BRIEF AAN DE REDACTIE VAN HET TIJDSCHRIFT DE GIDS 1) .Mijne Heeren,
In het Julij nummer van uw geacht tijdschrift heeft de Heer T.R. van een door mij geschreven werkje over onze Spelling eene recensie geleverd, waaromtrent ik het stilzwijgen niet geheel mag bewaren. Het is evenwel mijn plan niet, hier al het onjuiste, dat in die recensie voorkomt, aan |
1) Niet aan de Gids ingezonden uithoofde van de bezwarende voorwaarden aan het plaatsen eener anticritiek in dat tijdschrift verbonden.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
te toonen en te verbeteren; dat toch behoort, mijns inziens, te geschieden in een tijdschrift, hetwelk, als bv. de Taalgids, uitsluitend voor taalkundige vertoogen bestemd is. Vele van mijne argumenten zouden voor de gewone lezers van uw maandwerk, die van taalstudie niet hunne liefhebberij maken, klem en overtuigingskracht missen; door hen zou eene eigenlijke verdediging toch niet gelezen worden, en voor de mannen van het vak is eene wederlegging, geloof ik, geheel overtollig. Evenmin wil ik mij beklagen over het ongunstig oordeel van Recensent. De Heer T.R. heeft bij onderscheidene gelegenheden, onder enkele goede begrippen aangaande onze taal, zulke zonderlinge en hem uitsluitend eigene denkbeelden aan den dag gelegd, dat ik van hem eene onbepaalde goedkeuring van mijn boekje waarlijk niet zou gewenscht hebben. Ook zal niemand, die weet hoe moeilijk Prof. Taco Roorda tegenspraak dulden kan, en wat er vroeger tusschen dien Heer en mij is voorgevallen, zich verwonderen over den toon, die in de recensie van den Heer T.R. heerscht. Ik heb daarom lang in beraad gestaan, of ik op dat stuk wel antwoorden zou; er komen echter zaken in voor, die mij verbieden geheel te zwijgen. Ik reken mij verplicht te protesteeren tegen hetgeen niet zoo zeer mijn boekje als de geheele wetenschap betreft. Wie den gang der taalstudie in de drie of vier laatste decenniën heeft waargenomen, is overtuigd, dat geen leerboek op degelijkheid aanspraak mag maken, indien bij de zamenstelling daarvan de waarheden, die de taalvergelijking tot ons bewustzijn gebracht heeft, buiten rekening zijn gebleven; ik ten minste heb gemeend ze niet voorbij te mogen zien. Intusschen telt dat meer omvattende taalonderzoek hier te lande nog te weinig beoefenaars, het getal dergenen, die over de resultaten kunnen oordeelen, is nog te gering, dan dat men met onverschilligheid zou mogen aanzien, dat deze uitkomsten in verdenking gebracht en voor hersenschimmen uitgekreten worden; vooral wanneer zulks geschiedt door iemand, bij wien men grondige kennis van zaken onderstellen zou. Daar ik nu toch volstrekt tegen het genoemde stuk moet opkomen, wil ik, bij hetgeen ik eigenlijk te zeggen heb, eenige opmerkingen voegen, die wellicht geschikt zijn om den lezer aan te toonen, in hoe verre men op verslagen en verzekeringen van den Heer T.R. kan vertrouwen. Het zou er met de linguistiek al heel treurig uitzien, indien alles zoo was, als Recensent het zich voorstelt; de geheele wetenschap zou moeten gereconstrueerd worden, zooals men dat noemt. Grimm, Bopp en Pott, aan wie wij hare ontwikkeling voornamelijk hebben te danken, hadden dan van voren af aan te beginnen; of liever, zij moesten dan de pen voor goed neêrleggen, want het zou hun wel niet mogelijk wezen van andere grondbeginselen uit te gaan, dan van die, welke zij als waar en deugdelijk hebben leeren kennen. Het geldt hier toch niets meer en niets minder dan het behouden of verwerpen eener stelling, wier gevolgen zich uitstrekken tot alle Indogermaansche woorden zonder onderscheid; immers tot alle, die klinkers of tweeklanken hebben, en zonder die noodwendige bestanddeelen heeft men er tot nog toe geene ontdekt. Maar zien wij, wat er van de zaak is. In de tweede Bijlage achter mijn boekje heb ik in § 1 gezegd: ‘Er waren oorspronkelijk slechts drie klinkers a, i en u (uit te spreken: oe).’ Deze allerbelangrijkste stelling, die de hoeksteen is van het fundament, waarop het nieuwere taalgebouw rust, heb ik het eerst aangetroffen bij Duitsche grammatici, en sedert heb ik zelf haar door ontelbare bewijzen bevestigd gevonden, zoodat zij ook voor mij eene even onomstootelijke als onmisbare waarheid is geworden. Recens. vindt haar ongeloofelijk en zegt, blz. 62 - wel eenigzins naïef - ‘Bij Duitsche schrijvers heb ik wel dikwijls de a, i en u “die drei Urvocalen” en ook wel de a alleen, gleichsam der Urvocal’ genoemd gevonden 1) , maar ik heb |
1) Wanneer zij de a bij uitnemendheid
‘den Urvocal’ heeten, geschiedt zulks, omdat i en u
niet altijd oorspronkelijk zijn, maar soms uit a zijn outstaan. Vergel.
lat. ignis met skr. agni; lat. inter en hd. unter
met skr. antar; de i in binden met de a van
band enz.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
altijd gemeend, dat bij die Duitschers, die zooveel met dat ur in de weer zijn, dat eenvoudig zoo verstaan moest worden, dat men in de theorie de a, i en u als de hoofdvocalen, de andere als tusschenklanken of overgangsklanken beschouwen kan. - En als ik dan in de grammatica van den Heer Brill las: “De vocalen zijn oorspronkelijk drie in getal: a, i en u (oe)”, dan dacht ik, dat men dit ook zoo moest opvatten, en dat alleen maar de zin van dat Duitsche ur minder juist door het woord oorspronkelijk was uitgedrukt. Maar bij de wijze, waarop de heer Te Winkel zich uitdrukt, is aan zulk een opvat ting niet te denken; hij meent dat oorspronkelijk in volle ernst van een werkelijke oorsprong, van een ontstaan in de werkelijkheid.’ Het laatste is volkomen juist, dat is inderdaad mijne bedoeling met het woord oorspronkelijk; maar dat is ook de bedoeling van Prof. Brill; en de ‘Duitschers’ willen hier ten minste - met hun ur- hetzelfde te kennen geven, wat wij duidelijker en ondubbelzinniger, doch iets omslachtiger, door het afzonderlijke woord oorspronkelijk uitdrukken. De Heer T.R. verklaart dus zelf, dat hij ‘die Duitschers’ niet heeft begrepen; zijne woorden behelzen derhalve de gulle bekentenis, dat ZHGel. niet eens de hoofdwerken over de Indogermaansche talen en taalvergelijking, de geschriften van Grimm, Bopp, Pott en Schleicher, ooit met aandacht gelezen en bestudeerd heeft; anders toch zou ZHGel. volstrekt hebben moeten opmerken, dat genoemde schrijvers door Urvocalen inderdaad eerste, oorspronkelijke klinkers verstaan, van welke de overige wijzigingen, versterkingen, of verzwakkingen zijn 1) . |
1) J. Grimm zegt in zijne
Deutsche Gramm. D. I, 3de druk, blz. 39: ‘Die drei
kurzen,’ namelijk a, i en u, ‘bilden deutlich den
grund auf dem jeder andere laut sich entfaltet;’ en dat gansche
Iste deel is ééne doorloopende aanwijzing, hoe alle
klinkers en tweeklanken in de verschillende Germ. talen uit a, i en
u ontstaan zijn. Zoo vindt men b.v. blz. 74 en 78, dat en hoe de korte
ohd. e en o uit a, i en u zijn voortgekomen; op
blz. 93 en 98 leert hij, dat de lange ohd. e en o uit ai
en au zijn ontstaan, enz. enz. In zijne Geschichte der deutschen
Sprache geeft hij een overzicht van dat alles, en leert onder andere op
blz. 844 het ontstaan van de lange Gothische klinkers é en
ô uit ia en ua. Zijne spraakkunstige werken zijn
volstrekt onverstaanbaar, indien men de bewuste stelling niet in het oog houdt.
- Dat
Bopp alle Latijnsche, Grieksche, Germaansche
en Slawische vocalen uit a, i en u afleidt, kan men zien in zijn
Vokalismus en in zijne Vergl. Gramm. 2de druk,
§§ 1-104. Niemand, die dit werk leest, kan zulks voorbijzien, want de
gansche 3 deelen door gaat hij van die onderstelling uit. - Wie zich met
één oogopslag wil overtuigen, dat ook
Schleicher niet anders leert, die zie zijne
tabel der letters van de Indogerm. Ursprache, te vinden op blz. 8 van zijn
Compend. der vergl. Gramm. Op die tabel komen geene andere klinkers voor
dan: a, i, u, â, ai, âi, au en âu. - In Prof.
