|
|
|
| |
| |
Kuk, kukken, kukkelen.
In het dagelijksch gesprek hoort men niet zelden woorden bezigen,
die zoowel aan de taal van den beschaafden omgang als aan die van dichters en
prozaschrijvers vreemd zijn, en daarom meestal voor verminkingen van andere
meer gebruikelijke woorden aangezien worden. Dat die beoordeeling somtijds
onbillijk is, bewijzen de woorden, aan het hoofd van dit opstelletje vermeld.
Meer dan waarschijnlijk toch is het, dat deze de oude, echte, onverbasterde
woordvormen zijn, waaruit de gebruikelijke kus en kussen zijn
ontstaan.
Ulfila namelijk vertaalt de Grieksche
woorden φιλεῖν, kussen, en φίλημα δοῦναι, eenen kus geven, door
kukjan, καταφιλεῖν, als
met kussen bedekken, door kukjan en bikukjan. Omtrent de
deugdelijkheid der lezing kan geen twijfel bestaan; het eenvoudige
kukjan komt te dikwijls voor, dan dat men eene schrijffout zou kunnen
onderstellen. Men treft
| | | |
het namelijk aan Marc. XIV:
44 en 45, waar van den verrader
Judas gezegd wordt: ‘Ende die hem
verriedt hadde haer een gemeyn teeken gegeven seggende: Dien ick kussen
sal [thammei kukjau], die is 't, grijpt hem ende leydt hem sekerlick henen.
Ende als hy gekomen was, gingh hy ende seyde: Rabbi, Rabbi! ende kuste
hem [jah kukida imma]. Vervolgens Luc. XV: 20, in de
gelijkenis van den verloren Zoon: ‘Ende als hy nog verre van hem was,
sagh hem sijn vader ende wiert met innerlicke ontferminge beweeght, ende
toeloopende viel hem om sijnen hals ende kuste hem [jah kukida imma].
Eindelijk tweemaal in het verhaal betreffende de boetvaardige zondares, hetwelk
in Luc. VII opgeteekend staat. Daar leest men in vers
38: ‘ende kuste syne voeten [jah kukida fôtuns
ïs],’ terwijl in vers 45 ook nog bikukjan
aangetroffen wordt: ‘Gy en hebt my geenen kus gegeven [ni
kukidês mis] maer dese, van dat sy ingekomen is, en heeft niet
afgelaten mijne voeten te kussen [bikukjan fôtuns
meinans].‘’
J. Grimm zegt in zijne Vorrede voor
E. Schulze's Gothisches Glossar, VII:
‘Kukjan [lat.] osculari [kussen] weicht mit dem zweiten K von allen
übrigen deutschen sprachen, die dafür einstimmig SS
gewähren.’ Dit is niet geheel juist. Wel is waar, de woordenboeken
bevatten geene analoge vormen: het Oudhd. kent alleen kus, chus, cussan,
chussan, chosson; het Ang. cos en cyssan; het Oudsaks,
cus, cos, cyssan; het Oudn. kos en kyssa, alle met
s of ss, doch onze volkstaal schijnt hier gelukkiger geweest te
zijn in het bewaren van den ouden vorm. In mijne jeugd althans waren kuk
en kukken te Arnhem in gebruik voor kus en kussen, en
waarschijnlijk is dit nog zoo; ook verzekert men mij, dat kukkelen nog
te Utrecht gehoord wordt. Dat kuk en kukken ouder is dan
kus en kussen wordt reeds hoogst waarschijnlijk, doordien
Ulfila's bijbelvertaling veel ouder is dan eenig ander Germaansch
gedenkstuk. Het wordt nagenoeg volkomene zekerheid, wanneer men in aanmerking
neemt, dat een keelklank als k, ch, g dikwijls, ten minste in andere
talen, in s [de Sanskritsche sc]
| | | |
overgaat, terwijl
omgekeerd van den overgang van s in k - mij althans - geene
voorbeelden bekend zijn. Men denke hier b.v. aan de Fransche woorden
cérise, cesser, cierge, citron enz. enz. om van de Grieksche
verba op σσω niet te spreken. Bovendien is de
verandering van s in k op phonetische gronden onverklaarbaar,
terwijl die van k in s door de tusschenklanken tsj en
ts zeer natuurlijk schijnt.
Grimm schrijft haar aan assimilatie toe. Op
de boven aangehaalde woorden laat hij volgen: ‘dies SS scheint aus KS
ungefähr wie in knussjan genuflectere [knielen] entsprungen, da man
für kniu ein älteres knigu anzunehmen hat, also knugsjan
kuksjan.’ De laatste vormen echter zijn onbewezen, ook heeft men niet
noodig er zijne toevlugt toe te nemen. De overgang van k in s had
meestal plaats vóór e en i, en deze laatste treft
men immers aan in de j van kukjan. Hieruit zou volgen, dat eerst
kukjan in kusjan, en toen bij analogie kuk in kus
veranderd was.
L.A. t. W.
|
|
|