|
|
|
| |
| | | |
Het ware liberalisme in de Nederlandsche spraakkunst.
Voorgedragen in de vergadering van het Zevende Taal- en
Letterkundig Congres, te Brugge, d. 8 Sept. 1862
1).
‘Ééne taal, ééne spelling!’
dat was de leus, u voor twee jaren voorgehouden door den kloeken voorvechter
der Vlaamsche taalrechten, onzen wakkeren
Heremans. ‘Ééne taal,
ééne spraakkunst!’ dat wensch ik heden u toe te roepen. Die
eisch is, geloof ik, niet minder billijk dan die van mijnen | | | | Gentschen vriend; ja, raakt nog inniger en nog dringender de
waarachtige belangen der taal. De spelling, in elk geval, betreft alleen de
uiterlijke bekleeding der woorden, en tast niet diep in het wezen der zaak.
Leest gij
Stoke of
Maerlant,
Hooft of
Zevecote, bij alle verschil van spelling blijft
het dezelfde taal, de een en de ander is uw landgenoot, gij denkt er
naauwelijks aan dat de één een zoon van het Noorden, de ander van
het Zuiden was. Maar als de spraakkunst begint te verschillen, als de
veranderlijke vormen der woorden hier en ginds ongelijk zijn, als de
naamwoorden anders verbogen, de werkwoorden anders vervoegd, de rangschikking
en indeeling der rede anders ingericht worden, dan neemt de taal een
verschillend karakter aan, zij splitst zich in afwijkende dialekten: de eenheid
is verbroken. ‘Ééne taal, ééne
spraakkunst!’ ziedaar dan de leus die ons betaamt, indien het ons ernst
is met duurzame eenheid, met duurzame broederschap.
Maar hoe? zult gij vragen, bestaat dan die eenheid van spraakkunst
niet tusschen Zuid en Noord? Doen Vlaamsch en Hollandsch, in de geschriften
onzer letterkundigen, zich voor als twee verschillende talen? Verre van mij,
zóó iets te beweren. Neen waarlijk, de taal van
Conscience of
Van Beers is ons Hollanders evenmin vreemd, als
u, Vlamingen, die van
Van Lennep of
Beets. Zelfs geef ik gaarne toe, dat die
eenheid van taal in de laatste jaren, ten gevolge onzer broederlijke
aaneensluiting, met vasten tred is vooruitgegaan. En zeker, het zou een
scherpzinnig criticus moeten zijn, die - ik zeg niet in den stijl - maar in de
taal van
David of
Snellaert een belangrijk verschil wist op te
merken met die van
Halbertsma of
Jonckbloet. Maar toch, laat ons niet al te
gerust zijn op de herstelde eendracht, niet al te zorgeloos omtrent de gevaren
die nog dreigen. Zien wij toe, dat wij behouden wat wij bezitten. Er bestaan in
onze spraakkunst twee verschillende richtingen, die de ontwikkeling der taal
naar tegengestelde kanten trachten te leiden. De eene is in het Vlaamsch, de
andere in het Hollandsch | | | | sterker vertegenwoordigd. De eene dringt
achterwaarts en hecht zich vast aan het oude, afkeerig van hetgeen de nieuwere
tijd heeft voortgebracht; de andere wil van het oude niets weten, maar jaagt
gestadig vooruit in driftige nieuwigheidszucht. De eene, ten einde toe
doorgezet, dreigt ons vast te klemmen in de armen van conservatisme en reactie;
de andere ons voort te sleepen naar de revolutie en onbeteugelde democratie.
