|
|
|
| |
| |
Over etymologische definities.
Het is een vrij algemeen heerschend gevoelen, dat de beteekenis
van een woord door zijne etymologie bepaald wordt. Hoe natuurlijk die meening
schijnbaar ook zijn moge, bij een weinig nadenken blijkt zij onwaar te zijn, en
de ondervinding leert, dat zij zelfs eene zeer schadelijke dwaling is. Daar wij
onlangs in de gelegenheid zijn geweest om te zien, welke verkeerde
gevolgtrekkingen uit die onderstelling kunnen afgeleid worden, kwam het mij
voor, dat het niet ontijdig zou zijn, indien de Taalgids een afzonderlijk
artikel aan de bestrijding van dat gevoelen wijdde. Ik heb op mij genomen dat
artikel te leveren en hoop den lezer de overtuiging te geven, dat eene
definitie der beteekenis van een woord, uitsluitend uit zijne etymologie
opgemaakt, in de gunstigste gevallen scheef, onvolledig en gebrekkig, maar niet
zelden geheel verkeerd is. Is dit eenmaal bewezen, dan volgt noodwendig, dat
men bij het bepalen van het begrip, hetwelk door een woord wordt
vertegenwoordigd, altijd noodzakelijk het Gebruik moet raadplegen, den
Usus, '‘ Quem penes arbitrium est et ius et norma
loquendi
1).’'
Nemen wij het eerste woord het beste, welks afleiding met
zekerheid bekend is, steur b.v. Dit woord luidt in het Oud-
| | | |
hoogd. sturo, in het Angels, styria; beide vormen bewijzen eene
afleiding van een adjectief; steur komt dus van een adjectief
stur, waarin de u (oe) door den invloed der sluitklinkers in het
Angels. in y en bij ons eerst in o en vervolgens in eu is
overgegaan. In de Noordsche talen heeft stör de beteekenis van
groot; dit is dus een epitheton dat volkomen op een steur past, niemand
zal dit ontkennen. Maar wat volgt nu uit deze afleiding voor het begrip van
steur? Dat het iets is, dat groot is, volstrekt niets meer. Maar
heet dan al wat groot is, juist een steur? Zijn een olifant en een
walvisch ook geene groote dieren? Zijn eene kerk en een berg niet nog veel
grooter? Het woord steur is dus wel uitnemend geschikt om daaraan al de
verschillende kenmerken en bijzonderheden van eenen steur vast te knoopen, het
is eene hoogst gepaste benaming voor dien grooten visch, maar meer ook niet:
aan eene deductie van de gansche voorstelling van den steur uit zijnen naam
valt niet te denken; ééne hoedanigheid en daarmede houdt het op.
Het is derhalve het Gebruik, dat uitgemaakt heeft, dat juist die vischsoort
steur zou heeten.
Maar steur is een stamwoord, zal men zeggen, nemen wij
liever een zamengesteld, dan is het laatste lid de uitdrukking van het geslacht
en het eerste bevat dan het onderscheidende kenmerk; kerkdeur, b.v. Ge
vindt dan in deur het geslacht, in kerk de soortbepaling; eene
kerkdeur is eene deur, die met eene kerk in verband staat,
in onderscheiding van eene schuurdeur, huisdeur, kagcheldeur enz. Maar
zijn dan alle deuren, in, aan of bij eene kerk, kerkdeuren? Verstaat men
daardoor niet uitsluitend de buitendeuren, die den geloovigen van buiten den
toegang in de kerk verleenen, terwijl het Gebruik de deuren der consistorie- of
gerfkamer, van het orgel, den torentrap, het turfhok enz., die toch ook met de
kerk in naauw verband staan, nooit kerkdeuren noemt? -
Schoolbanken en schooltafels zijn zeker zeer onderscheiden
dingen, die als bank en tafel verschillen? Mis, beide woorden
beteekenen in den regel hetzelfde; eene schoolbank èn eene
schooltafel is eene tafel met eene daaraan bevestigde bank. - | | | | Het woord kruis in kruizemunt, kruisbessen is slechts
eene andere uitspraak van kroes, hd. kraus, gekruld; dus
kruisbessen gekroesde, gekrulde bessen? Niet precies zoo, de bessen
krullen niet, maar zijn rond; doch zij groeijen aan heesters, wier bladeren
gekroesd zijn. - Aardbeijen en braambeijen zijn ongetwijfeld
beijen, bessen, waarvan de eerstgenoemde, even als aardappelen in
den grond groeijen, terwijl de laatste zeker bramen of stekels hebben?
Alweder mis geraden: het zijn geene bessen, geene beijen, fr.
baies, lat. baccae, even weinig als de aardappelen appelen
zijn; de aardbeijen groeijen niet in, maar boven den grond, en de braambeijen
hebben geene bramen, alleen de struik, waaraan ze groeijen heeft er. - Een
gulden kan niet anders zijn dan eene gulden, d. i. gouden, munt; een
preekstoel is stellig een stoel, waarop men zit als men preekt; en de
oorijzers der Friesche schoonen, zijn noodwendig van ijzer gemaakt?
Neen! nog eenmaal neen! evenmin als potlood lood is; want dit mineraal
is hoofdzakelijk koolstof, doch bevat geen atoom lood.
Indien de afleiding de beteekenis der woorden bepaalde, dan zou
een zelfde woord, in de verschillende talen noodwendig dezelfde beteekenis
moeten hebben. Met andere woorden: de stamwoorden, die uit denzelfden wortel
zijn gesproten, de afgeleide, die van denzelfden wortel door aanhechting van
dezelfde affixen gevormd zijn, de zamengestelde, die uit dezelfde bestanddeelen
bestaan, zouden hetzelfde denkbeeld moeten vertegenwoordigen. Wat daarvan is,
weet ieder, die een weinig Hoogduitsch en Engelsch verstaat. Ik behoef slechts
te herinneren aan bron, hd. Brunnen (put); knap, hd.
knap (bekrompen, krap); ledig, hd. ledig (ongehuwd);
ligchaam hd. Leichnam (lijk); maagd, hd. Magd,
(dienstmeid); oven, hd. Ofen (kagchel); steeg, hd.
Steig (bergpad); spits, hd. Spitze (kant); tafel,
hd. Tafel (plank, bord); vrek, hd. frech (onbeschaamd);
taal, hd. Zahl (getal); waag, hd. Wage (balans);
winkel, hd. Winkel (hoek); knecht, eng. knight
(ridder); dier, eng. deer (hert).
De afleiding van een woord is een bestaand feit, waaraan | | | | natuurlijk niets meer te veranderen of te wijzigen valt, daarom zou
ook zijne beteekenis, indien zij geheel van den vorm des woords afhing, vast en
onveranderbaar moeten zijn; maar de ervaring leert, dat die beteekenissen in
den loop der tijden aanmerkelijk kunnen veranderen, ja zich nagenoeg omkeeren.
Eenige weinige voorbeelden zullen dit voldoende bewijzen.
Doopen is, gelijk de Goth. causatiefvorm daupjan
bewijst, eigenlijk en oorspronkelijk laten duiken, in de diepte laten gaan,
indompelen, eene beteekenis, die nog niet geheel verouderd is. Daarom zegt
Johannes in het Leven van
Jezus, eene vertaling der vulgata, uitgegeven
door wijlen Prof.
G. Meijer, Cap. XXII:
‘ic doepe in den watre,…. mar hi es deghene, die u
doepen sal in den heilighen gheeste ende in den vire.’
