De Taalgids. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Vierde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1862.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 27]

Het Dordsche taaleigen. bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten,

Door Dr. W. BISSCHOP.

 

Toen ik voor acht jaren te Dordrecht kwam wonen, trof mij het groot aantal woorden en uitdrukkingen, die dáár in gebruik waren, doch welke op vele andere plaatsen van ons land, voor zoo ver ik kon nagaan, niet meer gehoord werden. Alle, die te mijner kennis kwamen, heb ik zorgvuldig opgeteekend en deel ik hier meê, in de hoop dat zij eene kleine bijdrage zullen zijn tot een Algemeen Woordenboek der Nederlandsche dialekten, naar welks bezit allen, die in onze taal belang stellen, reeds zoo lang gewenscht hebben.

 

Akelijk, akelig. Deze oude vorm uit onze vroegere schrijvers genoeg bekend, zie b.v. Kiliaen in v. ackelick; Oudemans Woordenboek op Brederode in het Bijv.; de Nalezing der HH. De Jager en Koenen op het Uitl. Woordenboek op Hooft in De Jagers Archief I, bl. 149 enz. is in de stad Dordrecht en hare omstreken nog zeer gebruikelijk. Weiland geeft dien reeds als verouderd op.

Alewalig of allewalig. Dit woord is alhier in gebruik in de beteekenis dartel, die veel beweging maakt. Het wordt inzonderheid van vrouwen gebezigd. Wat den oorsprong betreft, zal ieder, die de doorwrochte verhandeling van prof.

[p. 28]

De Vries over de geschiedenis en den loop der beteekenissen van het woord aelweerdig, te vinden in het eerste deel van De Jagers Nieuw Archief, gelezen heeft, wel toestemmen dat wij in alewalig een verbasterden afstammeling van aelweerdig aantreffen.

Ook in andere streken van ons vaderland heeft dat oudtijds zeer gebruikelijke woord sporen van zijn bestaan achtergelaten. Zoo vindt men in het Woordenboek tot de Noord-Hollandsche Dialect behoorende, verzameld door Agge Roskam Kool (als H.S. berustende in de Bibliotheek der M. van Ned. L., zie Cat. I, bl. 65) alwerig, alebandig, een mensch die niet weet wat hij wil. Nog wordt aalwerig, dartel, woelig, stoeiziek, in Noord-Holland gebruikt. Zie Navorscher, IV, bl. 193.

An, aan.

Appelteefje wordt het gebak genoemd dat op andere plaatsen wentelteefje heet.

As, als.

Avend, avond.

Bajertmand, baliemand.

Beer is de naam van een soort van vrij groote sleden, die vooral gebruikt worden om hout enz. te vervoeren. Ook het verbum beeren bestaat.

Bennegie, bennetje. Het gebruik van ben voor mand is op vele plaatsen van ons land zoo algemeen, dat het hier geene afzonderlijke vermelding zou verdienen, ware het niet om de verandering van den uitgang van verkleining tje in gie. Deze treft men hier in vele woorden aan. Zoo spreekt men van borregie voor borretje, bordje, nullegie voor nulletje, ruinegie voor ruintje enz. Blijkt het uit deze voorbeelden dat men den uitgang gie voor tje te dezer plaatse gewoonlijk gebruikt achter de vloeijende letters, vroeger bezigde men dien ook achter anderen. Zoo vindt men bij Huygens suchtgien voor zuchtje (uitg. v. Bilderd. I, bl. 153); luchtgien voor luchtje; wijfgien voor wijfje (ald. bl. 155), schuitgien voor schuitje enz.

[p. 29]

Beregten. Dit woord wordt alhier gebruikt van winkeliers, die iemand de waren geven om welke hij vraagt. Hoewel Weiland dit woord in dezelfde beteekenis opgeeft, zoo is toch de meer gewone uitdrukking in Holland helpen. In 's Hage en andere plaatsen zal men b.v. tot een winkelier wel zeggen: help mij wat gaauw, niet gelijk in Dordrecht beregt mij wat gaauw. In den zin van helpen zonder het bijdenkbeeld van een winkel, treft men beregten reeds bij onze oudste schrijvers aan. Tot bewijs strekke deze plaats uit den Walewein, vs. 2611:

 
Soe bevalne met soeten sinne
 
Gode, ende hiet den sciltcnechten
 
Dat si den rudder souden berechten
 
Ende helpen dat hi slapen quame.

Ook in Noord-Holland komt dit woord voor. Men vindt in het boven aangehaalde H.S. van A.R. Kool berechten: helpen, waar geven of verkoopen van winkeliers.

Beuren, gebeuren. De uitdrukking dat kan wel beuren hoort men hier dikwijls. Hoewel Weiland den vorm beuren voor gebeuren opgeeft, is hij echter zeker niet de meest gebruikelijke.

Bevallen. Meer dan eens heb ik hooren zeggen: het bevalt hem niet in den zin van het is niet goed voor hem, vooral wat iemands gestel aangaat.

Blek, blik. Dezen vorm, ook door Weiland opgegeven, treft men behalve in deze stad ook in het 5de district van Zeeland aan. Zie Dr. Van Eck in De Jagerss Archief, II, bl. 158. Ook nog in het Truiersch Dialect. Zie Bormans in De Jagers Archief, II, bl. 365.

Bobbertje bloedworst. Zoo noemt men hier een goeden, eenvoudigen dikken sukkel.

Boeken worden, vooral in de omstreken van Dordrecht, genoemd de gouden of zilveren plaatjes, die de boerinnen aan de beide kanten van het voorhoofd, achter het spiraal vormig hoofdsiersel, dragen. In Noord-Holland heeten die boeken ook wel pooten. Zie de Taalgids, I, bl. 287.