Brill's Ned. Spraakl., 1854, vindt men
hetzelfde beginsel gehuldigd. Zie §§ 6-16, waar het ontstaan van
e, ie, o, oe, ei, ij, eu, u, ui en ou uit de grondklanken a,
i en u wordt opgegeven. Eene misvatting als deze is alleen
begrijpelijk in iemand, die geen der genoemde werken gelezen, of ten minste
niets van hunnen inhoud begrepen heeft. Dat een van beide bij Rec. het geval
moet zijn, blijkt niet slechts de geheele recensie door bij zijne beschouwing
van de wijzigingen en onderlinge verwisselingen onzer klinkers en tweeklanken,
maar ook uit een aantal andere grammaticale zaken. Ik noem slechts zijne
onderscheiding van gelijkvloeyende en ongelijkvloeyende werkwoorden; het
verband tusschen de ongelijkvloeyendheid en de klinkers; zijne voorstelling van
de vorming onzer causatieven, door
Bopp, § 741, zoo duidelijk verklaard;
zijne verwarring van de verdubbeling eens medeklinkers in het midden van een
woord ter bewaring van de kortheid der voorgaande vocaal, b.v. in padden
en wetten, met het toevallige zamentreffen van twee zelfde medeklinkers
in de afleiding en zamenstelling, b.v. in schaad-de, loot-te, groot-te;
enz.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Men moge nu deze openhartige belijdenis gispen en kinderachtig eenvoudig noemen, ik vind ze loyaal; zij pleit voor Recensents eerlijkheid. Deze erkent hier immers zelf, dat hij nooit iets aan de vergelijking der Indogermaansche talen gedaan heeft - ten minste nooit pogingen heeft aangewend om er iets van te begrijpen, - en dat het dus hoogst onbillijk zou wezen, indien men hem op dat gebied over een verkeerd oordeel hard viel. Vraagt men mij echter, of die openhartigheid te pas komt in een tijdschrift, waarnaar het peil der wetenschap in Nederland dikwijls wordt berekend, dan wil ik liefst het stilzwijgen bewaren. Bij het eerste lezen of hooren luidt het zeker wel wat vreemd, dat
er slechts drie oorspronkelijke klinkers zijn; maar heeft men dergelijke
bevreemdende waarheden niet in alle wetenschappen? Hebben niet zelfs de natuur-
en wiskunde hare paradoxen, die evenwel bij eene voortgezette beoefening dier
wetenschappen al het wonderspreukige verliezen? Kan er, b.v. eene grootere
paradox bedacht worden dan de stelling, dat onze aarde eene tweevoudige
beweging heeft? Van die beweging, hoe verbazend snel zij ook is, voelen wij
niet het geringste; wij zien daarentegen dagelijks met onze eigene oogen de zon
en de sterren boven den gezichteinder verrijzen, over onze hoofden heenzweven
en weder ondergaan. Het historische getuigenis der H. Schrift bevestigt hetgeen
onze zinnen waarnemen: stilstand der aarde en beweging der hemellichamen. Is er
schijnbaar iets dwazers uit te denken dan het loochenen en omkeeren van hetgeen
al de bewoners der aarde elk oogenblik kunnen opmerken? En toch ieder, die
degelijk onderwijs genoten heeft, is ten volle verzekerd van de dubbele
omwenteling onzer planeet; niets zou in staat zijn hem die overtuiging te
ontnemen. En waarom niet? Alleen omdat hij door het aannemen dier onderstelling
honderd verschijnsels op de eenvoudigste en natuurlijkste wijze kan verklaren,
die zonder dat onoplosbare raadsels zijn en blijven; het is omdat hij niet kan
weifelen bij de keus tusschen licht en duisternis, tusschen hooge wijsheid en
groote dwaasheid. Zoo omtrent is het ook gelegen met de bewuste stelling: zij
verklaart duizend en duizend verschijnsels in de geschiedenis der
Indogermaansche talen; zij is onmisbaar om die geschiedenis te begrijpen. Doch
wie zou het den Heer
T.R. euvel kunnen of willen duiden, dat hem overkomt,
wat zeker aan velen geschiedt, die, buiten eene wetenschap staande, slechts bij
de eene of andere gelegenheid eenen blik over hare grenzen werpen? Het is niet
eens zoo heel onnatuurlijk, dat ZHGel. die stelling ‘eene fictie’
noemt, wel te weten, indien hij b.v.ook de hypothesen van
Newton en
Copernicus met dien naam bestempelt
- ieder heeft zoo zijn eigen spraakgebruik, dat men respecteeren moet, al vindt men het ook eenigzins vreemd. Maar, indien ZHGel. door ‘fictie’ verstaat het gewrocht eener weelderige of ontstelde verbeeldingskracht, neen, dan heeft hij het hier geheel mis, zoo iets is die stelling niet. Zij is de uitkomst van ernstig en waarheidzoekend nadenken over opmerkingen en bevindingen, lang en met naauwgezetheid aan waarnemingen getoetst en proefhoudend bevonden. Dat de Heer T.R. er nog niet van overtuigd is, zal voortaan niemand verwonderen, nu men uit 's Hoogleeraars eigen woorden weet, dat ZHGel. den zin der stelling niet had gevat en mij zelfs beschouwde als haren uitvinder of ontdekker - of hoe moet ik het noemen? - eene eer, die ik van harte zou wenschen mij te kunnen toeëigenen. Indien ik eenig vertrouwen bij den Heer T.R. bezit, dan durf ik ik ZHGel. verzekeren, dat het aannemen der a, i en u als Urvocalen in den zin, dien de Duitschers, Prof. Brill en ik aan dat woord hechten, voor de taalwetenschap dezelfde waarde heeft, als het stellen eener aantrekkingskracht in de lichamen voor de natuurkunde en eener tweevoudige beweging der aarde voor de aardrijks- en sterrekunde. Zonder die onderstelling is in de taal alles nacht en verwarring - ZHGel. moet dit bij eigen ondervinding weten - doch met haar alles licht en orde. Men ziet dan oorzakelijk verband tusschen het waargenomene, en een natuurlijken voortgang, eene geregelde ontwikkeling van den Indogermaanschen taalstam. Die stelling heeft dan ook sinds lang opgehouden een vermoeden, eene hypothese te zijn: zij is thans voor den beoefenaar der vergelijkende taalstudie eene onloochenbare waarheid; en wie haar ontkent, wordt door hem met dezelfde soort van bewondering aangekeken als voor weinige jaren de schrijver van het werkje: De aarde staat stil, door de sterrekundigen. Mogelijk vraagt de eene of andere lezer, hoe de Heer
T.R. er toe gekomen is om eene zoo onmisbare waarheid te
ontkennen. Het antwoord is eenvoudig: vooreerst het niet begrijpen en verkeerd opvatten der stelling bij de hoofdschrijvers; en ten tweede het kijken in eene Sanskritsche en eene Gothische grammatica, niet met het doel om daar iets uit te leeren, maar slechts om argumenten te vinden tegen eene stelling, die men niet begreep en waarvan men het belang niet inzag. Het geval is niet zeldzaam, in de politiek ziet men dagelijks hetzelfde. Ik moest in mijn boekje van den oorsprong onzer e's en o's handelen en zeide, dat zij in de taal onzer vroegste voorouders niet bestonden, maar later uit de drie grondklinkers en de daaruit gevormde tweeklankers waren ontstaan. Dit doet den Heer T.R. vragen: ‘Wie zou dat willen gelooven? - Waar heeft de Heer Te Winkel dat van daan? Uit wat historische bron is dat geput? In de oudste monumenten van de Nederlandsche taal vindt men immers de e en o even goed in gebruik als tegenwoordig. En dat niet alleen! men vindt de bewuste twee klanken,’ de e en o, ‘in al de stamverwante talen, ook in die, waarvan wij de oudste gedenkstukken hebben, in het oude Duitsch, in het Gothisch, in het Grieksch, in het Latijn en in het Sanskritsch.’ Grootendeels waarheden en toch geen enkel bewijs tegen de bewuste stelling. En is die redeneering ook niet wat vreemd? Geene echte wetenschap eischt geloof, alleen de psychologie spreekt er van om de beteekenis van het woord te verklaren; op bewaarscholen, en in zaken van godsdienst, komt geloof te pas, maar toch wel niet in empirische disciplinen, waartoe ook de taalkunde behoort, daar vordert men weten. - Historische berichten te eischen of te verwachten aangaande het niet bestaan van iets, klinkt ook zonderling. Historische berichten kunnen immers alleen dan zuivere bronnen der waarheid wezen, indien zij afkomstig zijn van ooggetuigen, ten minste van tijdgenooten; en wie zal bericht geven aangaande hetgeen nog niet bestaat, aangaande hetgeen hij nog niet kent? Zullen onze nakomelingen om zich te vergewissen, dat de electro-magnetische telegraaf een product der 19de eeuw is, bij schrijvers der 18de naar plaatsen zoeken, waar verzekerd wordt, dat die werktuigen toen nog niet bestonden? - En wat het aanwezen van es en o's in de oudste monumenten onzer taal betreft, het bewijst toch wel niets meer, dan dat die klanken gehoord en voortgebracht werden in den tijd, waaruit die geschriften dagteekenen; voor een vroeger tijdvak bewijst het wel niets. Maar de taalbeoefenaar, die met ernst naar de waarheid zoekt en oorzaken en gevolgen onderscheidt, vindt in de wijze, waarop hij de e's en o's ook nog in het historische tijdvak der talen ziet ontstaan, in hare verwisseling met andere klanken en in een aantal andere bijzonderheden de overtuigendste bewijzen voor haar lateren oorsprong. Het meest bevreemdend in de redeneering van den Heer T.R. is zeker wel, dat ZHGel. onder zijne tegenbewijzen ook het Sanskrit 3) opnoemt. Immers het was juist die taal, |
3) De heer
T.R. noemt de bedoelde taal steeds ‘het
Sanskritsch.’ ZHGel. zal ongetwijfeld zijne wijze redenen hebben,
waarom hij in dezen van de aangenomen gewoonte afwijkt. Ik weet er hoegenaamd
geene reden voor - dit moet ik gulweg bekennen - en hoop daarom, dat de Hoogl.
