ZAAKREGISTER.Achtervoegsel, wat 251.
schaamschoenen 51, 52. screien 240, 241. Tiel 61. tol 61. verbeenen 269-279. verkwikken 202. verplegen 202. verwaarloozen 243. waar 243. waarloos 243. willox 238. woesteren 238. Bijvoegelijk naamw., zie Adjectiva. Bijwoord, zie Adverbium. Ch gaat over tot st 63. Chineesch - werkw. en naamw. zijn in het - niet onderscheiden 262, 263. Deelwoorden wat, 266. al dan niet vormen van het werkwoord 17, 19. verschil tusschen ontvouwen en ontvouwd 254. versmoren voor versmoord afgekeurd 254. Definities, onjuiste, waarom 121. van bepalend lidwoord 121. van betrekkelijk voornw. 122. Duidelijkheid, waardoor bevorderd bij de woorden 80. Eigennaam, wat 262. Figuren (grammatische) hoe verdeeld 250. Gedachten, vereischten der, bij het Herinneren 115. Kennisgeven 115. Leeren 115. Overtuigen 115. Grammatica, taak der 25. Herinneren, wat 113. Hoofdletters, gebruik 70. Infinitivus, wat 266. al of niet vorm van het verbum 17, 18. op yen, ien of ijen 57-60. Interjectie, beteekenis 8, 23. Ja en neen interj. 22, 23. Invoeging eener r- voorbeelden 206. Kennisgeven, wat 113. Klanknabootsingen. niet de oorsprong der taal 157. Koppeling, wat 264. Leeren, wat 113. Letterteekens kunnen alle letterklanken niet voorstellen 80. Letterverwisseling van l en n. 307. Lidwoord, gebruik 254. wat de naam eigenlijk beteekent 123. Medeklinkers, hoe genoemd, waarom 249. Naamvallen, wat het woord eigenlijk beteekent 124. waarom vier 76, 77. Naamwoord, zijn wezen 262. Namen van personen naar de kleeding die zij droegen 206. Overgang van cht tot st 63, 203. van een keelklank tot s 234, 235. Overreden, wat 114. Overtuigen, wat 114. Participia, zie deelwoorden. Praefixen, zie voorvoegsels. R voorafgegaan door eene geslotene i voorbeelden 249. Rede, wat 248. Scheiding in lettergrepen van woorden op aard 251. Schrijven, wat, zie spreken. Sluitletters worden geschreven naar den regel der gelijkvormigheid 80. Soortnaam, wat 262. Spreekwoorden, verklaring van, 40-57, 306. Spelling van aards- of aardschgezind. druisen of druischen 64-69. Goesche of Goessche 64. Groesche of Groessche 64. juffrouw of jufvrouw 78. Parijsche of Parijssche 64. zamen of samen 80. Zutfen of Zutphen 69. kweeken of kweken 203. Spreken, doel van het 113. Stijl. oudere en nieuwere bepaling 111, 117. waarop de stijl te letten heeft 112. eigenschappen van den Stijl: duidelijkheid 107. zuiverheid 108. sierlijkheid 108. juistheid 109, 118. gepastheid 110. bepaaldheid 118. schoonheid 119. doel, het hoogste beginsel in den stijl 116. doelmatigheid de hoofdeigenschap van den goeden Stijl 116, 118. Stijlleer, wat 118. Stomme letters, wat en hoe ontstaan 66. Substantivum, wat 13, 15, 18, 127, hoe uit den wortel ontstaan 10. Taal, wat 257. verschillend oordeel over de voortreffelijkheid van eene - 83-85. de Nederlandsche voor den zang niet ongeschikt 85-104. klankrijkheid 86, 87. welluidendheid 87. vloeijendheid 87. houdt zich alleen bezig met de gedachten 257. oorsprong niet in gevoelsklanken gelegen 157-159. Taalbeschouwing. oudere en nieuwere 25, 217. Taaleigen. Voorbeelden van Geldersch 134-180. Voorbeelden van Bildtsch 279-286. Taalonderwijs, mondeling 124. Telwoorden, wat 266. Uitspraak van v en z in veertig, vijftig, zestig, zeventig en zamen 77-80, 249. verkeerde, wat 100. naar de letter, wat 100. ontneemt de vloeijendheid aan de rede 101. aan den zang 101. V gaat voor enis en elijk over in f 79. verschillende uitspraak in veertig en vijftig 79. Verba, wat 5, 6, 37, 38, 126, 138-192, 262. wat volgens Bilderdijk 10, 29, 217. wat volgens Kinker 31, 227. wat volgens Heyse 32. het oorspronkelijk woord 261. hoe uit den wortel ontstaan 11. bevatten niet het verbum zijn 219 vv. abstrakte factitieve, wat 254. denominatieve 254. zieltogen van ziel en tog 254. Verbuiging. met naamvallen, wat 71. met gevallen, wat 71. vergelijking van beide 72-76. Vocatief, beteekenis 8. Voegwoorden, wat 269. Volksliederen reeds vroeg in zwang 91. Volksliederboeken. hun aantal en gebruik in vroegeren tijd 91. Voornaamwoord vertegenwoordiger van het voorwerp zelve 261. Voorvoegsels. ge 314. oor = uit door ver vervangen 209. Voorwerp, wat 73. al dan niet eene bepaling 73, 74. Voorzetsels, wat 268. Vragen 236, 237. Werkwoorden, zie Verba. Woord, wat 6, 260. hoe de woorden te verdeelen 125. een geschreven woord een herkenningsteeken van een klank 80. paren van woorden die slechts wijzigingen zijn van een en denzelfden grondvorm. teeken-sein 192. aal-echel 320. Wortel, wat 6, 7, 9. Y in infinitieven op Yen 57-60. van ouds midden-half-klinker 59. uit d ontstaan 59. behoort niet door ij of i verdrongen te worden 57-60. Z. verschillende uitspraak in zes en in zestig, zeven en zeventig, zamen en verzamelen, enz. 79, 249. gaat voor enis en elijk over in s 78, 79. Zamenstellingen. deelw. met bijv. nw. 250. met gezind 242. met tol: tolverbond goed 60-62. tolverdrag goed tolvereeniging afgekeurd 60. met verbond 61. Zin, wat 248. |