[p. 105]

GEDACHTEN OVER STIJL EN STIJLLEER.

Wie wenscht iets met gelukkig gevolg te verrichten, zal moeten beginnen met te weten, wat hij wil. Dit schijnt zoo volstrekt noodzakelijk, dat men bij de eerste vermelding dezer waarheid geneigd zal zijn om te verklaren, dat er nooit iets ondernomen, veel minder iets tot stand gebragt is, waarvan het beeld niet duidelijk en levendig voor den geest stond van hem, die het eerst de handen aan het werk sloeg. En toch meen ik eene gansche rij van uiterst belangrijke zaken te kunnen noemen, waarvan de meeste althans een begin hebben genomen, zonder dat de eerste aanleggers eene klare voorstelling hadden van hetgeen zij deden en bedoelden, laat staan van den hoogen trap van voortreffelijkheid, waartoe het door hen begonnen werk eenmaal zou gebragt worden. Ik heb het oog op de edelste vruchten van den menschelijken geest, de wetenschappen. Immers, zoo de geschiedenis der beschaving het niet tot eene onomstootelijke waarheid verheven had, zou men bij een weinig nadenken reeds a priori moeten toegeven, dat zij, die het eerst begonnen zijn een aantal zamenhangende waarheden in eene geleidelijke orde te boek te stellen, den wijden omvang niet hadden overzien van de wetenschap, wier grondleggers zij werden, dat zij niet wisten, noch zelfs vermoedden, wat het door hen begonnen werk vroeger of later worden zou. Ik behoef slechts het woord chemie uit te spreken, en men zal zich herinneren, dat de oudste beoefenaars dezer nuttige wetenschap, de alchymisten, geheel iets anders zochten en bedoelden , dan de scheikundigen van onze dagen. En leeren

[p. 106]

de woorden: Hortus Medicus, die boven den ingang van den Academischen kruidtuin te Groningen te lezen staan, ons niet duidelijk, dat de Botanie, die de kennis van alle gewassen beoogt, eene latere uitbreiding is van de leer der geneeskrachtige planten, tot welker onderzoek de oudere Kruidkunde zich uitsluitend bepaalde. Doch hoe het met deze en de overige vakken van menschelijke kennis moge gelegen zijn, de wetenschap, welke ik thans op het oog heb, is, voor zoo verre men op de leerboeken vertrouwen mag, nog niet tot een levendig zelfbewustzijn gekomen, heeft zich tot heden toe nog geene klare en duidelijke voorstelling gevormd van hetgeen zij wil of behoort te willen. Ik bedoel de Leer van den Stijl, aangaande welke ik hier eenige losse gedachten wenschte mede te deelen. Reeds de naam, waaronder zij het best bekend staat, is een bewijs voor mijne stelling. De benaming Rhetorica, wetenschap of, zoo men wil, kunst van den redenaar, wijst immers slechts op een klein gedeelte van de taak, die men sedert lang op hare schouders geladen heeft. Men wil van haar niet slechts te weten komen, hoe men in het openbaar spreken, maar ook, hoe men in gebonden en ongebonden stijl schrijven moet. Niet de redenaar alleen, ook de dichter en prozaschrijver vragen hare voorlichting. Dat zij bij die vragen met hare eigene houding verlegen wordt, blijkt duidelijk uit de titels der geschriften, waarin zij hare leer verkondigt. Het eenige oorspronkelijke Nederlandsche werk over den Stijl, dat nog verdient genoemd te worden, heet Nederlandsche Redekunst, of Grondbeginselen van Stijl en Welsprekendheid voor Nederlanders; en, ofschoon de redekunst volgens den schrijver zelven de theorie van de kunst des redenaars is, zoo bevat het boek toch ‘het zamenstel der regelen en voorschriften, bij het opstellen van werken in proza en gedeeltelijk ook bij het opstellen van werken in poëzij op het oog te houden’ - De welsprekende Edinburger hoogleeraar Hugo Blair noemde zijn, ook bij ons, gunstig bekend geschrift: Lessons on Rhetoric, en wist het vele overige, dat hij behalve

