De Taalgids. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Derde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1861.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Iets over de adjectieven, die met ge beginnen.

Onder de voorvoegsels, die het Nederlandsch bij de vorming zijner woorden ter beschikking staan, bekleedt ge- eene eerste plaats. Overbekend zijn de belangrijke diensten, die dit praefix bewijst bij het vormen van het eindeloos aantal verleden deelwoorden en van de even onbepaalde menigte substantieven, die eene voortdurende of herhaalde werking voorstellen, als: geraas, gekijf, gejank, geklaag, gedraaf, geloop, gevreet, gedrink, geplaag, gezing, geneurie enz. enz. Dat gebruik wil ik thans met stilzwijgen voorbijgaan om de aandacht des lezers voor een oogenblik te vestigen op de adjectiva, waarin ge een noodzakelijk bestanddeel uitmaakt, ten einde, zoo mogelijk, een vooroordeel weg te nemen tegen eenige woorden, welke door sommigen worden beschouwd als misbaksels, als monstra horrenda, die alleen om hunne onmisbaarheid zijn te dulden: ik bedoel de steeds in aantal toenemende zamenstellingen met -gewijs. Ge bewaart ook in de adjectieven meestal zijne oorspronkelijke kracht en beteekenis: die van verbinden of vereenigen in het algemeen, zonder bepaalde aanduiding van de wijze, waarop de verbinding geschiedt. Die oorspronkelijke kracht van ge open-

[p. 317]

baart zich wel het duidelijkst en ondubbelzinnigst in die volzinnen, waarin dat suffix nog als op zich zelf bestaand woord, als verbindend voegwoord voorkomt. Ik geloof den lezer geene ondienst te bewijzen met de aanhaling van een paar zeer verstaanbare Oudsaksische zinnen, waarin ge geheel aan ons voegwoord en beantwoordt. In de levensbeschrijving van Jezus, bekend onder den naam van Heliand, (Heiland), leest men, blz. 691), in het bekende verhaal van het gebeurde bij den storm op het Gallileesche meer, de woorden: ‘Tho hi te winde sprac ge te themu sewa.’ ‘Toen sprak hij tot den wind en tot de zee.’ In de geschiedenis van Lazarus' opwekking uit de dooden, blz. 1259, heet het: ‘Thu hi te Lazaruse hriop, starkeru stemniu, endi het ina upstanden ge an themu grabe gangan.’ ‘Toen riep hij tot Lazarus, [met eene] sterke stem en heette hem opstaan en uit het graf gaan.’ Die beteekenis van verbinden straalt duidelijk door in de adjectieven, die den vorm hebben van verleden deelwoorden van zwakke werkwoorden en te kennen geven: een voorzien zijn met het voorwerp, dat genoemd wordt door het substantief, waarvan zij gevormd zijn. Tot deze soort behooren behalve een aantal algemeen in zwang zijnde woorden ook eene menigte kunsttermen, in sommige wetenschappen, als de botanie, zoölogie, heraldiek enz., in gebruik: b.v. gevleugeld, gevlerkt, gewiekt, gevederd, geschubd, gevleeschd, gespierd, getongd, gebekt, geklaauwd, gehoornd, gebogcheld, gevingerd, getakt, gedoornd, gehaard, gewold, gekuifd, gelobd, generfd, geribd, gehoekt, gebloemd, gevlekt, gestreept, gevlamd, geaderd, gepareld; gelaarsd, gespoord, gebeft, geharnast, gedast, genaamd, gezind. Ook woorden als gebaard, getand, geruit, gestaart, gebult, geleed, behooren tot deze categorie, ofschoon de afleidende d of t schijnt te ontbreken.

