BLADVULLING.Onze taal bezit, als reeds meermalen gezegd is, nog een aantal paren van woorden, die slechts wijzigingen zijn van eenen en denzelfden oorspronkelijken woordvorm. Het volgende voorbeeld strekke daarvan tot bewijs. Aal (visch) en Echel (bloedzuiger).Het laatste woord schijnt verouderd, mij is het althans alleen in Woordenboeken voorgekomen. Intusschen bezit het Hoogduitsch het in Blutigel, en was het aan Plantijn en Kiliaan bekend, van wie Weiland en Siegenbeek het schijnen overgenomen te hebben. Bij Plantijn leest men: ‘Ecchele oft egel, sansue, hirudo, sanguisuga’; bij Kil. ‘ecchel, acchel, Hirudo, sanguisuga.’ Aan de identiteit der beide woorden valt niet te twijfelen. Het Hoogd. schrijft thans wel Aal, doch Luther voegde in zijn ahl nog eene h in, hetgeen op eene uitgestootene keelletter wijst. Het lat. anguilla en het gr. εγχελυς laten dien keelklank insgelijks hooren, en zijn blijkbaar afgeleid van anguis (slang) en εχις (slang), skr. ahi (slang). Aal heeft dus vroeger eene keelletter gehad, en de oorspronkelijke Germaansche vorm zal ahal (spreek uit: achal) geweest zijn, met de grondbeteekenis kruipen. Het uitstooten van den keelklank is een te gewoon verschijnsel, dan dat ik voorbeelden ten bewijze zou behoeven bij te brengen.
L.A. t. W. |