Waarin bestaat het doopen thans, is het nog laten duiken? - In hetzelfde
hoofdstuk leest men: ‘Doe quamen oc die ambachtslieden ende
daden hen doepen.’ Wie waren die ambachtslieden? De vulgata
heeft hier, Luc. III, 14: milites, onze
Staten-overzetting: krijghslieden. Verstaat men thans nog door
ambachtsman eenen soldaat of krijgsman? - In hoofdstuk
CLXXIII wordt de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan
verhaald. Zij begint aldus: ‘Ens tijds ghinc een mensche uan Jhrlm te
Jericho wert. Ende onder weghen so quamen schaekeren [latrones,
moordenaers, Luc. X. 30] ane hem, diene beroefden ende diene
wondden.’ Is het thans nog de gewoonte van schakers anderen te
wonden en te vermoorden? - In de middeleeuwen zag men niet zelden koningen en
vorsten, koninginnen en de onschuldigste jonkvrouwen het schavot
bestijgen om de ridderspelen te aanschouwen; in den tegenwoordigen tijd ziet
men in den regel alleen moordenaars en brandstichters op zulk eene
verhevenheid. - Oudtijds was eene toonbank eene bank, waarop de waren
voor de kooplustigen ten toon gesteld werden; thans is het eene tafel, waarop
de waren afgewogen of afgemeten en het geld geteld wordt. - Voorheen waren een
provoost (Lat. praepositus, fr. prévôt) en een
Lombard (een Lombardijer) mannen; thans is de eerste in eene gevangenis
en de tweede in eene bank van leening veran-
| | | |
derd. - Spreuken
XIV: 15, leest men: ‘De slechte gelooft alle
woort;’ dit is thans niet meer het geval, veeleer zal de
rechtschapene, die alle menschen naar zich zelven afmeet, geneigd zijn om aan
listig bedachte leugens geloof te slaan. Maar reeds voorbeelden genoeg om den
lezer te overtuigen, dat de beteekenis der woorden met der tijd wel degelijk
sterk, onherkenbaar veranderen kan, een bewijs, dat zij niet door de
onveranderlijke etymologie wordt vastgesteld. En waarlijk al die bewijzen waren
niet eens noodig geweest om aan te toonen, dat de beteekenis der woorden niet
onveranderlijk is. Ik had slechts op de figuurlijke taal te wijzen gehad. Aan
figuurlijke overdragt toch ware dan niet te denken; en hoe ontelbaar veel
woorden zou onze, zou iedere taal, dan niet moeten missen? Wij bezaten dan geen
enkel woord, dat eene hoedanigheid of werking van geest of gemoed uitdrukte,
want zulke woorden zijn louter overdragten van zinnelijk op onzinnelijk gebied.
Over zoodanige onderwerpen zouden wij niet alleen niet kunnen spreken, wij
zouden er niet over kunnen denken; van de hoogste en edelste belangen der
menschheid zouden wij niet eens besef hebben, en de mensch zou zich weinig
boven de dieren kunnen verheffen.
Wij zien derhalve, dat men bij het opmaken der definitie van de
beteekenis van een woord, niet bij zijne afleiding mag blijven stilstaan; dat
men altijd vragen moet: wat heeft het Gebruik dienaangaande bepaald? welken zin
hechten wij in het dagelijksch leven en hechten thans de goede schrijvers aan
dat woord? kortom, dat men, bloot speculatief te werk gaande, in de
belagchelijkste afdwalingen moet vervallen.
Daaruit volgt echter niet, dat volstrekt alle definities, op de
etymologie gebouwd, verkeerd en verwerpelijk zouden zijn. Integendeel de
Grammatica weet er een aantal op te noemen, die noodwendig op etymologische
grondslagen moeten rusten, omdat zij juist de afleiding en vorming der woorden
betreffen. Van dien aard zijn b.v. de bepalingen van stamwoorden,
afgeleide en zamengestelde woorden, die uit haren aard zuiver
etymologisch moeten wezen. Vervolgens een aantal | | | | andere, waarbij de
uiterlijke vorm evenzeer als de beteekenis der woorden in aanmerking komt; b.
v. de definities van deminutiva, frequentativa, causativa, inchoativa
enz. De verklaring van de beteekenis dezer soorten van woorden
is niet toereikend om hunne natuur te bepalen, daar een bepaalde vorm en eene
bepaalde beteekenis moeten gepaard gaan. Zoo is b.v. hut, ofschoon het
de beteekenis heeft van kleine, armoedige woning, daarom nog niet
een deminutivum, dewijl het niet van een ander substantief gevormd is door
aanhechting van een der suffixen -je, -ken of -lijn. Even weinig
zal ombrengen, hoewel de oorzaak van omkomen, het causatief van
dit laatste woord mogen heeten, omdat het er niet van afstamt, gelijk
vellen van vallen en drenken van drinken.
Gaan en loopen beteekenen wel herhaald stappen, maar zijn
geene frequentativa, dewijl ze niet op -elen of -eren uitgaan,
gelijk trappelen en stotteren. Genoemde definitiën moeten
dus noodwendig gedeeltelijk etymologisch zijn, vermits een bepaalde
etymologische vorm tot het wezen der gedefinieerde zaak behoort. Er bestaan dus
zeer goede etymologische definities; doch men zou dwaas handelen, indien men
pogingen aanwendde om van de zoogenoemde rededeelen dergelijke
bepalingen te geven, daar immers ieder rededeel in zijn kring geheel
verschillend gevormde woorden bevat. Hoe zou men b.v. bij mogelijkheid het
begrip van substantivum uit den vorm dezer woorden kunnen opmaken? Sommige toch
zijn stamwoorden, andere afgeleid, andere zamengesteld. En hoeveel
verschillende soorten van afgeleide en zamengestelde substantiva zijn er niet?
Neemt men de bijwoorden in oogenschouw, dan vindt men er niet alleen
oorspronkelijke, maar ook afgeleide, die gevormd zijn van substantieven,
adjectieven, verba, numeralia en praeposities, onder allerlei vormen, als die
van genitieven, datieven, en accusatieven, zoowel meer- als enkelvoudig. Bij de
verba zou het evenmin mogelijk wezen: immers men heeft er die stamwoorden,
andere, die afgeleid zijn van andere verba of van substantiva, adjectiva,
adverbia en praeposities. En hoe verschillend zijn sommige niet zamengesteld!
Zelfs van het | | | | lidwoord, dat in omvang het kleinste rededeel is, in
geene etymologische definitie denkbaar: de is een verzwakte vorm van het
demonstrativum die, een van het telwoord één; het
is alweder anders ontstaan. Ik geloof dan ook niet, dat er ooit iemand geweest
is, die ernstige pogingen gedaan heeft om op die wijze tot het begrip van een
rededeel te geraken. Ik moet daarom rondborstig bekennen, dat ik nooit aan de
mogelijkheid daarvan zou gedacht hebben, of liever dat de gedachte aan de
mogelijkheid, dat iemand zoo iets zou willen beproeven, niet bij mij opgerezen
zou zijn zonder de hulp van mijn vriend Dr.
De Jager. Deze meent, dat
Bilderdijk inderdaad eene etymologische
bepaling van het werkwoord heeft willen geven. Dit toch moet men besluiten uit
zijne woorden op blz. 191 en 192 van het vorige nommer van dit tijdschrift:
‘Het onderscheid tusschen de Bilderdijksche definitie en die van Dr.
T. W. komt zoo ik wel zie, daaruit voort, dat
de eerste steunt op etymologischen, de tweede op philosophischen grond.’
