OVER HET BEGINSEL BIJ DE ONDERSCHEIDING DER WOORDSOORTEN IN ACHT TE NEMEN.(Naar aanleiding van Dr. L.A. te Winkels ‘Antwoord aan Prof. W.G. Brill op zijnen brief over de definitie van het werkwoord’ 1) ).
Wat eigenlijk het kenmerkende der taal uitmaakt, is niet zoo licht te vatten. Immers ziet men tot opheldering dier duistere vraag gemeenlijk middelen aanwenden, die de strekking hebben om eene valsche voorstelling van het wezen der taal te geven. Veelal, namelijk, wanneer men het wezen der taal duidelijk wil maken, begint men met te gewagen van gevoelsklanken en klanknabootsingen. In zulke onwillekeurige en nagemaakte geluiden nu kan nimmer de oorsprong der taal gevonden worden. Het is denkbaar, dat de mensch den rijksten voorraad van de duidelijkste gevoelsklanken en de treffendste klanknabootsingen bezat en naar den eisch aanwendde, zonder eene eigenlijke taal te bezitten. Wij hebben die klanken met de dieren gemeen, en de taal wortelt juist in dat wat wij boven de dieren vooruit hebben. Is de klank slechts de onwillekeurige uitdrukking eener gewaarwording, |
1) In het vorige Nommer van dit
Tijdschrift.
|
|
dan is niet de mensch bij het vormen van dien klank werkzaam geweest, maar slechts het dier, het bloot zinnelijk wezen in den mensch. Geen enkele stap is nog gedaan om tot het vormen der taal te komen. Het zwijgen bij een door de natuur bekomen indruk is veel menschelijker, dan het uiten van een klank, waardoor die indruk wordt wedergegeven. In die klanken derhalve den aanvang der taal te zoeken, die klanken tot opheldering van haar wezen te bezigen, het brengt van den weg af; het getuigt van een miskennen en leidt tot een miskennen van het wezen der taal. Dán, wanneer ons zinnelijk wezen eenen indruk van de natuur
ontvangt, te zwijgen - niet uit dofheid of onvermogen, gelijk sommige dieren,
maar vrijwillig te zwijgen, de uitdrukking van het gevoel, het namaken van het
waargenomene tegen te gaan, het is eene echt menschelijke handeling. Terwijl de
mensch bij het uiten van zijn gevoel van den zamenhang van zijn leven met dat
der natuur getuigt, zoo getuigt, daarentegen, dat zwijgen, dat de mensch zich
van de natuur kan losmaken, zich zelfstandig tegenover haar vermag te stellen;
dat hij, als het ware, zijn gevoelen over zich en zijn gevoel kan laten gaan,
dat hij zich boven zich zelven verheffen, zich buiten zich zelven plaatsen kan.
In dat vermogen nu van den mensch om zich tegenover de natuur en buiten zich
zelven te plaatsen, is de oorsprong der taal te zoeken. De mensch moet beginnen
met der natuur in hem het zwijgen op te leggen, zoo het bij hem tot spreken
komen zal. Dat oogenblik van stilzwijgen, der zinnelijkheid opgelegd, is het
oogenblik der taalwording. Dan kermt hij niet, om een voorbeeld te gebruiken,
dan kermt hij niet au! wanneer hij pijn gevoelt; maar spreekt: ik
gevoel pijn, en dit woord getuigt, dat het oordeelend wezen zich volstrekt,
bijna zeide ik, meêdogenloos van het gevoelend wezen heeft onderscheiden,
dat hij, die hier sprak, zich zelven tot het voorwerp zijner waarneming gemaakt
heeft, om zich zelven van die waarneming rekenschap te geven; het bewijst, dat er in ons een mensch is, die tegen ons zelven en de gansche natuur als rechter overstaat, en die mensch is het die spreekt; hij is het, die de taal heeft geschapen: niet het naklappende of hetzij aangenaam hetzij pijnlijk getroffen dier in ons, maar de beheerscher der schepping, de God in ons, is het, die spreekt, en die God in ons, zoo hij er is, is volmaakt in ons, dat is volkomenlijk aan de macht der natuur onttogen, zoo wel als aan de windselen der kindschheid ontwassen. Daarom kan ook het gestamel van het kind ons geene genoegzame opheldering geven omtrent den oorsprong der taal: in zoo verre in het kind reeds de ontwakende mensch stamelt, heeft zijn stamelen, ruim zoo zeer als de taal zijner ouders, de opheldering, die het ware inzicht geven kan, van noode. Een kind, als menschenkind, is al zeer spoedig oneindig meer dan een dier. Daar staat dan de mensch zich onderscheidend van zich en de
gansche schepping met een wereld van gedachten in zich, die niet uitwendig aan
hem waargenomen kunnen worden, zelfs niet door zijnen evenmensch, - en die
gedachten zelven, zij verflaauwen, zij worden uitgewischt door de vermoeidheid
van zijn ligchaam. Zal dan die inwendige wereld, het hoogste wat hij bezit,
nimmer mededeelbaar zijn aan wat hij het liefste heeft, aan zijn natuurgenoot?