het mij niet kwalijk zal nemen, indien ik vooreerst nog voortga, met onzen
Hamaker - om van levende landgenooten niet te
spreken - en met de Duitsche eu Engelsche Sanskritanen haar eenvoudig het
Sanskrit te noemen, zonder dien staart sch er aan. Die spelling toch
is zoo kwaad niet; ik zou ze zelfs den Hoogl. haast durven aanbevelen. Zij is
duidelijk genoeg, bespaark inkt, tijd en moeite, en wint dus heel wat uit voor
iemand, die veel over het Sanskrit schrijft. Daar komt nog eene kleinigheid
bij; men mocht eens gaan denken - de wereld is er boos genoeg toe - dat ZHGel.
het woord niet verstond. Dit zou op zich zelf wel zoo'n ramp niet zijn; maar
wie wil gaarne voor onwetender doorgaan, dan hij werkelijk is? En gemist kan
die staart heel goed worden, dat zien we klaar en duidelijk aan het woord
Latijn. Wij leeren de Latijnsche taal uit Latijnsche
grammatica's en lexica, maar de taal zelve noemen we zonder complimenten kortaf
het Latijn. We gebruiken dan het neutrum van het adjectief latinus,
-a,-um als substantief. Dat is al honderden jaren goed gegaan, we hebben
zelfs de reputatie gehad van vrij goede latinisten te zijn; wei weet, wat het
nog eens worden zal, als we het simpele Sanskrit met behulp van
Sanskritsche spraakkunsten en woordenboeken aanleeren? - De benaming
het Sanskrit stemt volkomen overeen met de benaming het Latijn;
zij is ook een verhollandscht neutrum van eene soort van adjectief, van
Sanskritas, -â-am, het participium van sanskri
(volmaken). Die Latijn schrijven maken dan ook doorgaans zoo veel omstel niet
en spreken veelal eenvoudig van een codex Sanscritus, eene litera
Sanscrita, een glossarium Sanscritum; zelden van res
Sanscriticae. Mar wij Nederlanders gevoelen den adjectivischen oorsprong
van Latijn en Sanskrit niet, voor ons zijn die woorden ware
substantieven; daarom kunnen wij er, als het noodig is, de Nederl. adjectieven
Latijnsch en Sanskritsch van vormen.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
die de geleerden op het denkbeeld bracht, dat er slechts drie grondvocalen zijn, doordien de blijken daarvan in hare grammatica het meest in het oog springen. Wanneer men het Sanskritsche alphabet doorloopt, vindt men daar wel twee letterteekens, die door de hedendaagsche Indiërs als eene ê en ô worden uitgesproken; doch alles wat er met die letters voorvalt, toont, dat ê vroeger ai, en ô vroeger au was, en dat wel zoo duidelijk, dat de geheele ontstentenis van e en o geen sterker bewijs voor haar later ontstaan zou kunnen wezen, dan nu in haar voorhanden zijn gelegen is 4) Die twee letters nu zijn het, die den Hoogleeraar zoo verraderlijk van het rechte pad hebben geleid. Bij een weinigje oplettendheid had dit evenwel niet behoeven te geschieden. Alleen hij, die zich vergenoegt met een blik te |
4) Alles wat er met die ê en
ô voorvalt blift een raadsel, indien men niet ê =
ai en ô = au stelt; maar neemt men dit aan, dan ziet
men alle vocaal - veranderingen met groote regelmatigheid aan
ééne en dezelfde wet gehoorzamen. De gewone beschaafde lezer zou
de opgave daarvan niet willen volgen; de belangstellende zie hier echter een
paar voorbeelden. Vooraf zij aangemerkt, dat i vóór eenen
klinker in j, en u in hetzelfde geval in w overgaat; en
dat men gewoon is, als men Sanskrit met Latijnsche letters schrijft, j
door y, en w door v voor te stellen.
A gaat met eene volgende i in ê. met eene volgende u in ô over; Bopp. Gramm d. Sanskrita-Sprache § 36. Dat wil dus zeggen: ai en au worden geschreven met letterteekens, die men thans als ê en ô uitspreekt; of ê en ô ontstaan uit a en i, en a en u. Daarentegen keeren ê en ô tot hun vorigen toestand ai en au terug, wanneer zij door een klinker gevolgd worden, waarbij i dan in y (j) en u in v (w) overgaat. b.v. nê + ana wordt niet nêana, maar nayana; bhô + ati niet bhôati, maar bhavati; Bopp § 55. Hoe is dat te begrijpen, indien niet ê oorspronkelijk = ai en ô = au geweest is? Waar zouden die j en w en die a's zoo plotseling van daan komen, indien zij niet al in ê en ô schuilden? Wanneer vóór eene ê en ô eene a ingelascht wordt, ontstaan de lange twee-klanken aî en âu (aai en aau); Bopp § 33. Hoe zou dat mogelijk wezen, zoo niet reeds ê = ai en ô = au waren? Stelt men dit echter, dan is aî natuurlijk= a plus ai = aai = âi, en âu = a plus au = aau = âu. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
slaan op de eerste bladzijde eener Sanskritsche grammatica, kan meenen in het alphabet een argument tegen de bewuste stelling te vinden; maar wie slechts de zoogenoemde ‘Lautlehre’ een weinig bestudeerd heeft, die ziet al in den vorm der letters eene bevestiging van het beweerde. Immers de letterteekens, waardoor de lange diphthongen âi en âu worden voorgesteld, zijn niets anders dan de letters ê (ai) en ô (au) met een diacritisch teeken voorzien, hetgeen mijns inziens reeds kennelijk leert, dat âi en âu slechts modificatiën van ai en au zijn.Bopp, de grondlegger der wetenschappelijke grammatica van het Sanskrit, op wien de Heer T.R. zelf zich beroept, is dan ook zoo zeer van de diphthongische natuur der Sanskritsche ê en ô overtuigd, dat hij ze altijd ‘Diphthonge’ noemt, als het ware om den leerling gedurig aan haar oorsprong te herinneren. Het Gothisch leert ten opzichte der Germaansche talen in het
bijzonder hetzelfde wat het Sanskrit ten opzichte van de Indogermaansche talen
in het algemeen leert. Daar vindt men volstrekt geene e's noch
o's; want de Gothische letterteekens, die op e en o
gelijken, beantwoorden niet aan de e's en o's in de overige Germ.
talen, maar aan â en oe; dit wordt door den Heer
T.R. zelf erkend; zie blz. 64. Dus geene Gothische
e noch o! - Ik waag het die stelling nog staande te houden, ook
nadat de Heer
T.R. bij herhaling heeft verzekerd, dat ik ‘het
Gothisch niet eens lezen kan.’ Een gematigd Recensent, die zich niet door
overdrijving belachelijk wil maken, zou misschien gezegd hebben, dat ik enkele
klanken of letters niet goed uitspreek. De Heer
T.R. was echter van meening, dat hier geene matiging te
pas kwam, zoodat mij niets anders overschiet dan mij te troosten met de
gedachte, dat ik beroemde lotgenooten heb, dat mannen als
Grimm,
Bopp,
Pott,
Schleicher en anderen in dezelfde ellende
deelen. Voor
Grimm moet Recensents oordeel het grievendst
zijn, want hij is de schuld van ons aller ongeluk. Hij was ten minste mijn
leermeester; als aan zijne hand heb ik het Gothisch beoefend. Het verwijt,
dat mij hier treft, treft hem evenzeer, want hij en de overige genoemden zien Goth. ai en au ook voor echte tweeklanken aan, niet voor eene korte e (ε) en o (ο); en dit toch is mijn gebrek, het feit, hetwelk Recensent bewijst, dat ik het Gothisch niet lezen kan. Grimm had van den beginne zijner roemrijke loopbaan het Gothisch als het fundament aangenomen, waarop hij zijn Germaansch taalgebouw stichtte; hij was de grondlegger der Gothische grammatica; nu moet de eerwaardige grijsaard in zijn hoogen ouderdom vernemen, dat hij het niet eens kan lezen. Sic transit gloria mundi! Ik vertrouw nogtans, dat hij wel bij zijne overtuiging zal blijven. Ook is het wel mogelijk, dat de Heer T.R., als ZHGel. zelf eens de Gothische declinaties en conjugaties zal doorgewerkt hebben, tot andere gedachten komt en het ongelijk, den grootsten kenner der Germ. talen aangedaan, berouwvol zal inzien 5) . Ik moet bij deze questie een oogenblik langer vertoeven, want de Heer T.R. staat hier niet alleen. Ook Loebe en Von der Gabelentz zijn of waren van het gevoelen des Hoogleeraars; of liever, om geheel juist te spreken, ZHGel. deelt in het hunne; en alles wat hij op blz. 63-68, dienaangaande mededeelt is, ten minste grootendeels, aan 3 of 4 §§ hunner Gothische Grammatik ontleend. Die Grammatik |
5) In de Gothische declinatie, conjugatie en
etymologie komen verschijnselen voor, analoog met de boven in noot 4 beschouwde
in het Sanskrit, en die even onverklaarbaar zijn, indien men niet stelt; dat in
ai en au de beide klinkers a en i en a en
u onderscheidenlijk uitgesproken werden. Even als in het Sanskrit
verandert hier i vóór een anderen klinker in j en
u in w, waardoor derhalve ai in aj en au in
aw overgaat. Hoe zou dit mogelijk zijn, indien, gelijk de Heer
T.R. wil, ai eene e en au eene
o voorstelde? Zoo luiden b.v. naus (doode) en faus
(weinig) in den genitief nawis en fawis, in plur. naweis
en fawai; maujôs (meisjes) is in den nom. sing. mawi.
Diwan (dood zijn) en sniwan (gaan) hebben in den sing praeter.
dau en snau, maar in den plur. dêwum en
snêwum, met verandering van de korte a in de lange
ê straujan (strooyen) en taujan (maken, voltooyen) vormen
de praeterita strawida en tawida. Uit wai (wee) ontstaat
wajamêrjan (wee roepen, lasteren); van aiws (eeuw) komt
(in)ajukduth (in eeuwigheid); van bai (beide)
bajôths (beide) enz. Waar zouden die w's, j's en a's
vandaan komen, indien zij niet reeds in ai en au aanwezig
waren?
