[p. 181]

NOG IETS OVER EENE BEPALING VAN HET WERKWOORD.

Ter beantwoording van Dr. L.A. te Winkel  1)  .

Ik had niet gemeend, dat de teregtwijzing, door mij in no. 4 van De Taalgids 1860, bl. 250-252 gegeven, zooveel

 1)  De Redactie heeft gemeend het opnemen van dit stuk niet te moeten weigeren Het kan beschouwd worden als bijdrage tot de geschiedenis der Grammatica en levert een nieuw en krachtig bewijs voor hetgeen, blz. 27 van dezen Jaarg., gezegd is aangaande den minder gelukkigen invloed der autoriteitsleer op het oordeel harer aanhangers. Ik moet echter op het daar beweerde terugkomen. De billijkheid eischt, dat ik ook iets ten voordeele dier leer bijbreng. Zij heeft inderdaad hare goede zijde; wel niet juist ten opzigte van de wetenschap, die, door haar tot stilstaan gedoemd, niets van haar te hopen heeft, maar wel degelijk ten opzigte van hare geloovige belijders. Behalve het groote gemak, dat er gelegen is in het berusten bij hetgeen men eenmaal op het gezag van anderen voor waar aangenomen heeft - daar het ons van het zoo lastige denken ontslaat - behoedt het ons volkomen tegen het gevaar van inconsequent te worden. Wij zijn dan zeker, dat wij tot aan onze jongste ure aangaande dezelfde zaak altijd hetzelfde denken zullen, en wat een groot voorrecht is dat niet! Het is buitendien uitnemend geschikt om het zoo zalige gevoel, dat de eeuwige en onveranderlijke waarheid in ons onverstoorbaar bezit is, aan te kweeken, te onderhouden en te koesteren. Stel daar tegenover den onbeschrijfelijken last, dien de ongelukkige zelfonderzoeker zich op den hals laadt. Hij is een ware heautontimorumenos, een zelfkweller, die zich nooit rust gunt. De zoo beminnelijke deugd der tevredenheid kent hij niet, zelfs niet eens de tevredenheid met zich zelven. Altijd op zwarigheden stuitende, altijd leemten ontdekkende, betoont hij zich bij elke gelegenheid als iemand, met wien men niet voort kan, als een brekespel en rustverstoorder. En wat is nu het wel verdiende loon voor dat kwellen van zich zelven en anderen? Het rechtmatige verwijt van inconsequent te zijn en hoegenaamd geene vaste beginselen te hebben dan alleen ééne dwaze overtuiging, namelijk dat wij niet mogen berusten in hetgeen wij als gebrekkig hebben leeren kennen, en dat het betamelijk en pligtmatig is naar het wezen der dingen te vorschen met al de krachten en vermogens, die ons zijn geschonken, en des noods met verzaking van onze eigene eer; in één woord, de onzinnige overtuiging, dat de waarheid boven alles moet gaan.
Daar ik niet voornemens ben op dit stuk te antwoorden en het toch eenige toelichting noodig heeft, zal ik in eenige noten onder den tekst den lezer opmerkzaam maken op hetgeen mij hier en daar voorkomt opheldering te behoeven of minder juist te zijn. L.A. t. W.


[p. 182]

moeite zou hebben kunnen veroorzaken, als besteed is aan het uitvoerige antwoord, waarmeê in no. 1 van 1861, bl. 26-39, mijne korte bijdrage is vereerd geworden. Toevallig van nabij bekend met den onderwijzer, aan wien door Dr. Te Winkel de uitvinding eener definitie van het werkwoord was toegeschreven, had ik eigenlijk geene andere bedoeling dan tot inlichting van wie er belang in mogt stellen, als een feit mede te deelen, dat de bedoelde onderwijzer de gemelde definitie niet zelf uitgevonden, maar uit Bilderdijks werken geput had  1)  .