[p. 30]

Bogchelen of pogchelen is eene zeer bekende uitdrukking bij de Dordsche jongens. Het is een hunner spelletjes. Het bogchelen bestaat daarin, dat een jongen krom gaat staan en dat de anderen hem met een bal tegen zijnen rug gooijen.

Boom is de algemeene naam voor de ijzeren bout, waarmeê de blinden gesloten worden.

Boutplukker noemt men in Dord, wat men elders poelier noemt. Dat men bij het geven der algemeene benaming juist den eendvogel uitgekozen heeft, zal wel zijn omdat deze, gelijk Bilderdijk in zijne Geslachtlijst zegt, van ouds de grootste en algemeenste hollandsche lekkernij was. In Breda en omstreken, zijnde het hoenderland bij uitnemendheid, noemt men ze hoender-poeliers of hoenderplukkers. Zie Hoeufft in v.

Boven brengen wordt gebruikt voor iemand naar de gevangenis brengen. De reden dezer uitdrukking is, dat de gevangenis te Dordrecht boven het raadhuis is. Zoo spreekt men in die plaatsen, waar de gevangenis beneden is, van naar beneden brengen. Zie verder Hoeufft in v. gevangen-toren

Braadje, buitenkansje.

Bug, bult. Bucht is hetzelfde woord als bocht en beteekent een gebogen voorwerp van welken aard ook, maar verder bij toepassing een gebogen, gekromden rug, d.i. een bult.

Bunzig, bevreesd, benaauwd. Meer dan eens heb ik de uitdrukking: hij is te bunzig om dat te doen of eene dergelijke gehoord. In denzelfden zin is dit woord ook in Zuid-Beveland gebruikelijk. Zie Nieuw Mag. van Ned. Taalk. II. bl. 219.

Ceelmaker wordt hier de persoon genoemd, die belast is met het opmaken der lijst van de menschen, aan welke het overlijden van den een of ander moet bekend gemaakt worden.

Dijketting. Dit woord komt vooral in de omstreken van Dord dikwijls voor. Men verstaat er door het gras dat

[p. 31]

aan de kanten der dijken groeit en dat ter beweiding van het vee verhuurd of verpacht wordt. Attinge wordt in de oude landregten veel gebruikt in de beteekenis van mondkost voor het vee. Zie b.v. landregt van de Graefschap Zutphen tit. 22, art. 3. In het landregt der Ommelanden 1. VI c. 46, vindt men ook het woord eedland d.i. attingeland. Verder zijn er hunnen oorsprong aan verschuldigd de woorden etgroen en ontetten. Het laatste beteekent: de landen van de attinge van het vee ontblooten. Het simplex etten komt ook in N. Holland voor. Zie het H.S. van A.R. Kool. Etten land met beesten beslaan, beweiden: hiervan etgroen als het eerst afgemaaid is en daarna beweid wordt.

Ook Kil. kent het woord ettinghe; hij vertaalt het met pascua.

Dood over de onderdeur. Door deze zonderlinge uitdrukking bedoelt men hier een soort van lepelkost, bestaande in water met meel, stijfgekookt en gegeten met boter en stroop. Men geeft aan dienzelfden kost ook de niet minder bizarre benamingen glip in, kijk over de heining en slip in.

Draaireuen. Spreekt men in vele oorden van ons vaderland van wentelteefjes, hier heeft de teef hare plaats moeten inruimen voor den reu en is in plaats van het verbum wentelen, draaijen gekomen Men bedoelt er echter hetzelfde gebak mede.

Druilen. Dit woord in zijne algemeene beteekenis van talmen, langzaam te werk gaan genoeg bekend en ook door Weiland opgegeven, wordt door de Dordsche jeugd meer bijzonder toegepast op het zachtjes voortrollen van een knikker.

Dwalm is hier de gewone naam voor hem, dien we op andere plaatsen een soes, een slaper, iemand in wien geen leven zit, noemen. Bilderdijk zegt in het vierde deel zijner Verscheid. dat men in sommige gewesten de benaming dwelmtje geeft, aan hetgeen men elders een malle doeze noemt, dat is iemand die dubt, dweept of verward is. Hij geeft

[p. 32]

echter de afleiding niet op. Misschien is ze te zoeken in walm of dwalm rook, zoodat het alsdan zoo veel zou beteekenen als iemand die beneveld is. Misschien ook staat deze uitdrukking in verband met het verbum dwelmen, dat in de beteekenis van talmen, dralen in Groningerland nog voortleeft. Zie het Mag. van Ned. Taalk. I. bl. 98.

In Gelderland spreekt men nog van een dwalm in de motregen voor iemand, die zich niet helpen, niet te regt kan, onhebbelijk is. Zie de Jagers Taalk. Mag. III. bl. 58.

Emmertje tillen is eene bij het jongere geslacht zeer bekende uitdrukking. Er wordt meê bedoeld het omgooijen van een emmer met water wanneer de meiden aan het schrob ben of spuiten zijn.

Eng, benaauwd was reeds bij onze oude schrijvers gebruikelijk en is het nog in N. Holland. Zie de Taalgids I. bl. 110.