Tot geruststelling van mijnen vriend en van alle lezers van de Taalgids kan ik
de verzekering geven, dat B. zich aan die hopelooze poging niet heeft gewaagd;
dat hij zijne definitie niet uit de etymologie, maar uit zijne
philosophie geput heeft; en dat hij zich door zijne philosophische definitie
heeft laten verleiden om in den vorm der werkwoorden iets te zoeken en te
vinden, dat er niet in ligt. De zaak is precies anders om, dan mijn vriend
vermoedt; eene onbevooroordeelde lezing van hetgeen B. aangaande de natuur der
werkwoorden zegt zal ons, vertrouw ik, volkomen overtuigen. Uitvoerig heeft hij
over dat onderwerp gehandeld in zijne Verhandeling over de geslachten der
naamwoorden. Niet altijd zijn zijne uitdrukkingen juist en duidelijk; maar,
indien men slechts ernstig wil, kan men den loop zijner gedachten zeer goed
volgen en met volkomen zekerheid besluiten, wat hij heeft willen zeggen.
Daartoe echter is een vlugtig inzien in zijn thans reeds bijna vergeten werk -
gelijk ik reeds vroeger gezegd heb - niet toereikend. Men moet niet aan zijne
woorden blijven han-
| | | |
gen, maar in zijne gedachten indringen, naar
zijne bedoeling vragen; anders komt men tot de ongerijmdste
gevolgtrekkingen.
Bilderdijk gaat daar, in die verhandeling -
horribile dictu
1) -
philosophisch, hoewel daarom nog niet juist logisch te werk. Het was hem te
doen om den aard der geslachten te verklaren; en daar de geslachten
eigenschappen der substantieven zijn, moest hij eerst over de natuur dezer
woorden en over de wijze van hun ontstaan in het algemeen handelen. Te dien
einde was hij genoodzaakt ook de adjectiva en verba ter sprake te brengen en
van het verschil tusschen deze woorden en de substantiva melding te maken. Gaan
wij zijne gedachten na. Volgens § 3 en 4 ‘bestaat alle Taal in een
te kennen geven
2),’ en
‘koomt alles, (5) wat wij | | | | te kennen geven neêr op twee
geheel onderscheiden soorten van dingen.’ ‘'t Zijn onze
onmiddelijke aandoeningen,’ ‘of het zijn de Voorwerpen, die buiten
ons zijn.’ (6) ‘De eerste soort drukt de Natuur door dierlijke
kreten uit.’ (7) ‘Deze voeren in de beschaafde Talen - den naam van
tusschenwerpsels.’ (8) ‘Geheel anders is het met de voorwerpen
buits ons,’ ‘het is aan het verstand overgelaten eene beteekening
door klanken te vinden, met welke wij een gelijk denkbeeld verwekken als dat
wij willen uitdrukken.’ ‘En ziedaar een geheel nieuw vak van
klanken, welke men met dan naam van verstandelijke benoemen
mag.’ (9) ‘Wy bemerken dra, dat wy het zelfstandige der voorwerpen
niet kennen noch opmerken, maar alleen zekere hoedanigheden.’
‘Vandaar dat wy hoedanigheden hebben uit te drukken en dat
hoedanigheden den grond der verstandelijke taal uitmaken.’ (10)
‘Die hoedanigheden kunnen op tweederlei wijze begrepen worden:
op zich-zelve (in abstracto), en, als bestaande in het Voorwerp waar wy
ze in waarnemen. In 't eerste geval maken wy ze in ons verstand tot
zelfstandigheden. In 't laatste geval blijven het hoedanigheden, die eene
zelfstandigheid noodig hebben, waar zy als in rusten. En in dit geval heeft
wederom tweederlei wijs van beschouwing plaats: of wy stellen ze in de zaak als
daar aan verknocht; of wy stellen ze niet zoo zeer in de zaak, als wel in het
bestaan der zake: dat is met andere woorden, of wy merken ze aan als
eene wijziging van de zaak, of als eene wijziging van haar bestaan. Bij
voorbeeld, als ik zeg, een
| | | |
zwart paard, of
het paard is zwart, zoo is zwart in mijn denkbeeld een
hoedanigheid van het paard; maar zeg ik het paard loopt, zoo
denk ik het loopen niet als een hoedanigheid van het paard, maar als
eene (voorbijgaande) wijziging van zijn bestaan. Deze onderscheiding schijnt
fijn: echter is zij wezendlijk, en zij houdt het ware onderscheidend kenmerk in
tusschen 't adjectivum en 't verbum. Dan, wanneer wy een
hoedanigheid als affectie van een zelfstandig ding beschouwen, zoo is het woord
dat wy gebruiken, een adjectief, en dan, wanneer wy ze aanmerken als een
wijziging van 't bestaan des voorwerps, zoo is het een verbum. Van daar
dan ook, dat alle verbum het verbum substantivum (dat is 't werkwoord,
het bestaan uitdrukkende) insluit en in sommige Talen kennelijk
inhoudt (f); terwijl het in andere Talen niet uitgedrukt, maar er toch
op verschillende wijzen in verwikkeld is.’ De laatste woorden, door Dr.
De Jager aangehaald, hebben inderdaad al den
schijn van eene etymologische verklaring; doch het is dan ook niets meer dan
schijn, tenzij men
Bilderdijk volstrekt ongerijmdheden wil laten
zeggee. Immers, indien men zijne woorden letterlijk opvat en aan een eigenlijke
etymologische ontleding der werkwoorden denkt, dan spreekt hij hier den ergst
mogelijken onzin; maar indien men de fouten, die zijne redeneering ontsieren,
in de onjuistheid zijner uitdrukkingen zoekt, is hetgeen hij zegt wel niet
waar, maar de ongerijmdheid is weggenomen en de gedachte op zich zelve gezond.
Bare onzin toch is het te zeggen: het werkwoord zijn (d. i. dan de
woordklank z-ij-n) is ‘in alle verbum ingesloten’ (dat zou
zijn: wordt in alle verbum gehoord) en in sommige talen wordt het kennelijk
gehoord: ‘terwijl het in andere talen niet is uitgedrukt (d.i. niet
gehoord wordt), maar er toch op verschillende wijzen in verwikkeld is (d. i. er
op verschillende wijzen wel in gehoord wordt).’ Is het mogelijk, dat B.
zoo iets zou hebben willen zeggen? A zit altijd in b, en somtijds
zit a kennelijk in b, terwijl a in andere gevallen niet in
b zit, maar toch op verschillende wijzen wel in b zit. Zoo
spreekt wel geen | | | | krankzinnige in een dolhuis! Neemt men echter aan,
dat
Bilderdijk het woord zijn
en het begrip zijn of bestaan verwart, en het eerste
ook voor het laatste bezigt, dan heeft hij het volgende willen zeggen:
‘Het begrip zijn of bestaan ligt in het
begrip van elk werkwoord; in sommige talen zit ook het
woord zijn inderdaad in het werkwoord, d. i.
die werkwoorden zijn zamengesteld met zijn; in andere talen is het wel
niet uitgedrukt, maar het begrip zijn is toch in de beteekenis der
werkwoorden verwikkeld.’ Dit is wel niet waar, maar het is eene
verklaarbare en zeer verschoonlijke dwaling, en bevat volstrekt geene
ongerijmdheid. Dat hij dit inderdaad bedoeld heeft, is niet twijfelachtig.