Maar tusschen die beide uitersten ligt, even als in de staatkunde, een gematigd
en verstandig liberalisme, dat de rechten van het oude en nieuwe gelijkelijk
eerbiedigt, het goede van beide vereenigd tracht te ontwikkelen tot
waarachtigen en duurzamen bloei. Op dat echte liberalisme in onze spraakkunst
berust de toekomst onzer taal. Moest het in den strijd der uiterste partijen
bezwijken, straks liepen deze verre uiteen, en de taal werd in twee
verschillende dialekten ontbonden. Maar zoo het zegeviert, dan is onze eenheid
verzekerd, dan spreekt men niet langer van Hollandsch of Vlaamsch, maar alleen
van onze ééne en ondeelbare Nederlandsche taal.
Vergunt mij, u dat liberalisme, uit den aard en de geschiedenis
onzer taal, een weinig toe te lichten en als veilig richtsnoer aan te
bevelen.
Wie ooit ernstig over ons Nederlandsch heeft nagedacht of geroepen
was er de pen in te voeren, kan een merkwaardig en eigenaardig verschijnsel in
onze spraakkunst niet onopgemerkt hebben gelaten. Ik bedoel de moeilijkheid om
eene keuze te doen bij den overvloed van vormen, die zich aanhoudend opdringt;
de vele twijfelingen en bezwaren, die zich zelfs aan een geoefend schrijver
telkens voordoen; en daarbij de uiteenloopende gevoelens der taalleeraren, die
elkander zoo menigmaal weêrspreken en dikwijls alleen hierin eendrachtig
schijnen, dat zij een aantal vragen eenvoudig met stilzwijgen voorbijgaan. Zoo
rijzen er telkens onzekerheden op, en wie in de geheimen der taal niet is
ingewijd, zoekt vruchteloos naar eene afdoende beslissing. Hoe ongunstig
schijnt zooveel weifeling en onvastheid af te steken bij de | | | | strenge eenparigheid, die de grammatica van andere talen, met name der
Romanische, kenmerkt. Neemt het Fransch b.v. Hoe is daar alles geregeld en
afgepast! Voor ieder begrip een aangewezen woord, voor iedere wijziging een
geijkte vorm, elke verdeeling, elke beweging, elke speling afgemeten en
naauwkeurig bepaald. Hoeveel minder moeite kost het den Franschman, zuiver en
vloeyend Fransch te schrijven, dan het den Nederlander kost, zijne dikwijls
stugge en grillige taal te beheerschen, die zich alleen aan de vaste hand van
een ervaren meester gewillig onderwerpt! Vanwaar dit merkwaardig verschil?
vanwaar dit eigenaardig karakter onzer spraakkunst? Ik wil hier niet wijzen op
de onzekere en dikwijls verkeerde methode, of liever op het gebrek aan methode,
onzer vroegere taalbeoefenaren, die, van geen vast beginsel uitgaande en niet
wetende waarheen te streven, door den wind der meeningen her- en derwaarts
werden geslingerd, en allerlei leeringen predikten, niet uit het wezen der taal
door naauwkeurige waarneming afgeleid, maar vaak uit misverstand ontsproten of
door eigenmachtig goeddunken uitgedacht. Dit alles - ik heb het elders
opzettelijk uiteengezet - heeft zeker veel bijgedragen, om de moeilijkheden in
onze spraakkunst te vermeerderen en hare oplossing te belemmeren. Maar de ware
oorzaak van de eigenaardigheid onzer grammatica was toch niet in de verkeerde
richting der grammatici gelegen: veeleer zelfs is de verkeerde richting van
dezen - ten deele althans - uit de eigenaardigheid van gene te verklaren. De
ware oorzaak lag dieper. Zij lag in den weelderigen schatrijkdom onzer taal,
