De Taalgids. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Vierde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1862.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Over de constructie van bijzinnen.

Antwoord op vraag 29: ‘Zijn uitdrukkingen als: Dit is een spreekwoord, dat ik mij niet herinner ooit gehoord te hebben; eene stelling, die het vergeefsche moeite ware te bewijzen; eene hoop, die uwe verzekering mij het recht gaf te koesteren, enz. goed te keuren?’

 

De vraag, of bovenstaande uitdrukkingen zijn goed te keuren, beteekent vrij zeker of de bijzinnen, die ter bepaling van de woorden spreekwoord, stelling en hoop moeten dienen, goed gevormd zijn. Wij willen trachten dat te onderzoeken. Maken wij eerst van de bijzinnen hoofdzinnen: Ik herinner mij niet dat (het spreekwoord) ooit gehoord te hebben. - Het ware vergeefsche moeite die (de stelling) te bewijzen. - Uwe verzekering gaf mij het recht die (de hoop) te koesteren. De woorden dat, die, die komen in de bijzinnen voor, alsof zij als bepalingen behooren bij de gezegden herinner, ware vergeefsche moeite en gaf, terwijl zij bij de onbepaalde wijzen gehoord te hebben, te bewijzen en te koesteren behooren. Men ziet dat de afstand tusschen deze bij elkander behoorende zinleden

[p. 71]

nog al groot is, en dit moet te meer opgemerkt worden, daar zij in den hoofdzin onmiddellijk op elkander volgen. Het kan dus niet verwonderen, dat deze en dergelijke constructies meestal iets zonderlings en somtijds iets duisters hebben, hetgeen gewoonlijk het geval is als bij de plaatsing het verband der zindeelen niet genoeg in acht genomen is. Daarbij komt, dat gewoonlijk een bijzin met zijn werkwoord eindigt, en men dus onwillekeurig bij het werkwoord ophoudt, bijna zeker, dat men het einde bereikt heeft. Wij vinden daarin een belangrijk verschil tusschen hoofd- en bijzinnen. In de eerste staan onderwerp en werkwoord onmiddellijk achter elkander: Wij doen dagelijks eene wandeling, - Dagelijks doen wij eene wandeling. In de laatste staan zij somtijds verre van elkander verwijderd: Gij weet welligt, dat A - sedert geruimen tijd ziek en naar het zeggen van den geneesheer op dit oogenblik niet buiten gevaar - is.

Is men bij de lezing van de eerste der opgegevene uitdrukkingen tot herinner genaderd, dan is men geneigd om te denken, dat de bijzin uit is, te meer, daar een spreekwoord, dat ik mij niet herinner een verstaanbaren zin oplevert. Eerst aan het einde kondigt de infinitief gehoord te hebben aan, dat men zich vergist heeft. Hoe kort die strijd in ons denken ook dure, strijd heeft er plaats, want men moet òf de fout in de voorstelling herstellen òf iets lezen dat men voor geheel overtollig houdt en zich niet verklaren kan. Anders is het met de uitdrukking eene hoop, die uwe verzekering mij het recht gaf te koesteren. Hier levert die uwe verzekering mij het recht gaf geen verstaanbaren zin op. Men weet geen raad met den overvloed van zelfstandigheden, die er in voorkomen. Uwe verzekering gaf mij het recht is goed, maar een nader wie of wat is onmogelijk en toch wordt er nog een bedoeld met die. Het laatste woord, de infinitief koesteren maakt weder een einde aan de verwarring. Men gevoelt dat te koesteren eene bepaling is van het recht en die d.i. die hoop weder eene bepaling van te koesteren.

Nog erger wordt het bij den overgebleven zin Dit is eene

[p. 72]

stelling, die het vergeefsche moeite ware te bewijzen. De overeenkomst met de beide vorige is weder daarin gelegen, dat het woord dat in den hoofdzin als bepaling (object) bij den infinitief staat, daarvan afgescheiden en als betrekkelijk voornaamwoord aan het begin van den bijzin geplaatst is: het ware vergeefsche moeite die te bewijzen en die het vergeefsche moeite ware te bewijzen. Die te bewijzen is het onderwerp en ware vergeefsche moeite het gezegde. Het onbepaalde het duidt slechts even aan, wat door de woorden die (de stelling) te bewijzen duidelijk wordt uitgedrukt; het vervalt ook dadelijk als het onderwerp vooraan geplaatst wordt: die stelling te bewijzen ware vergeefsche moeite, maar blijft het staan, dan verwijst het naar het uitgedrukte onderwerp. Wij hebben nu hier, als wij bij het werkwoord van den bijzin ophouden: die het vergeefsche moeite ware; maar wij loopen weder gevaar, dat wij eene andere voorstelling verkrijgen, dan de spreker bedoelt. In gezegden, die uit het werkwoord zijn en een zelfstandig naamwoord bestaan, A is klerk. - B is een zadelmaker vindt men wel bepalingen, door een ander zelfstandig naam- of voornaamwoord uitgedrukt, maar steeds in den derden naamval: Het is mij een raadsel. - Het is hem een groot voordeel. - Die man is hun een vader. Komen nu zulke zinnen als bijzinnen voor, dan verkrijgen zij bijna de constructie van die het vergeefsche moeite ware, met dit onderscheid, dat wij duidelijk gevoelen, dat het betrekkelijk voornaamwoord een derden naamval heeft of hebben zou, als er een afzonderlijke vorm voor bestond: De eenige, wien het een raadsel is. - Degene, wien het een groot voordeel is. - De weezen, wien deze man een vader is. In ons voorbeeld wordt volstrekt niets van eene betrekking gevoeld, die door een derden naamval aangeduid zou moe ten worden. Er ontstaat dus bij het lezen weder eene weifeling, de vlugge opvatting van het bedoelde wordt voor een oogenblik gestoord, alleen nadat men den infinitief gelezen en met het betrekkelijk voornaamwoord in verband beschouwd heeft, komt de ware bedoeling voor den dag.

