De Taalgids. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Derde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1861.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

Quekenoot.

Na al hetgeen over dit Mnl. woord, vroeger door Huydecoper, later door de heeren De Jager, Halbertsma, Van Kalken, Kern en Leen Dertz geschreven is 1), zal het niet overbodig zijn er nog eens op terug te komen. Nog altijd bestaat er verschil van meening omtrent de ware beteekenis en afleiding van quekenoot of queckenoot. Ik geloof in staat te zijn, dat verschil bij te leggen en den twijfel omtrent de etymologische verklaring des woords met voldoende zekerheid op te lossen.

Ik zal mij niet ophouden met de uitleggingen, die reeds als volkomen wederlegd en afgedaan mogen beschouwd worden. Quekenoot voor quec-genoot d. i. medebeest te houden, of als ‘verstandelooze babbelaar en beuzelaar’ op te vatten, kan niemand, die ernstig onderzoekt, meer in de gedachten komen, evenmin als iemand er thans nog eene kwakende ganzenkudde in zou willen zien, gelijk Dr. Van der Meersch in 1846 deed 2). Twee verklaringen zijn er die onze aandacht verdienen. De eerste werd voorgesteld door Dr. De Jager, die quekenhoot als den oorspronkelijken vorm beschouwde, en er eene zamenstelling van quic, quec d. i. vee, en hoot d. i. hoofd, in zag. Het zal dan een scheldwoord

[p. 194]

zijn en zooveel als beestekop, ezelskop, domkop beteekenen. Deze uitlegging werd aangenomen door den heer Van Kalken 1), en nu onlangs door den heer Leendertz opzettelijk verdedigd tegenover de andere afleiding, die ik bedoel, die van Dr. Kern. Volgens dezen ‘ontleedt queckenoot zich als van zelf in quecke, levend, en noot, een woord, dat men in bijna alle oudere en in enkele nieuwe Duitsche dialekten terugvindt - in den zin van vee, of meer bepaaldelijk van hoornvee, rundvee, jukvee.’ Queckenoot zal dan in den grond niet anders zijn dan levend vee.

Ik heb zoo even gezegd, dat ik meende het bestaande geschil te kunnen ‘bijleggen.’ Ik koos opzettelijk die uitdrukking, omdat het inderdaad mijne bedoeling is, tusschen de beide schijnbaar zoo uiteenloopende verklaringen een billijk verdrag te sluiten, met erkenning van het goed regt, dat beide partijen kunnen doen gelden. Ik hoop aan te toonen, dat de afleiding en uitlegging, door Dr. Kern gegeven, wel zeker de ware is, maar dat toch het gevoelen der heeren De Jager en Leendertz vooral niet voorbijgezien mag worden, indien wij ons van de beteekenis des woords in verschillende tijden eene volledige voorstelling willen maken.

Beginnen wij met de bekende plaats uit den Ferguut. Somilet, vertoornd op zijn zoon, die het in 't hoofd had gekregen dat hij ridder wilde worden, snaauwt hem toe (vs. 397):

 
quaet hoerensone!
 
Wildi wesen ridders genoet?
 
Gaet ende hoet u queckenoet.

Men zal al aanstonds moeten erkennen, dat de uitdrukking: ‘loop en hoed uw vee!’ hier wel den natuurlijksten zin geeft, tegenover den boerenjongen, die van 't veld was weggeloopen. Doch de heer Leendertz vat u als een per-

[p. 195]

soonlijk voornaamwoord op en zet er een komma achter, waardoor queckenoet op zich zelf komt te staan, dat dan als scheldwoord moet worden opgevat. Ik heb daar groot bezwaar tegen, omdat de woorden: gaet ende hoet u, zoo alleen staande, geen voldoenden zin opleveren. Waarvoor zou Ferguut zich hoeden? Welk gevaar bedreigde hem? Daarenboven, wanneer men bedenkt, dat Somilet aanstonds laat volgen:

 
Of gi metter ploech niet wilt gaen,
 
So draget mes met berien saen,

dan zal men gevoelen, dat de bedoeling des vaders was, zijnen zoon, tegenover zijne avontuurlijke inbeeldingen, smadelijk te herinneren aan de lage bezigheden, waaraan hij gewoon was en die voor hem pasten. Wat is dan eigenaardiger gezegd dan: loop uw vee hoeden 1)?