die overvloed van hulpmiddelen bezat, om aan alle behoeften kwistig te voldoen,
maar juist daardoor de keuze moeilijk maakte. Zij lag in de afwisseling en
verscheidenheid der vormen, die elkander doorkruisten en als verdrongen, maar
juist daardoor, elk voor zich, niet zoo veelvuldig gebruikt werden, en
zóó dat scherpe en welbepaalde misten, dat een grammatische vorm
alleen verkrijgt, wanneer een telkens en telkens wederkeerend gebruik er een onver-
| | | |
anderlijk merk op gedrukt heeft. Zij lag, eindelijk, in het
oorspronkelijk karakter onzer taal, in de levenskracht harer woorden en vormen,
wier eigenlijke grondbeteekenis zoo sprekend en helder bleef doorschijnen, ook
waar het gebruik hun allengs eene nieuwe opvatting had toegekend. Daardoor werd
elke verandering, die de loop der tijden aanbracht, niet licht zoo gaaf en
volkomen geijkt; de woorden en vormen zelve, zich van hunnen oorsprong bewust,
bleven als het ware hunne stem verheffen tegen iedere afdwaling van hunne
eigenlijke natuur: en ziedaar, bij den overvloed en de mindere vastheid der
vormen, eene nieuwe bron van botsing en tegenspraak, van twijfel en
onzekerheid. Dit alles lag in den aard der taal, en hare geschiedenis heeft
ruimschoots gestrekt om het nog verder aan te kweeken. Zij doorleefde het
gewichtige tijdperk, dat haar den overgang baande van de formeele schoonheid
der jeugd tot de intellectueele ontwikkeling van rijp e re jaren. Die overgang
bracht in haar innerlijk wezeneene aa nmerkelijke verandering te weeg. Het
verstand kreeg de overhand boven het schoonheidsgevoel; de rhythmische
welluidendheid der klanken, door het stelsel der quantiteit bepaald,
verflaauwde en verdween, naarmate de klemtoon, die op het zakelijke der woorden
drukte, heerschappij begon te voeren. De volle en krachtige uitgangen, de
vormen van verbuiging en vervoeging, met toonloosheid geslagen, verstomden en
vielen weg. Nieuwe, sprekender en verstandelijker hulpmiddelen rezen op, om het
geleden verlies te vergoeden. Zoo ging de deflectie met eene geheele hervorming
gepaard: de oude evenredigheid der deelen was verbroken, de oude grammatica uit
hare voegen losgeraakt, een nieuw zamenstel in de plaats getreden. Maar al
behaalde dat nieuwe zamenstel lichtelijk de overwinning, als het noodwendig
gewrocht der ontwikkelingswet, die de taal zoowel als het volk beheerschte,
toch was de herinnering aan het oude niet geheel uitgestorven. Veel was voor
altijd verdwenen; maar ook veel gespaard gebleven, dat nu nevens het nieuwe te
staan kwam en zijn goed recht trachtte te | | | | doen gelden. Vandaar
eene nog grootere verscheidenheid van vormen, dan de taal vroeger gekend had.
En toen allengs de verschillende tongvallen, waarin oudtijds onze
gemeenschappelijke taal als verbrokkeld was, tot ééne schrijftaal
ineenvloeiden, bestemd om band en pand onzer eenheid te worden, toen bracht elk
gewest, iedere stad zijne schatting aan, toen herrees van hier wat ginds
verloren was geraakt, oude en nieuwe vormen van gelijke kracht schaarden zich
nevens elkander en mengden zich dooreen: de overvloed begon overtolligheid te
worden en met verwarring te dreigen. Maar was door al deze verandering en
vermenging de oude regelmaat een oogenblik verstoord, de genius der taal waakte