Zal die wereld telkens spoorloos verloren gaan voor hem zelven, om na herstelde
geestkracht en vernieuwde waarneming - misschien - op nieuw geboren te worden?
Zoo zou de mensch dan toch nog een natuurwezen blijven in zijn doen, hoezeer
hij het ook niet ware in zijn denken. Hij zou geen gisteren hebben om aan zijn
heden te knopen, geen grond om op voort te bouwen: geene vereeniging van
geestelijke kracht met die van andere menschen zou er mogelijk zijn; de mensch
zou een ware banneling wezen op aarde, het rampzaligste van alle schepselen
Gods, een wezen, dat geroepen is, een eigenen kring buiten het bloot
natuurlijke te erlangen, en machteloos dien tot stand te brengen. - Daarom, de
mensch moet die inwendige wereld kunnen uiten; hij moet dat wat die wereld inhoudt, kunnen vasthouden, en dit doet hij in het woord, dat is in den klank, die rekenschap geeft van zijne gedachte l) . Het woord derhalve geeft niets uitwendigs terug, het is geen teeken van eenig voorwerp in hemel of op aarde, geen nabootsing van eenig ding, dat buiten ons bestaat; het geeft alleen de gedachte terug, en de gedachte bestaat in een oordeel over een voorwerp, dat is, zij getuigt van die werking onzes geestes, waardoor wij eenige hoedanigheid afscheiden van het voorwerp, waaraan zij toekomt, om de verbinding der twee, als met ons begrip in overeenstemming, met vrijheid te bewerkstelligen. |
l) Ook ligt in den naam woord het begrip
vasthouden opgesloten. Met ons woord, namelijk, is verwant het
Angels. veardjan, dat bewaken, verhoeden dat iets verloren
ga, beteekent, en beide woord en veardjan komen af van het
Goth. vards, dat wachter beduidt en waartoe het Hoogd.
warten behoort. De Grieksche benaming ρημα en de
Latijnsche verbum zijn identiek, zoowel onderling als met ons
woord. ‘Ρημα behoort bij
ειρημαι, den passiefvorm van
ειρηχα, het perfekt van den wortel
FερF, welken wij in het Latijnsche verbum
terugvinden, en welks beteekenis wij uit de woorden
ερυω (wortel: FερF), dat
bewaren, en ερεφω, dat
beschutten beduidt, leeren kennen, en ons woord is werkelijk
één met verbum: want woord staat tot verbum,
als baard tot barba. Eindelijk, al de hier vermelde Grieksche,
Latijnsche en Germaansche woorden komen af van den Sanskr. wortel var,
die beschutten beteekent. - Is dus, ook naar de uitspraak der Taal
zelve, het woord het middel, waardoor de mensch de gedachte vasthoudt, het
gedenkteeken (μνημειον) der
gedachte; - het denken zelf is de daad, waardoor de mensch eenig
voorwerp te midden der steeds wisselende verschijnselen vasthoudt, en
wederom is de Taal in overeenstemming met deze voorstelling. De Sanskr., Goth.,
Grieksche en Lat wortel man (waarvan
μεμονα en memini perfecta zijn),
die denken beteekent, is oorspronkelijk één met zoo menig
woord, dat wachten, bewaren, beduidt, als
μενω, maneo, en het oudhoogd.
manôn of manên, en ons woord denken (Goth.
thagkjan) is volgens de wet der klankverschuiving één met
het Lat. tango, hetwelk aanraken, d. i. de hand aan iets
slaan, dat het niet voor mij verloren ga beteekent, en tango wederom
klimt op tot tag (tetigi), Gr. ταγ
(ταττω), dat uit de verstrooijing op eene
vaste plaats stellen beduidt Ook het naamwoord, dat in het Hebreeuwsch
woord beteekent (&???;&???;&???;), behoort tot een
werkwoord, hetwelk in den grond ordenen, dus hetzelfde als het Gr.
