|
|
|
| | | | | |
| |
Antwoord op vraag 26.
Willox.
Het woord willoxen werd door
Van Wijn tweemaal aangetroffen in oude
Rekeningen van 1400, en wel in gezelschap van het woord woesteren, d. i.
oesters (zie zijne Avondst. II. 83), en men mag dus de willoxen voor
eene dergelijke diersoort als de oesters houden. Het is zoo,
Bilderdijk (Geslachtl. II. 287) zegt, dat
Van Wijn zoo heeft gelezen door eene
schrijffout, en dat het woord had moeten zijn welooren, bij ons (zegt
hij) een soort van den genoemden schelpvisch. ‘Hiervan (gaat hij voort)
vindt men gewoonlijk te samen gesteld woesteren en welooren.’ 't
Is jammer dat de Schr. van die ‘gewoonlijke te samenstelling’ geene
voorbeelden aanvoert. Aan
Van Wijn schijnt ze niet voorgekomen; even
min aan
Van Hasselt, die uit ontelbare oude
rekeningen en andere stukken zijne Bydragen voor d' oude Geldersche
Maaltyden putte en bl. 41 en 42 ald. mosselen, oesters en
woesteren opdischt, doch geen welooren. 'k Zou niet durven
zeggen, dat de benaming van welooren niet bestaat:
Bilderdijk zegt het zoo stellig, dat men er
niet aan twijfelen mag; doch heeft men het reeds voor onwaarschijnlijk te
houden, dat
Van Wijn voor dat woord tweemaal de
schrijffout willoxen hebbe aangetroffen, het nieuwe voorbeeld van dit
laatste, door den Heer
Van Dale aangevoerd, maakt die
onwaarschijnlijkheid nog grooter.
Het bovenstaande heeft alleen ten doel, het woord willox in
zijn bestaan te constateren (als men zegt); de verklaring, die ik met
Van Wijn zeg ‘niet te kennen,’
laat ik aan anderen over.
| | | |
| |
Huus-Allame.
Het woord allame is minder onbekend, dan het voorgaande, en
Bilderdijk zegt (Geslachtl. I. 16):
‘Het is schandelijk voor Taalgeleerden, dit woord niet te kennen, daar
het zelfs bij Kiliaan vermeld wordt.’ Op welk Taalgeleerde die
zet moet thuiskomen, is mij onbekend. Het woord is het eerst opgemerkt en
verklaard door
Steenwinkel, in het door hem ter uitgave
bereide Derde Deel van Maerl. Spieg. Hist. Men zie de Aant. aldaar bl.
42-46. Volgens hem beteekent allame gereedschap, benoodigdheid,
huisraad, en komt het woord van het angels. geloma, utensilia, waarvan
ook het eng. loom, weefgetouw.
Bilderdijk, in zijne bijvoegsels op die Aant.
stemt aldaar met die verklaring in en staaft ze zelfs nog nader. Te onregt
evenwel beroept hij zich daar op het oud-fransche lame, dat klomp of
ligchaam zou beteekenen in eene aangevoerde pl. uit den ouden dichter
Jean de Meung;
Roquefort toont in zijn Glossaire, dat te
dier pl. en elders dat lame graf beduidt, en niet ligchaam. Het is
vreemd, dat
Steenwinkels afleiding, eenige jaren later
door
Bilderdijk vergeten, of althans niet meer
aangenomen schijnt. Op de boven aangeduide bladz. der Greslachtlijst toch maakt
hij er geen gewag van, maar zegt eenvoudig, dat allaam of allame
uit het latijnsche arma verbasterd is, in de middeleeuwen voor allerlei
toestel gebruikt. Meer waarde hecht ik aan de opmerking, dat het woord nog bij
de Zuid-nederlanders in gebruik is, welk gebruik - althans in het begin dezer
eeuw - door hem reeds werd gestaafd in de Aant. op Maerl. bl. 48.
Ter nadere bevestiging van de aangewezen beteekenis, voeg ik te
dezer plaatse, aan de bij
Steenwinkel vermelde voorbeelden uit onze
Ouden, nog de volgende toe. Maerl. Spieg. Hist. I. 352:
Al te vele bedaerf den wiven,
Scone gesteente, cledere diere,
| | | |
Diere allame, grote juweelen.
D. IV. 159:
Sine clederen ende sine allame
Waren niet diere no bequame,
Maer te maten scone ende goet.
Maerl. Rijmb. I. 116, zegt Jacob tot
Laban:
Soec dine gode, alle ghemene,
Overal onder mine allame.
Ald. 535:
Scotelen, nappe, stope, al te samen
Waren goudin, wet voorwaer.
Maerl. Alexanders Geesten, I. 64:
Daer nae so quamen ghevaren
Dies coninxs kint ende sijn wijf, -
Ende alle die alame van dien hove.
Kausl. Denkm. II. 581:
Vrient, hout suverlijc ende cuus
Dine hallame binnen huus.
Leven van Sinte Amand, I. 27:
Die allame, daer die siele mede
Haer werc te doene pleghet,
Es dat so neder werpt ende leghet
Haer in 't aenschyn Gods, ende so niet
En verheffe, so wats ghesciet.
Hier zegt het woord: werktuig of middel.
A. d. J.
| |
Screien.
De l en r zijn onderling aan verwisseling
onderhevig. Zoo vindt men grimlach nevens glimlach; het Hoogd.
heeft pflauwe, het Eng plum, waar wij pruim hebben. Zie
verder Brill, Ned. Spraakl. Derde uitgave, bl. 40; Holl.
Spraakleer, bl. 72
| | | |
en 73. 't Zoude ons derhalve niet
bevreemden, zoo het Middenn. screin (schreijen) het zelfde ware als het
Hoogd. Schleihe, dat zeelt beteekent. Hoe denken de taalgeleerden
hierover?
J.H. v. D..
|
|
|