De Taalgids. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Derde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1861.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Etymologische onderzoekingen

door G.L. VAN DEN HELM.

Nalezingen op D. II blz. 253 vgg.

 

Groensweerde. Ook bij Webster komt greensward voor. Een streek gronds in Z.-Holland, gemeente Noordwaddinksveen en St. Hubertsgerigt, bewaart het mnl. woord nog onder den vorm Groenswaard, zie V.d. Aa, Beknopt aardrijkskundig wb. 410.

CHT, FT, ST, RT. De heer V. D. meent (Tijdschr. III 63), dat mocht en most slechts wisselvormen van den onvolm.-verl. tijd van de ww. mogen en moeten zijn, eigen aan der Zeeuwen tongslag, en een plaatsje onder de voorbeelden van den overgang der CHT tot ST, door mij verzameld, verdienen. Ik veroorloof mij de geheele zaak als hoogst verdacht te beschouwen, want, terwijl zich most als zeer regelmatig uit mocht ontstaan en dus als o.-verl. tijd van mogen 1) begrijpen laat, is dit met mocht en most en dus als o.-verl. tijd van moeten, geenszins het geval, immers: eene CH vóór

[p. 204]

T uit S is tegen den aard dier letters 1), omdat de spirans (S) wel uit de geaspireerde keeltenuis (CH), als plaatsvervangster namelijk harer spirans (H), overgeschoten, nooit echter de geaspireerde keeltenuis uit de spirans (S) ontstaan kan zijn. Hierom reeds geloof ik in het afwisselend gebruik van mocht en most als onv.-verl. tijd van mogen en moeten beide slechts spraakverwarring op te kunnen merken. En overigens zoude het wel bevreemdend zijn dat, bij de neiging van het nederduitsch en vooral van het nederlandsch tot zulke vormschakeeringen, bij name tot het vervangen van CHT en FT door ST, deze afwisseling in het zeeuwsch-alleen zoude voorkomen. Over R uit gutturalen vergelijke men Kuhn-Schleicher Beiträge II 348. 450. 451.

Betrekkelijk de taal, waartoe est behoort, meen ik te moeten opmerken, dat de vreemde en ongehoorde woorden in De Chalmots vertaling van Chomels Huishoudkundig woordenboek voorkomende veeleer friesch dan nederlandsch te achten zijn.

Visepetent. Uit eenen brief van Dr A. Kuhn, Professor aan het cölnisches 2) Gymnasium te Berlijn van 27 Mei dezes jaars ontleen ik het volgende: ‘Ueber visepetent bemerke ich noch, dasz die berlinische echte form (bei Brennglas finden sich oft nur viel entstellungen) fisematenten ist; die redensart heiszt: mach mir doch keene fisematenten vor.’ Benzen. Vgl. nog prov.-eng. bansel slaan, straffen (Wright 163).

[p. 205]

Ric.

Waren de uittreksels van den heer V.D. uit een hs. der 13de eeuw uitvoeriger, met meerdere zekerheid zouden dan zijne vragen te beantwoorden zijn, inzonderheid aangaande ric (zoo toch is rie op den omslag van III No. 1, wel te lezen) 1). Voorshands waag ik het slechts hierbij te herinneren aan Natuurkunde v. h. geheelal vs. 1367:

'Ende men hem leert een ander ric'

eene plaats die, geloof ik, nog niet voldoende verklaard is.

Salone.

Salone, saloene komt ook voor in de volgende plaats, welke door J. Grimm, Rechtsalterth. 579 wordt aangehaald: ‘ein stoel, ein küssen, ein rockenspinde, ein haspel, ein bedde, negst dem bedde ein poel, ein küssenziehen, schlafelachen, ein schluen.’ In eene noot hierop schrijft hij: ‘Welligt schalunen? schalune, schalaune komt in andere boedelbeschrijvingen vaak voor, bij Hoffmann 738 ook scharlaune. Het schijnt een te Châlons geweven stof.’

In de afgeschrevene plaats eenen vorm met schl uit een romaansch chal te vinden kan niet bevreemden, men denke slechts aan eng. sloop, deen. sluppe, zweed. slup, nnd. sluup (Brem. Wb. IV 849, Schütze IV 126), wangeroogsch slûp (Ehrentraut Archiv I 394), nnl. sloep 2), naast de vollere vormen: spaan, portug. chalupa, fransch chaloupe, eng.

