|
|
|
| | | | | |
| |
Quekenoot.
Na al hetgeen over dit Mnl. woord, vroeger door
Huydecoper, later door de heeren
De Jager,
Halbertsma,
Van Kalken,
Kern en
Leen Dertz geschreven is
1), zal het niet overbodig zijn er nog
eens op terug te komen. Nog altijd bestaat er verschil van meening omtrent de
ware beteekenis en afleiding van quekenoot of queckenoot. Ik
geloof in staat te zijn, dat verschil bij te leggen en den twijfel omtrent de
etymologische verklaring des woords met voldoende zekerheid op te lossen.
Ik zal mij niet ophouden met de uitleggingen, die reeds als
volkomen wederlegd en afgedaan mogen beschouwd worden. Quekenoot voor
quec-genoot d. i. medebeest te houden, of als
‘verstandelooze babbelaar en beuzelaar’ op te vatten, kan
niemand, die ernstig onderzoekt, meer in de gedachten komen, evenmin als iemand
er thans nog eene kwakende ganzenkudde in zou willen zien, gelijk Dr.
Van der Meersch in 1846 deed
2). Twee verklaringen zijn er die onze aandacht verdienen. De eerste
werd voorgesteld door Dr.
De Jager, die quekenhoot als den
oorspronkelijken vorm beschouwde, en er eene zamenstelling van quic,
quec d. i. vee, en hoot d. i. hoofd, in zag. Het zal dan een
scheldwoord | | | | zijn en zooveel als beestekop, ezelskop, domkop
beteekenen. Deze uitlegging werd aangenomen door den heer
Van Kalken
1), en nu onlangs door den heer
Leendertz opzettelijk verdedigd tegenover de
andere afleiding, die ik bedoel, die van Dr.
Kern. Volgens dezen ‘ontleedt
queckenoot zich als van zelf in quecke, levend, en noot,
een woord, dat men in bijna alle oudere en in enkele nieuwe Duitsche dialekten
terugvindt - in den zin van vee, of meer bepaaldelijk van hoornvee,
rundvee, jukvee.’ Queckenoot zal dan in den grond niet anders
zijn dan levend vee.
Ik heb zoo even gezegd, dat ik meende het bestaande geschil te
kunnen ‘bijleggen.’ Ik koos opzettelijk die uitdrukking, omdat het
inderdaad mijne bedoeling is, tusschen de beide schijnbaar zoo uiteenloopende
verklaringen een billijk verdrag te sluiten, met erkenning van het goed regt,
dat beide partijen kunnen doen gelden. Ik hoop aan te toonen, dat de afleiding
en uitlegging, door Dr.
Kern gegeven, wel zeker de ware is, maar dat
toch het gevoelen der heeren
De Jager en
Leendertz vooral niet voorbijgezien mag
worden, indien wij ons van de beteekenis des woords in verschillende tijden
eene volledige voorstelling willen maken.
Beginnen wij met de bekende plaats uit den Ferguut.
Somilet, vertoornd op zijn zoon, die het in 't hoofd had gekregen dat hij
ridder wilde worden, snaauwt hem toe (vs. 397):
Wildi wesen ridders genoet?
Gaet ende hoet u queckenoet.
Men zal al aanstonds moeten erkennen, dat de uitdrukking:
‘loop en hoed uw vee!’ hier wel den natuurlijksten zin
geeft, tegenover den boerenjongen, die van 't veld was weggeloopen. Doch de
heer
Leendertz vat u als een per-
| | | |
soonlijk voornaamwoord op en zet er een komma achter, waardoor
queckenoet op zich zelf komt te staan, dat dan als scheldwoord moet
worden opgevat. Ik heb daar groot bezwaar tegen, omdat de woorden: gaet ende
hoet u, zoo alleen staande, geen voldoenden zin opleveren. Waarvoor zou
Ferguut zich hoeden? Welk gevaar bedreigde hem? Daarenboven, wanneer men
bedenkt, dat Somilet aanstonds laat volgen:
Of gi metter ploech niet wilt gaen,
So draget mes met berien saen,
dan zal men gevoelen, dat de bedoeling des vaders was, zijnen
zoon, tegenover zijne avontuurlijke inbeeldingen, smadelijk te herinneren aan
de lage bezigheden, waaraan hij gewoon was en die voor hem pasten. Wat is dan
eigenaardiger gezegd dan: loop uw vee hoeden
1)?