Ook in de meeste woorden, die door voorvoeging van geen aanhechting van -ig van substantieven zijn afgeleid, als ge-duur-ig, ge-wil-ig, ge-dienst-ig, ge-stade-ig (gestadig), is de beteekenis van vereeniging, of liever van vereenigd zijn, duidelijk herkenbaar. Die beteekenis ligt wel alleen in

[p. 318]

ge, terwijl -ig slechts schijnt te moeten strekken om aan het woord den vorm van een adjectief te geven. Vergelijkt men de laatstgenoemde woorden, als gewillig, gedienstig, met de eerst aangehaalde, als, gelaarsd, gevlekt, geschubd, enz., dan loopt het in het oog, dat die welke den vorm van participia hebben, de hoedanigheid voorstellen als iets, dat uitwendig, mechanisch, toegevoegd is, terwijl die op ig eene innerlijke, als het ware scheikundige vereeniging schijnen aan te duiden. Indien het laatste ook al gegrond moge zijn, die beteekenis is dan toch een bloot uitvloeisel van de tegenstelling met de overige van den vorm ge-d of ge-t, maar geen gevolg van ig, daar immers zonnig, zandig, togtig, luchtig, doornig, smerig, en andere insgelijks op iets uiterlijks zien. Het duidelijkst blijkt dit wel bij gestadig, hetwelk in het Middelnederl. gestade luidde en derhalve door bloote voorvoeging van ge van het substantief stade gevormd was.

Het genoemde gestade brengt ons op eene derde klasse van adjectieven, die door middel van ge van substantieven zijn afgeleid, zonder aanhechting van eenig suffix. In de oudere verwante talen waren de zoodanige woorden vrij talrijk, in de nieuwere, ook in het Nederlandsch, is hun aantal zeer beperkt. In het Nnl. bepaalt het zich tot ge-rust, ge-heim, ge-waar en ge-wijs. Het eerste is kennelijk gevormd van het substantief rust; het tweede van heim of heem, dat ook in heimelijk, heimwee, heemraad, heemstede, inheemsch en uitheemsch wordt aangetroffen en waarvan de Duitschers hun Heimat hebben gevormd. Het beteekent zooveel als eigene, private woonstede, in tegenoverstelling van vreemd, in den vreemde. Geheim is dus zooveel als, wat in huis is of geschiedt, niet buiten's huis, niet in het openbaar.

Geen wonder dat men vreemd voor verheemd verklaarde en insgelijks van heem afleidde. Dat die etymologie, hoe natuurlijk ook, toch de ware niet is, blijkt uit het Oudhoogd. framadi, Ags. fraemd en fremd, Oudn. framandi, welke vormen eene afleiding van een bij ons niet meer bekend voorzetsel, Goth. fram, Ags. fram en from, Eng from, wijzen.

[p. 319]

Gewaar, in gewaarworden, eigenlijk gewaar worden, is insgelijks een adjectief, afgeleid van het substantief waar, dat wij uit waarnemen, waar nemen, kennen. Waar, ohd. wara, beteekent zoo veel als aandacht en acht, in achtgeven, en als het mnl. goom in het verouderde goom nemen, op iets letten. Het Oudhoogd. zeide ook wara tuon, waar doen, even goed als wara neman. Gewaar is dus op dezelfde wijs gevormd als gerust en geheim, en een echt adjectief; het Oudh. bezigde ook gawar wesan, voor zien, bemerken, weten.

Van dezelfde formatie is het woord gewijze, hetwelk alleen in zamenstellingen: druppelsgewijze, kringsgewijze, percentsgewijze, perceelsgewijze, ruitsgewijze, steelsgewijze, stuksgewijze, trapsgewijze, troepsgewijze, vraagsgewijze gebezigd wordt, en allengs de waarde van een achtervoegsel schijnt te verkrijgen.

Uit het aangevoerde blijkt, dunkt mij, klaar genoeg, dat gewijze een woord van onberispelijken vorm is, maar tevens, dat het praefix ge volstrekt tot zijn wezen behoort en niet kan worden gemist, zoolang het gebruik niet op de ondubbelzinnigste wijze beslist heeft, dat vraagswijze, stukswijze, steelswijze enz. de voorkeur verdienen.

 

L.A. t. W.