Dit feit nu wordt door Dr. Te Winkel, met opneming van een en ander dat minder ter zake dient en wat ik dus geheel

 1)  Ieder kent natuurlijk het best zijne eigene bedoelingen, en is dus ook de meest bevoegde om die aan anderen kenbaar te maken. Men moet den Heer R. dank weten, dat hij zelf die taak wel op zich heeft willen nemen; het was in dit geval niet overtollig, men zou ZE. al heel ligt andere bedoelingen hebben toegeschreven. Dus, het beroep op het gezag van Kinker en Heyse; de bewering, dat de definitie ‘zoo heel kwaad,’ ‘zoo verwerpelijk’ niet is; het wijzen op hare beknoptheid en duidelijkheid, op hare geschiktheid voor het lager ouderwijs, dat alles is als bijwerk te beschouwen, als stoffaadje om de hoofdfiguur van de groep, de interessante ‘teregtwijzing’, beter te doen uitkomen. Had de Heer R. achterwege gelaten alles, wat niet rechtstreeks tot zijn doel leidde, dan zou ik geheel geen antwoord hebben gegeven. Ik acht het van groot belang eene dwaling als dwaling te erkennen, ten einde hare voortplanting en uitbreiding tegen te gaan; maar van geheel geen belang te weten, wie haar auteur is. Ik heb daarom in mijn gansche stuk, Jaarg. II, 169, niemand met name genoemd, doch meende nu later de eer van Bilderdijk te moeten verdedigen, toen deze, m. i. geheel ten onrechte, aangerand werd.


[p. 183]

rusten laat, in zóó verre tegengesproken, dat de definitie ‘werkwoorden zijn zulke woorden, die het bestaan uitdrukken, met of zonder wijziging van hetzelve,’ niet uit Bilderdijks beschouwing van het werkwoord ‘ontleend’ kan zijn, omdat zij er niet in zou liggen. Naar Dr. Te Winkel schreef ik aan Bilderdijk door mijne bewering eene ‘ongerijmdheid’ toe, ja ‘eene zoo groote dwaasheid, als noch in zijne Verhandeling, noch in eenig ander zijner geschriften te vinden is.’ En de definitie? zij is in toenemende mate afkeurenswaardig. In de Taalgids 1860, bl. 181, behelsde zij ‘iets algemeens, hetgeen slechts in weinige werkwoorden ligt, en willekeurig in de overige gelegd werd;’ doch in de Taalgids 1861, bl. 35, is ‘in de gansche definitie niet een eenig verstandig woord te ontdekken  1)  .’

Even weinig als vroeger verlang ik ook nu over de waarde of onwaarde der definitie te twisten  2)  . Ik laat het oordeel van den Heer Te Winkel daarover geheel vrij; doch hoe stellig en krachtig zijne tegenspraak moge zijn, ik herhaal overigens nog altijd, dat de besprokene definitie in de aangehaalde plaats uit Bilderdijks Verhandeling ligt opgesloten, en dat men derhalve haar daaruit heeft kunnen ontleenen.

De definitie onderscheidt de werkwoorden in twee soorten, 1o. zulke, die het bestaan uitdrukken; 2o. zulke, die het bestaan uitdrukken met eene wijziging, d. i. een gewijzigd bestaan. Van de eerste soort spreekt Bilderdijk als hij zegt: ‘het verbum substantivum is het woord, het bestaan uitdrukkende;’ van de tweede, met de woorden: ‘wanneer

 1)  Ik erken, dat ik mij in het laatste stukje sterker heb uitgedrukt dan op blz. 121 van Jaarg. II, maar dat was heel natuurlijk. Nadat ik het ergste gebrek in de definitie had aangetoond, meende de Heer R. haar evenwel nog voor het lager onderwijs te moeten aanbevelen: toen moest het hooge woord er uit, en het bewijs geleverd worden, dat zij volstrekt niet, in geen opzigt deugde. Intusschen vergeet de Heer R., dat ik reeds bij de eerste gelegenheid vrij wat meer heb gezegd, dan ZE. goed vindt hier aan te halen. Zie J. II, blz. 181 en 182.
 2)  Vergelijk hier blz. 182, 1).


[p. 184]

wy een hoedanigheid aanmerken als een wijziging van 't bestaan des voorwerps, zoo is het een verbum.’ Die twee soorten heeft de onderwijzer getracht zamen te vatten in de uitdrukking: ‘werkwoorden zijn zulke woorden, die het bestaan uitdrukken, met of zonder wijziging van hetzelve  1)  .’ Hadde hij minder beknopt willen zijn, hij had met Anslijn kunnen zeggen: ‘De werkwoorden drukken het bestaan der dingen uit, of zij zijn de uitdrukking van het bestaan der dingen met eene hoedanigheid vereenigd en daardoor gewijzigd  2)  .’ Aan de eerstgemelde uitdrukking den zin te hechten, dat er werkwoorden zijn die buiten en behalve het bestaan, nog eene wijziging van het bestaan te kennen geven, is weder eene spitsvondigheid, tot welke de Heer Te Winkel de toevlugt niet moest nemen  3)  .