Ik wil echter gaarne toegeven, dat, met de plaats uit den
Ferguut alleen voor oogen, eene stellige beslissing te gewaagd zou zijn.
Maar een nieuw licht gaat voor ons op, als wij | | | | eene andere plaats
vergelijken, die tot hiertoe niet werd aangehaald. Zij komt voor in den
Alexander van
Maerlant, fol. 83b van het
Munchensche handschrift. De afgevaardigden der Scythen rigten het woord tot
Alexander, om hem van zijnen togt tegen hun land te weêrhouden.
Hun volk, zeggen zij, bezit niets dat de moeite van den strijd waard is,
Sine hebben anders niet dan beesten,
Ende ploege daer si dlant met dweesten.
En straks daarop terugziende vragen zij:
Wat soudi onse quekenoet
1)?
Vrec man, wat selen di onse beesten?
Men ziet, alle denkbeeld van een scheldwoord valt hier weg;
quekenoet is blijkbaar een subst. met onse verbonden, en doelende
op hetgeen in de beide vroegere verzen genoemd was. Naar eene stipt
naauwkeurige opvatting van de harmonie der zinsleden te oordeelen, zoo als een
juiste stijl die thans vereischt, zou onse quekenoet aan den tweeden
regel, aan de ploegen moeten beantwoorden, even als onse beesten
aan de beesten, die zoo even genoemd waren. Doch men zal wel willen toestemmen,
dat het al te subtiel zou zijn, aan den stijl onzer mii> verbonden, en
doelende op hetgeen in de beide vroegere verzen genoemd was. Naar eene stipt
naauwkeurige opvatting van de harmonie der zinsleden te oordeelen, zoo als een
juiste stijl die thans vereischt, zou onse quekenoet aan den tweeden
regel, aan de ploegen moeten beantwoorden, even als onse beesten
aan de beesten, die zoo even genoemd waren. Doch men zal wel willen toestemmen,
dat het al te subtiel zou zijn, aan den stijl onzer middeleeuwsche schrijvers
zulke strenge eischen te doen, waarvan zij geen bewustzijn gehad hebben. Het is
duidelijk, dat Maerlant in het tweede gezegde de ploegen achterwege
laat en alleen van de beesten melding maakt. Hij werkt die vermelding uit door
twee verschillende uitdrukkingen te gebruiken: onse quekenoet en onse
beesten, die dus op hetzelfde nederkomen
2). Onse quekenoet is dus inderdaad niets
anders dan ons vee.
Nu kan de bedoeling in den Ferguut ook niet langer twij-
| | | |
felachtig zijn. De uitlegging die daar, om het verband van den
zin, de waarschijnlijkste mogt heeten, is de eenige die in den Alexander
gelden kan. In verband met elkander bewijzen dus de beide aanhalingen
overtuigend, dat quekenoot werkelijk vee beteekent.
Staat die beteekenis vast, dan is ook de etymologie als van zelf
aangewezen. Te regt heeft Dr.
Kern ons woord beschouwd als eene
zamenstelling van quic, levend, en noot, vee. Het laatste moge
hier te lande weinig bekend zijn, het is niettemin een echt oud woord, in alle
Duitsche talen wijd en zijd verspreid. ‘Het Oud-hoogd. bezit
nôz, het Ags. neát, het Oud-noordsch naut, en
het Zweedsch nöt,’ zegt Dr.
Kern. Men mag er bijvoegen: het Oud-friesch
bezat nât, het Noordfriesch bezit nog heden nut, nüjt
1), het Deensch nöd, het Eng. neat. Ook de hoogere
oorsprong des woords is door Dr.