over haar behoud. Het gezonde taalinstinkt weerde het kwaad en herstelde eene
nieuwe orde. Het schiftte en verdeelde, keurde en toetste, en wist den
schijnbaren ballast van overtollige vormen ten nutte aan te wenden, door aan
elk zijne eigene en bijzondere kracht toe te wijzen en zoo doende ze dienstbaar
te maken aan juister onderscheiding en fijner schakeering der gedachten. Zoo
mocht de taal veel hebben verloren wat haar vroeger versierde, maar meer nog
had zij aangewonnen; en hetgeen tot verwarring scheen te zullen leiden, was,
door de bezielende kracht van het levend taalbesef, eene bron van nieuwen
rijkdom en van hoogere orde geworden. Maar zoo had tevens de taal een
eigenaardig karakter aangenomen; zij had dit tijdperk harer ontwikkeling
gelukkig volbracht: het formeele beginsel der grammatica was naar den
achtergrond geweken, het intellectueele en aesthetische op den voorgrond
gesteld. Inderdaad, daarin vooral is het voortreffelijke onzer moedertaal
gelegen, dat zij minder dan andere aan vaste vormen is gebonden, maar des te
meer door verstand en kunstzin bestuurd wordt. Elders voor bepaalde begrippen
bepaalde grammatische vormen; alles door het gebruik geijkt en door gezag
verordend: weinig aan vrije keus en onmiddellijk bewustzijn overgelaten. Bij
ons daarentegen, nevens datgene wat onveranderlijk bepaald behoort te wezen,
een ruime voorraad van wijzigingen, voor | | | | individueele vrijheid en
onbelemmerde speling beschikbaar; nevens de noodzakelijke eenheid de rijkste
verscheidenheid. Hier naamwoorden met twee, drie, ja vier meervoudsvormen, en
met allerlei wisseling in de verbuiging; daar werkwoorden met meer dan een
hulpwoord verbonden, of te gelijk met oude en nieuwe vormen vervoegd; ginds de
opvatting van een zelfde woord naar verschil van geslacht of ongelijkheid van
spelling gewijzigd; elders de uitgangen, langer of korter, zwaarder of lichter,
op allerlei wijzen onderscheiden; de uitspraak van klinkers en medeklinkers met
tal van schakeeringen gekleurd. En dat alles niet aan gezag onderworpen, niet
door stijve grammatische wetten gebiedend voorgeschreven; maar ook evenmin aan
de willekeur prijs gelaten: alleen door de hoogere wet van een gezond
taalgevoel beheerscht, en in ieder bijzonder geval te kiezen naar de inspraak
van oordeel en smaak. In één woord: een speeltuig met keur van
toetsen, om de vrije uiting van gedachte en gevoel met eindeloos afwisselende
tonen te begeleiden tot in de fijnste ontledingen des verstands en de teederste
trillingen des gemoeds.
Ziet, M.H., zoo is in onze taal de oude orde van zaken ondergegaan
en door eene nieuwe vervangen, beantwoordende aan de behoeften van een lateren
tijd. Zoo getuigt zij van een volk, dat door velerlei inspanning en strijd zich
aan zijn kinderlijken toestand ontworstelde en degelijk gevormd den manlijken
leeftijd bereikte; dat wilskracht aan beradenheid paart; dat, kloek van
verstand en met een gezonden kunstzin bedeeld, tevens uitmunt in praktisch
overleg; maar vooral in zijn afkeer van alle drukkend gezag, in zijn geest van
vrijheid en zelfstandigheid, zijn kenmerkend karakter openbaart. Zoo is de
taal, ook uit dit oogpunt beschouwd, de afspiegeling onzer geschiedenis, het
beeld onzer nationaliteit.