Familiedag. Ofschoon er in dit woord uit een taalkundig oogpunt niets vreemds is, zoo haal ik het toch aan, omdat men het in andere plaatsen van Holland veel minder dan in Dordrecht hoort. Men verstaat er door de op gezette tijden, hetzij eens in de week, hetzij om de twee weken, wederkeerende bijeenkomsten van de leden derzelfde familie. Van deze gewoonte wijken maar zeer weinigen af. Zij geeft, het is niet te ontkennen, eene naauwere aaneensluiting en hecht daardoor de familiën met een sterker band aan elkander, dan in grootere steden plaats vindt. Eene andere eigenaardig Dordsche gewoonte, die elken vreemdeling treft, is deze, dat bij het overlijden van den een of ander, hoe gering in stand hij ook zij, de naaste buren aan weêrszijde en aan den overkant van het sterfhuis, als teeken van deelneming, het gordijn laten zakken of de blinden van één venster sluiten.

Francyntje is de gewone naam van de meestal geruite, bonte omslagen van schriften.

Gaffel groote mond gaper.

Gebeteren. De uitdrukking ik kan het niet gebeteren

[p. 33]

in den zin van ik kan er niets aan doen, niets aan veranderen wordt hier dikwijls gebruikt.

Gebrogt, gebragt. Dit partic. hier nog zeer gebruikelijk komt ook bij onze vroegere schrijvers dikwijls voor. Een paar voorbeelden uit Cats mogen voldoende zijn dit te bewijzen. Zie het Huwelijk (III, bl. 140):

 
Had iemand evenwel een wijf in huis gebrogt,
 
Die was het gansche jaar ontslagen van den togt.

Vgl. verder Ouderdom en Buitenleven VI, bl. 276 enz.

Gehoor. Meermalen heb ik in deze stad hooren zeggen, mijn gehoor is nu toch beter geweest in den zin van men heeft nu toch beter naar mij gehoord.

Genog, genoeg. Reeds Hoeufft geeft in zijne proeve van Bredaasch Taaleigen dezen vorm, als in Dordrecht gebruikelijk, op. Volgens hem, is die ook in Breda en omstreken in zwang.

Gerocht of gerogchen, geraakt. Deze vorm van het verleden deelwoord is bij de minder beschaafde klasse zeer gebruikelijk. Ook in Zeeland komt hij voor. Zie De Jagers Archief II, bl. 62. Vroeger bezigde men als imperfectum van raken den vorm rocht. Zoo schrijft Cats in het Huwelijk (Uitg. bij A. ter Gunne, IV, bl. 79):

 
Een jongen, die een hond eens dapper wilde treffen,
 
Vermits hij voor het huis niet af en liet te keffen,
 
Rocht juist zijns vaders wijf, en, met dat hij het wist,
 
Zoo riep hij tot het volk: ‘het is niet al gemist.

Gerolen, geruild.

Geschreven. Geen geschreven schrift kunnen lezen is een pleonasmus omtrent hen gebruikelijk, die alleen gedrukte letters kunnen lezen. Deze uitdrukking hoort men ook elders. Zie Hoeufft in v.

Gevrogen, gevraagd. Dit participium is ook in Zuid-Beveland in gebruik. Zie Nieuw Nederl. Taalm. II, bl. 210.

Gierelegooijig waar weinig kracht aan is, slap b.v. de soep is zoo gierelegooijig

Glazenklepper is de gewone naam voor een klein drijf-

[p. 34]

tolletje.

Glad geheel en al, b.v. ik heb het glad vergeten.

Gooiarm, slagarm. Kom niet onder me gooiarm, hoort men hier dikwijls.

Gortrommel. Met dit woord bedoelt men een slag tegen de borst. Men geeft hieraan ook wel den naam van drooge borrel.

Graauwe munniken. Zoo noemt men hier die soort van erwten, welke gewoonlijk capucyners heeten. Dit woord is ook elders in gebruik. In het Graafschap Zutphen spreekt men van munnikskappen. Zie Navorscher III, bl. 139.

Gunter is de platte vorm voor ginds. Hij is ook in het 5de district van Zeeland in gebruik. Zie Dr. V. Eck in de Jagers Archief II, bl. 164.

Heet wit is de algemeene naam voor warme kadetjes, krentenbroodjes enz., die in vele huisgezinnen des Zaturdagsavonds gebruikt worden.

Heffen, ten doop houden. Deze echt oud-hollandsche uitdrukking is hier nog in levend gebruik gebleven. Wie moet het kind heffen heb ik onderscheidene keeren hooren zeggen.

Heit is een platte vorm voor heeft. Ook Huygens gebruikt dien. Zie b.v. in Bilderdijks uitgave I, bl. 139.

Heimelijk. Dit woord bezigt men dikwijls in eenen zin, die eenigzins van den gewonen afwijkt. Meermalen toch heb ik hooren zeggen, b.v. ze verdienen heimelijk wat geld, waar men niet zoo zeer bedoelde in het geheim, maar zonder dat men het denkt of weet.

Hoogjes. Onder dezen naam zijn hier ter stede zeer bekend een soort van dikke boterbiesjes. Ze worden zoo genoemd naar zekeren bakker Hoog, die ze of het eerst of het lekkerst bakte.

Hood, hoofd. Deze naam wordt als in Dord gebruikelijk reeds opgegeven door Hoeufft in zijne meermalen aangehaalde proeve. Ook bij oude schrijvers wordt hij dikwijls aangetroffen. Zie de Jager, Mag. I, bl. 253.

Ik. Als eene eigenaardigheid van het Dordsche dialekt

[p. 35]

en waaraan men overal en ten allen tijde den Dortenaar kan herkennen, mogen wij hier niet onvermeld laten, dat zij geregeld achter ik den derden persoon zetten. Bijna altijd hoort men: ik doet, ik heeft, ik gaat enz.