Kern met juistheid aangetoond. Het heeft zijn
grond in het Goth. werkwoord niutan, ons (ge)nieten,
waartoe ook nut behoort. De oorspronkelijke beteekenis was bezit,
have, een begrip dat ten naauwste met dat van vee te zamen hangt;
‘men vergelijke slechts ons vee met het Goth. faihu, het
Lat. pecus met peculium, pecunia, het Slavonische
2)
skot (vee) met ons schat, enz.’ In verbinding met
quic, levend, ontstond quekenoot als levende have,
volkomen op dezelfde wijze als in de Karolingische psalmen (LXVII, 11) quica
fê
3), in het Ags. cvic feoh en cvic-œht
voorkomen, beide oorspronkelijk levende have beteekenende, en dus de
natuurlijkste benaming van het vee, waarin de voornaamste have onzer
Germaansche voorouders bestond.
Maar de heer
Leendertz oppert eene zwarigheid, die niet | | | | gering is te achten. Noot voor vee, zegt hij, ‘is
een woord dat bij onze oude schrijvers niet voorkomt,’ en: ‘Dat
noot bij sommige andere volken van Duitschen stam in gebruik was en is,
bewijst nog niet, maakt het zelfs nog niet waarschijnlijk, dat men het in de
13e en 14e eeuw ook hier te lande gebruikte.’
Ik zou kunnen aanmerken, dat het voorkomen van noot bij
Mnl. schrijvers niet volstrekt noodzakelijk is, om de verklaring van
quekenoot door vee te regtvaardigen. Het grondwoord kan lang in
onbruik geraakt zijn, terwijl de afgeleide naam blijft voortleven.
Bruidegom, maat (gemaat), sperwer en weerwolf zijn
nog heden in gebruik, ofschoon de Gothische woorden guma, mats, sparva
en vair denkelijk reeds bij de vorming onzer taal verouderd waren. Zoo
kan ook quekenoot van noot afstammen, al ware dit laatste nooit
in ons Nederlandsch doorgedrongen. Maar niettemin stem ik den heer
Leendertz toe, dat onze verklaring zich eerst
dan in hare volle betoogkracht zou voordoen, indien werkelijk het bestaan van
noot ook hier te lande bewezen kon worden. Het strekt mij daarom tot
genoegen, dat bewijs te kunnen leveren door de aanvoering van een voorbeeld,
waaruit blijkt, dat noot ook bij ons de beteekenis van vee heeft
bezeten. Men vindt het in
Van Mieris Charterboek, III. 734, in
eene oorkonde van 6 Febr. 1401, waarbij Coen van Oosterwijk vrijheid
verleent om het land buiten den Zeeburg tusschen Amsterdam en Ypesloot te
bedijken, en daarbij aan ieder veroorlooft,
‘in zijn landen lanen te legghen tot aen den Zeeburch, om
zijn noote uyt ende in den landen te voeren.’
Zal men hier bij noote aan veldvruchten denken, in
welke opvatting het woord werkelijk bekend is geweest, als een ander
uitvloeisel der oorspronkelijke beteekenis van have of bezit, van
het nut of de bate, door het land opgebragt
1)? | | | | Ik geloof niet, dat die opvatting hier van toepassing zijn kan, om de
eenvoudige reden, dat veldvruchten wel uit, maar niet in het land
gevoerd worden. De bijeenvoeging dezer beide voorzetsels dwingt ons aan het
vee te denken, tot welks vervoer uit en in de landerijen een weg (een
notweg
1)) moest opengehouden worden.
In de plaats bij
Van Mieris vinden wij noote als
meervoud van noot, en derhalve dit woord in het enkelvoud niet als
algemeene benaming voor vee opgevat, maar meer bepaald als een stuk
vee, een rund, gelijk nog heden diezelfde opvatting in het Deensch bekend,
in 't Noordfriesch en Engelsch zelfs de gewone is. Deze wijziging, die zich des
te gemakkelijker laat verklaren, als men bedenkt dat het Mnl. ook een
vee voor een stuk vee kende
2), is ook
daarom merkwaardig, omdat zij den overgang baant tot eene eigenaardige
toepassing van quekenoot, waarbij wij thans nog moeten stilstaan.
In den Dietscen Catoen leest men, vs. 119 der uitgave van
Dr.
