|
|
|
| |
| |
Iets over de adjectieven, die met ge beginnen.
Onder de voorvoegsels, die het Nederlandsch bij de vorming zijner
woorden ter beschikking staan, bekleedt ge- eene eerste plaats.
Overbekend zijn de belangrijke diensten, die dit praefix bewijst bij het vormen
van het eindeloos aantal verleden deelwoorden en van de even onbepaalde menigte
substantieven, die eene voortdurende of herhaalde werking voorstellen, als:
geraas, gekijf, gejank, geklaag, gedraaf, geloop, gevreet, gedrink, geplaag,
gezing, geneurie enz. enz. Dat gebruik wil ik thans met stilzwijgen
voorbijgaan om de aandacht des lezers voor een oogenblik te vestigen op de
adjectiva, waarin ge een noodzakelijk bestanddeel uitmaakt, ten einde,
zoo mogelijk, een vooroordeel weg te nemen tegen eenige woorden, welke door
sommigen worden beschouwd als misbaksels, als monstra horrenda, die alleen om
hunne onmisbaarheid zijn te dulden: ik bedoel de steeds in aantal toenemende
zamenstellingen met -gewijs. Ge bewaart ook in de adjectieven
meestal zijne oorspronkelijke kracht en beteekenis: die van verbinden of
vereenigen in het algemeen, zonder bepaalde aanduiding van de wijze,
waarop de verbinding geschiedt. Die oorspronkelijke kracht van ge open-
| | | |
baart zich wel het duidelijkst en ondubbelzinnigst in die
volzinnen, waarin dat suffix nog als op zich zelf bestaand woord, als
verbindend voegwoord voorkomt. Ik geloof den lezer geene ondienst te bewijzen
met de aanhaling van een paar zeer verstaanbare Oudsaksische zinnen, waarin
ge geheel aan ons voegwoord en beantwoordt. In de
levensbeschrijving van Jezus, bekend onder den naam van
Heliand, (Heiland), leest men, blz. 691), in het bekende
verhaal van het gebeurde bij den storm op het Gallileesche meer, de woorden:
‘Tho hi te winde sprac ge te themu sewa.’ ‘Toen
sprak hij tot den wind en tot de zee.’ In de geschiedenis van
Lazarus' opwekking uit de dooden, blz. 1259, heet het:
‘Thu hi te Lazaruse hriop, starkeru stemniu, endi het
ina upstanden ge an themu grabe gangan.’ ‘Toen riep hij
tot Lazarus, [met eene] sterke stem en heette hem opstaan en
uit het graf gaan.’ Die beteekenis van verbinden straalt duidelijk door
in de adjectieven, die den vorm hebben van verleden deelwoorden van zwakke
werkwoorden en te kennen geven: een voorzien zijn met het voorwerp, dat
genoemd wordt door het substantief, waarvan zij gevormd zijn. Tot deze soort
behooren behalve een aantal algemeen in zwang zijnde woorden ook eene menigte
kunsttermen, in sommige wetenschappen, als de botanie, zoölogie, heraldiek
enz., in gebruik: b.v. gevleugeld, gevlerkt,
gewiekt, gevederd, geschubd,
gevleeschd, gespierd, getongd,
gebekt, geklaauwd, gehoornd,
gebogcheld, gevingerd, getakt,
gedoornd, gehaard, gewold,
gekuifd, gelobd, generfd,
geribd, gehoekt, gebloemd,
gevlekt, gestreept, gevlamd,
geaderd, gepareld; gelaarsd,
gespoord, gebeft, geharnast,
gedast, genaamd, gezind. Ook woorden
als gebaard, getand, geruit, gestaart,
gebult, geleed, behooren tot deze categorie, ofschoon de
afleidende d of t schijnt te ontbreken.
