IETS OVER DE SPELLING VAN HET WOORD STEIGEREN.Antwoord op vraag 36: ‘Waarom wordt steigeren met ei en stijgen met eene ij gespeld?’
Men kan zich van die vraag heel gemakkelijk afmaken door eenvoudig te antwoorden: ‘De ij is oorspronkelijk de lange of opene i, die oudtijds allerwegen dien i-klank had, en thans in een groot gedeelte van ons vaderland werkelijk nog zoo (nog als i of ii) wordt uitgesproken, maar die in andere streken, met name in Holland, zich in een tweeklank heeft opgelost en zoo doende langzamerhand geheel of nagenoeg aan den tweeklank ei gelijk geworden is. Niettegenstaande die gelijkheid of groote overkomst, blijft men de beide klanken in de spelling onderscheiden. Men schrijft daarom met ij de woorden, die voorheen algemeen en thans nog in de bedoelde landprovinciën - welke men kortheidshalve de I-streken kon noemen - eene i hadden of nog hebben. Ei daarentegen staat in echt Nederl. woorden voor ai of voor eg en ag, en wordt gebezigd in dezulke, waarin de ei-klank niet door verbastering uit i ontstaan is. In de zoodanige woorden hoort men in de bedoelde gewesten, even goed als in Holland, ei, niet i. Nu spreekt men in de I-streken wel van een stiigbeugel,
maar niet van het stigeren van een paard; dit heet ook daar steigeren. Ergo: steigeren met ei, niet stijgeren met ij.’ Hoe logisch juist die sluitreden ook zijn moge, ik vrees, dat de geachte vrager met dat antwoord niet tevreden zal zijn. Bedrieg ik mij niet geheel in zijn persoon, dan weet hij alles wat ik daar neêrgeschreven heb, even goed als ik. En toch, hij kan zich met die kennis niet vergenoegen, hij verlangt meer te weten. Zijne woorden zijn eigenlijk een protest, onder den bescheiden vorm van eene vraag ingeleverd. Ik geloof daarom, dat men die vraag ook aldus zou kunnen formuleeren: ‘Is het grammatisch wel te rechtvaardigen, dat men steigeren met ei schrijft, terwijl stijgen eene ij heeft en hebben moet, als behoorende tot de 5de klasse der sterke werkw., die vervoegd worden als bijten, blijven, drijven enz.?’ Het antwoord kan eerst met volkomen zekerheid gegeven worden na een naauwgezet onderzoek aangaande de wetten, die de taal volgt bij de afleiding der werkwoorden van herhaling, waartoe steigeren ten minste in eene zijner beteekenissen behoort. Intusschen mag ik den geachten inzender der vraag niet geheel teleurstellen. Ik zal daarom eerst opgeven, wat een vlugtige blik, van buiten de grenzen op het terreinder frequentatieven geworpen, mij heeft doen opmerken, en vervolgens, wat ik van steigeren zelf weet te vermelden. Het eerste zal de noodzakelijkheid van een ernstig onderzoek dezer werkwoorden in het licht stellen, en komt neêr op de drie volgende punten:
Het zou dus kunnen zijn, dat de ei in steigeren door de beteekenis gevorderd werd en dienen moest om een verhoogd of versterkt stijgen uit te drukken. Misschien zegt wel iemand, dat het steigeren van een paard eene heviger werking is dan het zingend stijgen van een leeuwerik, en dus een voller klank eischte dan ij, toen deze nog als ii klonk. Men bedenke echter, dat steigeren voorheen ook van het klimmen van den moed en van het rijzen van den prijs der koopwaren werd gebezigd, een paar dingen die zich minder geweldig toedragen. Maar zoo redeneerende zou ik het boven bedoelde onderzoek vooruitloopen, ik moet mij bepalen bij hetgeen bekend en zeker is. Van stijgen komt een thans niet meer gebruikelijk causativum
steigen (d.i. doen stijgen). Dit was geheel regelmatig gevormd,
op de wijs van neigen, d.i. doen nijgen, en leiden, d.i.
doen lijden, dit woord genomen in zijne oorspronkelijke beteekenis voor
gaan. Het bestaan van dat steigen (doen stijgen) wordt
bewezen door
Plantijn en
Kiliaan. De eerste verklaart ‘het
water steygen’ door: ‘faire tenir l'eau contremont; sistere
aquam,’ d.i. het water tegenhouden en zoodoende laten rijzen, doen
stijgen. Bij
Kiliaan is steyghen, steeghen, elevare,
d.i. verheffen, naar boven brengen, en steyghen het water, hetzelfde als
bij
Plantijn. Aan het bestaan van dat woord kan dus
wel niet getwijfeld worden. Wij bezitten er bovendien een afleidsel van in steiger, als 't ware het werktuig, dat steigt, dat doet stijgen. Van dit woord komt regelmatig het werkw. steigeren, in de beteekenis van een steiger of eene steigering oprichten. Dit regelmatig gevormde, volkomen onberispelijke steigeren schijnt met het stijgeren van een paard verward te zijn en tot de, naar alle waarschijnlijkheid verkeerde, uitspraak steigeren aanleiding te hebben gegeven. Die verwarring wordt des te verklaarbaarder, wanneer men in aanmerking neemt, dat reeds Plantijn en Kiliaan steigen en stijgen niet behoorlijk uiteen wisten te houden, en dat zelfs Hooft steigen in de beteekenis van stijgen bezigt. Wenschelijk ware het zeker, dat men het stijgeren der paarden en het steigeren der timmerlieden en metselaars door de spelling onderscheidde, daar steigen voor stijgen door niets kan gerechtvaardigd worden en in strijd is met de vormen, die dat woord in alle verwante talen vertoont.
L.A. t. W. |