Jonckbloet:
Hijs dulre dan een quekenoot,
Die hoopt op ander mans doot.
Quekenoot (quekenoet) is de lezing van het
Comburgsche hs. Dat van Oudenaarde heeft:
Hijs sotter dan en kuekenoet
3)
hetgeen wel als kwekenoet te lezen zal zijn, gelijk
dikwijls in de hss. u voor w wordt gevonden.
Maar in een fragment van een ander hs. van den Dietscen
Catoen luidt het aangehaalde vers met een klein verschil van lezing
aldus: | | | | 'Hy is sotter dan een queken hoet
1).'
De oude Antwerpsche druk heeft quekenhoot, en dezelfde
schrijfwijze vindt men terug in een ander voorbeeld van deze uitdrukking, het
eerst door Dr.
De Jager aangewezen, bij
L. Goetman, Spyeghel der Jonghers, vs.
291:
Ten is gheen heere van macht so groot
Die gheen vrienden te doen en heeft;
Hi is veel gecker dan een queken hoot
Die den eenen om den andren gheeft.
De zin der spreekwijze dulre dan een quekenoot kan, na het
vroeger behandelde, aan geen twijfel onderhevig zijn. Mogten wij voor
quekenoot op goede gronden de beteekenis van vee aannemen, vonden
wij in 't Mnl. de uitdrukking een vee, en ook noot bepaaldelijk
voor een stuk vee, een rund gebezigd, dan is de bedoeling ook hier
natuurlijk: dommer dan een rund. Opmerking verdient daarbij, dat nog
heden in het Zweedsch nöt als schimpnaam voor een domkop geldt
2).
Hoe dit quekenhoot te beoordeelen? Is het werkelijk de
oude, oorspronkelijke vorm des woords, later in quekenoot verbasterd? Nu
wij de plaats uit den Alexander kennen en van het bestaan van
noot in 't Mnl. overtuigd zijn, kunnen wij dit niet meer aannemen.
Integendeel, het blijkt dat quekenoot de oude en echte vorm is;
quekenhoot komt alleen voor in een hs. ‘van het einde der
14e of het begin der 15e eeuw
3),’ in den gedrukten
Cato, die na 1496
4) het licht zag, en in den Spyeghel van
Goetman, ten jare 1488 opgesteld
5). Het is dus blijkbaar een
jongere vorm, eene verbastering van het oude quekenoot. Niettemin
verdient die jongere schrijfwijze onze bijzondere aandacht. Zeer zeker is zij
niet toevallig | | | | ontstaan, zij had in het etymologisch taalbesef der
natie haren natuurlijken oorsprong. Het ouderwetsche quekenoot was voor
het volksbewustzijn onverstaanbaar geworden; men dacht niet meer aan
noot, en begreep dus het woord niet. Maar onwillekeurig begon nu het
volk het op zijne eigene wijze op te vatten, en wat lag nu eer voor de hand,
dan er eene zamentrekking van quekenhoot in te zien? Beestekop,
ossekop, - het is zeer juist door den heer
Leendertz opgemerkt - ziedaar eene
uitdrukking geheel in den geest van het volk, en uitnemend geschikt om nevens
ezelskop, domkop en malloot (malhoot, malhoofd) als
zinnebeeld van een botterik te dienen. Zoo nam dan quekenoot in de
onbewuste etymologische voorstelling der 15e eeuw eene gewijzigde
beteekenis aan, en de spelling quekenhoot was daarvan de zigtbare
uitdrukking. Dat het echter niet meer dan eene speling was, het uitvloeisel van
misverstand omtrent den waren zin der benaming, leert ons de vorm zelf dien men
aan het woord gaf. Die vorm toch is stellig onjuist en grammatisch niet te
regtvaardigen. Hoe toch in quekenhoot de n te verklaren? Eene
zamenstelling van quic, quec en hoot, kon quechoot of
quecshoot luiden, maar nooit tot quekenhoot worden
1). Men heeft tot hiertoe - zoover ik weet - die
zwarigheid voorbijgezien; zij is echter beslissend, zij toont duidelijk, dat
quekenhoot niets dan eene populaire fictie is geweest. Maar, taalkundig
onzuiver of niet, het volk maakte nu eenmaal die fictie, en plooide er de
beteekenis naar. Hoe natuurlijk trouwens dat verdichtsel was, getuigt ons het
Deensch, waar werkelijk het naamwoord qvæshöved
(quecshooft) voor een stuk vee nog heden bekend is
2).