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
dagteekent echter reeds van 1846; zij is dus al 16 jaar oud, en in dien tijd heeft men niet stil gezeten. Die beide geleerden beperkten hunne onderzoekingen nagenoeg geheel binnen den omvang van het Gothisch, zonder op de overige Germaansche talen veel acht te geven. Ten gevolge dier eenzijdigheid gevoelden zij de tegenstrijdigheden, die uit hunne stelling voortvloeyen, minder duidelijk. Zij bemerkten niet, dat zij zoo doende het verband tusschen het Gothisch, de overige Germ. tongvallen en het Sanskrit verbraken en van de eerstgenoemde nagenoeg eene geïsoleerde taal maakten. Geheel ontgingen hun die bezwaren echter volstrekt niet. Zij waren eerlijk genoeg om op bl. 31 hunner Grammatik te erkennen, dat door hunne leer de klankveranderingen, waarvan in noot 5 is gewaagd, ‘kaum erklärbar’, men zegge gerust ‘volstrekt onverklaarbaar’ waren. Zij achtten zich zelfs verplicht een beroep te doen op de Sanskr. ê en ô, die wij in noot 4 als oorspronkelijk ai en au hebben leeren kennen; zij wilden dat men onderscheid zou maken tusschen de phonetische waarde, de actueele uitspraak, en de etymologische waarde, de oorspronkelijke uitspraak, van letterteekens. Ligt hierin niet de erkenning opgesloten, dat ai en au ten minste vóór Ulfila tweeklanken waren, en dat deze zich in zijn spellen naar die vroegere uitspraak had geschikt? Behelst dit niet bedekt eene erkenning van de drie Urvocalen? eene leer, waartegen die Heeren, zich ook nooit uitdrukkelijk verklaard hebben. Grimm daarentegen overzag alle overige Germaansche talen in hare verhouding tot hare Gothische zuster. Hij vond allerwegen onverklaarbare raadsels, indien hij niet in Goth. ai en au, even goed als in Oudhd. en en Oudnoordsch ai en ei, ou en au, de ware, echte tweeklanken erkende, die zij zichtbaar voorstellen. Daarom hebben Loebe en Von der Gabelentz hem ook nooit tot hun gevoelen kunnen overhalen. Hun beweren steunde eeniglijk op de waarneming, dat Ulfila in vreemde woorden de ε en o door ai en au terug gaf, en pavlus, esav, niet paulus esau schreef. Aan die argumenten is door Prof. Dietrich alle kracht benomen in zijn werkje over Die Aussprache des Gothischen. De Heer T.R. schuift dit boekje handig ter zijde met eenvoudig te zeggen: ‘Het is eene laatste maar ijdele poging om de tweeklanken ai en au in het Gothisch te redden.’ Die woorden, hoe apodictisch zij misschien ook klinken, kunnen niemand verwonderen, die bedenkt, dat de Hoogleeraar, niets aan de vergelijking der Germ. talen gedaan hebbende, nooit de behoefte aan die tweeklanken heeft gevoeld. Er bestaat hier intusschen slechts eene keus tusschen twee uitersten: òf men moet de altijd nog maar gegiste uitspraak van het Grieksch ten tijde van Ulfila, waarvan de Graecisten zelven verklaren niets met zekerheid te weten, tot kenbron der Gothische uitspraak aannemen, maar daarmede ook alle pogingen om het Germaansch te begrijpen volstrekt opgeven; òf men moet de twijfelachtige uitspraak van het Grieksch buiten rekening laten en die uitspraak als de ware erkennen, die in ontelbare gevallen blijkt de ware te zijn, en waardoor alle phonetische verschijnselen op Germaansch taalgebied verklaard worden. Eene der moeilijkheden, die men zich schept, is het ontstaan van de
Hoogd., Oudnoordsche en Nederl. ei, au en ou in de woorden die in
het Gothisch ai en au hebben. Men vraagt te recht: indien goth.
ai en au niets anders zijn dan eene, nog wel korte, e
(ε) en o (ο), waarom treffen wij dan juist in
diezelfde woorden, b.v. in hd. Theil, goth. dails, in hd.
auch. goth. auk, eene ei en au aan, die thans
onloochenbaar als ware tweeklanken luiden? De Hoogl. beantwoordt die vraag met
de woorden: ‘door Vocal-steigerung,’ zonder ons echter te
verklaren, wat men daardoor verstaan moet, of hoe die Steigerung zich toedroeg.
Op blz. 67 vraagt ZHGel.: ‘Waarom zouden wij niet aannemen, dat de
zuivere o-klank, die men in het Hollandsche loof en lof, en in
het Gothisch laufs heeft, in het Hoogduitsch Laub door eene
verbreede of verdikte en onzuivere uitspraak door
“Vocal-Steigerung,” zooals
Bopp het noemt in zijne grammatica van het
Sanskritsch, tot een tweeklank geworden is? Zulk een klankverdikking - kan immers, gelijk men uit de Sanskritsche grammatica leeren kan, even goed plaats hebben als een klankverdunning. En als men, zoo als de Heer te Winkel meent en zegt, dat de e in een woord als ons breed uit de tweeklank ai ontstaan is, nadat deze eerst in ei was overgegaan, dan toont men alleen, dat men het Gothisch nog niet lezen kan. Want in het Gothische braids beduidt het klankteeken ai een eenvoudige e. En de tweeklank ei, die men in het Hoogd. breit en ook in het Hollandsche verbreiden heeft, bewijst immers zelf zijn oorsprong en afkomst uit een e: de hoofdklank van de ei - de klank, waar de tweeklank mee aanvangt - is immers een e en niet een a. En gelijk de tweeklank ei uit een e, zoo is de tweeklank au in Hoogd. woorden, zooals Laub en Staub uit eene o ontstaan.’ - Hier zijn maar twee gevallen mogelijk: òf de Hoogl. gist slechts, wat Bopp door Vocal-Steigerung verstaat, en is onbekend met het ontstaan der tweeklanken in het Indogermaansch; - òf ZHGel. heeft zich eens het onschuldige vermaak willen gunnen, den lezers van de Gids op mijne kosten, zooals de Duitschers dat fatsoenlijk uitdrukken, einen schönen blauen Dunst zu machen. Immers Bopp spreekt in zijne Sanskr. Gramm. in het geheel niet van ei en ou, veel minder van de wijze, hoe zij uit eene E en O ontstaan: hij leert hoe bij ‘Vocal-Steigerung’ ai en au ontstaan uit I en U, namelijk door vervoeging eener A; zie § 33. Vocal-Steigerung is bij hem het voorvoegen van een klinker voor den wortelklinker, niet eene achtervoeging van eene i en u achter den ‘hoofdklinker,’ zooals de Hoogl. bij ei uit e en au uit o verzekert. Bijna geene Indogerm. tweeklanken zijn ontstaan uit ‘de klank, daar de tweeklank mee aanvangt,’ maar uit den tweeden klinker. De tweede is de grond- of wortelvocaal, die door de voorvoeging van eene andere versterkt, ‘gesteigert’ wordt; zie Bopp, Vergl. Gramm. § 26-29, waar hij van de Steigerungen in het Sanskrit, Grieksch, Germaansch, Litausch en Slavisch handelt. Men kan dit zelf beoordeelen, onder andere juist aan ons (ver)breid(en), goth. braids, ohd. prait, onoordsch breidr; want daarin is i de wortelklinker, gelijk blijkt uit sanskr. prithus (latus, amplus, magnus). Om het ontstaan der tweeklanken in te zien, behoeft men evenwel niet tot het Sanskrit of Gothisch zijne toevlucht te nemen, het Grieksch leert het duidelijk, zoo als de Hoogl. zich herinneren zal. Hij vrage anders zich zelven af, of de ει en οι van λειπω en λελοιπα, van ειδον en οιδα niet kennelijk door voorvoeging van ε en ο gevormd zijn van den grondklinker ι, die in ελιπον en ιδειν zuiver voorkomt? en of de υ van εφυγον de eerste of de tweede klinker in φευγω is? 6) . Recens. geeft zich het voorkomen |
6) Bopp heeft in zijne Skr.
Gramm. een hoofdstuk, getiteld ‘Guna und wriddhi,’ §§ 33,
34 a, b en c, waarin hij leert, wat men in het Sanskrit door Vocalsteigerung te
verstaan heeft. Men ziet daar, dat het Skr. twee klankversterkingen kent, die
de Indische taalkundigen guna en wriddhi noemen. Zij bestaan in
het voorvoegen van eene korte a of lange â (aa) voor de
klinkers i, u en ri. Daardoor ontstaat bij guna
ê (ai), ô (au) en ar; bij wriddhi âi,
âu, âr (aai, aau, aar). Daar ê en ô
zelve guna van i en u zijn en de waarde van ai en
au hebben (zie noot 4), zoo heeft er slechts schijnbaar bij wriddhi een
ontstaan van âi en âu aut ê en
ô plaats, maar inderdaad zijn i en u de
grondvocalen.