ταττω te kennen geeft.
|
|
Hieruit volgt, dat het eerste, het oorspronkelijke woord in zijn wezen en aanleg en als in den kiem, een werkwoord zijn moest. Immers, het voorwerp, over hetwelk de gedachte ging, bleef aanvankelijk onuitgedrukt, het noemde, als het ware, zich zelf, het vertoonde zich daar in de natuur voor 's menschen oogen: des noods kon het nader met eenig gebaar worden aangewezen. Maar de gedachte, die in de natuur geen bestaan, noch voorbeeld kent, de gedachte over dat voorwerp, moest uitgedrukt worden, en de klank, welke van het denken getuigde en wel is waar van zelf de waargenomen hoedanigheid of werking vertegenwoordigde, doch geenszins tot herkenningsteeken van die hoedanigheid of werking moest dienen, maar strekte om de in het brein voltrokken verbinding van die hoedanigheid of werking met het voorwerp te kennen te geven, - die klank bezat al het kenmerkende van dat woord, hetwelk wij werkwoord heeten. Werd het voorwerp der gedachte werkelijk door een gebaar aangeduid
en ging die aanduiding met het uitbrengen van een klank gepaard, dan was het
voornaamwoord geboren. In het voornaamwoord heeft men, als het ware, het
teeken, de vertegenwoordiger van het voorwerp zelve. Daar nu de taal bestaat in
het uitbrengen van eene gedachte aangaande het voorwerp, zoo is het
voornaamwoord eigenlijk geen woord, slechts een hulpmiddel om het voorwerp der
gedachte te vertegenwoordigen en als te vervangen: het is slechts eene
aanduiding, eene vingerwijzing door middel van het geluid, die de aanwezigheid
of bekendheid van het voorwerp veronderstelt om verstaanbaar te zijn. Wilde de
mensch in staat zijn te spreken over voorwerpen, die niet met den vinger
aanwijsbaar waren, zoo moesi hij een klank hebben, waaraan hij het voorwerp
herkende, en deze was spoedig gevonden. Den klank, namelijk, die de gedachte
aangaande dat voorwerp inhield, bezigde hij als herkenningsteeken van dat
voorwerp; hij gaf aan het voorwerp eenen naam, ontleend aan een oordeel, over
dat voorwerp geveld. Maar van het oogenblik aan, dat die klank als naam van een voorwerp diende, had hij opgehouden werkwoord te zijn. Er waren van nu aan twee klanken, van welke de eene een werkwoord, de andere een naamwoord was. - Hoe deze te onderscheiden? - Zoo als in het Chineesch nog geschiedt, te weten, door verschil van toon en door de orde, in welke zij uitgebracht worden: de eerst uitgebrachte klank gaf het voorwerp, waarover de gedachte ging, het onderwerp der rede, te kennen: hij was bijgevolg een naamwoord; het tweede, op anderen en levendiger toon uitgesproken, hield de rede zelve in, en was bijgevolg een werkwoord. Slechts door de verschillende aanwending, door het gebruik, dat er van gemaakt werd, waren de beide klanken onderscheiden, in hun verschillend gebruik lag hun onderscheidend wezen, niet in hun verschillenden inhoud. Aan het gebruik derhalve, aan de aanwending in de rede, niet aan de beteekenis, moet de grond der onderscheiding der beide rededeelen ontleend worden. De beteekenis der zelfstandige naamwoorden is zoo oneindig verscheiden, als de voorwerpen der gedachte zelven: de gedachte vermag alles tot haar voorwerp te maken, hetzij het een stoffelijk of geestelijk, een concreet of abstract bestaan hebbe. Dus is het een even wanhopig als met het wezen der taal strijdig pogen, de definitie van het naamwoord te ontleenen uit de beteekenis, en eenig begrip te willen vinden, dat gemeenschappelijk toekomen zou aan alle voorwerpen, wier namen tot de ééne woordsoort der substantieven gebracht worden 1) . Met de voorwerpen zelven heeft |
1) Ook heet het naamwoord niet
zelfstandig, omdat daaraan de voorstelling van een natuurlijke
zelfstandigheid of van een als zoodanig behandeld begrip verbonden is.