Voor de onbevooroordeelde lezers van de Taalgids acht ik door het bovenstaande de vraag nopens den oorsprong der

 1)  Indien die zamentrekking gelukt was en de geachte onderwijzer niets anders had willen zeggen dan hetgeen Bilderdijk werkelijk gezegd heeft, zoo zou de definitie blijkbaar aldus moeten luiden: werkwoorden zijn woorden, die òf het bestaan òf eene wijziging van het bestaan der dingen uitdrukken. Bilderdijk spreekt immers niet van ‘het bestaan met eene wijziging van hetzelve’, maar eenvoudig van ‘eene wijziging van het bestaan,’ zonder het bestaan zelf daar nog eens bij te voegen; zie III, 30.
 2)  Hier blijkt, dat Anslijn, wiens definitie ik niet kende, in dezelfde fout vervallen is als de geachte onderwijzer.
 3)  Ik laat aan het oordeel der lezers over, te beslissen, of het eene ‘spitsvondigheid’ moet heeten, als men onderscheid maakt tusschen een bestaan met eene wijziging van het bestaan en eene bloote wijziging van het bestaan; tusschen een wetboek, hetwelk eene gewijzigde wet bevat, d. i. eene wet met de daarin aangebragte veranderingen, en een staatsblad, dat alleen de aangenomen wijzigingen opgeeft; tusschen koffij met room en suiker en room en suiker alleen; tusschen a+b en b alleen? Dat dit geene spitsvondigheid is, zal ook mijn vriend De Jager, dien men nu toch eenmaal in de zaak betrokken heeft, gereedelijk erkennen. Hij zal zelf wel het best hebben geweten, hoe hij de door hem overgenomen definitie opvatte en wilde opgevat hebben, en dit leert hij duidelijk in de Inleiding in zijne Proeve over de ww. van herhaling enz., blz. XVI, met de volgende woorden: ‘De werkwoorden duiden in onze taal TWEE zaken aan: vooreerst het bestaan der voorwerpen, EN ten andere den toestand of de wijziging van dat bestaan. Het bestaan is begrepen in den uitgang en, dien ALLE onze werkwoorden gemeen hebben; de wijziging van het bestaan wordt door den wortel des werkwoords aangeduid.’


[p. 185]

definitie genoegzaam toegelicht. Voor Dr. Te Winkel zelven heb ik er nog iets bij te voegen.

Het is mij, namelijk, gebleken, dat de ‘geachte onderwijzer’ in zijne opvatting van Bilderdijks beschouwing van het werkwoord niet alléén staat. Toevallig is er nog iemand geweest, die ‘zich willende herinneren, waarin het wezen des werkwoords bestaat,’ dezelfde bladzijden opsloeg uit de Verhandeling over de Geslachten, en, even toevallig, uit die bladzijden tot hetzelfde resultaat kwam  1)  . Twee personen, derhalve, hebben, ieder afzonderlijk en van elkander niets wetende, in dezelfde woorden van Bilderdijk ‘gelezen wat er niet staat,’ daarin ‘eene ongerijmdheid en groote dwaasheid’ gelegd, en daaruit eene definitie getrokken, waarin ‘niet een eenig verstandig woord is te ontdekken.’ Mij dunkt, de Heer Te Winkel zeide niet te onregt, dat de geschiedenis der definitie van het werkwoord ‘allerleerrijkst’ is.