[p. 107]

de Rhetorica behandelen wilde, niet anders binnen te smokkelen, dan door het bijvoegen van de woorden: ‘and belles lettres.’ De Nederlandsche vertalers noemden het: ‘Lessen over de Redekunst en Fraaije Letteren’, en rekenden zich verpligt om deze woorden nader te omschrijven door ‘Voorschriften over taal, stijl, welsprekendheid en dichtkunst.’ - Het Handboek der dichtkunst en welsprekendheid, hetwelk de Hoogleeraar Van Kampen uit het Hoogduitsch in onze taal heeft overgebragt, werd door den oorspronkelijken schrijver Eschenburg betiteld: Theorie der schönen Redekünste; en de jongste hier te lande verschenen stijlleer van den Jezuïet Jos. Kleutgen, hetwelk, behalve over de eloquentia sacra et civilis (gewijde en ongewijde welsprekendheid), ook over alle soorten van gedichten handelt, draagt den naam van Ars dicendi (kunst van te spreken). Geven al die aanlapsels achter het woord Redekunst, en vooral Eschenburg's meervoud: schoone redekunsten, niet duidelijk te kennen, dat de Stijlleer gevoelt, dat zij iets anders, dat zij veel meer moet zijn dan eene bloote Rhetorica? Maar verraden die titels niet tevens, dat zij zich nog niet geheel heeft kunnen losworstelen van de knellende banden, waarin deze haar zoo lang geboeid hield? Slaat men die geschriften op, dan ziet men al ras, dat het vermoeden, waartoe hunne titels aanleiding geven, maar al te zeer gegrond is. Zij overschrijden alle de grenzen eener welsprekendheidsleer, alle trachten in meerdere of mindere mate aan de behoeften der sprekers en schrijvers van allerlei soort te voldoen; doch zij vergeten meestal de regels en voorschriften te wijzigen, die, voor den redenaar bestemd en ontworpen, alleen voor den redenaar geldig en nuttig zijn, maar ieder ander op den dwaalweg brengen, en die niet zelden het onmogelijke van hem vergen. ‘De rede moet duidelijk zijn, zoo zelfs, dat zij van den min oplettenden hoorder begrepen wordt; zij moet, even als de zon in de oogen, van zelve in het verstand indringen, zonder dat het daarheen gericht is. Het is niet genoeg, dat de zin daarvan verstaan wordt; maar

[p. 108]

men zorge, dat het onmogelijk is dien niet te verstaan.’ Dat voorschrift moge geldig wezen voor eenen redenaar, geen schrijver over wiskundige of wijsgeerige zaken, al hebbe hij den duidelijksten en onberispelijksten stijl, zal er aan kunnen voldoen. Hoe zou het mogelijk zijn, dat onderwerpen, die uit hunnen aard de sterkste inspanning vorderen van al de krachten van een ontwikkelden en in het denken geoefenden geest, ooit zóó werden voorgesteld, dat men naauwelijks zou behoeven te luisteren om den diepen zin te vatten?

Een ander voorschrift luidt: ‘oratio sit emendata’, ‘de rede moet zuiver wezen’; en die zuiverheid moet niet alleen bestaan in het vermijden van alle vergrijpen tegen spelling en spraakkunst, maar ook in het zich onthouden van archaïsmen, neologismen, provincialismen, soloecismen, gallicismen, germanismen, graecismen, latinismen, anglicismen, frisiasmen, metaplasmen enz. enz. Ik deel met vreugde in die ismo- en asmophobie, maar stem niet in met den verderen absoluten eisch, dat men zich ook van basterdwoorden moet onthouden. Deze zijn zeker ongepast in kanselredenen en andere plegtige redevoeringen, in het lier- en heldendicht; maar wie zou ze uit blijspelen en luimige geschriften onvoorwaardelijk willen verbannen? Ook zou ik wel eens een verstaanbaar werk over de krijgskunst of de werktuigkunde willen zien, dat niet van basterdwoorden wemelde.

