MENNEN MET VALENDoor Dr. EELCO VERWIJS.
Onder de menigte spreekwoordelijke uitdrukkingen, waaraan onze taal zoo rijk en vroeger, toen bij de ‘spraekmakende gemeent’ het taalgevoel nog veel frisscher en levendiger zich uitte, niet minder overvloedig was, komt in de Gedichten van Willem van Hillegaertsberch meermalen en ook bij enkele anderen die van mennen met valen voor. Doch zóó als ze daar gebezigd wordt, is nergens uit den zin de oorsprong van het spreekwoord op te maken. In het gedicht van 's Graven spreker van den Waghen, eene satyre op de steeds toenemende Reynardie en het verdwijnen der Trouwe, leest men fol. 29 d. vs. 19 vlgg. |
1) Wij zouden de volgende ophelderingen
achterwege laten, wisten wij niet dat er enkele lezers zijn, die nog nooit
Oudhollandsch gelezen hebben. Wij vreezen, dat zij de moeijelijkheden, die het
stukje oplevert, niet uit den weg kunnen ruimen en daardoor afgeschrikt zullen
worden het te lezen. De weinige aanteekeningen, die de Redactie hier bijvoegt,
zullen toereikend zijn om het ook voor zoodanige lezers verstaanbaar te
maken.1) trecht: het recht.
2) Reynart: de bekende Reinaard de Vos,
als personificatie van list en bedrog.
3) soe: zoo.
|
De volgende medegedeelde plaatsen zijn voor 't meerendeel korter en slechts uit het HS. geëxcerpeerd, dat ik maar gedeeltelijk heb overgeschreven: uit vrees monnikenwerk te doen. De hoop toch scheen toen te bestaan, dat weldra een volledige uitgave van deze gedichten het licht zoude zien, waarmede de Heer Leendertz zich had belast, die reeds sints jaren zich met onzen dichter had bezig gehouden. Doch de Nieuwe Vereeniging tot Bevordering der oude Nederlandsche Letterkunde bleef in embryonischen staat, dank zij der weinige belangstelling des publieks, eene flaauw-hartigheid, waarop nu wederom de eerste volledige uitgave der Dichtwerken van Muiden's Drost schijnt te zullen afstuiten. Wij beklagen den ijverigen bewerker, aan wiens handen wij zoo graag ook dat werk hadden toevertrouwd gezien, maar nog meer het laauwe publiek, dat zich den volhardenden |
4) Mitten heren in den hoff: met de
heeren aan het hof.
5) ten roeder: aan het roer van
staat.
6) hoers lants; uit haar land.
7) Datmer: dat men er.
8) miede: loon. Red.
|
|
ijver voor Nederlands letterkunde van den Heer Leendertz onwaardig betoont. Na deze uitweiding, slechts dienende om mede te deelen, dat ik daardoor niet in staat ben grootere citaten te geven, noch op te noemen uit welke stukken ze genomen zijn, keer ik tot mijn onderwerp terug. Op fol. 67 c. leest men:
Aldaar fol. 74 a:
en aldaar fol. 75 b:
Wederom fol. 90 b:
|
1) Soe wye: al wie.
2) mit rechter schout, hier: met volle
recht.
3) panden ave: afeischen.
4) verdinghen: pleitende verwerven,
hier: koopen.
5) ghicht: gift. Red.
|
en aldaar fol. 108 d:
en fol. 109 b:
en eindelijk fol. 133 c:
Uit den zin blijkt genoegzaam, dat het niets anders kan beteekenen dan onrecht doen, op slinksche wegen gaan, van den goeden weg afdwalen; of, waar het transitief gebruikt wordt: van den goeden weg afbrengen. In dien zin komt het voor in de Rose, vs. 4540 (Kausler, vs. 4496) 1) . Vrouw Rede spreekt tot den minnaar over de liefde:
In het HS. staat dient, waarschijnlijk een schrijffout voor ment, zooals ook het Comb. HS. heeft, waar men met een geringe afwijking leest:
|
1) Het door mij aangehaalde vs. is volgens mijnen
tekst, dien ik eens aan het publiek hoop aan te bieden, bewerkt naar het
Amsterdamsche en Comburgsche Hs. Vergelijking van beide Hss. en met de Fransche
Rose is alleen in staat een verstaanbaren tekst op te leveren.