Bij den eersten aanblik zou men al ligt geneigd zijn, daar een argument in te
vinden om de verklaring van quekenhoot uit quec
| | | |
en hoot te staven. Doch bij nadere overweging blijkt het, dat de
overeenkomst bloot toevallig is: een opmerkelijk voorbeeld, hoe behoedzaam men
te werk moet gaan in etymologische vergelijkingen. Het Deensche
qvægshöved is echt, zuiver van vorm en aan de oude beteekenis
getrouw; het Nederlandsche quekenhoot daarentegen een onechte, onzuivere
vorm, waarbij men zich met de beteekenis eene moedwillige speling
veroorloofde.
De slotsom van mijn betoog is derhalve: De verklaring van Dr.
Kern heeft ons de ware afleiding en
oorspronkelijke beteekenis aangewezen; die van de heeren
De Jager en
Leendertz doet ons opmerken, wat er van het
allengs verouderende woord in de volksopvatting der 15e eeuw is
geworden.
Nog rest mij eene vraag te beantwoorden: Welke spelling verdient
de voorkeur, quekenoot of queckenoot, zoo als in het handschrift
van Ferguut gelezen wordt? Buiten twijfel is de eerste ouder en echter
dan de laatste. - Het adj. quic, Goth. qvius, wijst op een
werkwoord qvikan (qvak, qvêkun)
1). Het had dus oorspronkelijk
eene opene i, die in onze taal tot de zachte opene e moest
overgaan. De verbogen naamval van quic moet in den oudsten tijd
queke geweest zijn. Uit dit queke werd later in den eersten
naamval de vorm quec afgeleid, die vervolgens weder tot het verbogene
quecke aanleiding gaf, gelijk quic de verbuiging quicke
begon aan te nemen, waarvan nog ons verkwikken. Maar de oorspronkelijke
vorm blijkt nog duidelijk uit het oude werkwoord queken, dat intr.
zooveel als levendig, vrolijk zijn
2), trans. verlevendigen, verkwikken,
verplegen, vervrolijken
3) beteekende, en nog overig is in ons
kweeken, dat eigenlijk kweken behoorde ge-
| | | |
schreven te worden; want Mnl. queken staat tot ons kwikken, als Mnl.
beden en legen tot bidden en liggen.
Quekenoot is dus de echte schrijfwijze, queckenoot een jongere
vorm.
M. de Vries.
|
1)Huyd. op Stoke, D. II. bl.
555 vlg.; De Jager, Verscheid. 290 vlgg.; Nieuw Archief,
240 vlgg.; Taalgids, II 112 vlg., 309 vlgg.; Navorscher, VI. 154,
en Nieuwe Reeks, I. 93 vlgg.
2)Uitgave van het Boec van Catone, bl.
32.
1)Ook Mr.
Van den Bergh en Prof.
Bormans vereenigden zich er mede. Zie De
Gids, 1845, Boekb. bl. 461, en Aantt. op S. Christ. bl.
89.
1)Om volkomen eerlijk te zijn en geenerlei
bezwaar achterbaks te houden, mag ik niet nalaten te verwijzen naar vs. 293
vlgg., waar gezegd wordt, dat Somilet drie zonen had:
Verre van huse op die zee,
Die derde ginc in die ploech.