Schleicher, Compend. d. vergl. Gramm., noemt guna de eerste, wriddhi de tweede klankversterking. Deze benamingen zijn te verkiezen boven de Sanskritsche, omdat zij verstaanbaarder en algemeener, en daarom ook op andere talen toepasselijk zijn. Ook het Germaansch en Grieksch kent ze beide - om van andere talen niet te spreken - met dien verstande echter, dat niet slechts de a maar ook andere klinkers ter versterking voorgevoegd worden. Hierbij moet men in aanmerking nemen, dat de drie grondvocalen in kracht en zwaarte verschillen; dat a de zwaarste, i de lichtste is, dat u het midden houdt, doch bij ons niet meer bestaat, maar in eene korte of zachtlange o, u of eu is overgegaan. Daarom is ia de 1ste, ua de 2de versterking van a; ui de 1ste, van ai de 2de van i; iu de 1ste, au de 2de van u. Ia is bij ons en anderen ineengesmolten in de lange â, die men in jaar, slâpen, dâden aantreft, doch in het Goth. tot een langen i-klank, die door ê wordt voorgesteld. Ua is onze oe in boek, stoel, in het Goth. door het letterteeken ô vertegenwoordigd. Ui heeft de mnl. lange î opgeleverd, die wij nu als ij uitspreken en die de Duitschers met ei schrijven; ai onze ei en scherpe ee. Iu gaf onze ie en ui in rieken en ruiken, kieken en kuiken; au onze ou en scherpe oo. Hieruit volgt deze tabel:
Waarbij men nog kan voegen:
vermits u, o en a zwaarder zijn dan i en tot deze in dezelfde verhouding staan als guna en wriddhi tot den grondklank. Dat het versterken in het voorvoegen eener vocaal bestaat, blijkt wel het duidelijkst bij de sterke ww. der 4de, 5de en 6de klasse. In de 4de is a, in de 5de i, in de 6de u de grondvocaal. In het Goth. on Ohd. ziet men duidelijk, dat deze grondvocalen het geheele ww. door blijven, maar door voorvoeging van andere versterkt worden. Nemen we als voorbeelden graven, bijten en buigen, Geld. en Overijs. bûgen.
Merkwaardig is de verrassende overeenstemming dezer versterkingen in het perfect. van een aantal Sanskr. en Germ. ww. Om zulks te doen zien schrijf ik dien tijd uit van skr. bhid (splijten), hetzelfde w. als goth. beitan, ohd. bîzan, onoordsch bîta, ndl. bijten; en van skr. bhug, waarin g denzelfden klank heeft als in gentle, goth. biugan, ohd. biugan, ndl. buigen. Een onrd. byga schijnt niet te bestaan, ik neem daarom flyga, vliegen.
Het Skr. heeft eigenlijk bibhêda en bubhôga, met ê en ô. Daar deze letters echter eigenlijk ai en au zijn, heb ik mij de vrijheid veroorloofd, de laatste schrijfwijze te kiezen om de overeenstemming sterker te laten uitkomen. Indien, gelijk men ziet, Goth. ai en au niet slechts met Germ. maar ook met Sanskr. tweeklanken overeenkomen, is het dan niet ruim zoo eenvoudig en verstandig ze ook als zoodanig te erkennen, in plaats van ze voor ε en omicron aan te zien, waardoor het Gothisch tot eene der onbegrijpelijkste uitzonderingen gemaakt wordt? Tevens ziet men duidelijk, dat de e en o van ik beet en boog van een anderen oorsprong zijn dan die van wij beten en bogen; iets, dat Recensent loochent, op grond eener bedorven uitspraak van het Nhd. en Nfriesch. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
verkeerd gelezen te hebben en van dat alles niets te vermoeden, of het ten minste vergeten te zijn. Nu is het in ons vrije landje gelukkig aan iedereen geoorloofd daar niets van te weten, zelfs eenen recensent staat dit vrij; maar zulk eene onkunde mag men in den Hoogleeraar niet onderstellen. Daar om het is wel zeker, dat wij hier niet aan goeden ernst, maar aan luimige scherts van Recensent te denken hebben.
De Hoogl. spreekt blz. 63 van nog ‘eene fictie ter wille van
eene theorie, namelijk deze, dat men onder al de Germaansche taaltakken in het
Gothisch de oudste taalvormen vindt, en dat al de oudere en nieuwere Hoog- en
Nederduitsche taalvormen daarvan afgeleid zijn. De Hoog- en Nederduitsche
taaltakken beschouwt men als afstammelingen van het Gothisch en vormt zich zoo
eene geschiedenis van de Germaansche taalfamilie. Maar die geschiedenis wordt
zoo eene loutere fictie. Het Gothisch is niet de moeder van het Hoog- en
Nederduitsch, het is er maar eene zuster van.’ - Hier hebben wij
eene fictie van eene fictie; want indien hier iemand iets fingeert, dan is het
Recensent die tegen zijne eigene fictie vecht. Had de Hoogleeraar niet zelf te
kennen gegeven, dat hij zich weinig met de nieuwere taalbeschouwing heeft
opgehouden, dan zou men onaangenaam kunnen worden en aandringen om te weten,
wie die ‘men’ is of zijn, tegen wie ZHGel. hier te velde trekt;
want noch
Grimm in zijne Geschichte der deutschen
Sprache, noch
Bopp of
Schleicher in hunne Vergl. Gramm.,
noch iemand anders heeft ooit zoo iets geleerd. De geestigheid van Recensent, hoe onloochenbaar waar ook, dat ‘jongere zusters niet uit oudere zijn geboren of gesproten’, verliest wel iets van hare aardigheid, als men moet vragen, of men daarbij aan moedwillige verdraaying der waarheid uit spottende luim of aan onjuiste opvatting uit onkunde te denken heeft. Die gefingeerde geschiedenis bestaat alleen in het brein van den Hoogleeraar; en wat de beschouwing der Gothische taalvormen betreft, ook daaromtrent is ZHGel. niet wel onderricht. De taalkundigen onderscheiden zeer goed, in hoe verre een Gothische taalvorm oorspronkelijk of verbasterd is. Zij weten en leeren, dat sommige Ohd. en Oudn. vormen nader aan de oorspronkelijke komen dan de overeenkomstige Gothische. Een paar voorbeelden tot bewijs. Ik ken geen Germanist, die niet bij de vergelijking van het Goth. wigam (wij bewegen) met het Ohd. wegames gereedelijk erkennen zal, dat de Goth. vorm slechts gedeeltelijk ouder of oorspronkelijker, maar ook gedeeltelijk jonger is dan de Oudhd. Hij zal zeggen, dat de i van wigam ouder is dan de e van wegames, omdat deze laatste door den invloed der volgende a ontstaan is uit de i, die zich èn in het Goth. woord èn in den 2den en 3den pers. enk. van het Ohd. verbum, in wigis en wigit, vertoont. Doch hij zal ook door de vergelijking van wigam en wegames met skr. vahâmas en lat. vehimus aantoonen, dat de Ohd. persoonsuitgang -ames nader aan den oorsprong komt dan de Goth. -am, die het teeken van het meerv. s of as heeft verloren. - Hij zal ook zeggen, dat de Ohd. tweeklank ua in stual oorspronkelijker is dan de ô in Goth. stôls, dewijl deze ô eene ineensmelting van ua is; vergel. noot 6. Als men de taalvormen zóó beschouwt, dan merkt men het Gothisch niet aan als de gemeenschappelijke moeder, dan leidt men de vormen der overige Germaansche talen niet van de Gothische af. In de aangehaalde redeneering toont de Hoogleeraar buitendien, dat
hij in de geslachtsrekening der Germ. familie niet zoo volkomen t' huis is, als men wel denken zou. Het Hoogduitsch is geene ‘zuster’ van het Gothisch, de vermaagschapping is gansch anders. Het Oudhoogduitsch, dat nog in het Opperduitsch voortleeft, is van het Gothisch slechts eene zustersdochter, eene nicht of moeizegster, geboren uit eene volle zuster, uit het Nederduitsch, bij de tweede klankverschuiving, die in de 7de en 8ste eeuw voorviel. Het Hoogduitsch, zooals men de beschaafde taal onzer oostelijke naburen gewoonlijk noemt, door de taalkundigen het Nieuwhoogd. geheeten, is weder eene dochter van het Oudof Opperduitsch en ontstaan ten tijde van Luther uit eene vermenging met Nederd. elementen. Men kan dat alles haarfijn uitgerekend en met bewijzen gestaafd vinden in Grimm's Gesch. der deutschen Sprache. Indien nu de genealogie tot de liefhebberijen van den Hoogl. behoort, dan kan ik ZHGel. de lezing van genoemd werk aanbevelen. Volgt ZEd. dien wenk, dan bestaat er kans dat hij, de Germ. taalfamilie op nieuw met een bezoek vereerende, de kleindochter niet weder voor de grootmoeder en de oudtante voor de zuster zal aanzien.