Neen! het heet substantief in tegenoverstelling van het
adjektief. Bij de Grieksche Grammatici, die het adjektief
εφιθετιχον
(bestempelingsnaam) noemden, heeft het substantief dan ook een anderen
naam: het heet daar
προςηγοριχον,
dat is, benamingsnaam (appellativum), naam van eene benaming, dat
is, van eene klasse van voorwerpen, die onder dezelfde benaming begrepen
worden, soortnaam, in onderscheiding van
ονομα
χυριον, naam van een enkel voorwerp,
eigennaam.
|
|
de taal, als zoodanig, niets te maken, slechts met de gedachte aangaande die voorwerpen: die voorwerpen komen slechts als gedachtestof, als voorwerpen der gedachte, niet als natuurdingen, niet als voorwerpen op zich zelf, in aanmerking. De meerdere of mindere overeenkomstigheid van den inhoud der taal met de natuur der dingen kan dus nimmer een maatstaf tot goed- of afkeuring van de taal opleveren: de taal is niet min of meer gebrekkig, naar mate zij meer of min met de wezenlijkheid der dingen overeenkomt, maar naar mate zij min of meer aan haar eigen wezen beantwoordt, en dit wezen is, uitdrukking te zijn van de gedachte, die aan gansch eenvoudige, maar noodwendige, onveranderlijke, overal dezelfde, eeuwige vormen gebonden is: eeuwige vormen, zeg ik, want het denken met zijn vasthouden van een voorwerp te midden van den oneindigen stroom der verschijnselen, is een nadoen van het werk Gods, dat scheppen heet en bestaat in een voortbrengen van een bodem in het bodemlooze, van een punt, hetwelk ondoordringbaarheid heeft, te midden van de oneindige ruimte. Wij hebben het standpunt vermeld, waarop het Chineesch is blijven staan. Hier zijn werkwoorden en naamwoorden volkomen gelijk; zij hebben niets, dat hen onderscheidt, dan de plaats, die zij met betrekking tot elkander in de rede innemen, en het verschillend accent, waarmede zij worden uitgesproken. Deze gelijkheid in vorm brengt een groot gevaar met zich; zij geeft aanleiding dat men de natuur der beide woorden verwarre, en het werkwoord mede houde voor eenen naam, voor den naam eener werking. Zoo bekomt men dan twee naamwoorden, van welke het een is de naam van een voorwerp, en het ander de naam van iets, dat dit voorwerp doet. Zoo wordt de taal een naamgeven van voorwerpelijke dingen; zij wordt niet langer begrepen in haar wezen; de kiem, die in haar ligt, blijft onvruchtbaar. Gelijk de mensch zich door de taal van de dieren onderscheidt, zoo
is er een menschenstam, die zich daardoor van alle andere menschenstammen onderscheidt, dat hij in zijne taal getoond heeft, het naamwoord en het werkwoord niet te verwarren; dat hij aan het werkwoord en aan het naamwoord elk zijn eigenaardige vormen gegeven heeft, die het ons mogelijk maken ze te herkennen, op welke plaats zij zich ook in den zin bevinden. Zoo kan er vrijheid in de woordorde, beweging in den zin komen; zoo kan er uitdrukking gegeven worden aan den graad der levendigheid van onze voorstelling, der opgewektheid van ons gevoel en der kracht van onzen wil; zoo wordt stijl, zoo de kunst des redenaars eerst mogelijk, van welke die andere talen hen, die ze spreken, verstoken laten. En hoe heeft de Indo-Germaansche volkstam (want dezen bedoelde ik 1) ) die uitkomst bereikt? Door aan het naamwoord een voornaamwoordelijken klank te hechten, waarmede het op het werkwoord verwijst, en aan het werkwoord een dergelijk klankteeken, waarmede het verwijst op het naamwoord. Zoo blijkt het onmiskenbaar, dat er geene bloote nevenstelling tusschen beiden plaats heeft; maar dat het eene om en voor en in betrekking tot het andere bestaat; zoo heeft de koppeling, de verbinding van de beide termen van het oordeel, het wezen der gedachte zelve, eene uitdrukking gekregen, en daar de aangehechte klanken van het werkwoord in hunne verscheidenheid verschillen van die van het naamwoord, zoo is het gezegde, het gedachtewoord, onmiskenbaar, onverwarbaar van het naamwoord gescheiden, en dus door vaste teekenen, als het woord, het woord bij uitnemendheid gekenmerkt. Zoo hebben dan ook de onsterfelijke Grieken den naam ‘Ρημα, en in navolging van hen de Latijnen den naam verbum, dat is, het woord bij uitnemendheid, aan het werkwoord gegeven. Wij zeggen werkwoord ten gevolge van de vergeefsche poging om |
1) De Semitische talen staan tusschen de
Indo-Germaansche en al de andere, van verbuigbaar werkwoord verstokene talen
midden in, zoodat ook hier de Semiten en bepaaldelijk de Hebreeën tusschen
de beide uitersten der menschheid, als om ze beiden te omvatten, midden in
staan.