[p. 206]

shallop (met andere beteekenis dan sloop), nhd. schaluppe, nnl. chaloup (verouderd en b.v. bij Brandt, Leven van de Ruyter 561 te lezen). Schalune hervindt men in on. salûn kostbaar weefsel (Biörn II 223), in eng. shalloon en spaan. chalcon eene geringe wollen stof, in 't fransch ras de Châlons genaamd, doch ook op nederlandsch taalgebied komt het voor en wel op eene wijze die leert hoe vroeger de mindere man in de Nederlanden in deze stof gekleed ging, want, gelijk de schobbejak en de beerenmutsen aan hunne kleeding hun' naam ontleenden, zoo noemden onze voorzaten volgens Kiliaen 555b. 561b. 570b eenen boef: scharluyn, schaerluyn, scherluyn, schernluyn, schorluyn, onmiskenbaar omdat de mindere man ras de Châlons plagt te dragen en het niet alleen salone maar ook bij verdraaijing scharluin noemde, er eene r invoegende op dezelfde wijze als in Hoffmanns scharlaune en gelijk thans scharminkel, in de plaats van scheminckel (Kiliaen) gezegd wordt. Ook Weiland (VIII 308. 318) vermeldt scharluin nog, hoewel het te zijnen tijde slechts zeldzaam meer gebruikt werd, en leidt er het overijsselsche scharluinig schamel te regt van af, hetgeen ik ook wel in meer ongunstige beteekenis gehoord heb, b.v. in: ‘het scharluinig maken’ waarvoor anders ook gezegd wordt: ‘het bont maken.’ Ook Ysl. salûn een kostbaar weefsel (Biörn II 223).

Toelg.

Zoo luidt noodwendig het enkelvoud van het door den heer V.D. bijgebragte toelgen eene vischsoort, of staat er taelgen? Een naauwkeurig overzigt van de wijze waarop zijn hs. de klinkers uitdrukt, zou de middelen aangeven om deze vraag te beantwoorden. 't Was eene vischsoort die gebezigd werd om scharlaken-kleurig te verven, blijkens 't as. telg, taelg, taelhg, 1. een visch die scharlaken-verf oplevert, 2. scharlaken kleur, en van mannelijk taalgeslacht.

Uit Bedas historia ecclesiastica haalt Ettmüller 522 aan: veolocreáda tälg, d. i.: telg purperkleurig als de noordsche

[p. 207]

kinkhoorn, (Linnés murex antiquus of zijn murex defectus? beide is mogelijk). Veoloc hierin is mnl. welk (volgens Grimm, Gramm. I3 348, van elders mij onbekend), nnl. wulk, (ik las het alleen nog maar bij Nemnich Catholicon d. naturgesch. II 636), eng. whelk, whilk, wilk (Webster), wealk (Grose), 't geen onafscheidelijk is van nnl. welcke (Kiliaen), eng. whelk blaar 1). In willox, eene vischsoort uit het hs. der 13de eeuw, vermoed ik dat dit veoloc, welk steekt. Of is aan mhd. wels (Benecke III 563), nhd. wels, wils (Nemnich II 1297), prov.-nederl. wils (Kiliaen) silurus glanis te denken? Eene nadere inzage van het hs. kan hierin beslissen. Moge de heer V.D. door zijne mededeelingen op ruimer schaal te doen plaats hebben, het beantwoorden zijner vragen voortaan en gemakkelijker en door zekerder uitkomsten aangenamer maken!

Bui.

Bilderdijk meende dat bui oorspronkelijk bode geweest is en ‘voorteeken van storm’ beteekende (Geslachtlijst I 120), Weiland zegt er niets van en Grimm (Wörterb. I 511) weet niets beters te vergelijken dan den uitroep bau! Volgens hem is het alleen een nederlandsch woord. Hem zijn namelijk deen. buge schielijk opkomende storm, die sneeuw, hagel, regen of onweer meêvoert, friesch buye (Epkema op G. Japicx 70), nnd. böe (Schütze I 119), n fries büiag stormig (Herrig Archiv XII 75), wangeroog. boi windvlaag (Ehrentraut II 370) ontgaan. Vroeger schreef men ten onzent ook buyde en buije (Kiliaen, Kamphuizen). Tegen deze vergelijkingen strijdt het verschil tusschen de nederl. d en deen. g in 't midden des woords niet, en wel omdat bui geen duitsch, maar een romaansch woord is. Zij zijn ingevoegd toen men, den waren oorsprong des woords miskennende, meende dat hunne tweeklanken door uitval

[p. 208]

eener gutturaal- of dentaal-media ontstaan waren, als b.v. in deen. flye, nnl. vlieg(e); nnl. hui en wei, as. hvaeg; nnl. keu uit kudde 1). Dat de d in 't nederlandsch ingeschoven is schijnt Kiliaen nog gevoeld te hebben, althans buyde vermeldt hij eerst na buye.

