VRAGEN 1) .
27. Dikwijls leest men tegenwoordig honderde jaren, duizende menschen. Is de uitgang e voldoende of moet er nog eene n bij?
28. Hoe is het woord tegenwoordig gevormd?
29. Zijn uitdrukkingen als: Dit is een spreekwoord, dat ik mij niet herinner ooit gehoord te hebben; eene stelling, die het vergeefsche moeite ware te bewijzen; eene hoop, die uwe verzekering mij het recht gaf te koesteren, enz. goed te keuren?
30. Moet men schrijven aardsch- of aardsgezind?
31. Men vraagt de afleiding van het woord verwaarloozen. N N.
32. Men vraagt naar de beteekenis of de afleiding van de volgende woorden, voorkomende in een HS. van de 13e eeuw: scenemessen, eene soort van huiden of vellen; cnippine of clippine, stoff. bijv. n., waarschijnlijk gevormd van cnip of clip, eene diersoort; colenschescijm; het eerste deel van dit woord is Colensche, Keulsche; ric, dat hier niet de bekende bet. van rug hebben kan. J.H. v. D.
33. In sommige spraakkunsten wordt geleerd, dat het werkwoord worden in den onv. verl. der aant. wijs werd en |
1) Gedeeltelijk reeds op den omslag van No. l vermeld.
|
|
in den onv. verl. der aanv. wijs wierd heeft. Is die bewering juist?
34. Welke is de afleiding van het woord God?
35. Welke beteekenis heeft het woord kam in Vondel's Lucifer, IV Bedr., 3e Tooneel (uitgave v. Roelants, blz. 60). Ruck af dien trotsen kam; schud uit dit harrenas. IV Bedr. rei van engelen, blz. 66:
Wat beteekent (blz. 24) anders in: Dat zal ick keeren, is het anders in mijn maght. en wat (blz. 72) noch knodzen in: Die op Orions past, noch knodzen, noch op reuzen. A.
36. Waarom wordt steigeren met ei en stijgen met eene ij gespeld? X.
37. Nu en dan vindt men in dag- en weekbladen en tijdschriften melding gemaakt van onze nijveren, dat is, onze industriëlen. Dit woord wil mij maar niet bevallen. Weet niemand daarvoor een beter woord in de plaats te stellen? - Wat denken de lezers van de Taalgids van het woord nijverheidslieden? J.H. v. D.
38. Van der Palm schrijft o. a. boven het twaalfde en dertiende hoofdstuk van Jozua: ‘Aan de overzijde der Jordaan, Sihon en Og, wier landen den twee en een halve stammen ten deel vielen’ en ‘De Heer gebiedt Jozua tot de verdeeling des lands, onder negen en een halve stammen over te gaan.’ - Zijn er nog andere schrijvers van naam, die aldus geschreven hebben? Verdient hun voorbeeld navolging?
J.H. v. D. |