Oratio sit ornata’ luidt het verder. Wat beteekent dat: ornata? Ik weet dat woord niet anders in onze taal over te brengen dan door opgesierd, of voor het minst door sierlijk. Moet dan alles wat men zegt of schrijft volstrekt opgeschikt wezen? Zeker, wanneer men in eene Rhetorica den langen catalogus van sieradiën doorloopt, die netjes in tropen en figuren van verschillende soort verdeeld, elk met een keurigen Griekschen of Latijnschen naam voorzien, uitvoerig beschreven worden, dan vindt men die opvatting van het woord ornata gegrond; dan begrijpt men den zin van het voorschrift: ‘kleed uwe gedachten sierlijk in’, d. i. ‘trek haar een fraai zondagskleed aan.’ Onwillekeurig komt dan

[p. 109]

het beeld eener Noord-Hollandsche boerin voor den geest, die haar gemis aan natuurlijke schoonheid en bevalligheid tracht te vergoeden door het vertoon van rijkdom en het omhangen van allerlei opschik, aan den goudsmidswinkel en het magazijn van zijden manufacturen ontleend. Maar zal niet elk echt wetenschappelijk geschrift, bestemd om juiste en streng bepaalde begrippen aan te kweeken, door het gebruik van tropen, figuren en ander tooisel uit de kleêrkast der Welsprekendheid onverstaanbaar en volslagen onbruikbaar worden?

Men ziet, de voorschriften der Rhetorica mogen dienstig wezen voor redenaars en redevoeringen, zij deugen niet voor alle schrijvers en allerlei geschriften, evenweinig als de Holloway-pillen voor alle gestellen en allerlei ziekten, hoezeer hunne panurgische kracht ook moge geroemd worden.

De ontoereikendheid van de regels der Rhetorica komt nog sterker uit, wanneer men ze onderling vergelijkt. De zoogenoemde hoofdvereischten van een goeden stijl: duidelijkheid, zuiverheid en sierlijkheid, worden op ééne lijn naast elkander geplaatst - ‘oratio sit perspicua, emendata, ornata.’ ‘De rede moet duidelijk, zuiver en sierlijk zijn’, heet het - even alsof de zuiverheid van den stijl niet reeds door de beide andere genoemde eigenschappen gebiedend gevorderd werd; alsof de duidelijkheid niet reeds het gebruik van al die boven opgesomde -ismen en -asmen verbood, en alsof taal- en spelfouten bestaanbaar waren met ware sierlijkheid, d. i. met schoonheid, die naar volmaaktheid streeft. Het is voor de methodus docendi, voor den gang van het onderwijs, nuttig, dat men de zuiverheid van den stijl als eene afzonderlijke eigenschap behandelt, maar men toone tevens aan, dat zij eene noodzakelijke voorwaarde is voor de beide andere eigenschappen, en plaatse haar niet met deze op denzelfden trap; wie tot iemands gevolg behoort, kan onmisbaar zijn, maar staat niet met hem gelijk, is hem ondergeschikt.

Van denzelfden rang is de juistheid, la précision, zooals de Franschen zeggen, die wel eens als eene vierde eigenschap

[p. 110]

wordt vermeld. Immers, wanneer men zich niet juist uitdrukt, benadeelt men blijkbaar de duidelijkheid, en kwetst men het waarheids- en schoonheidsgevoel.

Maar die beide andere hoofdeigenschappen dan toch, de duidelijkheid en de sierlijkheid, staan immers elkander zusterlijk op den eersten rang ter zijde? Ja en neen, al naar gelang der omstandigheden. Dikwijls gaan zij hand aan hand, maar ook even dikwijls gaat de eene of de andere voor. Er zijn zelfs gelegenheden, waarin zij elkander ter naauwernood kunnen verdragen, en de eene de andere met in het oog loopende minachting behandelt. In redevoeringen en historische geschriften b.v. komt ongetwijfeld aan beide gelijke rang toe; ofschoon de sierlijkheid zich daarbij nu eens wat prachtiger uitdoscht, dan eens een eenvoudiger kleed aantrekt. Bij het behandelen van vele wetenschappelijke zaken daarentegen bewijst men blijkbaar veel meer oplettendheid aan de duidelijkheid dan aan hare coquette zuster, aan wie men omgekeerd in het heldendicht en het treurspel den voorrang toekent.