Ook in de meeste woorden, die door voorvoeging van geen
aanhechting van -ig van substantieven zijn afgeleid, als
ge-duur-ig, ge-wil-ig, ge-dienst-ig,
ge-stade-ig (gestadig), is de beteekenis van
vereeniging, of liever van vereenigd zijn, duidelijk
herkenbaar. Die beteekenis ligt wel alleen in
| | | |
ge, terwijl
-ig slechts schijnt te moeten strekken om aan het woord den vorm van een
adjectief te geven. Vergelijkt men de laatstgenoemde woorden, als
gewillig, gedienstig, met de eerst aangehaalde, als,
gelaarsd, gevlekt, geschubd, enz., dan loopt het in het
oog, dat die welke den vorm van participia hebben, de hoedanigheid voorstellen
als iets, dat uitwendig, mechanisch, toegevoegd is, terwijl die op
ig eene innerlijke, als het ware scheikundige vereeniging schijnen aan
te duiden. Indien het laatste ook al gegrond moge zijn, die beteekenis is dan
toch een bloot uitvloeisel van de tegenstelling met de overige van den vorm
ge-d of ge-t, maar geen gevolg van ig, daar immers
zonnig, zandig, togtig, luchtig, doornig,
smerig, en andere insgelijks op iets uiterlijks zien. Het duidelijkst
blijkt dit wel bij gestadig, hetwelk in het Middelnederl. gestade
luidde en derhalve door bloote voorvoeging van ge van het substantief
stade gevormd was.
Het genoemde gestade brengt ons op eene derde klasse van
adjectieven, die door middel van ge van substantieven zijn afgeleid,
zonder aanhechting van eenig suffix. In de oudere verwante talen waren de
zoodanige woorden vrij talrijk, in de nieuwere, ook in het Nederlandsch, is hun
aantal zeer beperkt. In het Nnl. bepaalt het zich tot ge-rust,
ge-heim, ge-waar en ge-wijs. Het eerste is kennelijk
gevormd van het substantief rust; het tweede van heim of
heem, dat ook in heimelijk, heimwee, heemraad,
heemstede, inheemsch en uitheemsch wordt aangetroffen en
waarvan de Duitschers hun Heimat hebben gevormd. Het beteekent zooveel
als eigene, private woonstede, in tegenoverstelling van vreemd, in
den vreemde. Geheim is dus zooveel als, wat in huis is of geschiedt,
niet buiten's huis, niet in het openbaar.
Geen wonder dat men vreemd voor verheemd verklaarde
en insgelijks van heem afleidde. Dat die etymologie, hoe natuurlijk ook,
toch de ware niet is, blijkt uit het Oudhoogd. framadi, Ags.
fraemd en fremd, Oudn. framandi, welke vormen eene
afleiding van een bij ons niet meer bekend voorzetsel, Goth. fram, Ags.
fram en from, Eng from, wijzen.
| | | |
Gewaar, in gewaarworden, eigenlijk gewaar
worden, is insgelijks een adjectief, afgeleid van het substantief
waar, dat wij uit waarnemen, waar nemen, kennen.
Waar, ohd. wara, beteekent zoo veel als aandacht en
acht, in achtgeven, en als het mnl. goom in het verouderde
goom nemen, op iets letten. Het Oudhoogd. zeide ook wara tuon,
waar doen, even goed als wara neman. Gewaar is dus op
dezelfde wijs gevormd als gerust en geheim, en een echt
adjectief; het Oudh. bezigde ook gawar wesan, voor zien, bemerken,
weten.
Van dezelfde formatie is het woord gewijze, hetwelk alleen
in zamenstellingen: druppelsgewijze, kringsgewijze,
percentsgewijze, perceelsgewijze, ruitsgewijze,
steelsgewijze, stuksgewijze, trapsgewijze,
troepsgewijze, vraagsgewijze gebezigd wordt, en allengs de waarde
van een achtervoegsel schijnt te verkrijgen.
Uit het aangevoerde blijkt, dunkt mij, klaar genoeg, dat gewijze
een woord van onberispelijken vorm is, maar tevens, dat het praefix ge
volstrekt tot zijn wezen behoort en niet kan worden gemist, zoolang het gebruik
niet op de ondubbelzinnigste wijze beslist heeft, dat vraagswijze,
stukswijze, steelswijze enz. de voorkeur verdienen.
L.A. t. W.
|
|
|