OVER DE WERKWOORDEN BEENEN EN VERBEENEN.De uitdrukking op iets beenen komt bij onze schrijvers der zestiende eeuw eenige malen voor. Dus in de Antwerpsche Spelen van Sinne, bl. 111:
Aldaar, bl. 711:
Anna Bijns, Konstighe Refereynen, I. 10:
Ald. D. II. 48:
en bl. 75:
Van Ghistele, Terentius (Andria, bl. 39):
Kiliaan heeft het werkw. beenen
opgenomen als een vlaamsch woord dat ‘schimpen, cavillari’
beteekent. En zeker in dien zin laten zich de bijgebragte plaatsen vrij wel
verklaren. Intusschen, ook
Schmeller heeft een werkw. bainen, dat
hij eenigzins anders uitlegt en wel in eenen zin, die in eenige van de
aangevoerde plaatsen niet minder met het verband schijnt te strooken; in
Einen hinein bainen, an Einen hinanbainen is bij hem ‘ihm zusetsen
mit Schelten, Corrigiren, Mahnen, Verbieten etc.’ Wij zouden zeggen, op
eene ruwe wijze op iemand aanvallen of los gaan, b.v. met bitsche bejegening.
Als
Anna Bijns van de Lutheranen zegt, dat zij
‘op allen Godsdienst beenen,’ zoodat zij dien meenen uit te roeijen, dan denkt men hier bij beenen eerder aan het rigten van eenen bitschen aanval, dan aan bloot schimpen. Evenzoo, wanneer zij van de verharde vijanden zegt dat zij ‘deur haet ende nijt elkerlijcken willen bemen.’ Voor op eene prooi aanvallen ontmoet ik het werkw. in de Vlaamsche Rijmkronijk, bij Kausler, Denkmäler, I. 220:
De hoofdbeteekenis van beenen komt mij dus voor te zijn aanvallen of overmeesteren met bitschheid of met schimp. Doch van waar heeft het werkwoord die beteekenis? Met andere woorden, welke is zijne afleiding? Schmeller plaatst bainen op het naamwoord Bain, doch merkt aan, dat het werkwoord misschien niet tot het gemelde naamwoord behoort; men kan, volgens hem, ook denken aan het zweedsche banna, schelden, of wel aan het oudduitsche panon of banon, exercere, concutere, van hetwelk onze Ouden het subst. bane hadden voor verderf, doodsgevaar, enz. 1) . Waar zulk een groot taalgeleerde in onzekerheid is, waag |
1) Zie over dit subst, bane mijne
Nalezing op het Glossarium van Prof.
Lu-Lofs' Handboek, bl. 20, en voeg bij de
daar aangehaalde voorbeelden nog deze, Maerl. Spieg. Hist. IV. 169:
Hetz. werk, quarto uitg. III. 114:
Bij Chaucer is bane ‘destruction’, volgens Halliwell. |
|
ik het niet te beslissen. Het komt mij intusschen voor, dat het werkw. beenen wel zou kunnen geacht worden af te komen van het subst. been. Het engelsch toch kent een werkw. to bone niet alleen voor de beenen uit het vleesch halen, maar ook (zoo als Halliwell het omschrijft) voor to seize, to arrest, d. i. grijpen, aangrijpen, beslag op iets leggen. Deze laatste beteekenis komt die van het nederlandsche beenen zeer nabij 1) . Behalve beenen heeft Kiliaan ook verbeenen, vituperare, en Van Hasselt leidt dit van beenen, cavillari, af. Niet te onregt, naar 't schijnt; het voorzetsel ver, gelijk meermalen, geeft dan ook hier aan het werkwoord geene andere beteekenis; het bevestigt of versterkt die blootelijk. Op iets of iemand beenen en iets of iemand verbeenen geven dan nagenoeg hetzelfde te kennen. Intusschen het werkw. verbeenen heeft ook eene beteekenis, die Kiliaan niet vermeldt. Hinlopen zegt dat de wachtelvangers verbeenen noemen ‘een wan- of valsch geluid maken op hun beentje.’ (Zie de Verhandel. v. d. Maatsch. v. Letterk. D. II. St. I. bl. 257). En Meinardus Tydeman teekende daarop aan: ‘Verbeenen is, den wachtel bederven, door verkeerd op het wachtelbeentje te slaan.’ Bilderdijk (Aant. op Huyg. V. 270) verklaart het woord op gelijke wijze; volgens hem is verbeenen, de vogels met beenen fluitjes, wier geluid hen bedwelmt en stil doet zitten, vangen. ‘Die liefhebberij (zegt hij) van het vogelfluiten plach hier te lande algemeen te zijn, en 't verbeenen is uit dien tijd overgebleven.’ Ter staving dezer verklaring strekt de omschrijving, die Kiliaan van het quackel-beenken geeft, als het pijpje door |
1) Hoeufft, Bredaasch
Taaleigen, bl. 31, brengt met beenen in verband de spreekwijze geen
been in iets vinden, en legt die dan uit door: geene zwarigheid, of
geene schande in iets vinden. Die spreekwijs intusschen heeft met
beenen, cavillari, zoo min als met het begrip van eer of schande, iets
te maken. Geen been in iets vinden, wil zeggen geen bezwaar of
moeijelijkheid in iets stellen , en is ontleend van de vleeschspijzen, die,
indien zij zonder eenig been is toebereid, met gerustheid en zonder stoornis
kan gebruikt worden.