[p. 73]

Soms ontmoet men dezelfde moeilijkheid nog op eene andere wijze. In plaats van eene onbepaalde wijs vindt men aan het einde een van den bijzin afhankelijken zin, een bijzin van den tweeden graad. Op deze wijze ontwikkeld worden de opgegeven voorbeelden: Dit is een spreekwoord, dat ik mij niet herinner, dat ik ooit gehoord heb - eene stelling, die het vergeefsche moeite ware, dat men bewees - eene hoop, die uwe verzekering mij het recht gaf, dat ik koesterde. Zoo wordt de moeilijkheid nog grooter. De eerste bijzin bevat iets te veel, de daarvan afhankelijke iets te weinig, en daaruit ontstaat nog gemakkelijker eene verkeerde opvatting. In dat ik gehoord heb, dat men bewees, dat ik koesterde, wordt nu dat - en de constructie verzet er zich niet tegen - voor een betrekkelijk voornaamwoord gehouden, waarvan het antecedent of niet of verkeerd gevonden wordt, om de eenvoudige reden, dat dat hier een voegwoord is. Dit wordt duidelijk als wij de beide woorden dat in den zin plaatsen, waarin zij beide te huis behooren: ik herinner mij niet dat (voegw.) ik dat (voornw.) ooit gehoord heb. Wij nemen de onderscheiding van het tweederlei dat zooals zij tegenwoordig plaats heeft. Vroeger heeft er geen onderscheid bestaan, maar thans bestaat het wel, en het wordt ook duidelijk gevoeld.

Wij kunnen nu overgaan tot de beantwoording van de vraag of zulke, d.i. op de aangewezen wijze zamengestelde bijzinnen, goedgekeurd kunnen worden. Dat zij niet tot de sierlijkste, of tot de eenvoudigste behooren, lijdt geen twijfel, maar ze af te keuren, hieraan zou ik mij niet durven wagen, om twee redenen. Vooreerst vindt men ze bij onze beste schrijvers; ten andere, indien men deze constructie verwerpt, kan men toch niet altijd even goed hetzelfde zeggen, meestal wel: Een spreekwoord, dat ik, voor zooveel ik mij herinner, nooit gehoord heb - dat ik nooit gehoord heb, althans ik herinner het mij niet - dat ik (ik herinner het mij niet) nooit gehoord heb - waarvan ik mij niet herinner, dat ik het ooit gehoord heb - of nog eenvoudiger dat ik bij mijn weten nooit gehoord heb - eene stelling, die niet bewezen behoeft te wor-

[p. 74]

den - eene hoop, die ik koesteren mogt. Moet er nu volstrekt bij op welken grond, met welk recht, eene kleine bijvoeging volstaat: die ik naar uwe verzekering koesteren mogt of die ik koesteren mogt, want uwe verzekering gaf mij het recht daartoe. Men moge al deze in de plaats gestelde wijzen van zeggen juister vinden, uit een stilistisch oogpunt beschouwd, zijn ze ook niet alle even aanbevelenswaardig. In het gebruik van tusschenzinnen, niet te verwarren met bijzinnen, dient men zeer matig te wezen, en een nazin met althans, ten minste of dergelijke, zelfs zonder zulke woorden, is voor den gang van het opstel dikwijls lastig. Ofschoon wij dan de vorming der opgegeven bijzinnen niet geheel afkeuren, zoo gelooven wij genoeg te hebben bijgebragt om te mogen zeggen, dat zij niet onvoorwaardelijk goedgekeurd kunnen worden, alleen wanneer het verband het stellig vereischt, dat men den bijzin zoo beknopt mogelijk aan het bepaalde deel van den hoofdzin verbindt en de duidelijkheid er niet door benadeeld wordt. Veel hangt er in dezen van den smaak en de oplettendheid des stellers af. Onvoorwaardelijke afkeuring vindt een zin, waarbij het relativum uit een bijzin van den derden graad is opgedoken. Het zijn geschenken van lieden, dien ik het er voor houd, dat wij wel zouden doen, ze terug te geven. Een gewoon lezer heeft moeite om het begrip, door dien vertegenwoordigd, zijne plaats in de gedachte aan te wijzen. Ik houd het er voor, dat wij wel zouden doen, dat wij ze (de geschenken) dien (den lieden) teruggaven. Zoo iets fraais kan in een onbewaakt oogenblik wel op het papier komen, vooral als de zaak, waarover men schrijft, de aandacht zoo ingespannen bezig houdt, dat er voor den vorm der uitdrukking geen tijd overschiet, en men ook aan niets zoo weinig denkt, dan aan het maken van volzinnen, die nog eens de eer zullen hebben als voorbeelden ter navolging of ter waarschuwing gesteld te worden.

 

Leiden.

J.A. van Dijk.