In het tweede Deel van het Taalkundig Magazijn leest men in een opstel getiteld ‘Iets over het gebruik der hulpwoorden hebben en zijn, door L.A. te Winkel,’ bl. 317 en 318 het volgende:

‘De hoedanigheden der dingen,’ zegt de Heer Bilderdijk in zijne Verhandeling over de Gesl. bl. 33 en 34, kunnen op tweederlei wijze beschouwd worden; of wij stellen ze in de zaak als daaraan verknocht, of wij stellen ze niet zoo zeer in de zaak als wel in het bestaan der zake: dat is met andere woorden, of wij merken ze aan als eene wijziging van de zaak zelve; of als eene wijziging van haar bestaan. Bij voorbeeld: als ik zeg, een zwart paard, of het paard is zwart, zoo is zwart in mijn denkbeeld eene hoedanigheid van het paard; maar zeg ik, het paard loopt, zoo denk ik het loopen niet als eene hoedanigheid van het paard, maar als eene wijziging van zijn bestaan. Dan wanneer wij eene hoedanigheid als een affectie

 1)  Indien de Heer R. hier Anslijn bedoelt, heeft ZE. volkomen gelijk; indien mij, zooals schijnt, dan heeft hij ongelijk. Zie de volgende Noot.


[p. 186]

van een zelfstandig ding beschouwen, zoo is het woord, dat wij gebruiken, een adjectief, en dan wanneer wij ze aanmerken als een wijziging des bestaans, zoo is het een ‘verbum.’ Het verbum drukt dus eene wijziging uit in het bestaan van een voorwerp  1)  . Op het ww. zijn echter is deze bepaling niet ten volle toepasselijk, daar dit woord slechts het bloote bestaan zonder de wijziging uitdrukt: God zeide: daar zij licht, en daar was licht. Dit is dan ook de oorzaak, dat het als koppelwoord gebezigd wordt, om het gezegde aan het onderwerp te verbinden, wanneer het eerste geen werkwoord, maar een zelfstandig of bijvoegelijk naamwoord is, bijv. God is een geest; de mensch is sterfelijk. Zeer juist is derhalve de definitie door den Heer De Jager, in zijne Korte Schets van de Gronden der Nederd. Spraakk. gegeven: De werkwoorden drukken het bestaan der voorwerpen uit met of zonder de wijziging van dat bestaan  2)  .’

Tot dus verre de Auteur van het opstel. Men lette wel, dat de aanvoering van dit citaat niet zoo zeer geschiedt om het getuigenis dat het geeft nopens den inhoud der definitie, die dezelfde is met die des ‘geachten onderwijzers’; men kan ook ten aanzien eener definitie van zienswijze veranderen, en de Heer Te Winkel heeft met eene rondheid, die hem vereert, erkend, vroeger de werkwoorden verkeerd te

 1)  Men ziet, dat ik Bilderdijks woorden reeds toen juist zoo opgevat heb als nu onlangs op blz. 29 van het vorige nummer, dat hij namelijk spreekt van eene wijziging in of van het bestaan, en niet van een bestaan met eene wijziging van dat bestaan bovendien, gelijk de Heer R. volstrekt wil.
 2)  Gaarne erken ik, dat ik toen, in 1837, in twee opzigten gedwaald heb. Vooreerst, door gaaf weg aan te nemen, dat er sprake kon zijn van eene wijziging in of van het bestaan van iets, hetgeen mij eerst bij nader inzien gebleken is eene ongerijmde onderstelling te zijn; ten tweede doordien ik de, ook door Prof. Siegenbeek, geroemde definitie niet naauwkeurig genoeg bekeken en daardoor haar verschil met B's verklaring voorbij gezien heb. Ik vermoedde niet, dat men Bilderdijks woorden anders had opgevat dan ik zelf. De woorden van Dr. De Jager, aangehaald op blz. 184, 3), hebben mij de oogen geopend en met schrik doen zien, dal ik mij vergalopeerd had.


[p. 187]

hebben beschouwd  1)  . De aanhaling heeft vooral ten doel, eene bijdrage te leveren tot regt verstand van hetgeen Bilderdijk t. a. p. heeft gezegd, en zulk eene bijdrage kon mij van niemand meer welkom zijn, dan van den heer Te Winkel.

Aangaande de definitie, door Dr. Te Winkel uit Steinthals taalbeschouwing opgemaakt, had ik mij de aanmerking veroorloofd dat ‘zij zich niet door duidelijkheid van inhoud of fraaiheid van stijl onderscheidt.’ De Schrijver erkent nu zelf, dat zij ‘stellig hoogst ongeschikt is voor het lager onderwijs’ en - wat in een Tijdschrift, inzonderheid ten dienste der onderwijzers ingerigt, vroeger had moeten geschieden - geeft zich nu nog al eenige moeite om eene beknopter en bevattelijker definitie te geven, die, zoo veel doenlijk in overeenstemming blijft met de lange en niet zeer duidelijke, naar de Steinthalsche beginselen opgemaakt. Zij luidt dus: ‘Een werkwoord is een woord, waarbij men zich het doen of werken van personen of van dingen voorstelt  2)  .’