De luim, waarin wij den Hoogleeraar zoo even aantroffen, begeeft
ZHGel. zoo spoedig niet. Loutere scherts is het, als hij mij schijnbaar duchtig
doorhaalt over mijne spelling van het Friesche woord tsjettel. Om den
leerling in het geheugen te prenten, dat de e in ketel zacht is,
had ik gezegd, dat dit woord in het Friesch tsjettel met eene korte
e luidt. Ik had ook op hd. Kessel, en op Goth. katils of
Onoordsch katill kunnen wijzen, wier a de zachtheid der e
insgelijks aantoont; maar ik wenschte nu en dan onze Friesche landgenooten te
doen opmerken, dat ook hunne taal dikwijls kan strekken om de spelling van het
Hollandsch te bepalen. De Heer
T.R. neemt mij oogenschijnlijk dat misbruik van zijn
Friesch kwalijk; ‘Waarom,’ vraagt hij, ‘heeft Schrijver maar
niet liever op het Hoogd. Kessel gewezen?’ Doch daar zit het hem
eigenlijk niet; ik had die s niet mogen gebruiken. ‘Men zegt tjettel, en tjerke voor kerk, tjiez voor kees (kaas) en tjenne voor kerne (karn); en men spreekt de tj in die woorden even zoo uit, als ieder dat doet in tjalk, tjilp en getjilp.’ Even te voren, blz. 47, zegt ZHGel. ‘dat ik eisch dat men ook nog bekend is met het Friesch, met het Boerefriesch, dat zoo weinig bekend en ook zoo gemakkelijk niet te leeren is; dat men er meer van moet weten dan de schrijver, die toont, dat hij er al heel weinig af weet, en zelfs de uitspraak niet kent.’ Zou men niet zeggen, dat alles de grootste ernst was, en dat de Hoogl. over mijne onkunde eene wrevelige bui had gekregen? En toch, schijn bedriegt ook hier; er is geen enkel woord van gemeend. Dit ziet men terstond daaraan, dat Rec. zijne bedoeling met ‘het Friesch’ door de bijvoeging van ‘het Boerefriesch’ buiten allen twijfel stelt.’ Immers de stedelingen zeggen wel Tjerk, Tjalling, Tjum, tjalk, tjilpen, maar die worden hier niet bedoeld. Zij konden trouwens ook niet bedoeld worden, want zij spreken en verstaan zelfs het Friesch doorgaans niet. Zij hebben een sterk gewijzigd dialect van het Hollandsch, ‘niets anders dan Noordhollandsch met provinciale uitspraak en eenige provincialismen,’ zegt Recens. op blz. 49 zelf. De Hoogleeraar had dus wel het oog op de rechte personen, op de boeren, de eenigen die het Friesch spreken. Doch hoe zouden zijne woorden ernstig gemeend kunnen zijn? Immers gedurende mijn veertienjarig verblijf op het platteland van Friesland heb ik de landlieden nooit anders dan tsjettel, tsjerke, tsjenne, tsjoene, tsjiiz hooren uitspreken; en mijne ondervinding komt overeen met het beweren van Dr.J.H. Halbertsma. Deze geleerde, dien de Friezen zelven voor een der beste kenners hunner taal aanzien en aan wien het Fr. Genootsch. in 1834 de taak opdroeg om de spelling te regelen, schrijft in zijne ‘Friesche Spelling,’ voorkomende in het Friesche Jaarboekje van 1834, op blz. 41: ‘Gijsbert Japicx en allen die na hem kwamen hebben zeer gedwaald met tj voor tsj te schrijven. Indien zij hunne eigene tong een oogenblik geraadpleegd hadden met te vragen, hoe tjennen, teenen en karnden, in de uitspraak onderscheiden werden, zouden zij tsjernnen voor karnden en tjennen voor teenen ten antwoord gekregen hebben. Bij geluk heeft Gijsbert een enkelen keer goed gespeld, met tzjerl, beste maat, te schrijven; maar meestal heeft hij de z of s in het schrift, gelijk de Frieschsprekende Hollanders in de uitspraak vergeten. - De ouden hoorden die s duidelijk in hun tsiake, kaak, ons tsjaek, in hun tsierke, ons tsjerke, kerk. Hieruit verbetere men alle die woorden die bij G. Japicx tj hebben - tsjien, tsjettel, tsjok, tsjilpje, enz.’ Ik was dus in het geheel niet verontrust, maar toch wel eenigzins
verwonderd, en wist niet zoo terstond hoe ik het met Recensent had, totdat ik,
verder lezende, bemerkte dat ik hier met eene loutere geestigheid had te doen,
met eene onschuldige grap om den Heer Halbertsma en mij voor een
oogenblik een doodelijken schrik op het lijf te jagen. Voor een oogenblik
evenwel maar; want de Hoogleeraar laat terstond volgen: ‘Die tj is
niets anders dan de palatale t, de verhemelteletter t, die men
ook in het Sanskritsch en andere talen heeft, en ook daarin met de k
verwisseld wordt.’ - Nu was ik in eens op de hoogte, en zag tevens, dat
Rec. eerlijk genoeg was om alles terstond weder goed te maken. Heel juist was
zijne uitdrukking wel niet, maar de bedoeling was kenbaar genoeg. De Sanskr.
Gramm. toch spreekt niet bepaaldelijk van ‘een palatale t,’
maar van eene rij van vijf of zes medeklinkers - er behoort ook eene s
toe - die zij eenvoudig palatalen noemt; en de eerste dier letters, de
tsjakâra, wordt evenzoo uitgesproken als de beginletters van
tsjettel en tsjerke. De benaming van ‘palatale
t’ is daarom af te keuren, omdat zij niet uit t, maar uit
k ontstaan is. De t in natie, executie en in het Friesche
tjennen (teenen) zou men veeleer eene palatale t kunnen heeten.
Dit zal dan ook wel de reden zijn, waarom de grammatici de bedoelde letters
eenvoudig palatalen noemen, en, als onderscheiding noodig is, van de
palatale tenuis, media, enz. spreken. Intusschen, met zijne laatste verklaring brengt de Hoogl. alles te recht; want de uitspraak der tsjakâra wordt door de Eng. ch in church, door tsch in het Hd. Kutscher en door tch in het Fransche hatchis voorgesteld. Wij Hollanders kunnen dien klank met ons letterschrift niet volkomen juist afbeelden; maar tsj komt er kennelijk dichter bij dan tj, en verdient in allen gevalle de voorkeur, omdat wij gewoon zijn deze letterverbinding in tjilpen, koetje enz., en de Friezen zelven in hun tjennen (teenen) en tjimje, anders uit te spreken 7) . Die kleine attentie, van opheldering te geven en gerust te stellen, heeft ZHG. niet, als hij mij anderhalve pagina lang over iets anders kapittelt. Op blz. 48 lees ik: ‘Hoe oppervlakkig en gebrekkig de Schrijver met de uitspraak van het Friesch bekend is, kan ook daaruit blijken, dat hij § 118, waar hij spreekt over de spelling met ij in de woorden, die in het Engelsch of Friesch i hebben, onder de voorbeelden schrijft “bij, friesch bi,” en “mij, fr. mi.” Maar in deze woorden.… wordt de ij niet eenvoudig als een i uitgesproken, maar zóo, dat een Hollander niet anders hooren kan, of de Friesch spreekt de ij evenzoo, als hij dat zelf doet.… De klank, die hij [de Fries] bij de uitspraak van mij in de mond vormt.… is een korte scherpe i, zooals in wil.… een i, die door de medeklinker j afgebroken en afgesloten wordt enz.’ - Waar is het, dat de Friezen, zooals de Hoogleeraar te recht aanmerkt, net als andere menschen, met den mond spreken, en niet alleen de ij, maar ook alle andere klinkers ‘in de mond vormen’ - eene veertienjarige ondervinding maakt, dat ik daarvoor in durf staan - maar ZHGel. geeft zich hier het voorkomen van niet te weten, dat het Friesch dialecten heeft, het eene |
7) Reeds in het Oudfriesch gevoelde men de
onmogelijkheid om dien klank juist voor te stellen, en vandaar de zonderlingste
spellingen. Ons kaak vindt men geschreven: ziake, tzake, sthiahe;
kerk - sziurke, tsiurike, sthereke; kaas-tzyse en ztyse, waaruit
duidelijk blijkt, dat men ook toen een zweem van eene s
hoorde.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
beter en zuiverder dan het andere. Zoo komen b.v. de dialecten, die in de zoogenoemde Wouden worden gesproken, nader aan het Oudfriesch, en aan het algemeen Oudgermaansch, dan de tongvallen, die in de kleistreken heerschen, waarin ook Britsum ligt. In de Wouden zegt men bi, hi, wi, mi, si; en het voornw. van den 2den persoon luidt daar, naar voorvaderlijk gebruik, nog du (doe). Op de Klei echter zegt men bij, hij enz. en dou, welk verschil soms tot scherts aanleiding geeft. Nu zal men het wel natuurlijk vinden en billijken, dat ik mij liefst niet op den meest bedorven tongval beroep, vooral niet wanneer dat beroep, zooals hier, mij niet zou baten. Hooren wij ten overvloede Dr. Halbertsma op blz. 11 zijner Friesche spelling. ‘Sommige dialecten zeggen nog, en behooren te blijven zeggen: di, u, mi, mij, si, zij, enz.’ Recensent achtte zeker de ware gesteldheid der zaken te veel van
algemeene bekendheid, dan dat hij het noodig oordeelde den lezer te doen
opmerken, dat hij hier eene waarheid zeide en eene waarheid verzweeg om zich
met den lezer en mij wat te kunnen vermaken. Misschien ook zag de Hoogl. hier
geene geschikte gelegenheid om nieuwe bewijzen van zijne kennis van het
Sanskrit te geven. Nu mag ik wel wat vroolijkheid; ik kan ook wel scherts
verdragen, en neem daarom ZHGel. zijne onschuldige boert geenszins kwalijk.
Doch - wat ik omtrent niet zeggen durf - ik vind het bijna een klein weinigje
indiscreet, dat ZHGel. in de meening verkeert, dat ieder ander met dezelfde
jeugdigachtige lichtzinnigheid met de wetenschap speelt en solt. En zoo denkt
ZHGel. kennelijk. Ook bij hem geldt: Alle harten bij zijn eigen; men ziet dat
al aan het begin der recensie. De Heer
T.R. meent, dat ik de eerste invallende gedachte de
beste zoo maar zonder onderzoek in mijn boekje heb neêrgeschreven.