Jengelen, ergens om dwingen. Dit woord wordt vooral van kinderen gebezigd. Weiland geeft het op, doch voegt er beteekenis, noch afleiding bij. Het is het frequentativum van het werkwoord janken, dat voorheen niet in zoo platte opvatting, als tegenwoordig, maar eenvoudig in de beteekenis van hunkeren, verlangen gebruikt werd. Zoo schrijft Cats in zijne Aspasia, VI, bl. 4:

Haar geest vindt vreugd noch lust in al ons buitenleven,
Maar jankt naar stad en hof, niet naar een schapenstal.

Ook in Zuid-Beveland treft men jengelen aan. Zie Nieuw Ned. Taalm., II, bl. 224.

Jo is de hier gewone, verkorte vorm van jongen. De o wordt juist uitgesproken als in het woord of. Als diminutivum gebruikt men joggie.

Judassen, plagen.

Kaar. Dit woord, afgeleid van het latijnsche carus, door Bilderdijk in zijne Verkl. Geslachtlijst aangehaald en door Weiland als geheel verouderd opgegeven, heb ik enkele reizen in de vroeger gewone beteekenis van vriend hooren bezigen.

Kakelen wordt in de meeste streken van ons vaderland gebruikt in den zin van veel praten, met het bijdenkbeeld van zaken die weinig of niets te beduiden hebben. Hier echter bedoelt men er meê hakkelen, stotteren.

Kalegezigten, zaniken. Lig of zit niet zoo te kalegezigten.

Kalis. Dit woord, zijnde de oudtijds gewone benaming voor een kaal en berooid, arm en behoeftig mensch, een die weinig of niets te verliezen heeft, bijna overal in onbruik geraakt, wordt nog heden ten dage door elken Dortenaar gebruikt en verstaan. Bij Cats komt het dikwijls voor. Zoo schrijft hij in den Spiegel van den ouden en nieuwen tijd (I, bl. 191):

[p. 36]
 
Zie! als een hemelsch plaag komt op de aarde dalen,
 
En gaat een schaap, een kalf, een paard, een ezel halen,
 
Of uit een rijken stal of van een schamel man,
 
Die (mits zijn klein beslag) geen schade lijden kan;
 
Gij zult dan niet alleen den kalis hooren klagen,
 
Vermits hij dit verlies onmagtig is te dragen;
 
Gij zult den rijken zelfs zien kwellen zijnen geest.

In de Minneliederen (II, bl. 179):

 
Zoo een kalis trouwt een rijke
 
't Jan, die is er dan wel aan.

Zoo zegt ook in de Huwelijksfuik (IV, bl. 99) eene oude, rijke vrouw tot haren jongen, minder ruim bedeelden man:

 
Maar zoo ik weder hoor, dat gij nog elders vrijt,
 
Zoo raakt gij voor gewis mijn geld en gunste kwijt.
 
Ik zal al wat ik heb aan neef en nichte maken,
 
En gij zult wederom in kalisbende raken.

En eenige regels verder:

 
Gij kwaamt uit kalishoek, zoo naakt gelijk een pier,
 
En deed al menigmaal een maaltijd zonder bier.

Kalkoentje, een kwart flesch wijn, in kleine fleschjes. Weiland geeft dit woord op in de beteekenis van wijnglaasje. Het is nog in andere oorden van ons vaderland in gebruik met name in de provincie Groningen. Zie De Jagers Magaz. IV, bl. 678.

Kannen, kunnen.

Kapestorium, omslag om boeken. Uit het middeleeuwsch latijnsche coopertorium, ontstond het fransche couverture en dit heeft in onze taal aan verschillende bastaarden het aanzijn gegeven. Zoo geeft Kil. in dezelfde beteekenis het woord koffertorie; Bredero gebruikt kapitorye, Moortje bl. 62; Bilderdijk geeft in zijne verklarende Geslachtlijst kapitorie. Dit laatste is ook in N.-Holland in gebruik, zie de Taalgids, I, bl. 113. In Z.-Beveland maakt men er kappetorie van; zie N. Ned. Taalm. II, bl. 224 en in Dordrecht kapestorium.

Karabies, tasch die de meisjes, welke naar school gaan, gebruiken om er hare boeken enz. in te doen.

[p. 37]

Kerswegje. Zeer bekend is bij onze vroegere schrijvers het woord wegge. Kiliaen vertaalt het: massa butyri oblonga, utrimque acuta; butyrum cuneatum in formam cunei coactum; panis triticeus, oblongus. Vooral in den laatsten zin komt het dikwijls voor. Oudemans haalt in zijn woordenboek op Bredero de plaats uit de Jerolimo aan:

Hebje hongher vryer? gaat tot ongsent, snyt ham ende weg of vleys.

Huygens spreekt in zijn Voorhout (I, bl. 97) van nieuwejaersche weggen enz. Te Dordrecht bezigt men nog het woord kerswegge en verstaat er door een soort van brood, dat bij gelegenheid van het Kerstfeest gebakken wordt en dat aan de einden spits toeloopt. Ook in Noord-Holland is het nog in zwang, maar verbasterd in kossewaige. Z. N. Ned. Taalm. II, bl. 226.

Kikkebal noemt men hier den, meestal leeren, bal, waarmeê men naar elkander of naar den muur kikt, d.i. gooit.

Kiestafeltje, snoeptafeltje.

Klaauwgie (klaauwtje, handje) draaijen is eene gewone uitdrukking bij het knikkeren. De liefhebbers verstaan er door met de hand draaijen bij het afschieten van de knikker.

Kletsen noemt men wat op andere plaatsen klikken heet. Zoo is ook in gebruik kletskop voor klikspaan.