 1)  Op blz. 180, J. II, heb ik gezegd: ‘Ik spreek hier uit eigene ervaring, en schaam mij niet te bekennen, dat ik vroeger, toen ik mij van het bedoelde beginsel nog niet bewust was, zelf op een dwaalweg ben geweest en die belangrijke klasse van woorden verkeerd beschouwd heb.’
 2)  Hetgeen de Heer R. hier zegt, is niet volkomen juist; men zou het zonder overdrijving zelfs zeer onnaauwkeurig, bevreemdend onnaauwkeurig kunnen noemen. De ‘beknopte en bevattelijker definitie,’ die ik niet zonder moeite eerst later gegeven zou hebben, stond al van den beginne af te lezen vóór de ‘lange niet zeer duidelijke,’ zie II, 184. Hetgeen volgens de meening van den Heer R. vroeger had behooren te geschieden, was werkelijk vroeger geschied. Ook heb ik mij niet ‘nog al eenige moeite behoeven te geven’ om die kortere in overeenstemming met de langere te brengen, om de eenvoudige reden, dat de eerste niet een uittreksel uit de laatste, maar de laatste eene omschrijving of uitbreiding van de eerste is, gelijk ik op blz. 38 van het vorige nummer aangetoond heb. Reeds in zijn eerste Stukje II, 252, had de Heer R. in zijnen lofwaardigen ijver die korte definitie van mij over het hoofd gezien en, het oog alleen op de omschrijving gevestigd houdende, deze om haar gemis aan beknoptheid en duidelijkheid afgekeurd en voor het lager onderwijs ongeschikt geoordeeld. Ik heb toen op die kortere gewezen, die onmiddellijk vóór de langere te lezen stond; maar zij is in weerwil van deze uitdrukkelijke aanwijzing den Heer R. al wederom ontgaan, iets dat bevreemdend is in een man, die zoo precies weet, wat ik 24 jaren geleden, in het hartje van Friesland zittende, gedacht en geschreven heb.


[p. 188]

De onderwijzers zullen zeker met mij erkentelijk zijn voor de aangewende moeite, doch, naar ik vermoed, twee opmerkingen maken; vooreerst, dat die definitie, althans voor het kinderlijke begrip, niet alle werkwoorden omvat, dewijl zij, bij voorbeeld, het nog al dikwijls voorkomende werkwoord zijn buitensluit  1)  ; ten tweede, dat indien zij het zijn mede als werking wilden aanmerken, er voor hen niet zoo veel omslag noodig ware geweest, om de nu als oorspronkelijk aangebodene en zoo hoog geroemde bepaling van het werkwoord te vinden, naardien zij, hoofdzakelijk doch wat minder volledig en sierlijk, reeds voorlang werd gegeven door Bilderijks Spraakleer, die zegt: ‘Werkwoorden zijn die een werking of doening uitdrukken  2)  .’