Ik wil echter gaarne toegeven, dat, met de plaats uit den Ferguut alleen voor oogen, eene stellige beslissing te gewaagd zou zijn. Maar een nieuw licht gaat voor ons op, als wij

[p. 196]

eene andere plaats vergelijken, die tot hiertoe niet werd aangehaald. Zij komt voor in den Alexander van Maerlant, fol. 83b van het Munchensche handschrift. De afgevaardigden der Scythen rigten het woord tot Alexander, om hem van zijnen togt tegen hun land te weêrhouden. Hun volk, zeggen zij, bezit niets dat de moeite van den strijd waard is,

 
Sine hebben anders niet dan beesten,
 
Ende ploege daer si dlant met dweesten.

En straks daarop terugziende vragen zij:

 
Wat soudi onse quekenoet 1)?
 
Vrec man, wat selen di onse beesten?

Men ziet, alle denkbeeld van een scheldwoord valt hier weg; quekenoet is blijkbaar een subst. met onse verbonden, en doelende op hetgeen in de beide vroegere verzen genoemd was. Naar eene stipt naauwkeurige opvatting van de harmonie der zinsleden te oordeelen, zoo als een juiste stijl die thans vereischt, zou onse quekenoet aan den tweeden regel, aan de ploegen moeten beantwoorden, even als onse beesten aan de beesten, die zoo even genoemd waren. Doch men zal wel willen toestemmen, dat het al te subtiel zou zijn, aan den stijl onzer mii> verbonden, en doelende op hetgeen in de beide vroegere verzen genoemd was. Naar eene stipt naauwkeurige opvatting van de harmonie der zinsleden te oordeelen, zoo als een juiste stijl die thans vereischt, zou onse quekenoet aan den tweeden regel, aan de ploegen moeten beantwoorden, even als onse beesten aan de beesten, die zoo even genoemd waren. Doch men zal wel willen toestemmen, dat het al te subtiel zou zijn, aan den stijl onzer middeleeuwsche schrijvers zulke strenge eischen te doen, waarvan zij geen bewustzijn gehad hebben. Het is duidelijk, dat Maerlant in het tweede gezegde de ploegen achterwege laat en alleen van de beesten melding maakt. Hij werkt die vermelding uit door twee verschillende uitdrukkingen te gebruiken: onse quekenoet en onse beesten, die dus op hetzelfde nederkomen 2). Onse quekenoet is dus inderdaad niets anders dan ons vee.

Nu kan de bedoeling in den Ferguut ook niet langer twij-

[p. 197]

felachtig zijn. De uitlegging die daar, om het verband van den zin, de waarschijnlijkste mogt heeten, is de eenige die in den Alexander gelden kan. In verband met elkander bewijzen dus de beide aanhalingen overtuigend, dat quekenoot werkelijk vee beteekent.

Staat die beteekenis vast, dan is ook de etymologie als van zelf aangewezen. Te regt heeft Dr. Kern ons woord beschouwd als eene zamenstelling van quic, levend, en noot, vee. Het laatste moge hier te lande weinig bekend zijn, het is niettemin een echt oud woord, in alle Duitsche talen wijd en zijd verspreid. ‘Het Oud-hoogd. bezit nôz, het Ags. neát, het Oud-noordsch naut, en het Zweedsch nöt,’ zegt Dr. Kern. Men mag er bijvoegen: het Oud-friesch bezat nât, het Noordfriesch bezit nog heden nut, nüjt 1), het Deensch nöd, het Eng. neat. Ook de hoogere oorsprong des woords is door Dr. Kern met juistheid aangetoond. Het heeft zijn grond in het Goth. werkwoord niutan, ons (ge)nieten, waartoe ook nut behoort. De oorspronkelijke beteekenis was bezit, have, een begrip dat ten naauwste met dat van vee te zamen hangt; ‘men vergelijke slechts ons vee met het Goth. faihu, het Lat. pecus met peculium, pecunia, het Slavonische 2) skot (vee) met ons schat, enz.’ In verbinding met quic, levend, ontstond quekenoot als levende have, volkomen op dezelfde wijze als in de Karolingische psalmen (LXVII, 11) quica fê 3), in het Ags. cvic feoh en cvic-œht voorkomen, beide oorspronkelijk levende have beteekenende, en dus de natuurlijkste benaming van het vee, waarin de voornaamste have onzer Germaansche voorouders bestond.

Maar de heer Leendertz oppert eene zwarigheid, die niet

[p. 198]

gering is te achten. Noot voor vee, zegt hij, ‘is een woord dat bij onze oude schrijvers niet voorkomt,’ en: ‘Dat noot bij sommige andere volken van Duitschen stam in gebruik was en is, bewijst nog niet, maakt het zelfs nog niet waarschijnlijk, dat men het in de 13e en 14e eeuw ook hier te lande gebruikte.’