In wettelijke verordeningen, stedelijke keuren, belastingbiljetten en patenten gevoelt de sierlijkheid zich zelden op hare plaats, vermits de duidelijkheid daar verreweg het hoogste woord voert; in deurwaardersexploiten en -insinuatiën is geen plekje te vinden, waar zij ook maar éénen voet zou kunnen zetten, hoewel de duidelijkheid daar ook maar weinig te zeggen heeft.

Niet ieder moge het hier beweerde in alle bijzonderheden toestemmen, niemand zal, geloof ik, aarzelen om in het algemeen te erkennen, dat de beide hoofdeigenschappen van den goeden stijl niet altijd evenzeer kunnen uitkomen, dat nu de eene, dan de andere meer op den voorgrond behoort te staan. Maar wat is nu het principe, dat beider verhouding regelt, dat beider quantiteit afweegt? In zeer weinig geschriften over den stijl wordt het wel opgegeven onder den naam van gepastheid; maar dan nog wordt het slechts als een toegift op den koop geheel achteraan genoemd, terwijl

[p. 111]

het verdiende in de allereerste plaats vermeld te worden. Het is er dan ook verre af, dat de gepastheid in hare hooge waarde als beheerscheres der overige hoedanigheden behoorlijk zou zijn in het licht gesteld.

Het aangevoerde zal, vertrouw ik, wel toereikende zijn geweest, om te overtuigen, dat de Stijlleer - wel te verstaan, voor zoo verre zij in geschrifte neêrgelegd is - nog niet geheel tot zelfbewustzijn is gekomen, dat zij nog niet goed weet, wat zij behoort te willen. En hoe zou zij het ook bij mogelijkheid kunnen, daar het begrip van stijl haar nog niet duidelijk is. Alle mij bekende bepalingen komen hierop neêr, dat de Stijl de wijze is, waarop men zijne gedachten uitdrukt. Volgens deze definitie zijn de gedachten gegeven, en komt alleen de uiting in aanmerking. Even alsof de gedachte en hare uitdrukking niet bijna identiek waren; alsof men b.v. eene verwarde gedachte toch duidelijk voorstellen, of aan eene nietige en alledaagsche door de zoogenoemde inkleeding, waardigheid en belangrijkheid bijzetten kon. Men moet nooit, of al zeer oppervlakkig, over de natuur der taal hebben nagedacht om te kunnen meenen, dat zij van de voorstellingen en gedachten kan gescheiden worden. Voorwaar, er zou al zeer weinig voor de Stijlleer te verhandelen overblijven, indien zij zich alleen te bekommeren had over hetgeen niet onafscheidelijk met de voorstellingen zamenhangt. Alles zou zich bepalen tot eenige weinige voorschriften betreffende de zuiverheid van den stijl en de welluidendheid der perioden. Maar zij gaat, onbewust zou men haast zeggen, inderdaad veel verder en bemoeit zich wel degelijk ook met de voorstellingen en gedachten. Of betreft b.v. het Leerstuk van de Tropen niet meer de wijze van voorstellen dan wel de woorden; leert men bij de behandeling der zoogenoemde Gedachtefiguren niet uitdrukkelijk, dat deze niet in de uitdrukking, maar in de wijze van denken bestaan; en zien de regels, betreffende de Eenheid der volzinnen, niet geheel en al op de gedachten? Indien de Stijlleer derhalve onophoudelijk haar eigen begrip van Stijl logenstraft, hoe zou

[p. 112]

zij hare roeping kunnen verstaan, zoolang zij het voorwerp harer beschouwing niet door en door kent? Zelfs voor K.F. Becker, die haar wel het grondigst behandeld heeft, is de Stijl niet meer dan die Lehre von der Schönheit der Darstellung, de theorie van de schoonheid der uitdrukking, en hoewel de gedachten bij hem wel degelijk en vrij grondig behandeld worden, hij heeft ze in zijn begrip van Stijl niet opgenomen.