 1)  Dit is ongetwijfeld een bezwaar bij het lager onderwijs; maar het drukt zoo wel buiten als bij dit onderwijs veel zwaarder op de definitie van den geachten onderwijzer, en het is vreemd, dat de Heer R. dat nog niet heeft opgemerkt. Immers beteekent zijn in zinnen als: Onze buurman is ziek, of is een timmerman, niet het bestaan of de existentie; het bestaan van den buurman wordt als bekend aangenomen. Die beteekenis van zijn kan nooit en op geenerlei wijze met die definitie in overeenstemming gebragt worden. Daarentegen leert de metaphysische logica duidelijk, dat alle zijn, ook en vooral het hier bedoelde in ziek zijn, een timmerman zijn, voor ons denken - en de taal is het orgaan van het menschelijke denken - inderdaad werking (Thätigkeit) is. ‘Mithin vermag unser Denken das Seyn überhaupt nur als unterschiedlich Seyendes zu fassen oder was dasselbe ist Seyendes von Seyenden nur zu unterscheiden, sofern es zugleich implicite (wenn auch aufänglich unbewuszt) die Seyenden als Thätigkeitén faszt.’ Ulrici, System der Logik., blz. 266. ‘Ist also jedes Seyende als solches Thätigkeit, so ist es auch als Thätigkeit unterschieden.’ Ibid. blz. 268. Dit kan men natuurlijk niet onder het bereik van ‘lagere-schoolknaapjes’ brengen; maar dat behoeft zeker ook wel niet, anders zou men de andere defin. wier onwaarheid immers blijkt, zoodra men haar voor iemand, wie ook, poogt duidelijk te maken, niet nog steeds en bij herhaling in schoolboekjes aantreffen.
 2)  Het zou mij weinig passen te twisten over de oorspronkelijkheid of niet oorspronkelijkheid der definitie, die de Heer R. zoo maar van Steinthal overgenomen acht. Ik meen echter den lezer opmerkzaam te mogen maken op het een en ander, dat op zijn oordeel invloed kan hebben.
Toen Bilderdijk schreef: ‘Werkwoorden zijn, die eene werking of doening uitdrukken,’ schreef hij òf eene subjectieve onwaarheid neder, òf wilde hij zijne woorden niet zoo streng opgevat en op ieder werkwoord in het bijzonder toegepast hebben, omdat er werkwoorden zijn, die voor de gewone, dagelijksche zienswijze geene werking uitdrukken; vergelijk het boven op blz. 125 v. gezegde. Dit zal dan ook wel de reden zijn, dat zijne definitie niet door anderen overgenomen en zóó in het vergeetboek geraakt is. Toen toch was nog niet opgemerkt, immers nergens ontwikkeld, hetgeen ik gemeend heb op blz, 169 vv. van den vorigen Jaargang onder de aandacht der grammatici te mogen brengen. Eerst door de toepassing van het daar aangedrongen beginsel wordt B's definitie eene waarheid, terwijl hij nergens eenig blijk geeft, dat hij zelf dat beginsel heeft erkend of vermoed. Dat alle zijn, al zij het onbewust, als werking beschouwd wordt, is - voor zoo ver ik weet - het eerst opgemerkt en aangetoond door Ulrici, wiens Logik in 1852 is verschenen. De erkenning ook van deze waarheid is noodig om B's definitie tot eene volstrekte, absolute waarheid te verheffen. Wie dat alles het eerst combineert, heeft m. i. eenige aanspraak op originaliteit. Mogt de Heer R, die zoo goed te huis schijnt in hetgeen anderen gezegd en geschreven hebben, weten aan te wijzen, door wien en waar die combinatie gemaakt is, dan zal ik gaarne ook de geringste aanspraak op oorspronkelijkheid laten varen.


[p. 189]

Mij zij het ten slotte geoorloofd, aan deze beide opmerkingen nog eene derde toe te voegen. Noch voor onderwijzers, noch voor spraakkunstschrijvers is het raadzaam, de definitiën, hetzij dan naar aanleiding van Steinthal of van anderen, door Dr. Te Winkel ontworpen, al te spoedig over te nemen  1)  . Deze Geleerde toch schijnt tamelijk onvast in hetgeen hij als deugdelijke taalbeginsels erkent. Dit bleek

 1)  Dit is een uitstekend goede raad en stellig wel de verstandigste phrase uit het gansche stuk van den Heer R. Men kan inderdaad het doorzigt van anderen niet te zeer mistrouwen. Hadden de Heer R. en ik zelf dat wat meer gedaan, ZE. zou geeue vruchtelooze pogingen hebben aangewend om de definitie van den geachten onderwijzer te verdedigen, en ik zou haar voor 24 jaar beter bekeken en dan wel niet voor de juiste uitdrukking van B's gevoelen verklaard hebben. Ik begeer dan ook volstrekt niet, dat men mijne definities zoo maar voetstoots aanneemt. Daarom voeg ik nan mijne beweringen niet zelden eenige uitdrukkingen toe, die te kennen geven, dat ik ze niet als de eenige, absolute waarheid wil beschouwd hebben; b.v.: de definitie zal nagenoeg aldus moeten luiden; ik meen, dat zij niet ver van de waarheid verwijderd kan zijn; mogt het vervolg leeren, dat dit begrip het ware was, enz Zie onder andere Taalg. II, blz. 184 en 186. Het eenige, wat ik recht heb te verlangen, is: de erkenning, dat ik met ijver en oprechtheid naar de waarheid zoek, en niet tracht staande te houden, wat valsch of scheef bevonden is, al is het dan ook van mij zelven afkomstig. Mogelijk zou ik er nog den wensch bij kunnen voegen, dat men den raad niet gaf om voort te gaan met te onderwijzen, wat kennelijk ouwaar is; ik acht dat onbestaanbaar met den ernst, dien de wetenschap, dus ook hare beginselen, recht heeft te eischen.