Ik zou kunnen aanmerken, dat het voorkomen van noot bij Mnl. schrijvers niet volstrekt noodzakelijk is, om de verklaring van quekenoot door vee te regtvaardigen. Het grondwoord kan lang in onbruik geraakt zijn, terwijl de afgeleide naam blijft voortleven. Bruidegom, maat (gemaat), sperwer en weerwolf zijn nog heden in gebruik, ofschoon de Gothische woorden guma, mats, sparva en vair denkelijk reeds bij de vorming onzer taal verouderd waren. Zoo kan ook quekenoot van noot afstammen, al ware dit laatste nooit in ons Nederlandsch doorgedrongen. Maar niettemin stem ik den heer Leendertz toe, dat onze verklaring zich eerst dan in hare volle betoogkracht zou voordoen, indien werkelijk het bestaan van noot ook hier te lande bewezen kon worden. Het strekt mij daarom tot genoegen, dat bewijs te kunnen leveren door de aanvoering van een voorbeeld, waaruit blijkt, dat noot ook bij ons de beteekenis van vee heeft bezeten. Men vindt het in Van Mieris Charterboek, III. 734, in eene oorkonde van 6 Febr. 1401, waarbij Coen van Oosterwijk vrijheid verleent om het land buiten den Zeeburg tusschen Amsterdam en Ypesloot te bedijken, en daarbij aan ieder veroorlooft,

‘in zijn landen lanen te legghen tot aen den Zeeburch, om zijn noote uyt ende in den landen te voeren.’

Zal men hier bij noote aan veldvruchten denken, in welke opvatting het woord werkelijk bekend is geweest, als een ander uitvloeisel der oorspronkelijke beteekenis van have of bezit, van het nut of de bate, door het land opgebragt 1)?

[p. 199]

Ik geloof niet, dat die opvatting hier van toepassing zijn kan, om de eenvoudige reden, dat veldvruchten wel uit, maar niet in het land gevoerd worden. De bijeenvoeging dezer beide voorzetsels dwingt ons aan het vee te denken, tot welks vervoer uit en in de landerijen een weg (een notweg 1)) moest opengehouden worden.

In de plaats bij Van Mieris vinden wij noote als meervoud van noot, en derhalve dit woord in het enkelvoud niet als algemeene benaming voor vee opgevat, maar meer bepaald als een stuk vee, een rund, gelijk nog heden diezelfde opvatting in het Deensch bekend, in 't Noordfriesch en Engelsch zelfs de gewone is. Deze wijziging, die zich des te gemakkelijker laat verklaren, als men bedenkt dat het Mnl. ook een vee voor een stuk vee kende 2), is ook daarom merkwaardig, omdat zij den overgang baant tot eene eigenaardige toepassing van quekenoot, waarbij wij thans nog moeten stilstaan.

In den Dietscen Catoen leest men, vs. 119 der uitgave van Dr. Jonckbloet:

 
Hijs dulre dan een quekenoot,
 
Die hoopt op ander mans doot.

Quekenoot (quekenoet) is de lezing van het Comburgsche hs. Dat van Oudenaarde heeft:

 
Hijs sotter dan en kuekenoet 3)

hetgeen wel als kwekenoet te lezen zal zijn, gelijk dikwijls in de hss. u voor w wordt gevonden.

Maar in een fragment van een ander hs. van den Dietscen Catoen luidt het aangehaalde vers met een klein verschil van lezing aldus:

[p. 200]
'Hy is sotter dan een queken hoet 1).'

De oude Antwerpsche druk heeft quekenhoot, en dezelfde schrijfwijze vindt men terug in een ander voorbeeld van deze uitdrukking, het eerst door Dr. De Jager aangewezen, bij L. Goetman, Spyeghel der Jonghers, vs. 291:

 
Ten is gheen heere van macht so groot
 
Die gheen vrienden te doen en heeft;
 
Hi is veel gecker dan een queken hoot
 
Die den eenen om den andren gheeft.

De zin der spreekwijze dulre dan een quekenoot kan, na het vroeger behandelde, aan geen twijfel onderhevig zijn. Mogten wij voor quekenoot op goede gronden de beteekenis van vee aannemen, vonden wij in 't Mnl. de uitdrukking een vee, en ook noot bepaaldelijk voor een stuk vee, een rund gebezigd, dan is de bedoeling ook hier natuurlijk: dommer dan een rund. Opmerking verdient daarbij, dat nog heden in het Zweedsch nöt als schimpnaam voor een domkop geldt 2).