|
|
dit rededeel eenen naam te geven naar zijnen objektieven inhoud, dat is, ten gevolge van eenen terugval onzer wetenschap tot het Chinesche standpunt; ten gevolge van eenen afval van het begrip van het wezen der taal, hetwelk toch zoo volmaakt door de gemeenschappelijke voorvaderen der Indo-Germaansche volken was begrepen. Bij de voorstelling van de wijze, hoe het werkwoord tot naamwoord is geworden, hebben wij gezien, hoe het woord, al naar gelang van zijne functie in den zin, een ander karakter bekomt, tot eene andere woordsoort begint te behooren. Slechts het gebruik in den zin geeft den stempel aan het woord, bepaalt zijn onderscheiden wezen. Bij de ontwikkeling van het zelfstandig naamwoord uit het werkwoord bleef het niet. Werd een gedachtewoord aan een naamwoord toegevoegd om den inhoud van dit gedachtewoord voor te stellen als van den aanvang aan aanwezig in het voorwerp, aangaande hetwelk eene gedachte nieuw werd uitgesproken, zoo was dat gedachtewoord tot een bijvoegelijk naamwoord gestempeld, hetwelk zich wederom door eigenaardige vormen kenmerkte, sints het de liverei moest dragen van het naamwoord, waarbij het behoorde. Dit zelfde eigenschapswoord niet tot bepaling van een naamwoord, maar tot bepaling van het gezegde gebezigd, en wegens dit verschillend gebruik door een eigenaardigen vorm gekenmerkt, gaf de geboorte aan het bijwoord l) . Maar de gedachte, door het werkwoord uitgedrukt, kan niet alleen stoffelijk bepaald worden, de gedachte kan ook voorgesteld worden als verwezenlijkt of niet, als voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, als mogelijk of niet mogelijk, als ondanks beletselen bestaande al of niet. Om deze verschillende kategoriën uit te drukken, dienen woorden, die omdat zij de gedachte, |
l) De qualificatie van de bepalingen, door het
bijwoord uitgedrukt, blijft beter uit de definitie van dit rededeel weg. Immers
berust die qualificatie op de afkeurenswaardige poging om de beteekenis van het
bijwoord in de definitie te omschrijven.
|
|
door het werkwoord uitgedrukt, wijzigen, met de bijwoorden tot ééne soort gebracht worden. Onder de naamwoorden zijn er, die dichter aan het werkwoord aangesloten bleven, en rechtstreeks afgeleid zijn van het in al zijne vormen volkomen ontwikkelde werkwoord. Aan zulke naamwoorden kleeft iets van de natuur van het werkwoord; zij brengen ons de voorstelling, die het werkwoord ons geeft, voor den geest; zij hebben iets van des werkwoords heerschende kracht behouden; de werking, die zij te kennen geven, wordt steeds, gelijk Dr. Te Winkel 1) zeer duidelijk uiteengezet heeft, in betrekking tot een bepaald subjekt gedacht, en dit is zelfs van invloed op hun syntaktisch gebruik. Men noemt ze infinitiefvormen en deelwoorden; maar daar zij onbekwaam zijn om zonder hulpwerkwoord het praedikaat te vormen, en derhalve datgene missen, wat het werkwoord tot werkwoord maakt of liever werkwoord doet blijven, zoo kunnen zij niet met het werkwoord tot ééne soort verbonden gelaten worden 2) : het zijn |
1) t. a. pl. bl. 18, 19.