[p. 190]

ons reeds boven; nog sterker en treffender blijkt het uit hetgeen is gebeurd met andere definitiën van het werkwoord, met name die van Professor Brill. Diens bepaling ‘het werkwoord is een woord, hetwelk datgene uitdrukt, wat de spreker aangaande eenig voorwerp denkt’ heet nu (in 1861) ‘wat heel ver gezocht en veel beter op eene andere soort van woorden dan op verba toepasselijk’; in 1860 behelsde zij ‘twee misslagen: eene grove inconsequentie en eene te naauwe beperking van het begrip’; doch in 1856 was zij ‘de juiste definitie.’ Men zie en vergelijke de Taalgids, III. 14; II. 182, en het Nieuw Nederl. Taalmag. III. 42. Wat waarborg heeft men alzoo, dat wat heden als ‘juist’ en ‘zeer juist’ wordt geoordeeld, niet morgen als ‘heel ver gezocht’, als ‘inconsequent’, of wel als ‘zonder een eenig verstandig woord’ zal worden verworpen  1)  

 

R.

 1)   De Heer R. heeft hier volkomen gelijk; evenwel tegen de herhaalde beschuldiging van het ontleenen en putten uit anderen en van onvastheid in taalbeginselen zou ik met grond nog al iets kunnen inbrengen, indien ik zulks der moeite waardig achtte. De Heer R. schijnt zich geen denkbeeld te kunnen vormen van iemand, die iets zegt of schrijft, wat niet vóór hem door anderen gedacht en geschreven is, en toont beginselen niet te kunnen onderscheiden van resultaten, volgens beginselen verkregen. Ik zal het onderscheid hier niet ontwikkelen; ook benijd ik niemand den roem van hardnekkig volhouden tegen beter weten aan. Homo sum et nihil humani a me alienum puto, ook niet de feilbaarheid. Mijne onvastheid is een gevolg van die feilbaarheid en van het streven naar het betere. Die twee zwakken zal ik wel altijd blijven behouden en wil dus ook maar geene pogingen aanwenden om ze af te leggen. - Ik eindig hier met den wensch, dat de Heer R. zijne pen voortaan moge wijden aan de Wetenschap zelve; ongetwijfeld zal hij daardoor meer nut stichten dan door op te sporen, wie het is geweest, die dit of dat verkeerds het eerst in de wereld heeft gebragt. Eene dwaling toch wordt geene waarheid, als men verneemt, dat zij van een beroemd man afkomstig is.