Ik meen genoeg gezegd te hebben, om u de eigenaardigheid onzer
spraakkunst te verklaren, als gegrond in het wezen der taal en door hare
historie nader bepaald. Maar zoo blijkt tevens de methode, die in hare
beoefening moet wor-
| | | |
den gevolgd. Zal die methode werkelijk ten
goede leiden en den bloei der taal bevorderen, dan moet zij met haar karakter
en hare geschiedenis overeenkomen. Zagen wij, dat onze taal uitmunt in rijkdom
van vormen, maar dat die rijkdom allengs tot overvloed werd en daardoor de
grammatica met verwarring en onzekerheid bedreigde; dat de oorspronkelijke
helderheid harer bestanddeelen niet zelden met de wijzigingen van een later
gebruik in tegenspraak kwam; en dat zich in haar bovenal een streven openbaart
naar verstandelijke rijpheid en kunstrijke verscheidenheid: dan is er voor den
taalleeraar geen natuurlijker en dringender voorschrift dan dit: met bewustheid
den weg te vervolgen, reeds door het onbewuste taalinstinkt aangewezen:
derhalve, den ganschen overvloed onzer grammaticale vormen ongeschonden te
bewaren, maar dien, verstandig en smaakvol, zoodanig aan te wenden, dat alle
onvastheid en weifeling verdwijne, door aan iederen vorm, tot in de fijnste
toetsen en tinten, die eigenaardige kracht toe te kennen, die het meest met
zijnen oorsprong en aard overeenstemt. En zagen wij tevens, dat onze taal eene
belangrijke hervorming heeft ondergaan; dat zij veel heeft verloren, maar meer
nog heeft aangewonnen; dat zij uit de gelukkige vermenging van oude en nieuwe
elementen zich een anderen, beteren toestand heeft weten te scheppen; dat het
formeele beginsel harer jeugd door het intellectueele en aesthetische van
rijperen leeftijd wel niet geheel is verdrongen, maar daarin opgelost: dan
blijkt het terstond, dat de methode onzer spraakkunst zich niet eenzijdig noch
aan het oude noch aan het nieuwe mag aansluiten, maar, aan de leer der
geschiedenis getrouw, beide te gelijk in de ware verhouding behoort te
eerbiedigen. Juist in die eenzijdigheid, die ik daar noemde, bestaat de
verkeerde methode, die menigen taalbeoefenaar het rechte spoor doet missen.
Sommigen, bekoord door de harmonische regelmaat der vroegere taal, door de
volheid, de pracht en de liefelijke melodie van weleer, hechten zich bij
voorkeur aan het oude, trachten de voormalige taalvormen in het leven terug te
roepen en aan de geheele | | | | spraakkunst eene antieke kleur te geven.
De latere vervorming en vernieuwing heeft voor hen weinig waarde; wat van het
oude is afgeweken, komt hun verdacht voor; stellige veranderingen nemen zij
slechts met weerzin aan, als door den nood gedwongen. Zoo doende loochenen zij
den natuurlijken en onvermijdelijken gang van zaken, en dringen de taal terug
op de baan der beschaving. Anderen daarentegen, onbekend met de sierlijke taal
der middeleeuwen, of onverschillig omtrent haar uiterlijk schoon, warsch van
poëtische droomerijen, maar nuchter en praktisch gezind, en van de taal
niets anders vragende dan de koele uiting van het redeneerende verstand,
bekommeren zich niet om het verledene, verwerpen al wat oud is, erkennen alleen
die vervorming, die de taal in lateren tijd heeft aangenomen, en jagen er naar
om die tot het uiterste door te zetten. Zij putten hunne kennis alleen uit de
waarneming van het heden, maar vergeten hoeveel schoons verloren ging, en
hoeveel nog verloren zal gaan, wanneer men al datgene veronachtzaamt, dat nog
uit de oudheid is overgebleven en, in spijt van de ongunst der tijden, nog
leven en groeikracht behield. Zij letten niet op hetgeen achter hen ligt, maar
missen daardoor den maatstaf om de waarneming van het tegenwoordige tot
bewustzijn te brengen en tot vruchtbare kennis te doen gedijen. Uitsluitend de
aandacht richtende op den hedendaagschen graad van ontwikkeling, maar de
vroegere graden voorbijziende, kunnen zij die ontwikkeling zelve in haren aard