|
|
In den Franschen tekst bij Léon, Roman de la Rose, vs. 4385, waar van grijsaards gesproken wordt, leest men:
Deze plaats geeft wel ongeveer den zin terug, doch levert niets dat tot verklaring onzer spreekwijze kan dienen. Ook in het Hoogduitsch wordt deze uitdrukking, hoezeer eenigzins gewijzigd, gevonden. In Grimm's Deutches Wörterbuch, III, B. 1240 vinden we een reeks van aanhalingen, doch zoo onsystematisch gerangschikt, dat men niet weet waar bij deze uitdrukking de eigentlijke of wel de spreekwoordelijke spreekwijze is gebezigd. Met eerbied buigen we het hoofd voor de reusachtige geleerdheid van den ‘Vader der Germaansche Spraakkunst’, doch hopen en vertrouwen, dat ons Woordenboek eens duidelijker en geordender zijne aanhalingen zal geven, en de eigentlijke en afgeleide beteekenis meer uit elkander zal houden. Wij nemen uit Grimm's artikel en den rijkdom van citaten aldaar alleen die plaatsen, waar wij meenen dat de spreekwoordelijke uitdrukking is gebezigd. Und wenn wir ains mer auf ainem falben pfert finden. Ich hab dich oft gefunden en elders: Ob ich sie find uber der karten Ob er sie auf eim fahlen pferd Beter echter blijkt de beteekenis uit de volgende plaatsen: ‘Wer einmal auf einem fahlen Pferde ertappet wird dem glaubt man nicht leichte mehr. Butschky, Patm. 612. Will nicht hoffen, dasz mich jemand auf dem fahlen Pferde wird angetroffen haben. Weize. com. Probe. 7. Dabei er denn wol schwerlich gedacht hat, dasz ein Musicus ihn so oft auf einem fahlen Pferde finden sollte. Joh. Mattheson, der neue Ephorus, 1727. 1. 29. Und schlich so lange nach der Frau, bis er auf dem fahlen Pferde attrapieret wurde. Felsenb. 3. 415. Da er sich aber hier auf dem fahlen Pferde finden läszt, wie kann man ihm im Uebrigen trauen? Lessing, III. 281. Hier war der Ort, wo sich Stilling in Ansehung der Versöhnungslehre zuerst auf dem fahlen Pferd erwischte. Stilling, 5. 24. Stieler 425 erklärt er reitet ein fahl pferd durch mentitur, falsus est und gibt auch: man hat ihn auf einer fahlen ziege ertappt, in falso et mendaciis deprehensus est. das ist aber zu eng und finden, treffen, ertappen, erwischen auf dem f. pf. musz überhaupt meinen einen auf einer Unthat, auf einem irthum betreten.’ In de beteekenis van liegen komt ook bij ons de spreekwijze, hoewel eenigzins bedorven, voor. Men begreep den waren zin niet recht, en even als bv. van den orse op den esel verbasterde tot: van den os op den ezel, evenzoo vinden we bij Meijer, Oude Ned. Spreuken en Spreekwoorden, bl. 98: Men moet tvolene somwilen voeren. en beter bij Hoffmann, Horae Belgicae, P. IX. p. 34. 530: Men moet mit vollene somwilen voeren. en daaronder de Latijnsche verklaring: Ficto, non vero trahitur quandoque caballo. Ook bij Harrebomée, D. II. bl. 376 is onder Veulen het spreekwoord opgegeven: Men moet het veulen somtijds mennen, en daarbij naar de Bijdrage verwezen. Men leze bij Hoffmann: Men moet mit valen somwilen voeren, d.i. men moet soms met leugens omgaan, slinksche wegen kiezen, gelijk uit de vertaling van het spreekwoord ook genoegzaam