Doch vele lezers zullen mij bij zich zelven reeds hebben toegevoegd: la critique est aisée, mais l'art est difficile, of: De beste stuurlieden staan altijd aan den wal. Kent men dan het gezegde niet, dat een ongeluk nooit alleen komt? Zou men dan waarlijk denken, dat ik verwaand genoeg was om te bedillen, en niet te gelijk om te meenen, dat ik het een weinig beter weet? Ik zou evenwel het recht niet hebben om mij daarop veel te laten voorstaan, want, ik hoop den lezer te overtuigen, dat de geheele zaak dood eenvoudig is, en dat men zich verwonderen moet over het haspelen met iets, dat zoo klaar voor oogen ligt.

Het spreekt wel van zelf, dat het begrip van Stijl, en dus ook dat van Stijlleer, uit het begrip van spreken en schrijven moet opgemaakt worden. Wat doet men nu, als men spreekt of schrijft? Het gereede antwoord is: Die spreekt of schrijft wendt pogingen aan om met zeker doel bij een ander zekere gedachten te verwekken. Men heeft dus te onderscheiden:

1. eenen spreker of schrijver;

2. zijne gedachten;

3. eenen hoorder of lezer, in wiens geest hij zoo veel mogelijk dezelfde gedachten wil doen ontstaan;

4. de middelen, die hij hiertoe aanwendt, namelijk zijne woorden, hun zamenhang, en de orde, waarin hij ze op elkander laat volgen; en

5. het doel, dat hij met zijne gedachtenverwekking beoogt.

Al die vijf zaken komen bij den Stijl en bij het beoordeelen van den Stijl in aanmerking. Beginnen wij met het laatste, het verderaf gelegen doel, dat men bij het spreken

[p. 113]

of schrijven voor oogen heeft; de gedachten en de wijze van uitdrukken moeten zich in de eerste plaats daarnaar regelen. Het zal vooraf nuttig en noodig zijn die verschillende oogmerken met een of twee woorden te benoemen, ten einde niet in eene herhaling van beschrijvingen te moeten vervallen. Heb ik niet geheel en al misgezien, dan kan men ze nagenoeg aldus karakteriseeren: herinneren, leeren, overtuigen, overreden, stichten en vermaken.

Wat ik door herinneren versta, is duidelijk. Het is niets anders dan de hernieuwing van eene gedachte bij een ander, hetzij deze ze reeds eenmaal geuit, hetzij stilzwijgend bij zich zelven gevormd heeft; b.v. wanneer men zegt: Vriend, gij hebt beloofd mij dit of dat boek te zullen leenen; of: Denkt gij er wel aan, dat de vergadering heden een uur vroeger begint?

Nadere opheldering vereischt hetgeen ik hier door leeren wil verstaan hebben. Ik bedoel daarmede het verwekken van nieuwe gedachten bij een ander, voor zoo verre deze worden beschouwd als bloote werkingen van zijn verstand, zonder haar mogelijken invloed op zijn gevoel en wil mede te rekenen. Ik bezig dus het woord leeren hier in veel uitgebreider zin dan in het dagelijksch leven, zoodat het ook het bloote kennisgeven en het overtuigen, zoo wel als het eigenlijke leeren in zich bevat. Bedrieg ik mij niet, dan verstaat men door kennisgeven het verwekken eener gedachte bij een ander, die slechts oogenblikkelijke, voorbijgaande waarde heeft en niet bestemd is om levenslang door hem bewaard te worden en den voorraad zijner kennis te vermeerderen. Alleen in het laatste geval, wanneer eene gedachte een bestanddeel van iemands kennen en weten moet uitmaken, heet de verwekking daarvan eigenlijk gezegd leeren.

Bij het kennisgeven en leeren komen twee gevallen voor. De nieuwe gedachte kan vooreerst bestaan uit louter bekende begrippen en voorstellingen, die voor den hoorder of lezer niets nieuws bevatten, zoodat alleen hunne verbinding hem onbekend is. Wanneer men b.v. zegt tot iemand, die om den Koning te spreken op reis is naar den Haag: De Koning

[p. 114]

bevindt zich op dit oogenblik niet in den Haag, maar op het Loo, dan zijn de deelen van deze gedachte, de voorstellingen: de Koning, 's Gravenhage, het Loo en zich bevinden, hem niet vreemd, alleen het onderlinge verband kent hij niet.