Deze derde was Ferguut. Hij was dus geen veehoeder,
maar ging met den ploeg. Dit schijnt met onze opvatting van 's vaders gezegde
in vs. 399 te strijden. Misschien zou men meenen het vers aldus te moeten
opvatten: loop en pas op uwe rundbeesten, op de ossen namelijk, die voor
den ploeg gespannen waren en die hij in 't veld had laten staan; maar ook dit
gaat niet op, want uit vs. 365 blijkt, dat Ferguut geen ossen, maar paarden
voor den ploeg gespannen had. Er schijnt dus werkelijk strijd te bestaan
tusschen vs. 301 en 399. Moet men daarom onze verklaring van queckenoet
verwerpen? Ik geloof het niet. Die verklaring steunt vooral op de aangehaalde
plaats uit den Alexander. In den Ferguut moet het woord wel
dezelfde beteekenis hebben. Er blijft dus niets anders over, dan dat Somilet
zich in zijne woede die woorden laat ontvallen, en een oogenblik vergeet, dat
hij hier niet te doen heeft met zijne twee oudste zonen, de veehoeders, maar
met den jongsten, den ploegdrijver. Weet iemand de zwarigheid beter op te
lossen, ik zal het in dank aannemen.
1)Volgens vriendelijke mededeeling van Dr.
Snellaert heeft het hs. eigenlijk
qukenoet. Dat quekenoet bedoeld is, lijdt wel geen
twijfel.
2)Mogt iemand zich ergeren aan de tautologie
van quekenoot en beesten te zamen genoemd, hij stelle zich gerust
door het volgende nog sterkere voorbeeld uit
Boendale's Teesteye, vs. 2298:
Quec ende beesten menegherande,
Scape, verkene, perde, coye ende vee.
1)Richthofen 942,
Outzen 229,
Bendsen 39. Verg.
Diefenbach, Vergl. Wörterb. II.
118.
2)Dr. Kern schrijft Slavische.
Ik geloof dat wij wèl doen met dien vorm aan onze naburen over te laten,
en ons te houden aan den naam die un eenmaal bij ons is aangenomen.
3)Ook Oud-deensch qvikfœ of
qvœgfœ, zie
Molbech, Dansk Ordbog, II. 223. Het
Mhd. kende zelfs vihenôz ( veenoot), zie
Benecke-Müller II.
395 a.
1)Friesch nôt,
Richthofen 956,
Epkema, Wdb. op Gijsb. Jap.
314. - Die note voor de gezamenlijke opbrengst van een akker, de oogst,
vindt men bij
Van Mieris II. 507 b en
600 b,
Diericx, Gends Charterboekje, bl.
109. Men had ook de uitdrukking eens lants noten, voor de vruchten er
van inoogsten. Zie bij
Van Mieris II. 369 a.
1)Ziedaar inderdaad de eenvoudige verklaring
van dit veelbesproken woord. Het komt o. a. reeds voor bij
Van Mieris II. 729 b en
837 b.
3)Uitg. van
Van der Meersch, vs. 153.
1)Werken van de Maatsch. der Ned. Lett., N.
R. VII. i. 158.
2)‘Nöt. 1) Rindvieh. 2)
fig. ein einfältiger dummer Mensch, ein Tropf.’
Möller, Svensk och Tysk Ordbok,
in v.
3)Mr.
Van den Bergh, in de aang. Werken van de
Maatsch. der Ned. Lett., bl. 155.
4)Dr.
Jonckbloet, Voorrede voor den D. C.
bl. IX.
5)Van Wijn,
Avondstonden, I. 363 ( a).
1)Het wild is een woord van gelijke
grammaticale verhouding als het quic: een adjectief, als sterk onzijdig
naamwoord gebezigd. Welnu, van wild maakt men wildbaan, wildbraad,
wildhoef, wildvang enz., maar nooit kan zulk eene zamenstelling met
wilden - aanvangen.
2)Verg. de bekende uitdrukkingen
manhooft en wijfhooft voor man en vrouw.
1)Grimm, D. Gr.
II. 52. Verg. Lat. vĭgeo, vĕgetus, waarmede vivo,
victus ten naauwste zamenhangt.
2)Minnenloep, II. 4154. Daarnevens
quicken, I. 256 var.
3)Lancelot, II. 41822, III. 14490,
Ferguut 4789, Wapene Rogier (hs.), 1597, Bijbel 1477,
1 Sam. XVI. 23 (‘Saul wart
ghequeect’), enz.
|
|