Alles wat wij met onze zinnen kunnen waarnemen, is, volgens hem, hoedanigheid
1). Beschouwt men deze als in de voorwerpen zelve liggende, dan bezigt
men een adjectief; maar beschouwt men ze als liggende in het bestaan der
voorwerpen, dan bezigt men een verbum. Het eigenaardige en
onderscheidende van de werkwoorden is dus, volgens hem, dat de hoedanigheid in
het bestaan ligt; het begrip van bestaan is bij hem eene bepaling van
de hoedanigheid, die zonder deze bepaling, in het voorwerp zelf zou zitten
en dus door een adjectief zou moeten uitgedrukt worden. Daarom zegt hij verder:
Het (werkwoord) bestaat uit twee deelen, een subject en
praedi-
| | | |
caat,’ d. i. hier niet een onderwerp en
een gezegde, maar: een drager eener hoedanigheid en eene
hoedanigheid. ‘Het subject is het bestaan en wordt in de
sylbe en gevonden, het praedicaat, een waar adjectief.’ Dit kan
wel niet anders beteekenen dan: het begrip van bestaan wordt door de
lettergreep en vertegenwoordigd, niet: de lettergreep, de klank,
en is é én en hetzelfde als het werkwoord, als de klank,
zijn; want dit zou gelijkstaan met het beweren: eene knol is eene
citroen.
Deze opvatting wordt volkomen bevestigd in § 17. Men leest
daar: ‘Het verbum drukt eene wijziging uit in 't bestaan van een
Voorwerp. Maar ik moet of wil die wijziging in 't bestaan, afgetrokken van 't
bestaan zelf, beschouwen. Nu verliest het verbum zijnen uitgang, die het
bestaan uitdrukt, en zijn wortel blijft. Loopen drukt de wijziging in
het bestaan uit, als daar inliggende. De loop drukt ze in abstracto
uit. Maar eene abstractie wordt als eene zelfstandigheid aangemerkt. Van daar
is 't natuurlijk, dat deze wortels voor substantieven gelden
1)).’ Men
ziet de gansche redeneering van B. is wijsgeerig; etymologie komt er zoo te
zeggen niet in voor. Het begrip van bestaan, hetwelk hij zeker wel niet als
existentie, maar als wijze van zijn, van zich voor te doen, zich te
vertoonen, opvat, moet het woord tot een verbum maken, zonder dat is
het een adjectivum, en, van het werkwoord geabstraheerd, wordt dit
substantivum. Men zegge daarom niet, dat B. beweerd heeft, dat het
werkwoord behalve de wijziging in of van het bestaan ook nog bovendien het
bestaan zelf te kennen geeft; dit komt er blijkbaar slechts als bepaling
in voor, ook al ware het woord zijn inderdaad in het
werkwoord begrepen. In de woorden aardbei en karne-
| | | |
melk zitten de woorden aarde en karn, en in de
begrippen, die zij uitdrukken, zitten de begrippen aarde en
karn, maar daaruit volgt nog niet, dat iemand die zegt: Ik hou veel
van aardbeijen, en: Ik heb gisteren avond koude karnemelk gedronken,
juist altijd wil te kennen geven, dat hij gaarne aarde eet en den vorigen avond
eene geheele boterkarn koud ingeslikt heeft. Een zamengesteld woord
vertegenwoordigt slechts één eenig begrip; en hoewel dit begrip
zelf zamengesteld is, is het toch maar ééne eenheid. Een
zamengesteld woord wijst of duidt derhalve op slechts één
voorwerp, op ééne hoedanigheid, op ééne werking.
Een nijlpaard is maar een dier, dat zich in den Nijl pleegt op te
houden, niet de Nijl met een paard daarin, noch een
paard met den Nijl daarin. Iemand, die zegt, dat hij te
Amsterdam een nijlpaard gezien heeft, beweert niet, dat hij in den
zoölogischen tuin aldaar aan den oever der beroemde Afrikaansche rivier
heeft gestaan. Rozerood beteekent niets anders dan eene kleur, de kleur
die roode rozen plegen te vertoonen, niets meer; en het is volstrekt niet
noodig, dat op een hoed met rozerood lint ook rozen zitten. Gesteld dus, dat de
werkwoorden inderdaad zamengestelde woorden waren, en dat zijn een der
bestanddeelen uitmaakte, zij zouden toch altijd maar één begrip
uitdrukken: òf een gewijzigd zijn, òf eene wijziging van het
zijn; niet twee begrippen te gelijk niet het zijn met eene wijziging
van het zijn. Dat B. werkelijk niet heeft willen zeggen, dat elk werkwoord
het bestaan der voorwerpen uitdrukt, blijkt genoeg uit zijne eigene, reeds
boven uitgeschrevene bepaling, op blz. 40 zijner Verhandeling te vinden:
‘Het verbum drukt eene wijziging uit in 't bestaan van een Voorwerp
1).’ Dat hij er het eigen-
| | | |
lijke bestaan, de existentie, niet onder rekende, ziet men
duidelijk op blz. 76 zijner Spraakleer, waar hij het bestaan
afzonderlijk vermeldt:
‘b. Woorden ter uitdrukking van werking, waaronder
ook het bestaan behoort, als waarvan alle werking slechts eene wijziging is; en
deze heet men werkwoorden.’
Eene verklaring, die hij op blz. 135 herhaalt in de volgende
bewoordingen: ‘Werkwoorden zijn die eene werking of doening
uitdrukken. Wij zeggen hier werking of doening, omdat…..
doen algemeener is. Wij begrijpen het bestaan zelf daar onder.’
Uit hetgeen wij gezien hebben is duidelijk genoeg gebleken, dat B.
langs philosophischen weg tot zijn begrip van werkwoord gekomen is. Het was
zijns inziens de uitdrukking eener wijziging in het bestaan der dingen, en zou
dus misschien ook wel het verbum zijn in zich bevatten, d. i. met
zijn zamengesteld zijn. In onze taal vond hij daarvan geen enkel spoor;
maar daar de wijziging zelve kennelijk door de wortellettergreep werd
uitgedrukt, moest het bestaan dus wel door de eindlettergreep vertegenwoordigd
worden. ‘Van daar dan ook, dat ons werkwoord altijd tweeledig, en dus
nooit minder dan tweesilbig is (loopen, bij voorbeeld).’
Bilderdijk
| | | |
dacht hier alleen aan
den infinitivus, dien vorm, die ongelukkig het allerminste van de
werkwoordelijke natuur bezit; de imperatieven: zie, doe, loop, geef enz.
schijnen hem niet voor den geest te zijn gekomen, evenmin als de praeterita:
zag, deed, liep, gaf enz. Hij zegt ook niet: ik ben door de aanschouwing
van den etymologischen vorm der werkwoorden tot het begrip van hunne beteekenis
gekomen; maar hij geeft eerst het begrip op, en zegt dan: ‘Van daar, dat
alle verbum het verbum substantivum insluit enz.’ dat wil zeggen:
uit de opgegeven beteekenis volgt, dat de werkwoorden den volgenden vorm
moeten hebben. En vindt hij nu den vorm, dien hij zoekt? Neen,
kennelijk niet, ofschoon hij dat tracht te verbloemen. In de noot f zegt
hij: ‘Zeer zichtbaar vertoont zich het verbum substantivum in 't
Latijn en Grieksch;’ - van het Nederlandsch spreekt hij in het geheel
niet. - ‘Deze talen hebben twee verba substantiva; 1o;. dat
van eenvoudige of rustende existentie; 2o. dat van
bewegende existentie. ‘Het eerste in 't Latijn is
sum’ [ik ben] ‘het andere eo’ [ik ga],
‘beide zijn in 't Grieksch ἔω,’ [bestaat mijns
wetens alleen als subjunctivus van εἰμί, ik ben].