Maar eene gedachte kan ook begrippen of voorstellingen bevatten, die den hoorder of lezer geheel onbekend zijn, en eerst in hem moeten verwekt worden, vóór hij de gedachte kan vatten. Zoo zal menigeen niet weten, wat hij onder breedte, horizon en poolshoogte te verstaan heeft, hetgeen noodwendig ten gevolge heeft, dat de gedachte: De breedte eener plaats is gelijk aan de hoogte van den pool boven den horizon dier plaats, onmogelijk zoo maar in hem overgegoten kan worden.

Overtuigen is tot iemands bewustzijn brengen, dat het onmogelijk is, eene gedachte niet voor waar te houden. Het is dus als het ware een toegift op het herinneren, kennisgeven of leeren, eene verhooging van de waarde eener gedachte. Het onderstelt het hebben eener gedachte en den twijfel aan hare objectieve waarheid of juistheid, en het beoogt het wegnemen van dien twijfel.

Bij het overreden, waaronder ik het verzoeken en bevelen begrijp, is het ons oogmerk invloed te oefenen op den wil en de voornemens van den hoorder of lezer, hem tot zekere handelingen te bewegen, of van zekere handelingen af te houden.

Bij het vermaken en stichten bedoelt men wederom iets geheel anders. In het eerste geval trachten wij bij den hoorder of lezer gedachten te verwekken, wier vorming, vergelijking en beoordeeling aan de verschillende vermogens van zijnen geest eene aangename bezigheid verschaffen, of die zijn gevoel treffen en hem eene welgevallige afwisseling of mengeling van gemoedsaandoeningen veroorzaken. Ik behoef hier slechts de woorden poëzie en drama te noemen, en men verstaat mijne bedoeling.

Eindelijk, door stichten versta ik niet slechts het bevorderen van het godsdienstig leven in den hoorder of lezer, maar al het verwekken van gedachten, welke geschikt zijn om het

[p. 115]

menschelijke in hem harmonisch te verhoogen, zijn verstand en gevoel, zijne denkwijze en zijn gemoed te veredelen.

Wie ziet niet terstond in, dat èn de gedachten èn de wijze van ze bij andere te verwekken in de eerste plaats van de bedoeling des sprekers of schrijvers afhangen en daardoor bepaald worden? Bij het herinneren toch zal de op te wekken gedachte, om doel te treffen, volkomen dezelfde moeten zijn als de oude, die men hernieuwen wil. Bij het kennisgeven zal zij een getrouw, nu minder dan meer uitvoerig geteekend beeld der werkelijkheid moeten wezen. Bij het leeren zal het vooral op juistheid en duidelijkheid aankomen; niet altijd zal men de nieuwe gedachte als het ware in den geest des hoorders of lezers kunnen overstorten, dikwijls zullen vooraf nieuwe begrippen ontwikkeld, voorbereidende gedachten aangebragt moeten worden. Wie het een en ander verzuimt, diens stijl zal te recht duister heeten. En bij het overtuigen, hoeveel argumenten zal men dan niet hebben te verzinnen en bijeen te brengen, alleen om de ééne gedachte, die het thema van het vertoog uitmaakt, tot eene erkende waarheid te verheffen? Hoeveel begrippen heeft men daarbij niet soms te verbeteren, hoeveel vooroordeelen niet te verdrijven?

Bij het bevelen en verzoeken moge het meestal toereikend zijn, de gedachte, die men verwezenlijkt wenscht, slechts duidelijk uit te spreken; bij het eigenlijk overreden zal men, niet minder dan bij het overtuigen, gedachten moeten uitdenken, die als beweegredenen op het verstand en het gemoed des hoorders of lezers kunnen werken en zijnen wil eene bepaalde richting geven.