|
|
't welk de wachtels of kwartels bij de vogelvangst gelokt en gevangen worden. Bij Benecke heet dat fluitje wahtelbein, en van daar kende reeds het middelhoogduitsch de werkwoorden beinen, op zulk een beentje fluiten, en erbeinen, met het wachtelbeentje in den strik lokken. Niets is meer te verwachten, dan dat dit werkwoord, uit de vogelvangst overgebragt op menschelijke bedrijven en toestanden, in de taal eene figuurlijke beteekenis verkregen hebbe. In het middelhoogduitsch sprak men reeds van een ‘wachtelbeen des duivels,’ en te onzent komt mede reeds bij onze oudste schrijvers het werkwoord verbeenen voor, in den zin van iemand op de eene of andere wijze als in een net vangen, iemand verschalken. Zoo leest men bij Van Velthem, fol. 276, na het verhaal dat de fransche koning uit Atrecht trok om zich op de Vlamingen over eene geledene nederlaag te wreken:
Niet verbenen, zegt Le Long, is ‘niet lang bidden om te strijden.’ Onzinniger kon het naauwelijks. De kronijkschrijver bedoelt blijkbaar, dat de Vlamingen op hunne hoede waren, zich niet onverhoeds lieten overvallen of verschalken. Fol. 295 van hetzelfde werk leest men van de Mechelaars, nadat die van Antwerpen hun in een' strijd het onderspit hadden doen delven:
Mij dunkt, de beteekenis van vangen, in handen krijgen, vlijt hier ruim zoo goed als die van ‘verachten en versmaden,’ welke Le Long geeft. Evenzoo denk ik over de plaats uit Maerl. Wapene Martijn (door Dr. Verwijs), bl. 64:
d. i. verschalkt. Even zoo in die Hist. van Seghelin, bl. 131:
Hor. Belg. VI. 122:
d. i. bedrogen, misleid. Even als D. XI. 260:
en p. 320:
en lager nogmaals:
Dus ook Marieken van Nijmegen, bl. 27:
d. i. niet ‘verstijft of werkkracht benomen,’ maar verschalkt, verkloekt. De Roovere, Rethoricaele Wercken, bl, 70:
Huygens, Korenbl. II. 442:
Aldaar bl. 483, in een grafschrift op een uitnemend schilder:
Verschalken is op eene looze wijze, hetzij dan door woorden of daden, iemand vangen; doch verbeenen komt ook voor in den daaruit spruitenden zin van vangen in 't algemeen, zich van iets of iemand meester maken; dus in Der Ystorien Bloeme, Dietsche Warande, II. 188, na het verhaal, dat ‘die quade coninc Yrtacus’ Mattheus verraderlijk had omgebragt:
‘Beleedigen, uitschelden, honen’ is hier wat weinig gezegd. Westerbaen, Gedichten, III. 412:
d. i. overheert, bemeestert. Anna Bijns, Refer. I. 37:
Ezechiël werd gevankelijk weggevoerd naar Mesopotamie. Gewoonlijk verklaart men het woord te dezer pl. door ‘bespot, veracht;’ doch dit te ondergaan had hij met alle profeten gemeen, en het zou dus te weinig zeggen. Antw. Spelen van Sinne, bl. 105 :
Ik denk hier aan overmeesterd of overwonnen, en alzoo verdreven; en in dergelijken zin versta ik ook Van der Burghs gedicht op Huygens Ledige Uren, in de Verscheiden Ged. door den Heer Groebe verzameld, D. I. 91:
Nog eene andere beteekenis van verbeenen is ontleend aan den toestand van den vogel, die verrast of gevangen wordt: hij is bedwelmd, versuft. Bilderdijk doelde daarop, als hij t. a. p. zeide, dat het geluid der beenen fluitjes de vogels bedwelmt en stil doet zitten. Onmiskenbaar heeft het woord dien zin in Van Manders Gulden Harpe, bl. 347:
De Gemeente (der Israëliten) het schelmstuk der Oudsten, en Daniëls list ter redding van de kuische Susanna vernemende, stond verplet, verslagen. Westerbaen, Ockenburgh, bl. 41, op Huygens gedicht Hofwijck doelende:
Huygens, Korenbl. I. 377:
Huygens bedoelt, dat een - den kakelaar noemt hij hem - de andere aanwezigen in de trekschuit versuft of bedwelmt door zijn gesnap. Ald. bl 388:
Dez. D. II. 154:
In hooge mate verslagen, ja verpletterd door den druk, is de arme oude vrouw, van welke men in het Belg. Museum, IX. 94 leest:
Geheel iets anders is het woord bij Van Dans, Thyrsis Minnewit, II. 118, waar onverbeent beteekent ‘nog niet tot been geworden, niet stevig, onvast:
En hierop zou toepasselijk zijn, wat Bilderdijk meende, als hij op de boven aangehaalde verklaring van verbeenen liet volgen: ‘Deze verklaring van 't fluiten ontleend, is lang aangenomen, en ik heb er my in mijn tijd meê vereenigd; maar is de zaak niet eenvoudiger? Is verbeenen niet doen verstijven als een been, gelijk men by ons plach te zeggen? My dunkt zoo. 't Geen men verr' zoekt, ligt dikwijls vlak voor onze voeten.’ Indien verstijven de eerste of voornaamste beteekenis des woords ware, zou die verklaring in aanmerking kunnen komen. - In den gemelden zin van verstijven heeft Schmeller verbaint voor verstokt, verhard. Groebe vat ook het woord dus op, dat men leest in Coornherts Wercken, III. fol. 560:
Ik versta hier echter geen werkw. beenen, maar het zelfst. naamw. gebeente. - Ik merk eindelijk nog op, dat Huygens het werkw. verbeenen eenmaal bezigt voor uitfluiten, Korenbl. I. 469:
Hierop had Bilderdijk moeten aanteekenen, wat hij in zijne Nieuwe Verscheidenheden zeide: ‘verbeenen is verfluiten in tegenstelling van uittrompetten.’ D. IV. 54. 't Verwondert mij - om dit in 't voorbijgaan op te merken - dat de bekwame Hinlopen, ter boven aangeh. pl. in de vermelde regels van Huygens het werkw. verketelen niet verstond; het is ‘tot een ketel maken.’ De ‘Haegsche Herderluyt’ is, bij de ‘Amsteldamsche fluyt’ vergeleken, een ketel.
Indien de boven aangewezen gang in het gebruik van
verbeenen (t. w. op een beentje fluiten - verschalken - overvallen -
vangen - bedwelmen) zoo als ik meen, de ware is, dan volgt daaruit, dat
Kiliaan de eigenlijke en eerste beteekenis
niet heeft vermeld. Berispen, laken, schelden kan alleen eene afgeleide
zijn en is stellig de minst voorkomende van alle; want dat men het woord in
dien zin dikwerf heeft uitgelegd, heeft alleen plaats kunnen hebben door den
waren zin voorbij te zien en niet op de bedoeling der schrijvers te letten.
Doch nu eenmaal de beteekenis van verbeenen in haar oorsprong en
verschillende toepassing duidelijk is, ga ik een' stap verder en waag het aan
te nemen, dat beenen eigenlijk in oorsprong niets anders is dan
verbeenen, en dat de beteekenis van het laatste ook opheldering geeft
van het eerste. Het middelhoogduitsch toch kende reeds, als ik opmerkte,
beinen voor op een beentje fluiten; het beijersch dialect bainen
voor schelden, honen; het engelsch to bone voor grijpen, zich meester
maken; en het middelnederlandsch beenen voor schimpen, met bitsheid of
drift aanvallen: allen beteekenissen, die in verbeenen worden
aangetroffen, en die het niet onwaarschijnlijk maken, dat beide werkwoorden in oorsprong één zijn, en, daar het laatste betrekkelijk veel meer dan het eerste wordt aangetroffen, men dit voor het andere gezegd heeft.
A. d. J. |