgaat met een en veertig, enz. tot negen en veertig en een en vijftig tot negen en vijftig. Gaan wij voort met de toepassing van onzen regel op zamen of samen, dan verkrijgen wij: samen, te samen, gezamenlijk, verzamelen, leerzaam, minzaam, heilzaam, werksaam, bedachtsaam, deugdsaam; maar wij staan in twijfel bij buigzaam of buigsaam, arbeidzaam of arbeidsaam, waakzaam of waaksaam en durven niet beslissen, welke hier het meest geschikte letterteeken zou wezen, de z of de s; of liever, beide teekenen den letterklank onnaauwkeurig af, die zoo wat tusschen s en z zweeft. Achter de vloeijende r, n en

[p. 80]

l in de drie eerste bijvoegelijke naamwoorden, blijft de beginletter van zaam zacht; door den invloed der scherpe k voorafgegaan door eene r, en der scherpe t, voorafgegaan door eene scherpe ch, waarmede gd in de uitspraak overeenkomt, wordt zij scherp, en hoewel in de drie laatste bijv. nw. g, d en k ook als scherpe medeklinkers worden uitgesproken, zoo schijnt het voorafgaan van opene klinkers of tweeklanken het verscherpen der z-klank te matigen. Dergelijke moeijelijkheden ontmoet men meer. Om uit veel een enkel voorbeeld te nemen, voer ik het woord onbepaald aan; waarin door den invloed der volgende lipletter b de n-klank iets wordt, dat tusschen m en n gelegen is.

Wij eindigen met de eenvoudige vermelding der volgende stellingen. Het is onmogelijk met de bestaande letterteekens alle woorden, zooals zij worden uitgesproken, volkomen juist in schrift voor te stellen. Bijna alle sluitletters worden geschreven naar den regel der gelijkvormigheid. Het is een vereischte voor de duidelijkheid, dat de lezer dezelfde woorden zooveel mogelijk, althans aan hun begin, met denzelfden vorm onder de oogen krijgt. Eindelijk, de moedertaal kent men reeds lang, als men met geschrevene woorden kennis maakt, de letterteekens dienen dus in de meeste gevallen om klanken te herkennen en daaraan bekende voorstellingen of begrippen te verbinden. Spreekt men die klanken hardop uit - die eene beschaafde uitspraak bezit, zal de onderscheidene nuances niet uit het oog verliezen, al vindt hij daarvoor geen steun in die spelling. Om deze redenen, zouden wij bij het spellen meer op de kennelijke afleiding, dan op de beschaafde uitspraak letten, en dus aan veertig, vijftig, zestig, zeventig en zamen de voorkeur geven.

 

Leiden.

J.A. van Dijk.