Oordeelt zelven, Mijne Heeren. Mijn eerste hulpregel voor het onderkennen van
de natuur der e's luidt aldus: ‘De opene of lange e is
zacht in woorden, waarnaast vormen van dezelfde of nagenoeg dezelfde beteekenis
bestaan, in welke eene a of i voorkomt. Uitgezonderd zijn heet - hitte en leeder, leêr - ladder.’ Die regel is gegrond op de opmerking, door mij reeds in 1845 gemaakt, dat de zachte e's uit i's of a's zijn ontstaan, en dat onze hedendaagsche taal nog wel woordvormen bezit, waarin de ‘Urvocal’ naast de e heeft standgehouden; b.v. in stad naast steden, stedeling, besteden; in schip naast schepen, schepeling, inschepen enz. Deze regel kon m. i. de spelling van een aantal woorden leeren kennen. Ik had echter tevens twee woorden opgemerkt, waarin de ee uit ai, later ei geworden, ontstaan was, waarnaast twee kennelijk verwante met i en a bestonden. Ik rekende mij dus verplicht die als uitzonderingen op te geven; natuurlijk niet, voor ik volkomen zeker was; en dat was ik, toen ik opteekende. Heet luidt in sommige streken van ons vaderland nog heit, b.v. in Gelderland. In mijne jeugd kon men te Arnhem in den herfst, na het inoogsten der boekweit, warm boekweitenbrood hooren uitventen met het geroep: Haal heit boekendenbrood! haal heit!; mogelijk is dit nog zoo. Bovendien al onze taalkundigen, Plantijn, Kiliaan, Ten Kate, Lelyvelt, Weiland, Siegenbeek, Bilderdijk, Alberdingk Thijm, verklaren de e in heet eenparig voor scherp, niettegenstaande het woord hitte slechts eene i heeft. In de verwante talen treft men hetzelfde verschil van vocaal aan: in ohd. haiz, heiz en hiza; nhd. heisz en Hitze; onrd. heitr en hiti; ags. hât en heat; eng. hot en heat. Men ziet, ik had mij behoorlijk vergewist; wat wil men meer? Maar het heeft mij niets gebaat in het oog van Recensent. Dat alles doet bij hem niets ter wereld af; de e in heet is zacht, omdat men in het (Nieuw-)Friesch hît, hiit uitspreekt met eene zuivere i, niet ‘hîet.’ De Heer T.R. is niet altijd even vast op de uitspraak van het Friesch en schrijft bv., blz. 47, tjiez (kaas) met ie, voor tsjiiz met de zuivere lange i; waaruit een kwaadwillige zou kunnen afleiden, dat ZHGel. het onderscheid tusschen tsjiizje, kaas maken, en tsjîezje, kiezen, niet kende; hier echter heeft hij werkelijk vrij goed gehoord. Men zegt inderdaad bijna algemeen hiit, doch evenwel niet uitsluitend; men spreekt ook hîet en zelfs hièt of bijna hjet uit, ik heb dit nog dezen zomer op een warmen achtermiddag gehoord van een man, naar ik meen, uit Opsterland. Dit verschil zou reeds voor een bloot liefhebber een spoorslag zijn om eens in het Oudfriesch te gaan kijken, ten einde te weten bij wie hier het gelijk is, bij de meerderheid of bij de minderheid; hoeveel te meer zou men dit verwachten van iemand, die voornemens is een ander à propos de cela de ooren te wasschen en dus gevaarloopt zich aan het water de vingers te branden. ZHGel. heeft dit echter niet gedaan, en spreekt zelfs volstrekt niet van het Oudfriesch, noch hier noch elders. Heel verstandig vind ik dat volslagen stilzwijgen niet - de booze wereld denkt al gaauw, dat die taal buiten den kring der kennis van ZH. Gel. ligt, wat voor een Friesch taalkundige, die zulk een onbepaalden afkeer van ‘oppervlakkigheid’ heeft, niet heel pleizierig moet zijn. Hoe het zij, zeker is het, dat Recens. die taal hier niet heeft geraadpleegd; want zij schrijft niet hît noch hyt, maar hêt 8) met dezelfde lange ê, die ook in ên, bên, stên, mêne voorkomt, welke woorden thans îen, bîen, stîen, gemîen luiden. Men ziet dus, die hîet uitspreken, hebben het aan het rechte eind; hiit is eene bedorven uitspraak, die derhalve niet in rekening mag komen en niets afdoet tegenover het eenparige getuigenis der overige talen en der taalkundigen. Naar aanleiding van mijne tweede uitzondering redeneert de Heer T.R. ook al eenigzins vreemd. De bestemming van mijn boekje bracht mede, dat ik de spelling van leêr, leêren opgaf en de scherpte der e bewees door te zeggen, dat men hier eene zamentrekking had, even als in onweêr, teêr, neêr en andere. Ik was dus genoodzaakt om den wille van het thans gebruikelijke leêr ook het verouderde grondwoord |
8) Bij voorb. in de Algem. wetten van
Westerlauwersch Friesland, art. 14: ‘om dat de camp is dera fijf
ordela godes ên, dera trina hêta, ende dera twira
caldera’ ‘omdat het kampgevecht is een der vijf godsoordeelen
(ordalia), der drie heete, en der twee koude.’
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
uit te schrijven. Moest ik dit nu verkeerd of goed spellen? In het laatste geval was leeder de eenige schrijfwijze, en dit maakte dus eene tweede uitzondering uit, want het woord ladder stond er naast. Kon ik nu van dat woord zwijgen, zonder mijnen regel tot eene onwaarheid te maken? Recens. zou er wat luchtiger over heen zijn geloopen: ‘En waartoe moet hier die tweede uitzondering van leeder - ladder toch dienen? Het woord leeder voor ladder is immers in het Hollandsch niet in gebruik; men heeft het dus niet te spellen; en leer of leêr, is immers door zamentrekking ontstaan uit ledder, zooals men in Friesland en andere gewesten, ook wel in Holland (?) voor ladder zegt. En waar heeft de Schrijver dat leeder vandaan? - leeder is een Vlaamsch woord.’ Zou men niet zeggen, dat de man wat gemelijk was, omdat ik zijn Friesch ledder miskend had? Ik wil hem evenwel beleefd vragen, of de Statenoverzetting des bijbels Nederlandsch is of niet. Zoo ja, dan is leeder ook goed Nederl., want daar komt het in voor, Gen. 28, 12, in het verhaal van Jakobs droom. Doch eigenlijk behoefde ik die moeite niet eens te nemen; immers indien leêr goed Hollandsch is, dan moet leeder het ook wel geweest zijn, want leêr kan wel eene zamentrekking van leeder, maar wel niet van ledder wezen; eene dubbele d wordt immers niet uitgestooten. Wie heeft ooit gehoord van beên, weên en reên voor bedden, wedden en redden? van paân en zwaâr voor padden en zwadder; of van toôn en voôn of muun en schuun voor todden, vodden, mudden en schudden? Ler van ledder, dat had nog kunnen gaan, maar zoo spreken wij nu ongelukkig niet. Siegenbeek zwijgt hier en geeft alleen ladder en leer op; maar volgens Plantijn, Kiliaan, de Statenoverzetters en Weiland is de e in leeder scherp, in overeenstemming met het hd. Leiter en Van der Schuerens ‘Leyder dayr men op klympt.’ Dit doet evenwel niets af; de Hoogl. meent desniettemin, dat de e zacht is, als zijnde uit i ontstaan; en ZHGel. beroept zich op eene afleiding, die hem ‘veel waarschijnlijker’ voorkomt, dan de meest bekende. Kiliaan achtte leeder afgeleid van ‘leeden sive leyden, quod adscendentem ducant et dirigant.’ Weiland houdt dit voor niet onwaarschijnlijk. En inderdaad in de voorstelling van eene leêr als een ding, dat iemand leidt of brengt, waar hij zonder hulp niet komen kan, ligt niets ongerijmds. Dit laatste zou ik niet durven beweren van de gissing des Heeren R. Nadat ZHGel. Weiland's gevoelen heeft opgegeven, laat hij, blz. 40, volgen: ‘veel waarschijnlijker is de afleiding van liden, dat langs gaan beteekent, en dan is ei in het Hoogd. uit een i ontstaan, even als in weiter, voor het Friesche wider, Holl. wijder.’ - Ik zwijg maar van de erbarmelijke verwarring der lange î, die nndl. ij, nhd. ei heeft opgeleverd, maar nooit e wordt, met de korte i, die op het einde eener lettergreep altijd in e overgaat; zooals wij kunnen zien uit oudsaks. lîden, lijden, en gilidan, geleden; uit wîder, wijder en withar, weder. Met zulke kleinigheden houdt Recensent zich niet op. Wij weten nu eenmaal, dat de Hoogl. niet t' huis geeft, als men aanklopt met dingen, die men alleen door taalvergelijking weten kan. Ik kom dan ook alleen op den gedachtengang, die kan bij iedereen gezond wezen. Het bedoelde liden had eene lange i en luidt nu lijden. Het beteekende in het Mnl. gaan, voorbij gaan, langs gaan, gelijk nog blijkt uit verleden, hd. vergangen, en uit overlijden, overgaan in een ander leven. Lijden, liden was dus in de opvatting van gaan intransitief, onzijdig. Indien dus onze brave voorouders van dat liden het woord leeder hadden gevormd, dan zouden zij zich eene leêr hebben moeten voorstellen als een ding, dat zelf gaat, ergens langs of voorbij gaat. Deze voorstelling nu is misschien zeer poëtisch, maar waarschijnlijk komt zij mij niet voor. Ik zou daarom in geen geval Recensents afleiding zoo ‘veel waarschijnlijker’ kunnen vinden dan die van Kiliaan. Gelukkig echter behoef ik over dit punt met ZEd. niet te kibbelen; het zal geene oorzaak van vijandschap tusschen ons worden. Het is al erg genoeg, als men moet harrewarren over iets dat men voor waar houdt, maar te twisten over den graad van waarschijnlijkheid van twee gevoelens, die beide glad verkeerd zijn, dat zou al te gek wezen. Eer ik echter op dat punt kom, moet ik eerlijk zijn en ook het goede erkennen, dat in Recensents redeneering ligt. Volkomen waar is zijne conclusie: ‘en dan is de ei in het Hoogd. uit eene i ontstaan.’ Voor den taalkundige staat dit zelfs zoo vast als b.v. het volgende: en als dat alles zoo is, dan is deze mosch uit een ei gebroed; eene gevolgtrekking, waartegen wel niemand, zelfs geen ontaalkundige, eenig bezwaar zal hebben 9) . Wij behoeven ons, gelijk ik zei, over geene van beide afleidingen te bekommeren, ze zijn alle twee niet goed. Kiliaan's vergissing kan ons niet verwonderen, hij kon het wel niet beter weten. Een ‘goed taalkundige’ van dezen tijd echter - een titel, waaraan de Hoogleeraar te recht groote waarde hecht -, bekijkt een woord, waarvan hij de afleiding zoekt, van alle kanten, van voren en van achteren even goed als in het midden. Als het een substantivum is, vraagt hij ook naar het geslacht, en in de eerste plaats naar den oudsten vorm. Van dat alles is hier door den haast niets gebeurd. Reeds het geslacht toch wraakt die beide afleidingen. Leeder, leer, ladder, Leiter, - ledder zelfs - zijn vrouwelijk. Zij zijn dat altijd geweest, reeds in het Ohd., Ags. en Oudfriesch; aan een verloop van het geslacht valt hier dus niet te denken. Doch, indien het woord van een ww. was gevormd door achtervoeging van -er zou het dan niet mannel. moeten zijn, even goed als snuiter, stamper, trekker enz.? Dit komt dus al niet goed uit en doet het ergste verwachten. De oudste vormen van leeder weêrspreken die afleiding dan ook geheel. Zij beginnen met hl, terwijl noch leiden, noch liden of lijden ooit eene h (ch) tot beginletter gehad heeft. De Hoogl. zou dit reeds uit het Oudfriesch hebben kunnen |
9) Alle Hd. ei's zijn uit i
ontstaan, zoowel die, waaraan de Nederl. ij beantwoordt, als dezulke,
die ook bij ons ei of ee luiden; de eerstbedoelde zijn de
1ste, de laatstbedoelde de 2de Vocalsteigerung der
i. Zie noot. 6.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
leeren, indien hij bij deze gelegenheid maar aan die taal gedacht had. Dit zei hladder en hleder, zie de Hunsingoër keren, art. 71, en de Emsiger domen. a. 46. Het Ofri. kende dus ook al de beide vormen. Het Ohd. zei hleitara, het Ags. hlaedre; waaruit vooreerst volgt, dat in het oorspronkelijke woord de tweeklank ai voorkwam, en dat de e dus scherp is; en ten tweede, dat men ten behoeve der afleiding naar een subst. of adject. heeft te zoeken, dat met hl begint. Zoodanig een treft men in het Ags. en Ond. hlidh, ohd. hlita aan, dat hellend beteekent, waarvan een collectivum hlidhu, heuvels en hellingen. Het begrip van hellend en hoog past vrij goed voor eene ladder, zoodat dit hlidh waarschijnlijk wel het stamwoord is. Leeder en ladder zouden in dit geval beide door vocaalversterking zijn gevormd; vergel. noot 6.
Men ziet, dat de Hoogl. wel wat luchtigjes en vluchtigjes over de dingen heenloopt. Nu benijd ik ZHGel. zijne methode in het geheel niet, doch zou het toch prettiger vinden, indien hij vrijzinnig genoeg was om een andersdenkende niet te veroordeelen, wanneer deze wat bezonnener te werk gaat en de dingen eerst goed onderzoekt, voor hij oordeelt. In andere gevallen eischt de Hoogl. eene accuratesse, die overdreven
is en haast in het gekke loopt. Als een zoöloog eens zei: Alle
welgeschapen menschen hebben twee handen, behalven de kippen, die er in het
geheel geen hebben, dan zou men al licht vragen, of de man met molentjes
liep. En nu wil de Hoogl. mij met geweld twee zulke molentjes in de handen
drukken. De bedoeling evenwel is goed en prijselijk. Het is bij de beoordeeling
van mijn tweeden regel, dat de Heer T.R. zich zoo mededeelzaam betoont. Die
regel luidt: ‘De opene e is zacht in ongelijkvloeyende ww. behalve
in heeten en in het enkelv. van enz.’ Recens. vraagt blz. 41:
waartoe moet die uitzondering van heeten dienen? dit is immers in ons
Hollandsch niet ongelijkvloeijend - in het Hollandsch, dat iedereen te
schrijven en te spellen heeft, is het gelijkvloeijend. Om algemeen verstaanbaar
te zijn had de schrijver ten minsten zoo moeten schrijven: ‘behalven in heeten, ofschoon dat oudtijds ook ongelijkvloeijend was.’ Ik ben oprecht dankbaar voor den welgemeenden raad, doch heb mij nog niet kunnen overtuigen, dat ik, aangenomen heeten was werkelijk als gelijkvloeyend te beschouwen, er dan melding van had moeten maken; ik zou denken dat ik er dan geheel van had moeten zwijgen. Doch een Recensent weet de zaken, die hij beoordeelt, steeds beter dan een schrijver; daarom zal ik wel ongelijk hebben. Maar dan kan een geneesheer ook niet langer volstaan met te zeggen: Van ditzelfde drankje moeten alle drie de zieken innemen; om verstaanbaar te zijn, zal hij er voortaan moeten bijvoegen: behalven de gezonden, ofschoon die ook jaren geleden ziek zijn geweest. Op blz. 43 krijg ik, bij gelegenheid van het ww. scheiden, denzelfden wijzen raad. Ge zult erkennen, Mijne Heeren, dit is de zorgvuldigheid en goedhartigheid tot het uiterste gedreven. Dingen, die men niet als uitzonderingen beschouwt, toch als uitzonderingen te willen opgeven, twee logische bokjes te schieten en zich de calange te getroosten, alleen met het menschlievende doel om anderen voor misvatting te behoeden, het is eene ongehoorde edelmoedigheid. Ik geloof, dat het aangevoerde toereikend is om de wetenschappelijke
waarde der recensie en den daarin gevolgden redeneertrant te doen kennen; nu
een proefje van Recensents naauwgezetheid bij het doen van opgaven. Cijfers,
zegt men doorgaans, bedriegen niet; men moge het bij het redeneeren en
gevolgtrekken zoo naauw niet nemen, bij het opgeven van getallen is men getrouw
en naauwkeurig. Die stelling gaat niet door, dat ziet men hier. Ik heb mijn
boekje betiteld: De Nederl. spelling onder beknopte regels gebragt; om
de juistheid van dien titel te laten uitkomen zegt Recens. ‘dat mijn
boekje uit een aantal van 250 (zegge tweehonderd en vijftig) dikwijls vrij
lange Regels bestaat.’ Die opgave is niet juist. De eerste druk
bestond uit 274, de tweede uit 296 §§ en de derde telt er 322. Maar
die §§ zijn niet alle Regels, veel minder spelregels. Het
aantal spelregels bedraagt maar 24: 3 algemeene, 10 voor het gebruik der klinkers, en 11 voor dat der medeklinkers. Rekent men er de 37 regels bij, die strekken om de natuur der woordklanken te leeren kennen, maar die geene spelregels zijn - het spellen toch onderstelt de kennis van het te spellen woord - dan komt men op 61 regels. De overige 260 §§ bevatten definities, ophelderingen en zaken, die in eene gewone spraakkunst buiten het hoofdstuk ‘Spelling’ behooren geleerd te worden, maar die ik voor mijn doel een weinig anders moest voorstellen. Een aantal andere onnaauwkeurigheden laat ik voor het oogenblik onaangeroerd, de gelegenheid om ze te rectificeeren zal zich later wel voordoen. Ik mag dezen brief echter niet eindigen, Mijne Heeren, zonder u beleefdelijk verzocht te hebben, den Heer T.R. mijnen dank over te brengen voor de groote moeite, aan de recensie besteed, en ZHGel. de verzekering te geven, dat zij voor de wetenschap niet vruchteloos zal zijn. In het bijzonder dank ik den Heer T.R. voor zijne juiste opmerking betreffende het woord dozijn. Met anderen meende ik, dat wij het uit het Fransch hadden overgenomen, en dat de analogie daarom de spelling dozein vorderde. Dit was verkeerd gezien. Het was mij wel niet ontgaan, dat de Fransche ou doorgaans oe oplevert, bv. in groep, troep, koets, toets, fr. groupe, troupe, couche, touche, zoodat douzaine bij ons doezein had moeten worden, doch ik wist er geen anderen weg op. Het middeleeuwsch Latijnsche docenus-,-a,-um, voor het classieke duodecenus, was mij onbekend gebleven. Die middeleeuwsche vorm echter heldert alles op; hij verklaart de o in de algemeene uitspraak en de i in het provincialistische doziin. De spelling dozijn is derhalve geheel in den regel. Ik houd mij ook voor het vervolg voor 's Hoogleeraars aanen
opmerkingen aanbevolen, zonder echter te beloven, dat ik ze terstond zal
beantwoorden. Doch al mochten ze ook alle ongegrond wezen, ik zal ze in
gedachte houden en er bij voorkomende gelegenheden winst mede doen. Het kan
voor eene wetenschap niet anders dan voordeelig zijn, dat de heerschende
vooroordeelen en verkeerde begrippen openbaar worden, men kan dan pogingen aanwenden om ze weg te nemen of te verbeteren. Ik eindig Mijne Heeren, met u de verzekering aan te bieden van de hoogachting, met welke ik de eer heb te zijn,
Leiden, October 1862. UWEd. dienstv. dienaar, L.A. te Winkel. |