‘thands εἰμί [ik ben] en
εἶμι [ik ga]. Het ‘laatste dier
Werkwoorden’, dus eo, ik ga, en εἶμι,
ik ga, ‘maakt den uitgang, in 't Latijn de gantsche conjugatie, uit,
zijnde in beide die talen, alle verba daarmede gekoppeld. In 't Latijn loopt
dit bijzonder in 't oog. - Amo, amas, amat enz. is te samengetrokken
van ama-eo, ama-is, ama-it, etc. Doceo, doces, docet etc., van
doce-eo, -is, -it; lego, legis, legit, van lege-eo, -is,
-it; audio, audis, audit, van audi-eo, -is, -it. Dus is
amabam, ama-ibam, docebam, doce-ibam etc.
Amavi, audivi, ama-ivi, audi-ivi; docui,
doce-ivi; legi, lege-ii; en zoo wijders door alle
Tempora en Modi heen.’ ‘Niet anders is 't in het
Grieksch met τύπτω, τύπτεις, τύπτει, van τυπτ᾿ ἐω, ἐις, ἐι en de overige
enz.’ Dat dit alles niet zoo is, weet thans ieder deskundige; maar zelfs,
indien de verba werkelijk zoo zamengesteld waren, zou
Bilderdijk toch nog op eene andere wijze aan
het begrip van eene compositie met zijn moeten
| | | |
zijn gekomen, dewijl eo, is, it, ivi en ii, beteekent: ik ga, gij gaat, hij
gaat, en; ik ging, en niet: ik ben, gij zijt enz. B. zelf gevoelde, dat dit
niet volkomen goed uitkwam en nam zijne toevlugt tot eene goocheltoer, waardoor
hij eo, is, it (ik ga enz.) knaphandig in een ‘verbum
substantivum’ veranderde, door namelijk te verklaren, dat dit
ire (gaan) ‘de bewegende existentie uitdrukt,
gelijk sum (ik ben) de rustende.’
Latere onderzoekingen hebben geleerd, dat die gansche beschouwing
van B. valsch is. De Latijnsche en Grieksche werkwoorden zijn niet zamengesteld
met ire (gaan), maar in sommige tijden inderdaad met eenen der twee
woordstammen bhu of fui, en as of es, waardoor
zijn uitgedrukt wordt; namelijk alle tijden in het Latijn op
-bam, -bas enz., -bo, -bis enz.,-vi,
-visti enz., -ui, -uisti enz., en -si,
-sisti, en in het Grieksch op -σα, -σας enz. en -σω, -σεις enz. Daar dit echter alleen verledene of
toekomende tijden zijn, maar in de praesentia, de geredupliceerde praeterita,
de imperatieven, den infinitivus en de participia nergens een zweem van een
verbum zijn te ontdekken is, zoo behoort het begrip zijn of
bestaan niet tot het wezen des werkwoords, dewijl het dan
noodwendig in alle vormen moest aangetroffen worden. Men heeft zich dus door
schijn en door de verwardheid en onduidelijkheid van B's woorden laten
misleiden om in diens definitie iets te zien, dat er niet in ligt, en om haar
zelve als eene etymologische en daarmede onveranderlijke aan te merken, wat zij
niet is. Men late haar dus gerustelijk varen. Ik voor mij zeg met blijdschap
vaarwel aan elke dwaling, die ik gekoesterd heb, en wensch oprechtelijk, dat de
door mij aangeprezene en verdedigde definitie, hoe eer hoe liever vergeten moge
worde, zoodra het mag blijken, dat zij niet deugt. Voorts kan ik de
geruststellende verzekering geven, dat eene definitie niet zóó
‘afhankelijk is van de elkander steeds vervangende stelsels der
wijsgeeren,’ dat ‘zij zich telkens zou moeten wijzigen.’
Wanneer zij eenmaal goed, de ware en juiste is, dan heeft de philosophie er
geen vat meer
| | | |
op, dan kan zij er niet meer aan veranderen - en dan
wil zij ook niet
1). Men maakt die ongelukkige
wijsbegeerte zwarter dan zij is. Zelve leert zij eigenlijk weinig nieuws. Al
haar streven bepaalt zich tot het ééne doel: aan het langs eenen
anderen weg verkregen menschelijk weten grootere klaarheid en duidelijkheid,
diepte en grondigheid bij te zetten en er een wetenschappelijken vorm aan te
geven. De grondoorzaak van haar kwaden naam bestaat wel daarin, dat men haar
zoo weinig kent; onbekend toch maakt onbemind. Nu wil het ongeluk, dat zij eene
fière dame is, die zich lang niet met iedereen encanailleeren wil. Men
moet zich heel wat moeite getroosten om accès bij haar te krijgen. Wie
haar een weinigje wil leeren kennen en waardeeren, moet denken, geweldig hard
denken; en wie heeft daartoe altijd den lust? Denken ist ja schwer. - Daarbij
komt nu nog, dat zij inderdaad eene eenigzins lastige tante is. Zij rekent zich
wel eens verpligt om de beoefenaars der wetenschappen gevoelig op de vingers te
tikken, als dezen buiten het spoor raken of al te hooge bokkesprongen maken.
Maar zij doet dat altijd om hun eigen best wille, om te verhinderen, dat zij
geheel en al verdwalen en misschien wel den hals breken. Hare bedoelingen zijn
goed en prijselijk, en daarop komt het immers | | | | in de eerste plaats
aan. Ook gaat hare zucht om te bedillen niet zóó ver, dat zij uit
pure wijsneuzigheid het goede en ware zou willen bederven, slecht en onwaar
maken. Ik heb nog nergens gelezen, dat zij ooit beproefd heeft om te leeren,
dat tweemaal twee vijf is, of dat een driehoek zeven zijden heeft. Daarom ben
ik er volkomen gerust op, dat zij even weinig aan eene grammatische definitie
zal tornen, wanneer deze goed en deugdelijk is bevonden. Bij dat alles zit er
geen kwaad stipje in haar heele hart, en is het haar bloot en onnoozel om de
waarheid te doen. Een doortastend blijk daarvan is zeker wel de zaak in
questie. De zoo scherpzinnige
Kinker, wien wel niemand den eernaam van een
wijsgeer van den echten stempel ontzeggen zal, kwam tot hetzelfde begrip van
het werkwoord als hetgeen, waartoe ik langs een geheel anderen weg geraakt ben.
Ook voor hem drukt het werkwoord een doen, een werken, een handelen uit, gelijk
ik reeds op blz. 33 van dezen Jaarg. in het voorbijgaan aangetoond heb. Hij
gaat echter in zijne abstractie nog iets verder. Het willen is
volgens hem, het eenige doen en handelen, van daar dat hij in de werkwoorden
uitdrukkingen van het willen ziet. Men neme om zich te overtuigen zijne
Inleiding eener wijsgeerige algemeene theorie der talen, uitgegeven in
het eerste deel der Gedenkschriften in de hedendaagsche talen van de
3de Klasse van het Kon. Nederl. Instituut. Daar leest men,
blz. 155 en 156: ‘Vijfde hoofdstuk. Over de Werkwoorden.
