ZAAKREGISTER.A; een der oorspronkelijke klinkers of grondklanken 159, 294.
Deminutiva, wat 82-86. Dialecten grenzen der Nederduitsche dialecten 236. Nederduitsche dialecten 237. Dordrechtsch dialect 27. Groningsch dialect, zie Spreekwoorden. Markensch dialect 197 vv. merkwaardige dialectische woordvormen â voor ei of ee 197, 198, 199, 203. akelijk 27. jo (jongen) 35, 37. medeen, zoo medeen 39, 120. raamd 41. roopen (roepen) 42. -gie voor -je, -tje, 28, 99, 118. Frequentatieven, hoe gevormd 222. Friesch. uitspraak van ij, 178. uitspraak van tsj, 175. onderscheid tusschen ii en îe 180 Genitief bij woorden die een bewustzijn te kennen geven 13. gedachtig, indachtig 14. bij 199. honderden, duizenden 66. Germanismen bestemmen, in den zin van goedkeuren, geen germ. 23. verzwinden, geen germ. 225. zich roemen van iets (?) 230. Geschiedenis van het Hoogd. 175. van herinneren 1 vv. Grondklinkers, drie 158, 294. Grondklinkers, (verschil in zwaarte der) 304. Grondklinkers, (onderlinge verhouding der) 305. Grondstellingen 294, 304. Guna, wat 171 noot. H, had vroeger de waarde van ch 50, 53. kwam in het Gothisch niet voor 52. Hulpwerkwoord. doen 205. Hypocoristica, wat 83. Morphologie, wat 315. N, natuur en wijze van vorming 315. ontstaat en valt weg 317. aan het einde der verkleinwoorden 95, 115. Onderscheid tusschen iemand iets herinneren en iemand aan iets herinneren 19. herinneren en hd. erinnern 20. herinnering van iets en aan iets 23. bijvoegelijke naamw. en telwoorden 67. steigen en stijgen, steigeren en stijgeren 223. g en gh 307. Oorsprong der tweeklanken 170. der â (aa) 295. der ch 53 der gh 30 der l in hield 292. der s in moest en wist 293. van het achtervoegsel -je of -jen 98. Oorspronkelijke klinkers. hoe te verstaan 158. Personen (grammatische) hun wezen 141. vorm van den 2den persoon van het enkelv. der werkw. 138. Praeposities. aan bij gedenken en gedachtig 14. Spelling. twee partijen ten opzichte der, 57. de verlenging van een helderen klinker door verdubbeling of door e 59-64. in het Nederl. Woordenb. 215. der verkleinwoorden 106-116. van Godt 55. van heet; heete of hete 180. van leeder (leer) of leder 181. van uitgedost 212. van steigeren en stijgeren 221. van uitweiden 188. Spraakkunst. twee richtingen in de, 146. liberalisme in de, 145, 154. conservatisme en reactie 147. Spreekwoorden 241 vv. Suffixen, zie Achtervoegsels. Taal (de) 135. overgang van den vroegeren toestand tot den hedendaagschen 148-151. Taalstudie (vergelijkende) 135, 289. Taaltypen 135. Telwoorden. honderden jaren, duizenden menschen 65. honderd en duizend als substant gebezigd 68. Uitspraak van ai en au in het Goth. 167. ê en ô in het Goth. 295. g en gh 308. h 50 ng 312. φ, χ, θ 51, 208. de Friesche verhemelteletter 175. de Friesche ij 178. Verkleinwoorden. beteekenis en gebruik 82-88. wijze van vorming in het Goth. 92. in het Hoogd. 92. in het Middelnederl. 91. in het Nieuwnederl. 98, 100. welke woorden voor verkleining vatbaar zijn 83, 105, 106. verkleinde adjectieven 105. spelling der verkleinw. 106 vv. Verwerpelijke woorden en zegswijzen. zich aan iets herinneren 20. dit is een spreekwoord, dat ik mij niet herinner ooit gehoord te hebben 70. uitwijden 194. Verwisseling der g en k 310. Vocaalversterking, wat 170, 171 noot. Werkwoorden. vorm van den 2den persoon enkelv. 138. ongelijkvloeyende en gelijkvloeiende 291. Wriddhi, wat 171 noot. |