Om van mijn beweren dat bui een romaansch woord is rekenschap te leveren, herinner ik aan het ital. tempo bujo, donker weder, waarvan de noord-europeesche schippers, het tevens met het compas van italiaansche vakgenoten overgenomen hebbende, gemakshalve 't eerste woord weglieten.

Onder de duitsche taalgeleerden is het nog onzeker of dit bujo van slawische of latijnsche herkomst is. Pott (Commentatio Lithuanica II 53) denkt aan lit. buras en verwanten 2), Dietz (Wörterbuch 77) doet bujo uit lat. burrus rood ontstaan, eene quaestie die zich, mijns erachtens, alleen dan beslissen laat, wanneer uitgemaakt is of eene italiaansche j als middenklank aan eene slawische r of aan eene lat. rr beantwoordt. Men vergelijke Diefenbach Origines 261.

Ten slotte zij opgemerkt dat, toen de oorspronkelijke beteekenis van 't ital. adjectief nog levendig voor den geest stond, het ook als naam van de pestbuil gebezigd werd; immers Kiliaen geeft als friesch en hollandsch het verouderde buye buyde in deze beteekenis, waarin we dezelfde benoeming van eene zweer naar hare donkere kleur vinden, als in as. seo blaca begne (Proeven v. Woordgronding II 65, 66). En wanneer ‘bui’ thans nog wordt gebezigd om eenen gemoedstoestand aan te duiden, dan heeft daarin eene zelfde overdragt van beteekenissen plaats, als door Grimm (Gesch. d. d. Sprache, 712) in nnl. luim is aangetoond.

[p. 209]

Orsinnich.

In de Dietsche doctrinale II 3073 staat:

 
Een mensche mochte soe vele beden
 
Ende lesen met innecheden,
 
Ende daer in soe lange herden,
 
Hi soude orsinnich werden.

De hoogleeraar Jonckbloet, van wien we, helaas! geene uitgaven van mnl. teksten meer verwachten mogen, giste, dat orsinnich in de plaats van onsinnich staat; te recht wat de beteekenis, ten onrechte wat de letters van het woord betreft, want, dat orsinnich, of oirsinnich, als hs. H heeft, goed geschreven en gelezen is, blijkt uit ohd. ursinnic (Graff VI 231) en mnd, oersinnich (Diefenbach Glossarium latino-germanicum 247a) freneticus. Oer, oïr, or zijn namelijk niets dan de goth. partikel us, ohd. ur ezv., uit beteekenende, die op nederlandsch taalgebied ook gevonden wordt in: oorbaar, oordeel, oorsprong, oorlof, oorlog, oorzaak en eenige andere zamenstellingen, weshalve ons woord letterlijk hetzelfde beduidt als Kiliaens uutsinnigh 1) insanus d. i. onwijs, waarvan het dus alleen in vorm verschilt. Hs. D der Doctrinale leest versinnich, naast welks vertaling door ‘gek, dwaas’ de uitgever een vraagteeken plaatste, dat vervallen moet, immers: ver treedt in dezen nieuweren vorm des woords even zeer in de plaats van oor als in nnl. verkwisten, verrijzen, verdriet, verzoeken, verharen, verschijnen naast goth. usquiss, urrists, ohd. urdreoz, ursuoh, as. urhaer, mhd. urschîn. De lezingen van C. onsedich en S. oneersamelijc acht ik geheel verwerpelijk; die van R ontzinnet wordt verdedigd door ontsint (Leken Spieghel II 22, 59).

In 't voorbijgaan zij nog opgemerkt, dat hoorn in nnl. hoornwoedig, hoorndol, dol van rundvee niets met hoorn cornu te maken heeft, gelijk Weiland III 317 denkt, maar uit

[p. 210]

goth. hvairnei, nnl. herne (Kiliaen) hersenpan verdraaid is; dit blijkt uit mhd. hirnwutung dolheid, hierenwuetig, dol (Diefenbach Glossarium 247a), Kiliaens hersenwoede, hersenwoedig, welke men ook bij Weiland vindt en prov.-eng. brainwood dol (Wright 249).