Zal ik eindelijk na dit alles nog noodig hebben opzettelijk aan te toonen, hoe gedachten en gedachtenuiting afhankelijk zijn van het doel, dat men beoogt, wanneer men wenscht te vermaken of te stichten? De geest moge daarbij met groote vrijheid kunnen werken, vrijer dan bij eenig ander spreken of schrijven, wanneer men het doel uit het oog verliest, en niet alles zorgvuldig berekent, zal men niets dan verveling en wrevel, walging en afkeer veroorzaken.



[p. 116]

Maar ik geloof reeds meer dan genoeg aangevoerd te hebben, om te doen opmerken , dat het doel het voornaamste leidende beginsel in den stijl is, hetwelk meer bijzonder de hoedanigheid der gedachten bepaalt. Doch ook de overige genoemde punten komen wel degelijk in aanmerking. In de eerste plaats de persoon des sprekers of schrijvers. Wat is zijn stand in de maatschappij, in welke verhouding staat hij tot den hoorder of lezer? Treedt hij voor het eerst op in de maatschappelijke of letterkundige wereld, of heeft hij een gevestigden naam? Heeft hij het recht om te eischen en te beslissen, of mag hij slechts verzoeken en raad geven? Is zijn beweren de vrucht van bloote bespiegelingen, of kan hij zich op veeljarige ondervinding beroepen? Zie daar een aantal vragen, wier beantwoording van invloed moet wezen vooral op de wijze, waarop hij zijne gedachten voordraagt.

Niet minder komt in dit opzigt ook de persoon van den hoorder of lezer in aanmerking. In welke verhouding staat deze tot den spreker of schrijver? Hoe groot is de mate zijner kennis en vatbaarheid, hoe hoog de graad zijner verstandelijke ontwikkeling? Is zijn blik vrij of door vooroordeelen beneveld? Hoe is zijn karakter? Heeft hij heerschende neigingen en hartstogten? Staan deze aan het beoogde doel in den weg, of kunnen zij daaraan dienstbaar gemaakt worden; moet men ze laten rusten of ze wakker maken?

 

Door het bijgebragte zal het wel duidelijk genoeg zijn geworden, dat Doelmatigheid het kenmerk van den goeden Stijl uitmaakt en in de Stijlleer de hoogste wetgeefster moet zijn. Wanneer men nagaat, hoe goede schrijvers zijn te werk gegaan, dan ziet men, dat zij inderdaad reeds lang als zoodanig is aangemerkt en gehoorzaamd, maar meer uit een duister gevoel van noodzakelijkheid en als stilzwijgend, dan met bewustheid en openlijke erkenning. Het duidelijk bewust worden daarvan en de erkenning, dat ook de gedachten zelve en hare hoedanigheden een integreerend bestanddeel

[p. 117]

van den stijl uitmaken, kan ons op den weg brengen om een beter begrip van Stijl en Stijlleer te vinden. Ik zou meenen den stijl voor als nog, tot dat zich later nieuwe gebreken en leemten openbaren, aldus te mogen definieeren: De Stijl is de hoedanigheid der gedachten, die men bij anderen wil verwekken, en de wijze, waarop men zulks door spraak of schrift poogt te doen; het een en ander beschouwd met betrekking tot het doel, dat men beoogt. Vergelijkt men deze bepaling met de vroegere: Stijl is de wijze, waarop men zijne gedachten uitdrukt, dan moet zij zeker in beknoptheid onderdoen voor de laatste, die kort en duidelijk is, en misschien als woordbepaling dienen kan. Als begripsbepaling, als opgave van het wezen der zaak, waaruit al hare eigenschappen en vereischten met interne noodzakelijkheid kunnen afgeleid worden, deugt deze niet. Zij beschouwt de hoofdzaken, de gedachten namelijk, als iets voor haar geheel onverschilligs, als iets, hetwelk men als het ware slechts kwijt wezen wil. Zij verliest het doel, waarmede, en den persoon, tot wien men spreekt of schrijft, geheel uit het oog, en bepaalt zich uitsluitend tot den spreker of schrijver, dien zij als puur egoistisch voorstelt, als iemand met gedachten, welke hij niet langer bij zich houden kan. De eerste definitie wijst op die hoedanigheden der gedachten, welke in aanmerking komen, wanneer zij bestemd zijn om aan anderen met zeker doel te worden medegedeeld. Zij neemt niet alle hoedanigheden der gedachten in aanmerking; zij ziet b.v. niet op op hare objectieve waarheid, noch op hare belangrijkheid en verstandelijke of zedelijke waarde; dit alles ligt buiten den kring van den Stijl. Een geschrift kan bestemd zijn om dwalingen te verkondigen, kan eene verderfelijke staatkundige of zedelijke strekking hebben, het zal steeds een meesterstuk van stijl wezen, wanneer alle gedachten en uiting, naar het doel zijn berekend en op den lezer de gewenschte uitwerking hebben. Zij wijst rechtstreeks op hetgeen men bij het streven naar een goeden stijl en bij het beoordeelen van redevoeringen en geschriften in het oog heeft te houden, op