blijkt. De verwarring nu van veulen en valen is gemakkelijk te verklaren. In de Teuthonista worden we op Vail, Voellen, naar jong Pert verwezen, en vinden daar: iong Pert, vaile, voellen. Poledrus 1) . Vael is dus de Nedersaxische vorm van het Hollandsche veulen, en van daar de verwarring licht te verklaren. De spreekwijze: reiten mit fahlen, führen mit fahlen zal misschien oorspronkelijk Duitsch geweest zijn en door den Duitschen invloed van het Beijersche hof, hoezeer reeds vroeger bekend, hier meer het burgerrecht hebben verkregen. Geen wonder dan ook, dat 's Graven spreker, die ze veel hoorde, ze herhaaldelijk bezigde. Later toen men den oorsprong niet meer begreep, zocht men in den Duitschen vorm het Hollandsche veulen, en met veulens voeren was dus: met jonge, onbruikbare paarden rijden, die iemand licht van het spoor brachten en van den wal in den sloot voerden. Dat evenwel vóór den Germaniserenden invloed van het Beijersche hof de uitdrukking reeds gebruikt werd en misschien inheemsch was, bewijst de plaats uit de Rose, waarbij wij nog eene uit Maerlant meenen te mogen voegen. In het Vaderlandsch Museum van den Hoogleeraar Serrure, d.i. bl. 275 vindt men iets over ‘Maerlants Gedicht, der Kerken Claghe.’ Men leest aldaar: ‘vs. 202 moet gelezen worden:
waarvoor bij Willems: |
1) Zoo ook bij
Diefenbach, Gloss. Lat. Germanicum, p. 444 op
Poledrus, vayl, vael, ontleend aan Ms. Glossarien; het eerste uit een
Dictionarius latinogermanicus, het tweede uit een
Lateinisch-Niederdeutscher Vocabularius van 1420. Zie de
Praefatio, p XIV en XV onder 19 en 11.
|
Iets dat geenen goeden zin oplevert en Willems het woord minde deed verklaren door verminderen. Terwijl die twee verzen eenvoudig beteekenen: Nu ziet of hij, die Gods schapen nooit kende, den val niet bemint?’ Hoe ‘eenvoudig’ het moge zijn, ik beken dan evenmin de beteekenis te kunnen vatten. Doch Maerlant zal gegeschreven hebben:
d.i.: Zie nu, indien hij slinksche wegen insloeg, het spoor bijster was, die Gods schapen nooit kende, wil hij nog wel dat ik hem herder noem. Aldus gaan zij voor als blinden en brengen de schapen in groote ellende, als de ongelukkigen hen volgen. Doch van waar nu is deze uitdrukking ontleend? Adelung, in zijn Wörterbuch, Th. II s. 12 zegt: ‘Jemanden auf dem fahlen Pferde betreffen, auf einer Lüge, auf einem Irrthume; welches noch eine Anspielung auf den Belisar seyn solle, welcher equum balium, quem barbari Valam vocabant, in den Treffen zu reiten pflegte, daher die Feinde vornehmlich nach Pferden von dieser Farbe schossen. S. Procop, de Bello Gothico, B. I.’ De verklaring schijnt ons niet den minsten schijn van grond te hebben, waarom wij ze stilzwijgend voorbijgaan. Grimm haalt bij vaal paard, de plaats aan uit de Openbaring, Cap. VI. vs. 8: |
1) Aldus ook in mijne Bloemlezing, D.
II. bl. 99 naar
Willems overgenomen, zoo bedorven en onverstaanbaar
als het was. Doch ik rekende een herdruk noodzakelijk, daar zoowel de tekst
Van den Lande van Oversee bij
van Wijn, als die van der Kerken Claghe bij
Willems zeer zelden meer voorkomt.