Thans zijn wij tot die woordvormen genaderd, welke in het werktuigelijke der
taal een zeer wijd en veel omvattend veld van bespiegeling openen. - Zij
bezielen, of het ware, het geheele mechanismus der taal. Alles wordt er
onderwerp
1), en zelfs
de voorwerpelijke duur en uitgebreidheid [tijd en ruimte] wordt er handelend in
afgebeeld; het afgetrokken bestaan, het louter zakelijke van den uitwendigen
zin, is, in deze form voorgedragen, zoo wel als het willende-denken en het
denkende-willen, een doen, een agere [doen]
| | | |
van deze of gene
taalvormige persoonsverbeelding.’ ‘Daar nu handelen in den grond
niets anders is dan willen, en men alleen dan kan zeggen, dat
er gehandeld wordt, wanneer het willen eene stoffelijke daad voorafgaat,
moet men ook tevens aannemen, dat dit willen (het eenigste agere)
als werktuigelijke form der zegging, in de werkwoorden voorzit; met andere
woorden, dat ieder verbum… een heimelijk willen (vrije
dadigheid) uitdrukt.’ In zeker opzigt bestaat er overeenkomst in den loop
der denkbeelden van
Bilderdijk en
Kinker. B's philosophie, die zeker niet van
de beste en scherpzinnigste soort was, had hem tot het besluit gebragt:
‘de werkwoorden drukken eene wijziging in het bestaan der dingen uit.
Daarom rekende hij, dat het begrip bestaan in de beteekenis van alle
werkwoorden als bepaling opgesloten moest liggen; daarom meende hij in de
persoonsuitgangen der Latijnsche en Grieksche werkwoorden het werkwoord
ire (gaan), als de uitdrukking van het bewegende bestaan, weder te
vinden.
Kinker ging evenzoo, maar voorzigtiger te
werk. Voor hem waren de werkwoorden uitdrukkingen van een heimelijk willen,
hetwelk hij als het eenige eigenlijke handelen aanmerkte. Daarom achtte hij het
mogelijk, dat de werkwoorden met een verbum willen
zamengesteld waren, maar ook niet meer dan mogelijk: over de werkelijkheid deed
hij geene uitspraak. ‘Hieruit volgt echter niet,’ zegt hij blz.
164, ‘dat de werkwoorden in de bestaande talen, uit velle
[willen], of een woord van gelijke beteekenis, of eenig ander werkwoord, met
agere [doen, handelen] verwant, en een adjectieve beteekenis
zamengesteld moeten zijn. Wat hiervan zij, mogen de etymologisten
uitmaken
1), en in de bijzondere talen
aan-
| | | |
wijzen.’ In de noot op de genoemde bladzijde haalt hij B's
gevoelen omtrent de zamenstelling met ire aan, en laat daarop volgen:
‘Wanneer ik mijn gevoelen niet op den aard der zaak zelve, maar op
ervarings-gronden of op waarschijnlijke gissingen, wilde doen rusten, zoude ik
deze aanwijzing in mijn voordeel kunnen duiden; want ire is een
willekeurig doen, en dus een agere; terwijl ook ire en
agere elkander niet zelden vervangen enz.’ Uit het aangevoerde
blijkt, dunkt mij, niet onduidelijk, dat
Kinker het wezen der werkwoorden in de
uitdrukking van een doen of handelen stelde. Ik zou daarom aan de waarheid te
kort doen, indien ik verzekerde, dat de woorden van mijn vriend
De Jager, op blz. 192 van het vorige stukje,
mij in het geheel niet bevreemd hadden. Dr.
De Jager zegt daar: ‘Hoeveel verschilt
niet b. v. de beschouwing van het werkwoord, nu door Dr.
T. W. voorgestaan, van die, welke vroeger
door
Kinker in zijne verhandelingen bij het
voormalig Instituut is geleverd.’ Ik zou meenen, dat ZE. veel nader aan
de werkelijkheid zou zijn gekomen, als hij geschreven had: ‘Hoe groot is
niet de overeenkomst der resultaten van Prof.
Kinker en van
Te Winkel? Zij komen eigenlijk op hetzelfde
neêr; en, daar zij langs verschillenden weg gevonden zijn, bestaat er
groote waarschijnlijkheid, dat beiden niet ver van de waarheid zijn gebleven
1).’ Dr.
De Jager, aan wien onze taal- en letterkunde
anders zoo groote verpligtingen heeft, lette hier waarschijnlijk meer op den
klank dan op de beteekenis der woorden, en zoo heeft hij volkomen gelijk. Uit
dat oogpunt beschouwd, bestaat er zeker insgelijks een aanmerkelijk verschil
tusschen | | | | de volzinnen: Een werkwoord is een woord, waarbij men
zich het doen of werken van personen of van dingen voorstelt, en Een
werkwoord is een woord, waarbij men zich het werken eener zelfstandigheid
voorstelt; dan kan men ze als twee verschillende bepalingen beschouwen en
in eene ‘vroegere’ en ‘latere’ onderscheiden. Wien het
echter meer om den zin en de bedoeling, dan wel om de bloote woorden te doen
is, die zal ze voor identiek houden en er dezelfde gedachte of dezelfde
voorstelling in vinden; hij zal de ‘latere’ even oud achten als de
'vroegere.' Alles komt aan op het standpunt dat men kiest.
Wie de Verhand. van
Kinker kent, zal de daarin ten toon gespreide
scherpzinnigheid bewonderen, maar tevens erkennen, dat zijne theorie niet zeer
geschikt schijnt om ooit populair te worden. Lezenswaardig is hetgeen hij, blz.
156-161, aanvoert om te betoogen, dat ‘zijn de grondform der verba
niet zijn kan.’ Deze verkeerde zienswijze heeft daarin zijnen oorsprong,
dat men schijnbaar elken vorm van het werkwoord kan oplossen in het participium
en een vorm van zijn; b.v. Ik schrijf in Ik ben
schrijvende, iets, dat de Franschen nog altijd gewoon zijn te doen. Wie een
weinig Engelsch verstaat of geen vreemdeling is in de Middelnederlandsche
letterkunde, weet echter, dat Hij is lezende niet volkomen hetzelfde kan
zijn als Hij leest, even weinig als He is reading identiek is met
He reads. Hieruit volgt, dat eene uitdrukking van de wijziging in het
zijn of den toestand van iets van de beteekenis van het werkwoord verschillen
moet. Daarbij vergeet men bovendien nog, dat zoodoende de natuur van
zijn zelf, dat immers zelf een werkwoord is, onverklaard blijft. Of is
zijn misschien zijnde zijn? Dan is dit laatste zijn zelf
weder zijnde zijn, en dus zijn = zijnde zijn = zijnde
zijnde zijn = zijnde zijnde zijnde zijn enz. tot in het oneindige.