en hare waarde noch helder begrijpen noch billijk beoordeelen, omdat zij den
grond van het bestaande niet kennen, omdat zij niet inzien hoe en waarom het
zoo geworden is, en juist daardoor de allengs ingeslopene feilen en gebreken
niet onderscheiden van de verbeteringen, die de tijd heeft aangebracht. Zoo
blijven zij geheel tot het uiterlijke beperkt; en bij hunne waarneming door
geene behoedzaamheid of matiging bestuurd, nemen zij alles wat voor hen ligt,
ook de onhebbelijkheden der verbasterde volkspraak, zonder oordeel op, niet tot
vergelijking en inlichting, maar | | | | als rechthebbend gezag en geldig
bewijs. Ziedaar, M.H., de beide uiterste partijen. Beide, op haar eenzijdig
standpunt, verarmen en verminken de taal. Beide miskennen hare geschiedenis en
den geregelden loop harer ontwikkeling, waardoor uit het gisteren het heden
geboren werd. De eene vergrijpt zich aan het tegenwoordige, de andere aan het
verledene. De eene maakt de taal ouderwetsch, stijf, onhandelbaar, pedant; de
andere zonderling, plat, slordig, plebejisch. De eene ziet mistroostig
achteruit naar de dagen van voorheen, die voor altijd vervlogen zijn; de
andere, het oog eenzijdig en zorgeloos op het tegenwoordige gevestigd, ziet
niet uit naar de dagen die komen zullen: zoo wordt de toekomst der taal door
gene geloochend, door deze ondermijnd. De eersten zijn de conservatieven, die
stilstaan bij het oude, of wel de reactionnairen, die het goede van den
nieuweren tijd met geweld willen tegengaan; de laatsten de revolutionnairen,
die het oude verwerpen omdat het oud is, soms wel de radicalen, die teugelloos
voorthollen op den weg van hervorming. Met geene van beiden kan de taal op den
duur bloeyen. Maar tusschen die beide uitersten, ik zeide het reeds, ligt het
ware liberalisme, de echte uitdrukking en vertegenwoordiging van de wezenlijke
behoeften der taal. Getrouw aan de lessen van geschiedenis en ervaring, en
gesteund door even onpartijdige als naauwlettende waarneming, erkent het
evenzeer de rechten van het oude als van het nieuwe, en tracht de vereeniging
en zamensmelting van beide zooveel mogelijk te bevorderen. Altijd bereid om het
goede, dat uit den storm der tijden gespaard bleef, te handhaven en te
beschermen, verwerpt het zonder ommezien alles wat stellig verouderd en
versleten is. Altijd volijverig om de voordeelen, door de beschaving behaald,
te verzekeren en naar nieuwe te streven, wacht het zich voor de overdrijving
eener hervormingszucht, die al het oude stelselmatig versmaadt, en ten laatste,
door geen eerbied voor verkregen rechten weêrhouden, er toe komen moet om
het graauw als wetgever te erkennen. Zoo worden de beide beginselen in het
leven der | | | | taal, dat van behoud en dat van vooruitgang, in juiste
evenredigheid verbonden. De overvloedige rijkdom van vormen wordt niet
willekeurig besnoeid, maar zorgvuldig geleid en geregeld, door verstandig
beheer in alle richtingen bruikbaar gemaakt; elke verwarring voorkomen, elke
twijfel opgelost, alles ten goede aangewend: niet door het opdringen van
oppermachtig gezag, maar alleen door het eerbiedigen van de vrije en
natuurlijke ontwikkeling der taal, door het afluisteren en trouwhartig opvangen
van hetgeen zij zelve omtrent haar eigen wezen verkondigt. Ziedaar, M.H., het
echte liberalisme, de vrucht der historische school, die aan de taalwetenschap
in onzen leeftijd een nieuwen weg heeft gebaand. Dat liberalisme is het
onderpand van den duurzamen bloei der taal. Sterk door het bewustzijn van zijn
rechtvaardig streven, durft het met frissche geestkracht en blijmoedig
vertrouwen den blik voorwaarts richten. Het ziet voor de taal, die een schoon
verleden had, ook eene schoone toekomst te gemoet; het weet, door het verledene
aan het heden vast te knopen, die toekomst voor te bereiden.