Kleppers is de naam van twee houtjes tusschen de vingers genomen, waarmeê de jongens hetzelfde trachten te doen als in de zuidelijke landen met de castagnetten.

Kluiteboer spelen is een zeer geliefd jongensspel. Het bestaat daarin, dat er eenige steenen op elkaâr worden gezet, dat de spelers vervolgens op eenigen afstand gaan staan en dat ze trachten de op elkander gezette steenen met eenen anderen om te gooijen.

Kol, pit. Zoo spreekt men van bruidskol, wanneer men datgene bedoelt, wat in de bruidsuiker zit.

Kommiezen. Dit is hier niet alleen de gewone uitdrukking voor de mindere beambten, die met het waken tegen

[p. 38]

smokkelarij belast zijn, maar men verstaat er, in een ongunstiger zin, ook dikwijls uitzuigers door. Met denzelfden gedachtengang wordt in het fransch het woord fiscal in eene slechte beteekenis gebruikt.

Koornbont, een soort van kapellen. Zoo spreekt ook Le Frank van Berkhey in zijne eerbare Proefkusjes bl. 77. Ziet gij daar de wemelende boterkapelletjes niet vrijen? Zie, o herderin, hoe zij draaijen en kussen: kijk deze knorrende koornbont houd al vliegende zijn weêrga in de pootjes.

Koornwerk is de algemeene naam voor baksel van graan in allerlei vormen. Het komt bij onze oude schrijvers en ook bij Hoeufft in zijne Proeve voor. Cats spreekt in zijne Mengeldichten (II, bl. 320) van brood, pap, brij, koeken en allerhande koornwerk.

Kost als tweede persoon van het imperf. van kunnen wordt, vooral in de omstreken van Dord, dikwijls gebruikt.

Krampjes loopen, krampjes slaan, een kransje loopen zijn hier de gewone uitdrukkingen voor het heimelijk schoolverzuim. De heer De Jager geeft in zijne uitvoerige verhandeling over de verschillende benamingen van die daad, te vinden in zijn Archief I, bl. 185-204, de eerst aangehaalde op als in Dord gebruikelijk. Hij beschouwt ze als eene verbastering van kraampjes loopen en door de tweede hierboven opgegevene wordt zijne gissing zeker vrij waarschijnlijk. De derde schijnt hem onbekend geweest te zijn. Ik vermoed dat kransje daar beteekenen zal een ronden omtrek, eene rondte en dus een kransje loopen wat rond loopen, wat flaneeren.

Krek. Niet ongewoon is de uitdrukking het is krek hetzelfde, waarmeê men eene versterking in den zin van juist, precies bedoelt. Het is naar ik vermoed eene zamentrekking van correct, welk woord men nog in Zuid-Beveland gebruikt. Zie Nieuw Ned. Taalm. II, 220.

Krisdoorn is hier de algemeene naam voor 't geen men elders kruisbeziën kruisbessen noemt.

Kulk, kurk.

[p. 39]

Kussentjes een soort van brokken, die men op andere plaatsen ook babbelaars noemt.

Kwak wordt dikwijls gebruikt in zinnen als de volgende: er zit een kwak aan mijn pen, d.i. haartjes of andere vuiligheid, die in het schrijven hindert.

Kwets is eene uitdrukking van bespotting. De een vraagt b.v. heb je het gezien? de andere zegt: wat? en de eerste antwoordt kwets, 't wordt meestal door het een of ander gebaar vergezeld.

Leesde, las. Dit imperfectum wordt alleen door de zeer onbeschaafden gebruikt.

Leken, lekken. Ook Weiland geeft dezen vorm op.

Letterwijs. Weiland geeft dit woord niet afzonderlijk op, wel onder de zamenstellingen met letter. Ik heb het meermalen hooren bezigen, b.v. hij heeft wel goed zijn verstand, maar hij is nog niet letterwijs, d.i. hij kent de letters nog niet, hij kan nog niet lezen.

Leuk wordt hier, even als op veel andere plaatsen in ons land, niet zoo zeer gebruikt in den eigenlijken zin, als wel in een overdragtelijken. Zoo spreekt men b.v. van een leuke vent; hij houdt zich leuk enz. Deze uitdrukkingen hoort men ook nog in Noord-Holland. Zie De Jager, Taalk Mag. III, bl. 513.

Leut of lut hebben. Bij de minder beschaafden gebruikelijk in den zin van pret hebben.

Lubbert als nitdrukking van minachting voor een sukkel, ziel. Bij Bredero vindt men den vorm lubbeling. Staat hij met lubben, castrare in verband?

Luuk als uitdrukking van minachting voor iemand, in wien weinig geest of leven zit.

Medeen en zoomedeen, b. w. dadelijk. Ook in het 5de district van Zeeland in gebruik. Zie De Jager Archief II, bl. 173.

Minnig, menig.

Minsch, mensch. Zie Hoeufft, t.a.p. in v.

Mormeldier wordt gebezigd voor elk klein hondje, mooi of leelijk.

[p. 40]

Muisjesbellen noemt men hier wat op andere plaatsen belletje trekken genoemd wordt, d.i. ergens aanbellen en dan weg loopen om de meid te vergeefs de deur te laten opendoen. Volgens Hoeuff (t.a.p. in v. rat.) noemt men het in Breda eene rat jagen en elders een muisje vangen of een belletje maken. In Noord-Holland heet het puisjes vangen; te Delft bolkies vangen, te Rotterdam en te Arnhem beldeurtje spelen. Zie de Taalgids II, bl. 120.