2) In het Zweedsch, en ook in het Deensch,
bekomen de volmaakte deelwoorden van sterke werkwoorden den uitgang t,
wanneer zij met het hulpwerkwoord hafva, have verbonden worden, terwijl
zij bij het werkwoord wara, vaere, op en uitgaan. Mijn
hooggeachte vriend
Te Winkel (t. a. pl. bl. 21) ziet
hierin een bewijs, dat het participium passivum, wanneer het met het eene dier
hulpwerkwoorden gebruikt wordt, tot eene andere woordsoort behoort, dan waartoe
het te brengen is, wanneer het met het andere hulpwerkwoord voorkomt. Volgens
deze leer zou in: ik ben geloopen, geloopen een bijvoegelijk naamwoord,
en in: ik heb geloopen, dit zelfde woord een deelwoord zijn. - Maar
slechts de zucht om bewijzen voor zijn gevoelen te vinden, kan mijnen vriend
belet hebben, de waarheid over het hoofd te zien. Immers is die t op het
eind der sterke volmaakte deelwoorden in het Zweedsch en het Deensch, niets
anders dan de uitgang van het onzijdig geslacht naar de sterke verbuiging,
vóór welke t, gelijk het Oudnoordsch leert, de n
van den uitgang van het sterke deelwoord wegviel. Förgätit is
dus eigenlijk niets anders dan het neutrum van forgäten, en staat
voor forgätint. Het Deensche: Det Brev er skrevet, nevens:
Den Bog er skreven, bewijst de zaak, zoo zij bewijs noodig had, en het
Oudnoordsch bûit, neutrum van bûinn, en dus door synkope
ontstaan uit bûint, de zaak niet uitmaakte. Bij hafva, have
heeft men aan den onzijdigen vorm de voorkeur gegeven, om dezelfde reden,
waarom in het Fransch bij het werkwoord avoir het deelwoord onverbogen
bleef, namelijk omdat er geen bepaald objekt bij gedacht behoeft te worden. -
Ons geweest nevens gewezen is op de Noordsche wijze gevormd, en
misschien door het verkeer onzer zeevaarders met de Noren in onze taal gekomen.
- Ook van de omstandigheid, dat het Fransche participe présent nu
veranderlijk, dan onveranderlijk is, maakt Dr.
Te Winkel gebruik, om te staven, dat het in
het eene geval tot eene andere woordsoort behoort, dan tot het andere. Doch die
omstandigheid bewijst niet, dat het participe in het ééne
geval een adjektief, in het andere een werkwoord zijn zou, maar dat het in het
eene geval een deelwoord en dus een adjektief, in het andere een
gerundium en dus een zelfstandig naamwoord is. Dit meen ik bewezen te
hebben in mijne Krit. Aanm. over de Fr. Spraakk. bl. 226-232. - Voor het
overige heb ik nooit het onderscheid miskend, dat er tusschen den infinitief en
een gewoon substantief, tusschen een gewoon adjektief en een deelwoord
bestaat.
|
|
naamwoordelijke vormen van het werkwoord, dat is, in hen is in een bepaalden vorm het werkwoord naamwoord geworden. Nog eene soort van woorden is er, die syntaktisch met de
bijvoegelijke naamwoorden op gelijke lijn geplaatst zijn, omdat zij eene
bepaling aan de voorwerpsnamen geven, maar niettemin van bijzonderen aard. Zij
hebben, wat ook hun oorsprong zij, werkelijk het karakter van teekens van
zekere voorwerpelijke dingen, te weten van bepaalde getallen. Werkelijk is hier
de bijzondere beteekenis, en geenszins eenig eigenaardig gebruik de grond, dat
zij tot eene afzonderlijke woordsoort gerekend worden. Zij zijn, als het ware,
willekeurige namen, eigene namen van de getallen; zij hebben geenen
gedachte-inhoud; zij zijn toevallige klanken geworden, en waren dus geschikt om
bij den ruilhandel tusschen volken, die gansch verschillende talen spraken,
even als de namen van maten, gewichten en munten, een gemeen goed uit te maken.