Bij eene schermutseling, in welke herhaaldelijk mijn naam is genoemd, en in welke ik ook werkelijk betrokken ben, daar de definitie, die aanleiding tot de geschilvoering gaf, reeds voor veel jaren in mijne Korte Schets overgenomen, en sedert in alle drukken van dat schoolboekje behouden is, mag ik niet geheel het stilzwijgen bewaren. Ik veroorloof mij te dezer plaatse de volgende opmerkingen.
De definitie van het werkw. in mijne Korte Schets voorkomende is ook door mij nooit anders beschouwd dan als een uitvloeisel van de ontwikkeling, door Bilderdijk in § 10 zijner Verhandeling o. d. Gesl. van den aard des werkwoords gegeven. Het nu daartegen aangevoerde heeft mij nog niet tot eene andere overtuiging gebragt, en ik moet verklaren, in dit opzigt van mijn Vriend en Mederedacteur in meening te verschillen. Dat Bilderdijks bedoeling zou geweest zijn in het werkwoord alleen eene wijziging van het bestaan te zien, en niet tevens de uitdrukking van dat bestaan zelf, wordt, dunkt mij, zeer duidelijk weêrsproken door het slot der vermelde § 10, waar men leest: ‘Van daar dan ook, dat alle verbum het verbum substantivum (dat is 't werkwoord, het bestaan uitdrukkende) insluit, en in sommige Talen kennelijk inhoudt; terwijl het in andere Talen niet uitgedrukt, maar er toch op verschillende wijzen in verwikkeld is. Van daar ook, dat ons werkwoord altijd tweeledig, en dus nooit minder dan tweesilbig is (loopen, bij voorbeeld). Het bestaat naamlijk uit twee deelen; een subject en een praedicaat: het subject is het bestaan, en wordt in de sluitsilbe en gevonden; het praedicaat, een waar adjectief, schoon het in de eensgevormde taal nooit meer als een adjectief gebruikt wordt, maar voor substantief geldt, als wy hierna zien zullen. Wy noemen 't den Wortel van 't verbum.’ - De vraag is nu ditmaal niet, is deze beschouwing van het werkwoord juist? De vraag is alleen: wordt hier in het werkwoord alléén eene wijziging of het bestaan mét de wijziging gelegd? één, of twee zaken?
Dr. t. W. zeide teregt in het Taalk. Mag. als uitlegging van Bilderdijks woorden: ‘Het verbum drukt dus eene wijziging uit in het bestaan van een voorwerp.’ Doch thans zegt ZEd. minder juist: ‘Men ziet, dat ik Bilderdijks woorden reeds toen juist zoo opgevat heb, als nu onlangs, dat hij namelijk spreekt van eene wijziging in of van het bestaan.’ - Eene wijziging in of van iets, zal toch wel niet volmaakt hetzelfde beteekenen. Het eerste onderstelt de wijziging en het gewijzigde voorwerp bij elkander; het laatste de wijziging, daarvan afgescheiden. Een knop in een deur, zijn twee dingen; een knop van een deur, maar één, dunkt mij.
Gelijk ik in 1835 in mijne Korte Schets de vermelde definitie opnam, omdat die van Weilands Spraakkunst, welk werk ik overigens op den voet volgen wilde, mij niet voldeed, zoo zou ik ook nu bereid zijn, de uit Bilderdijk geputte voor eene nog betere te verwisselen. Het doet mij daarom leed, dat mijn geachte en scherpzinnige Vriend niet geslaagd is in het leveren eener bepaling, die in alle opzigten voor eene handleiding bij het allereerste taalonderwijs voldoet. Volgens hem zelven toch wordt zijne latere bepaling: ‘Een werkwoord is een woord, waarbij men zich het doen of werken van personen of van dingen voorstelt,’ voor het lager onderwijs gedrukt door het bezwaar, dat zij het werkwoord zijn buitensluit; doch hetzelfde bezwaar heeft ook de vroegere beknopte, die dus luidt ‘Een werkwoord is een woord, waarbij men zich het werken eener zelfstandigheid voorstelt.’
Het onderscheid tusschen de Bilderdijksche definitie en die van Dr. t. W. komt, zoo ik wel zie, daaruit voort, dat de eerste steunt op etymologischen, de tweede op philosophischen grond. De eerste heeft daarom boven de tweede vooruit, dat zij minder veranderlijk moet zijn, dan deze, als welke, afhankelijk van de elkander steeds vervangende stelsels der wijsgeeren, zich ook telkens zal moeten wijzigen, Hoeveel verschilt niet b.v. de beschouwing van het werkwoord, nu door Dr t. W. voorgestaan, van die, welke vroeger door Kinker in zijne verhandelingen bij het voormalig Instituut is geleverd. Niemand heeft ooit den Hoogleeraar groote scherpzinnigheid ontzegd en toch - van zijn wijsgeerig taalsysteem maakt Dr. t. W. niet eens meer melding!?
A. d. J.


[p. 191]

[noot]



[p. 192]

BLADVULLING.

Het vermoeden, door mij op blz. 98 van den tweeden jaargang geopperd, dat ons sein (teeken) uit het Fransch zou zijn overgenomen, is mij later gebleken zekerheid te zijn. Het Oudfransch toch schreef seign voor teeken in het algemeen; en nog heden is seing in gebruik voor handteekening.

L.A. t. W.