Mulver is de gewone naam voor 't geen men elders knikker noemt. Het hiervan afgeleide verbum is mulveren. In Zuid-Beveland zegt men murpels. Zie N. Mag. v. N. T. II, bl. 228.

Nakend, naakt.

Nie, niet. Zeer dikwijls wordt hier ter stede de t op het eind van een woord weggelaten, b.v. Utrech voor Utrecht enz. Zie Hoeufft, t.a.p. in v. nie.

Nou, nu.

Oliejager is de naam die hier aan zulke makelaars in olie gegeven wordt, welke hunne zaken slechts op een zeer kleine schaal drijven.

Ommers, immers. Ook in Breda gebruikelijk. Zie Hoeufft in v.

Onnet met den vollen klemtoon op de eerste lettergreep, zoo zelfs dat het woord dikwijls eenlettergrepig wordt en dan ont luidt. Zoo spreekt men hier van een onte boel, een ont mensch enz. Men bedoelt er meê niet net; het is dus eene zamenstelling van on en net. Het is ook in Breda gebruikelijk. Zie Hoeufft, t.a.p. in v. ont.

Opseuteren is eene uitdrukking uit de keuken. Men verstaat er door, de eene of andere spijs, meestal aardappelen, fijn maken, ze met wat boter besprenkeld in een pot doen en ze dan een weinig laten koken. In Noord-Holland noemt men dit opzudderen; zie de Taalgids I, bl. 290.

Overleggens is eene uitdrukking bij het knikkeren gebruikelijk; als de knikker namelijk bij het afschieten ergens onder rolt, b. v. onder eene kast enz., heeft de speler het regt op nieuw te schieten en noemt dat: 't is overleggens.

[p. 41]

Pansuiker is de gewone naam voor zeer bruine suiker.

Pee meerv. peën is de gewone naam van 't geen men elders penen of wortels noemt. Dit zelfde woord is ook op vele andere plaatsen van ons vaderland gebruikelijk. Zie Mag. van N. T. V, bl. 36; Nieuw Mag. II. bl. 215; De Jager, Archief II, bl. 178. Men spreekt in Dord ook van paardepeën en bedoelt er meê een soort van bijzonder groote penen.

Pit, put. Ook in Znid-Beveland gebruikelijk. Zie Nieuw Mag. van N. T. II, bl. 230.

Pleijen of pleijeren in de beteekenis van keilen, d.i. een dun, plat steentje zóó op de oppervlakte van het water gooijen dat het er over heenscheert en eenige malen op- en verder springt.

Pofkonten is eene minder kiesche uitdrukking, waarmeê men bedoelt iemand met de knie tegen zijne partes posteriores stooten.

Pondgaarder, makelaar in granen. Zie Weiland in v.

Prakken wordt hier gebruikt voor het fijnmaken der aardappelen, hetzij met een lepel, hetzij met een vork. In het reeds meermalen aangehaald H.S. van A.R. Kool leest men dienaangaande het volgende: ‘prakken: het eten, de kost die op tafel staat met de lepel fijner, kleiner maken, dit doet het scheepsvolk op de Groenlandsvaarders onder het zingen of lollen van dit deuntje:

 
“De Koningen van Frankrijk met honderdduizend man,
 
De Staten van Jeruzalem al weêr van voornen an.”

En dit wordt herhaald zoo lang het hun lust.’

In Groningen en omstreken bestaat nog het subst. praksel in den zin van mengelmoes, allerlei eten dooreen. Zie De Jager, Taalk. Mag. IV, bl. 682. In den Bildschen tongval leeft ook het verbum prakken in de beteekenis van omzwieren, b.v. hij prakt den geheelen nacht om. Zie De Jager, Archief IV, bl 65.

Propje schieten, een borreltje nemen.

Raamd, meerv. raamden voor raam, ramen.

[p. 42]

Raagshoofd, raagsbol.

Rijf, hark. Is nog in vele streken van ons land in gebruik. Zie De Jager, Archief II, bl. 182; Mag. van N. T. V; bl. 35; Nieuw Mag. II, bl. 216.

Rijkdom wordt hier in eenen zin gebezigd die door den heer Te Winkel, in zijne uitnemende verhandeling over de woorden met het achtervoegsel dom zamengesteld, niet wordt opgegeven, namelijk in eenen collectieven zin, voor al de rijken of gegoeden bij elkander, zoo als het gebruikt wordt b.v. door V. Lennep in zijne Rom. Werken, 2de uitg. IV, bl. 249.

Ropen als infinitief en geropen als participium voor roepen en geroepen worden in Dord dikwijls gebezigd. Gelijk men weet komen deze vormen bij onze oudere dichters, met name bij Cats, meer dan eens voor.

Salet is de gewone uitdrukking voor voorkamer of zijkamer. In denzelfden zin gebruikt men dat woord ook in Zeeland. Zie De Jager, Taalk. Mag. I, bl. 172.

Scharmoes of schermoes noemt men hier een groote pop van St. Nikolaasgoed. Het zal hoogstwaarschijnlijk eene verbastering van den uit het kluchtspel zoo bekenden Scaramouche zijn.

Scharrelen. Weiland kent dit woord alleen in de beteekenis van sleepvoetend gaan. Hier gebruikt men het in een eenigzins anderen zin. Men zegt b.v. dat iemand reeds lang om een meisje heeft loopen scharrelen d.i. om haar heen gevlogen, haar op publieke plaatsen dikwijls aangesproken, in 't kort haar zijn hof gemaakt, zonder dat het nog tot eene declaratie is gekomen.

Schenden, schelden. De verwisseling der liquidae is, weet men, niet ongewoon.