Vandaar dat tusschen de telwoorden in het Semitisch en het Indo-Germaansch eene
verwantschap wordt waargenomen, die bij de andere soorten tusschen de woorden
dezer verschillende taalstammen niet bestaat. De bijvoegelijke naamwoorden, die
een onbepaald getal uitdrukken, zijn, mede wegens hunne beteekenis, met deze
telwoorden tot eene soort gebracht. Dat derhalve bij deze woorden de van andere adjektieven verschillende aard en beteekenis en niet het gebruik, van hen in den zin gemaakt, den grond opgeleverd heeft, dat zij als een bijzondere soort van woorden worden aangemerkt, kan men zich te gereeder laten welgevallen, aangezien men toch steeds de voornaamwoorden, hoezeer zij wat hun gebruik aangaat, naamwoorden zijn, wegens hunnen van de naamwoorden verschillenden aard als een bijzondere soort van woorden zal dienen te behandelen. Deed men het niet, men zou de zelfstandige en de bijvoegelijke naamwoorden zelven, in zoo verre zij al of niet van voornaamwoordelijken aard zijn, in twee ondersoorten moeten verdeelen. De tegenstrijdigheid bestaat hier in het voorwerp der wetenschap, niet in de wetenschappelijke behandeling: had de taal, uit liefde tot consequentie, de dienst versmaad, die zij van de voornaamwoorden heeft, zij zou geen middel gehad hebben om het werkwoord van het naamwoord te scheiden, terwijl thans die aanduidende klanken, die men stomme gebaren zou kunnen noemen, omdat zij geen gedachte tot inhoud hebben, dienstbaar gemaakt zijn aan het hoogste doel, dat bereikt kon worden. Niet slechts om voorwerpen aan te duiden, konden klankgebaren,
hoedanige de voornaamwoorden zijn, worden aangewend, maar ook om betrekkingen
tusschen voorwerpen aan te duiden. Strekken zij tot zulk een einde, dan zijn
zij bijwoorden, aangezien zij alsdan eene materieele bepaling van het gezegde
inhouden. Dienen voorts zulke bijwoorden om bepaaldelijk de betrekking tusschen
twee in den zin genoemde voorwerpen aan te duiden, dan heeten zij
voorzetsels, die dus wederom bloot door hun syntaktisch gebruik, en niet
in wezen, van de bijwoorden onderscheiden zijn. Eindelijk, bij de uitvoerige
redenering moest het verband tusschen zin en zin uitgedrukt kunnen worden. Tot
dit doel bezigde men voornaamwoorden of bijwoordelijke uitdrukkingen; maar,
onverschillig welke woorden men tot dat einde bezigde, zoodra zij dienen om het
zinverband te kennen te geven, vormen zij een nieuwe woordsoort, voegwoorden geheeten, die voor zoo ver zij voegwoorden zijn, in het geheel geene materieele beteekenis hebben, maar slechts de orde en wijze der redenerende voorstelling doen uitkomen. Zoo hebben wij dan uit het ééne woord zich verschillende soorten van woorden zien ontwikkelen, en daarnevens aan de klankgebaren de plaats, die zij vrij innemen mochten, zien aanwijzen. Mijn doel was, het beginsel, dat in de onderscheiding der woordsoorten gevolgd wordt, en de definitie van enkele woordsoorten, die door Dr. Te Winkel met veel scherpzinnigheid veroordeeld was, te handhaven, hoezeer ik toegeef, dat al de gegeven definities nog niet volmaakt zijn. Met de heusche bedoeling om aan de bewoordingen van de door mij gegeven definitiën des naamwoords en des werkwoords geene beteekenis te hechten, die in zijne oogen ongerijmd was, heeft mijn hooggeschatte vriend aan die bewoordingen eenen zin gehecht, welke in mijne en in veler oogen ongerijmd moet zijn. Ziedaar wat ik niet kon laten voorbijgaan zonder mij door eene meer opzettelijke uiteenzetting, dan met eene definitie geschieden kan, nader te verklaren.
Utrecht, Sept. 1861. W.G. Brill. |