|
|
‘Ende ick sagh, ende siet, een vael peert, ende die daer op sat; sijnen naem was de Doot: ende de Helle volghde hem na.’ De kantteekening hierop luidt: Of, bleeckgroen, gelijck de bladeren zijn die verdorren: waer door bequamelick verstaen worden de menschelicke insettingen ende superstitien, waer door de aengezichten worden verstelt, Matth. 6, 16, ende de Kercke Christi van hare gezonde leere allengskens berooft, ende de menschen van Christi verdiensten tot hare eygene verdiensten, ende tot andere middelaers ende gronden der saligheyt, ende haer verderf, worden vervoert, siet Matth. 15. 8/9 ende 23. 14. Gal. 5. 4. Col. 2. 18, cet. Welche superstitien ende menschelicke insettingen na dese ketterijen in de Kercke Christi zijn ingebroken, ende hebben den wegh allengskens tot het Antichristendom geopent.’ Hier schijnt wel de vale kleur iets ongunstigs aan te duiden, iets dat uit den Booze is: toch geloof ik niet, dat de oorsprong der spreekwijze uit het bijbelsche spraakgebruik moet opgehelderd worden. Veeleer houd ik eene andere verklaring voor de rechte, welke door Eiselein in zijn werk: Die Sprichwörter und Sinnreden des deutschen Volkes in alter und neuer Zeit, gegeven wordt. Daar leest men: ‘Das fale Pferd reiten. - Auf dem falen Pferd ertapt, erwischt werden (d.i. auf einer Lüge). Diese Redensart entstand wohl zur Zeit, als man noch sehr an die Luftreisen des wilden Heeres und an die Fahrten Wuotan's auf seinem Schimmel glaubte. Man wollte damit sagen, dasz man jemand auf einer so heimlichen oder erlogenen Fahrt gleichsam zu Pferd sizend ertapt habe.’ Eene analogische uitdrukking die we bij Grimm boven aantreffen: einen auf einer fahlen Ziege ertappen. Het woedende heer reed namelijk somwijlen ook op geiten, in plaats van op paarden 1) , en duidde de drift aan, waarmede zekere soort van wolken onstuimig door de lucht joegen. |
1) Mannhardt, Die Götterwelt
der deutschen und nordischen Völker, I. s. 128: Aus der Herrschaft
Wôdans über den Regen erklärt es sich auch, dasz ihm bisweilen
Ziegen als Abbilder der Wolke geopfert wurden. Verg. s. 89
|
|
Die voorstelling nu van het woedende heer, van de wilde jacht is overal gewijzigd. Hier is het Wodan op zijnen schimmel, daar rijdt de wilde jager op een zwart paard zonder kop, ginds is hij een man in grijze reusachtige gestalte, elders weer is hij in een langen graauwen rok gewikkeld 1) . Toen het Christendom allengs meer wortel schoot, was daarom toch de herinnering aan de oude goden niet geweken; doch in plaats van weldoende geesten werden het daemonische machten; de vroeger zoo verlangde omdolingen der goden op aarde, toen ze alomme zegen en geluk verspreidden, werden nu vreeselijke, spookachtige tochten, die den mensch met schrik en ontzetting vervulden. Was Wodan vroeger als heilbrengende lichtgestalte de berijder van zijn sneeuwwit paard, nu de lichtgestalte eene duivelsche, onheilaanbrengende was geworden, werd de rein witte kleur in het volksgeloof steeds graauwer en valer, en de symboliek der kleuren vond juist in dat graauw, dat mengsel van wit en zwart, de kleur der nacht en der spookgestalten, iets onheilspellends, iets dat niet recht toe recht aan was 2) . Waar dus iemand met valen mende, auf einem fahlen Pferde ertappt werd, was dit dat hij met booze, duivelsche machten in verband stond, hen als het ware op hunne nachtelijke tochten vergezelde, aldus slinksche wegen bewandelde, met leugen en bedrog omging. Mocht ik misschien met valen gemend hebben en het goede spoor bijster zijn, dan hoop ik dat een der lezers mij weder op den rechten weg moge brengen en voeg tot mijne verontschuldiging hier nog bij, wat de dichter van den Theophilus tot de zijne maakte: |
1) Zie
Grimm, Mythologie, 2 A. s. 871 ffgg
2) Verg.
Mannhardt, Germanische Mythen, s. 641 fgg.,
waar zoo niet aan graauw en vaal die ongunstige beteekenis van
half wit, half zwart voorkomt, en verscheidene mythen dit
ophelderende worden medegedeeld
|
|