Schilderen, verwen; schilderswinkel, verwerswinkel, is behalve in Dord ook op Zuid-Beveland gebruikelijk. Zie Nieuw Mag. van N. T. II, bl. 232.

Schoer, schouder. Deze uitdrukking, welke elders slechts door de mindere klassen gebezigd wordt, hoort men hier ook van de hoogere standen.

[p. 43]

Schommel. Weiland geeft als beteekenis van het verbum schommelen o.a. op roeren, schudden. Het substantief schommel bezigt men in Dord in den zin van schudglas voor olie, azijn, enz

Schreuven noemt men hier den afval van uitgebrande steenkolen, waaraan men op andere plaatsen den naam sintels geeft. Daarentegen verstaat men door

Sintels de stukjes blik die tot sieraad of tot geraas aan de hoepels worden vastgehecht.

Slampampen. Kiliaen kent dit woord alleen in de beteekenis van brassen, smullen, zoo ook Weiland. Hier ter stede echter bezigt men het voor slabbakken, langs de straat drentelen. In eenen hiermeê verwanten zin komt dit woord ook op Zuid-Beveland voor: daar beduidt slempemper sukkelaar. Zie Nieuw Mag. van N. T. II, bl. 233. Het afgeleide slampamper evenwel geeft meer de oorspronkelijke beteekenis terug. Men verstaat er een doordraaijer door.

Sjemeloenig. Dit zonderling min of meer Hebreeuwsch klinkend woord wordt hier gebezigd in den zin van sentimenteel en dus vooral op jonge meisjes toegepast.

Sleijen iemand door lang aanhouden iets aftroggelen; fleemen.

Slim. Bij onze oudere schrijvers beteekent dit woord of dolosus, astutus of obliquus, transversus. Tot bewijs kan ik volstaan met het aanhalen van Kiliaan en van Cats. De eerste beteekenis is ook tegenwoordig nog in algemeen gebruik: de laatste is uit de schrijftaal grootendeels verbannen, wel is waar, maar leeft nog in vele streken voort. Zoo ook hier ter plaatse. Menigmalen hoort men de uitdrukkingen die tafel staat slim (= scheef), hij loopt slim enz. Men treft slim in deze beteekenis ook nog in het 5de district van Zeeland aan. Zie De Jager, Archief II, bl. 185. Evenzoo in Noord-Holland

Slingerdeslanger wordt als adverbium gebruikt in den zin van spiraalsgewijs. Het komt ook bij Kilaan voor.

Sloei, de goot langs de straat.

[p. 44]

Slons wordt bij de mindere standen het onderste gedeelte, de rand van een japon genoemd.

Smakken In den zin van gooijen, werpen was dit verbum vroeger in algemeen gebruik. Een paar voorbeelden uit Huygens mogen voldoende zijn om dit te bewijzen. Hij zegt in zijn Voorhout:

 
Dirckgien (hoord' ick strack een' ander)
 
Sel 't dan nummer wese, kind?
 
Smackje staegh een oogh op Sander,
 
En mijn' woordgies in de wind?

En een weinig vroeger

 
Sal ick daer, als op-getogen,
 
Staen aenschouwen 't lange rack
 
Van de vier en veertien bogen
 
Met haer' fellen water-smack?

Tegenwoordig echter is het in die beteekenis door het meer deftige taalgebruik veroordeeld. In Dord evenwel bestaat het subst. smak nog. Meer dan eens heb ik aan de veren de schuitenvoerders, wanneer er moest gedobbeld worden wiens beurt het zou zijn om over te varen, hooren zeggen wie heeft de smak d.i. den gooi. Zoo noemt men smaktol wat op andere plaatsen priktol heet. - Ook op Zuid-Beveland bestaat dat woord nog. Zie Nieuw Mag. van N. T. II, bl. 233. Smakken: Met teerlingen ergens om opgooijen.

Smoesjanken, zaniken, malen. Dit woord zal wel eene verbastering zijn van moesjanken. Zie daarover Oudemans, Uitl. Woord. op Brederoô.

Smoesjes maken, gekheid, praatjes maken, zich met eene aardigheid ergens afhelpen.

Snelletje. Kiliaan kent dit woord reeds in den zin van poculi fictilis, teretis, minusculi genus. Hier ter stede bezigt men het niet zoo zeer in de beteekenis van beker, als wel van kannetje. Men spreekt van een stroopsnelletje, scheersnelletje enz. Zie vooral de breede aanteekening van Hoefft, t.a.p.

Snerken. Ofschoon Weiland dit woord opgenomen heeft,

[p. 45]

zoo is het toch in vele streken van ons land onbekend. In Dord evenwel wordt het door iedereen verstaan. Men bezigt het in actieven zin en bedoelt er meê iets met vet braden of stoven. Ook in Noord-Holland komt het voor. Zie de Taalgids I, bl. 290.

Snippertje (een) van de vorst beet hebben, wat te diep in het glaasje gekeken hebben, min of meer dronken zijn.

Snorwagen noemt men de wagen waarin de lijken vervoerd worden.

Spatje, slokje, b.v. laten we eens een spatje nemen.

Speten, spetten.

Spreken op. Deze vroeger in de regtstaal zeer gebruikelijke spreekwijze in den zin van te vorderen hebben wordt hier nog aangetroffen. Men bezigt ze ook in Drenthe. Zie De Jager, Archief I, bl. 349.

Stijger, een soort van hoofd, dat van de kade afsteekt en in het water uitsteekt. Ook in Noord-Holland gebruikelijk.

Stik, stuk. Deze verbastering is nog in Breda gebruikelijk. Zie Hoeufft, t.a.p.