En wat is dan zijnde, hetwelk, als participium, zijne beteekenis van
zijn ontleent? Al die onoverkomelijke zwarigheden vermijdt men, als men
stelt, dat een werkwoord in het algemeen uitdrukt, dat eene zelfstandigheid, of
iets | | | | dat men zich als eene zelfstandigheid voorstelt, werkt, iets
doet, eene inwonende kracht openbaart. Voor het taalgevoel is niet alleen eten,
drinken, wandelen enz. een doen, maar even zeer ophouden, rusten, zitten enz.,
en zijn in alle mogelijke beteekenissen en nuances. Wie voelt niet het
onderscheid tusschen Een gehoorzaam kind, Een weldadig man en Het
kind is gehoorzaam, De man is weldadig? In de eerste uitdrukkingen zijn het
kind en de man als dood, in de laatste handelen, leven zij. Die beschouwing kan
zelfs den toets eener strenge philosophische kritiek doorstaan. Zoo wij ons
eigen denken uitzonderen, hetwelk wij onmiddellijk zelven gevoelen, dan bestaat
er voor ons bewustzijn, voor onze kennis, niets, tenzij het zich aan ons denken
als zijnde of bestaande openbaart, op ons bewustzijn invloed oefent; en is dat
niet werken? Wij zeggen niet: dit of dat is, of is zoo en zoo, tenzij het zich
aan ons als bestaande, of zoo en zoo zijnde, onmiddellijk of middellijk,
geopenbaard heeft. Het oordeel: Dit is rood of groen, of is een
mes, kan gelijkgesteld worden met: Dat ding vertoont zich aan mijn oog,
openbaart zich aan mijn bewustzijn als rood, of groen, of als een mes. Het
is daarom denkbaar, dat het praedicaats-adjectief of -substantief niet in den
eersten, maar in den vierden, in den voorwerpsnaamval staat. Een deskundige,
mijn vriend Dr.
P. de Jong, heeft mij verzekerd, dat zulks in
het Arabisch inderdaad het geval is, en dat het werkwoord kana, zijn,
werkelijk eenen accusatief regeert.
Ik zou zelfs een etymologischen grond kunnen aanvoeren voor het
beweren, dat de werkwoorden een doen beteekenen. Ik had dan slechts te wijzen
op den verleden tijd van alle zwakke werkwoorden. Het is bekend, dat de
lettergreep -de, welluidendheidshalve soms -te, niets anders is
dan deed, de verleden tijd van doen. Dit gevoelen is niet uit de
lucht gegrepen, geene bloote gissing, maar eene onloochenbare waarheid; het
Gothisch, de oudste bekende Germaansche taal leert dat ten duidelijkste. De
verleden tijd van hailjan, ons heelen, afgeleid van het
adjectivum hails, heel, gezond, luidt als volgt: | | | |
| haili-da, | ik
heel-de, |
| haili-dês, | du
heel-des, |
| haili-da, | hij
heel-de, |
| haili-dêdu, | wij
(beiden) heel-den, |
| haili-dêduts, |
gij (beiden)
heel-det, |
| haili-dêduts, | gij
(beiden) heel-det, |
| haili-dedum, | wij
heel-den, |
| haili-dêduth, | gij
heel-det, |
| haili-dêdun, |
zij heel-den. |
Het twee- en meervoud stemt volkomen overeen met het twee- en
meervoud van een regelmatig sterk werkwoord, b.v. met dat van bidjan,
bidden, hetwelk dus luidt:
| bêdu, | wij (beiden)
baden, |
| bêduts, | gij (beiden)
baadt, |
| bêdum, | wij
baden, |
| beduth, | gij
baadt, |
| bedun, | zij baden. |
Het enkelvoud -da, -dês, -da, echter
verschilt van bad, ik bad, bast, du bads of baads, bad,
hij bad: de d is in den eersten en derden persoon afgevallen, en de
t in den tweeden, die ter vergoeding de korte a in de lange
ê heeft veranderd. Deze geringe verminking of afslijting, die aan
het veelvuldig gebruik dezer vormen moet toegeschreven worden, bewijst alleen,
dat de verbastering reeds in het Gothisch begonnen is, maar verzwakt het bewijs
niet, dat de dualis en pluralis opleveren. Tot zulk een bewijs, dat bovendien
niet afdoende zou zijn, behoeft men zijne toevlugt niet te nemen. Men vrage
slechts, of het werkwoord den volzin niet bezielt, er niet leven
en beweging aan geeft. Het substantief teekent eene schets, die uit bloote
omtrekken bestaat, en waaraan het adjectief licht en schaduw, kleur en gloed
geeft, maar het verbum stort leven in het beeld, vertoont het in volle
werking.
Voor menig lezer van de Taalgids zal deze uitvoerige
behandeling van het werkwoord geheel overtollig zijn; hem vraag ik
verschooning, dat ik hetzelfde onderwerp nog eens behandeld heb, en hij zal mij
die niet weigeren, als hij de
| | | |
gewigtige reden vernomen heeft.
Tijdens mijn geschil met den Heer R. is mij van verschillende zijden verzekerd,
dat
Bilderdijk's beschouwing en gewaande
etymologische verklaring nog vele aanhangers telt, ja zelfs nog in sommige
scholen als evangelie verkondigd wordt. Daar nu de grondslagen van alle kennis
in de scholen moeten gelegd worden, en de ondervinding mij geleerd heeft, hoe
moeijelijk ingezogen verkeerde begrippen verbeterd of uitgeroeid worden, heb ik
gemeend den onderwijzers, wien het om waarheid te doen is, eene ware dienst te
bewijzen door hun de ongegrondheid van B's stelling aan te toonen en hen, naar
ik hoop, van dat vooroordeel los te maken.
L.A. t. W.
|
1)‘Het gebruik, dat het recht heeft om
de wijze van spreken te regelen en te beslissen.’
Horatius, Epistola ad
Pisones.
1)Het is ijselijk om te zeggen.
2)Men verlieze niet uit het oog, dat
Bilderdijk (in 1818) nog geheel in de
oudere Grammatica leefde, en derhalve in de taal alleen, of ten minste
hoofdzakelijk, het middel zag om gedachten te uiten. Datgene, wat de eigenlijke
en hoogste waarde der taal uitmaakt en zoo rijk is aan gevolgen, namelijk, dat
zij het orgaan is van ons denken en het onontbeerlijke middel voor de
ontwikkeling van den menschelijken geest, stond bij hem nog niet op den
voorgrond. Wie zou zich daarover verwonderen of het hem euyel duiden? De
onsterfelijke
Wilhelm von Humboldt, een man, m. i.
grooter dan zijn onsterfelijke, meer bekende broeder
Alexander, had zijn heerlijk licht nog niet
ontstoken. Hij, die naar het oordeel van zijnen grooten leerling en opvolger,
den taalvorschers de vraagstukken opgaf, waaraan zij nog in lengte van jaren
zouden te arbeiden hebben, en die hij door voorschriften en voorbeelden leerde
oplossen, mogt zijn hoofdwerk, Einleitung in die Kawi-Sprache, niet eens
zelf uitgeven. Het verscheen eerst in 1836, een jaar na zijnen dood, toen
Bilderdijk reeds lang in het graf van
zijnen arbeid rustte.
Steinthal noemet het in bewondering;
‘den uitersten wil eens gods, die, nadat ‘hij onder ons had
geleefd, naar hooger en heerlijker gewesten is heengegaan
1).’ Toen eerst ging over de
taalwetenschap een andere dageraad op, en begon het tijdvak, hetwelk met recht
dat der Nieuwere Grammatica genoemd wordt.
Bilderdijk mogt dus den glans van dat licht
niet aanschouwen, en kan derhalve niet worden gegispt wegens de gebreken en
leemten, die het heeft doen opmerken. Op ons echter rust eene zware
verpligting: wij mogen er de oogen niet voor sluiten. Het is onze pligt de
beweging, die het veroorzakt, te volgen, de vreedzame omwenteling te
bevorderen, niet tegen te werken. Onze naburen noemen ons zoo gaarne de
Chineezen van Europa; zorgen wij, dat wij dien naam niet verdienen. Ik voor mij
althans, verlang geen deel dier schuld op mij te laden, en ben den Heer R.
grooten dank schuldig, dat hij zich, blz. 189, de moeite heeft willen geven om
te constateeren, dat ik niet bij het oude wensch te blijven, maar al mijne
krachten en vermogens inspan om in
Von Humboldt's geest aan de hervorming op
spraakkunstig gebied te arbeiden; ik zelf zou blijkbaar zonder onbescheidenheid
op die rustelooze pogingen niet hebben kunnen wijzen.