[p. 118]

de ‘anderen,’ de hoorders of lezers, en op het doel, op hetgeen men in hun verstand of gemoed wil uitrichten.

De wijziging van het begrip Stijl brengt van zelve eene wijziging van het begrip Stijlleer mede. Het laatste zal nu omtrent hierop neêrkomen: Stijlleer is het geregeld zamenstel der voorschriften, die men in acht te nemen heeft bij het doelmatig vormen en uiten van gedachten, die men door spraak of schrift bij anderen wil verwekken; of korter: De Stijlleer is de leer van den doelmatigen Stijl.

Zoo wordt dan de Doelmatigheid als de hoogste wet aangewezen. Dit zal in het oor van alien, die niet doordenken, alledaagsch, prozaïsch, materialistisch, zelfs plat luiden. Zuiverheid en sierlijkheid klinken zeker fraaijer, en vooral BeckersSchönheit der Darstellung;’ maar wie kan de zaak anders maken dan zij is? Wij hebben immers gezien, dat er een ander en hooger beginsel wezen moet, dat boven de duidelijkheid, zuiverheid en sierlijkheid staat en deze beheerscht; dat aan ieder de rollen uitdeelt, en bepaalt, tot hoever zij mogen en moeten gaan? Maar wat meer zegt, bij eenig nadenken ziet men, dat de doelmatigheid leert, dat duidelijkheid en schoonheid in de meeste gevallen noodzakelijke vereischten zijn. Hoe zal men bij het kennisgeven, leeren, overtuigen, bevelen, verzoeken of overreden zijn doel bereiken, indien men zijne meening niet duidelijk te verstaan geeft? Hoe zal men opene ooren en toegenegen harten vinden, als men door het gemis van alles, wat behagelijk heeten mag, een slechten dunk van zich zelven geeft, minachting voor den lezer of hoorder verraadt, zijne ooren kwetst en zijn schoonheidsgevoel beleedigt? De doelmatigheid rechtvaardigt zelfs den ambtsstijl van den notaris en den deurwaarder. In contracten en exploiten beantwoorden niet duidelijkheid en sierlijkheid aan het doel, maar juistheid en bepaaldheid zijn daar de hoofdvereischten. Juistheid, om eene verkeerde opvatting te voorkomen; bepaaldheid, het tegenovergestelde van dubbelzinnigheid, om alle kwaadwillige uitlegging en ontduiking van den waren zin der woorden

[p. 119]

volstrekt onmogelijk te maken. Zij sluit zelfs de eigenlijke schoonheid niet buiten dergelijke stukken; indien schoonheid namelijk de uitdrukking is van volkomenheid, dat is hier van doelmatigheid. Zelfs een contract kan in zijne soort schoon zijn. Men heeft immers relatieve en absolute schoonheid te onderscheiden. Een walgelijk en afschuwelijk dier heet bij de natuurkundigen schoon, wanneer het de kenmerken van volkomenheid en gezondheid draagt. De soort slechts is dan niet schoon, het specimen, de vertegenwoordiging der soort, kan het zeer goed wezen. Wil men de uitdrukking der volkomene doelmatigheid schoonheid noemen, dan zou ik vrede kunnen hebben met Beckers begrip, indien men onder de ‘Darstellung,’ d. i. uitdrukking, ook de gedachten zelve kon begrijpen.

L.A. t. W.