Stuk als te Dordrecht gebruikelijk in de beteekenis van boterham wordt opgegeven door Hoeufft, t.a.p.

Stikuit. Met eene intensieve kracht wordt stik in meer dan een woord gebruikt, b.v. stikdonker, stikvol enz. Stikuit evenwel in den zin van geheel uit heb ik te Dord voor het eerst gehoord b.v. in de uitdrukking het vuur is stikuit.

Stug, sterk, veel, b.v. de kinderen groeijen stug.

Tafelbord is de naam die aan een zeer grooten tol gegeven wordt.

Taggerijn of tangarijn, of, zoo als Hoeufft in zijne meermalen aangehaalde proeve in v. kleerkooper schrijft, tangeryn wordt hij genoemd, wiens beroep het is oud ijzer, koper enz. op te koopen. Naar den oorsprong van het woord is reeds dikwijls, doch zonder goeden uitslag, gezocht.

Talie, een zestiende gedeelte van een el. Dit woord leeft ook nog in ons spreekwoord: een talie van een haas is eene el van eene kat waard.

[p. 46]

Tijl of teil, nagelbloem.

Tikduitje spelen is de naam van een jongensspel, daarin bestaande, dat men centen [vroeger duiten] met een riem over een met krijt getrokken streep moest slaan.

Toot, slaapmuts.

Triesjakken, plagen.

Uithaal. Weiland kent dit woord niet. Wel geeft hij in zijn Woordenboek op het werkw. uithalen en de hiervan afgeleide zelfst. nw. uithaler en uithaling, maar niet uithaal. Men verstaat er door het schoonmaken in den nazomer.

Van tusschen wordt dikwijls gebezigd in uitdrukkingen als de volgende: ik kan er niet van tusschen, d.i. ik kan er niet buiten, ik kan het niet laten.

Verblijf. Ik weet er geen verblijf meê, d.i. ik weet er geen weg meê.

Vergelden, betalen, b.v. ik kan het niet meer vergelden. Ook Weiland geeft het nog in dezen zin op.

Verhannik of verhans zijn uitroepen van minachting en verwensching, in den zin van valom, stik. Men hoort ze, het spreekt wel van zelf, alleen in de straattaal.

Vetel, veter.

Vruchtballetjes, likeurdrops.

Vuil, valsch, b.v. hij speelt vuil.

Watjeskaauw, muilpeer, oorvijg. Dit woord is ook in Noord-Holland gebruikelijk. Zie de Navorscher, 1857, bl. 321.

Weegscheet, of gelijk men elders zegt strontje, is de minder kiesche benaming die men hier ter stede bezigt voor een puistje, een zweertje aan de oogleden.

Werm, warm.

Worvel, wervel. Deze vorm is ook elders in gebruik. Zie Nieuw Mag. van N. T. I, bl. 237.

Zaddoek. Deze wanklinkende vorm in plaats van zakdoek, wordt, even als in andere oorden van ons vaderland, ook te Dordrecht gehoord. Natuurlijk alleen van de minder beschaafden.

Zemeltrui, zemelknooper.

[p. 47]

Zeug, ook wel platte zeug is de naam die in vroeger tijd gegeven werd aan dat diertje, 't welk tegenwoordig meestal pissebed genoemd wordt. Een paar plaatsen uit Cats, die het tallooze keeren in dien zin bezigt, mogen zulks bewijzen. Hij zegt (fol. uitg. 1712, bl. 525):

 
Het stof dat uyt den vyere stijgt,
 
Het roet dat uyt de schouwe sijgt,
 
Een sleck die van der aerden kruypt,
 
Een seug die van de muyren druypt,
 
Een mug, een vlieg, een vuyle spin
 
Die raeckt er op, of valt' er in.

en bl. 267:

 
Let, als een kraye peeren steelt,
 
Hoe licht dat haer het fruyt verveelt,
 
Sy geeft 'et hier en daer een pick,
 
En siet! dan valt 'et in het slick,
 
En koomt' er dan een naeckte pier,
 
Of eenig ander seldsaem dier,
 
Een soog, een padd', een vuyle sleck,
 
Die meynt het is voor haren beck,
 
En sit dan in haer sap en teert,
 
Zoo dat 'et alle menschen deert.

Nog is dit woord in vele streken van ons land in gebruik in Breda zoowel als in Zeeland en te Dordrecht. Zie o.a. Hoeufft in v. zeug, De Jager, Archief II, bl. 180; Nieuw Mag. van N. T. I, bl. 217 enz.

Zien. Gewone uitdrukkingen hier ter stede zijn: ik zie liever zijne hielen dan zijne teenen, zijn kuit dan zijn knie, d.i. ik zie hem liever gaan dan komen.

 

Naschrift.

Terwijl ik met het corrigeeren der proeven van deze lijst bezig was, maakte een mijner kennissen mij de opmerking, dat er onderscheidene woorden en vooral vormen in waren

[p. 48]

opgenomen, die men geene Dordracismen mogt noemen, aangezien ze ook op andere plaatsen van ons land in gebruik waren. Daar welligt meer personen het met deze zienswijze eens zijn, wil ik ter voorkoming van ongegronde opmerkingen te dezer plaatse meedeelen, dat het van den beginne af mijn idee is geweest, dat in eene dergelijke opgave volledigheid de hoofdverdienste is, dat ik dus alle punten heb opgegeven waarin het Dordsche taaleigen van het gewone afwijkt onverschillig of hetzelfde verschijnsel zich ook elders voordoet of niet. Zooveel het laatste mij bekend was, heb ik in mijne opgave de streken waar men hetzelfde hoort, er bij gevoegd.

 

B.