1)‘Atque illud potissimum opus, quod
tamquam introductionem libro suo: Ueber die Kawi-Sprache addidit,
testamentum quasi videtur alicujus dei, qui postquam inter nos vixit in
sublimiora discessit loca atque augusta.’ Deze Einleitung is ook
afzonderlijk verkrijgbaar gesteld onder den titel: Ueber die Verschiedenheit
es menschlichen Sprachbaues.
1)Deze beschouwing is in overeenstemming met
de leer van den Koningsberger wijsgeer
Immanuel Kant, die in 1804 overleed en dus
gedeeltelijk een tijdgenoot van
Bilderdijk was. Eene der voornaamste
leerstellingen van
Kant is, dat er tusschen het uiterlijke en
innerlijke der geschapene wezens een ouoverstijgbare scheidsmuur staat, zoodat
de mensch, die alleen het uiterlijke der voorwerpen kan waarnemen, tot het
eigenlijke wezen der dingen, tot de ‘ Dinge an sich,’ niet
kan doordringen. Het uiterlijke, ‘ die Erscheinungen,’
bestempelt B. met de namen van ‘ hoedanigheden’ en
‘ wijzigingen;’ het wezen, das Ding an sich, noemt hij
‘ het zelfstandige.’ Daarom zegt hij: ‘Wy bemerken dra,
dat wy het zelfstandige der voorwerpen niet kennen noch opmerken, maar alleen
zekere hoedanigheden.’
Hegel zag het
overdrevene van Kant's bewering in, maar verviel tot het
tegenovergestelde uiterste, en gaf aanleiding, dat men het ‘innere’
en ‘äussere’ als identiek beschouwde, wat evenzeer ongegrond
is.
1)Bilderdijk redeneert
hier zeer onjuist. Hoedanigheden en werkingen bestaan niet op zich zelve, maar
aan of in eene zelfstandigheid; en beschouwt men ze als op zich zelve
bestaande, afgezonderd van de voorwerpen, dan abstraheert men ze van de
zelfstandigheden, waarin ze liggen. Eene zelfstandigheid is veeleer eene
concretie, eene zamenvatting; substantiva beteekenen concrete begrippen. In den
volzin: Die roode roos verwelkt, beteekent roos een concreet
begrip, rood en verwelken abstracte begrippen; alles in den zin
van
Bilderdijk beschouwd.
1)Mijn vriend
De Jager meent, dat de uitdrukking
wijziging in het bestaan het bestaan zelf in zich begrijpt:
‘Eene wijziging in of van iets,’ leest men op blz.
191 van het vorige nummer, ‘zal toch wel niet volmaakt hetzelfde
beteekenen. Het eerste onderstelt de wijziging en het gewijzigde voorwerp
bij elkander; het laatste de wijziging daarvan afgescheiden. Een
knop in een deur, zijn twee dingen; een knop van een deur, maar
één, dunkt mij.’ Dit komt mij voor niet geheel juist te
zijn. Ik heb nergens beweerd, dat eene wijziging in iets en van
iets altijd volmaakt hetzelfde beteekenen, maar dat die twee uitdrukkingen
in deze definitie hier op volmaakt hetzelfde neêkomen: namelijk dat beide
alleen op de wijziging zien, als door het werkwoord uitgedrukt of te
kennen gegeven. Dat iets in iets altijd twee dingen zou moeten
beteekenen, kan ik niet toegeven. Soms is zulks inderdaad het geval, maar dan
volgt dit altijd van zelf: b.v. wanneer eene huismoeder zegt: Breng mij wat
versche melk in een ander kannetje, dan zal de meid haar
èn melk èn een kannetje moeten brengen, om de klaarblijkelijke
reden, dat men tusschen duim en vinger maar heel weinig melk dragen kan, maar
wanneer zij daarop laat volgen: want deze ( melk)
in dit kannetje is bedorven, dan zal zij waarschijnlijk
alleen de melk bedoelen en niet willen zeggen, dat ook het kannetje bedorven
is. Zegt men: De boter in dat gebarsten vat is oneetbaar sterk, dan zal
dat naar alle gedachten niet moeten beduiden, dat het gebarsten vat sterk is,
al is het ook oneetbaar. Iemand, die mededeelt, dat hij het mooiste huis in
heel Amsterdam heeft gekocht, zal wel niet altijd willen te kennen geven,
dat hij van gansch Amsterdam eigenaar is geworden.
1)[In welk jaar onzes Heeren dit wel zijn zal?
Mag ik mijn' vriend herinneren, dat zijn ijver hier wat al te verre gaat? Ik
meen toch, ‘eenmaal’ was zekere definitie, op volgens hem
philosophischen grond gebouwd ‘zeer juist;’ thaus heet zij op
gelijke gronden ‘van het begin tot het einde onjuist.’ Overigens is
zijne verdediging der wijsbegeerte hier mijns oordeels als misplaatst te
beschouwen. Deze werd door niemand aangevallen. Er is alleen gewaagd van
‘de elkander steeds vervangende stelsels der wijsgeeren.’ Dat
verschijnsel zal toch wel niet te loochenen zijn; men kan het zelfs waarnemen
bij éénen en denzelfden persoon. Op zich zelf beschouwd is die
afwisseling niet te laken, indien zij uit overtuiging geschiedt en het gevolg
is van wetenschappelijke ontwikkeling; doch zij behoort, mijns inziens,
vergezeld te gaan van bescheidenheid in het beoordeelen van hen, die zulk eene
snelle vaart niet altijd dadelijk kunnen volgen, en van voorzigtigheid in het
toepassen van hare resultaten op de praktijk der wetenschap. Op dit laatste
punt, kom ik, met het oog op de groote taak, waartoe mijn vriend zich heeft
aangegord , welligt elders terug. -
A. d. J.]
1)Door onderwerp verstaat
Kinker: handelend persoon.
1)[Om dezelfde reden als
Kinker dit onderzoek aan de
etymologisten opdraagt, noemde ik - en noem ik nog - de definitie,
waarbij eene ontleding der werkwoorden in twee deelen, één dat
het bestaan en één dat de hoedanigheid uitdrukt, wordt
aangenomen, eene definitie, die ‘op etymologischen grond steunt.’
Dit is echter geheel iets anders, dan eene etymologische definitie, in den zin
als die uitdrukking door Dr.
T. W. wordt genomen. Hoe is het mogelijk,
dat mijn zoo scherpzinnige vriend dit onderscheid heeft kunnen voorbijzien? -
A. d. J.]
1)[Mijn vriend heeft mij niet overtuigd van de
identiteit van
Kinkers taalbeschouwing met die van
Dr.
Steinthal; want daarvan sprak ik, en niet
van ‘de resultaten.’ Mogt ik die identiteit aannemen, ik zou
vragen: waarom nu uit den vreemde ontleend en als nieuwe taalbeschouwing
voorgedragen, wat voor veel jaren reeds bij onze Geleerden te vinden was?
Intusschen verheugt het mij, de aandacht van mijnen naauwlettenden vriend op de
werken van onzen landgenoot gevestigd te hebben. Ik meen dat niet alleen de
aangehaalde, maar ook zijne overige verhandelingen niet verdienden vergeten te
worden. -
A. D. J].
|
|