Hoe dit quekenhoot te beoordeelen? Is het werkelijk de oude, oorspronkelijke vorm des woords, later in quekenoot verbasterd? Nu wij de plaats uit den Alexander kennen en van het bestaan van noot in 't Mnl. overtuigd zijn, kunnen wij dit niet meer aannemen. Integendeel, het blijkt dat quekenoot de oude en echte vorm is; quekenhoot komt alleen voor in een hs. ‘van het einde der 14e of het begin der 15e eeuw 3),’ in den gedrukten Cato, die na 1496 4) het licht zag, en in den Spyeghel van Goetman, ten jare 1488 opgesteld 5). Het is dus blijkbaar een jongere vorm, eene verbastering van het oude quekenoot. Niettemin verdient die jongere schrijfwijze onze bijzondere aandacht. Zeer zeker is zij niet toevallig

[p. 201]

ontstaan, zij had in het etymologisch taalbesef der natie haren natuurlijken oorsprong. Het ouderwetsche quekenoot was voor het volksbewustzijn onverstaanbaar geworden; men dacht niet meer aan noot, en begreep dus het woord niet. Maar onwillekeurig begon nu het volk het op zijne eigene wijze op te vatten, en wat lag nu eer voor de hand, dan er eene zamentrekking van quekenhoot in te zien? Beestekop, ossekop, - het is zeer juist door den heer Leendertz opgemerkt - ziedaar eene uitdrukking geheel in den geest van het volk, en uitnemend geschikt om nevens ezelskop, domkop en malloot (malhoot, malhoofd) als zinnebeeld van een botterik te dienen. Zoo nam dan quekenoot in de onbewuste etymologische voorstelling der 15e eeuw eene gewijzigde beteekenis aan, en de spelling quekenhoot was daarvan de zigtbare uitdrukking. Dat het echter niet meer dan eene speling was, het uitvloeisel van misverstand omtrent den waren zin der benaming, leert ons de vorm zelf dien men aan het woord gaf. Die vorm toch is stellig onjuist en grammatisch niet te regtvaardigen. Hoe toch in quekenhoot de n te verklaren? Eene zamenstelling van quic, quec en hoot, kon quechoot of quecshoot luiden, maar nooit tot quekenhoot worden 1). Men heeft tot hiertoe - zoover ik weet - die zwarigheid voorbijgezien; zij is echter beslissend, zij toont duidelijk, dat quekenhoot niets dan eene populaire fictie is geweest. Maar, taalkundig onzuiver of niet, het volk maakte nu eenmaal die fictie, en plooide er de beteekenis naar. Hoe natuurlijk trouwens dat verdichtsel was, getuigt ons het Deensch, waar werkelijk het naamwoord qvæshöved (quecshooft) voor een stuk vee nog heden bekend is 2). Bij den eersten aanblik zou men al ligt geneigd zijn, daar een argument in te vinden om de verklaring van quekenhoot uit quec

[p. 202]

en hoot te staven. Doch bij nadere overweging blijkt het, dat de overeenkomst bloot toevallig is: een opmerkelijk voorbeeld, hoe behoedzaam men te werk moet gaan in etymologische vergelijkingen. Het Deensche qvægshöved is echt, zuiver van vorm en aan de oude beteekenis getrouw; het Nederlandsche quekenhoot daarentegen een onechte, onzuivere vorm, waarbij men zich met de beteekenis eene moedwillige speling veroorloofde.

De slotsom van mijn betoog is derhalve: De verklaring van Dr. Kern heeft ons de ware afleiding en oorspronkelijke beteekenis aangewezen; die van de heeren De Jager en Leendertz doet ons opmerken, wat er van het allengs verouderende woord in de volksopvatting der 15e eeuw is geworden.

Nog rest mij eene vraag te beantwoorden: Welke spelling verdient de voorkeur, quekenoot of queckenoot, zoo als in het handschrift van Ferguut gelezen wordt? Buiten twijfel is de eerste ouder en echter dan de laatste. - Het adj. quic, Goth. qvius, wijst op een werkwoord qvikan (qvak, qvêkun) 1). Het had dus oorspronkelijk eene opene i, die in onze taal tot de zachte opene e moest overgaan. De verbogen naamval van quic moet in den oudsten tijd queke geweest zijn. Uit dit queke werd later in den eersten naamval de vorm quec afgeleid, die vervolgens weder tot het verbogene quecke aanleiding gaf, gelijk quic de verbuiging quicke begon aan te nemen, waarvan nog ons verkwikken. Maar de oorspronkelijke vorm blijkt nog duidelijk uit het oude werkwoord queken, dat intr. zooveel als levendig, vrolijk zijn 2), trans. verlevendigen, verkwikken, verplegen, vervrolijken 3) beteekende, en nog overig is in ons kweeken, dat eigenlijk kweken behoorde ge-

[p. 203]

schreven te worden; want Mnl. queken staat tot ons kwikken, als Mnl. beden en legen tot bidden en liggen. Quekenoot is dus de echte schrijfwijze, queckenoot een jongere vorm.

M. de Vries.