M.H., het is in onze dagen op taalkundig gebied vrij wat anders
gesteld, dan het, ruim dertig jaren geleden, in de staatkunde was. Viel toen
Holland bezwaarlijk vrij te pleiten van een geest van conservatisme, in
België daarentegen was de geest der revolutie ontwaakt. Thans - ik spreek
hier natuurlijk alleen van de taalkunde - schijnt het alsof de conservatieve
beginselen in België veld winnen, terwijl in Holland de revolutionnaire
leerstellingen met ophef worden gepredikt. Toen heeft de spanning tusschen de
beide uitersten, na kortstondigen strijd, het werk der diplomatie te niet
gedaan, het Zuiden van het Noorden, Vlamingen van Hollanders gescheiden.
Welaan, laat ons zorg dragen, dat niet op het gebied der taal - die geen werk
is der diplomaten, maar diep in onze afkomst geworteld, - dezelfde spanning,
dezelfde strijd ontsta. Vermijden wij de uitersten; hoeden wij ons voor alles
wat de eendracht kan schaden; blijven wij getrouw aan de leus:
‘ééne taal, ééne spraakkunst!’ Het
| | | | middel, om die eenheid duurzaam te bevestigen, kan niet
twijfelachtig zijn. Wat had, naar menschelijke berekening, de scheiding van
Noord en Zuid kunnen voorkomen? Wat heeft, na al de beroering van die dagen, de
beide landen als afzonderlijke staten staande gehouden? Wat heeft ze bloeyend
en welvarend, krachtig en gelukkig gemaakt? Wat anders dan het verstandige
liberalisme, waarvan thans beide, in ongestoorde eensgezindheid, aan Europa het
voorbeeld geven? Welaan dan, dat liberalisme zij ons richtsnoer, ook in de
taal. Het is bestemd om ons voor altijd vereenigd te doen blijven, het
waarborgt aan onze gemeenschappelijke moedertaal eene toekomst van welvaart en
bloei. En mag eenmaal, als een uitvloeisel van deze onze broederlijke
bijeenkomsten, een Nederlandsch Woordenboek het licht zien, dan zal het, van
dien geest doordrongen, luide getuigen: ‘Ééne en dezelfde
is, nu en voor immer, de taal van het Dietsche Vaderland.’
M. de Vries.
|
1)De berichten, hier en daar gegeven omtrent het
verhandelde in het onlangs te Brugge gehoudene Congres, waren uiterst
verrassend voor de meeste sprekers, die zich allerlei fraayigheden in den mond
gelegd zagen, waaraan zij in de verste verte niet hadden gedacht. Ook het
stukje, waarmede de reeks der voordrachten door mij geopend werd, had er
ruimschoots zijn aandeel in. Een onzer geachte dagbladen (om een enkel staaltje
te noemen) zeide, dat ik was uitgegaan van de stelling: ‘ Geene taal,
geene spraakkunst!’ Een ander meldde, dat ik gesproken had
‘over het liberalisme in de spelling!’ Een derde
berichtgever laat mij zeggen, dat men (ik citeer letterlijk) ‘ bij de
zoogezegde taalrevolutionnairen - de verengelschers onzer orthographie - te
rade gaan’ moet, en maakt zich dan boos dat ik ‘zulk een
stelsel het liberale heet!’ Stel u gerust, mijn waarde, dat heet ik niet
eens een stelsel, laat staan het liberale: dat heet ik louter onzin. Maar
tegenover dergelijke vermakelijkheden acht ik mij verplicht aan mijne
landgenooten, op wier oordeel ik prijs stel, de gelegenheid te geven om uit
eigen oogen te zien. Ik heb dus gemeend mijne rede in dit Tijdschrift bekend te
moeten maken, zonder de uitgave der Handelingen van het Congres af te wachten.
In den Taalgids is zij zeker het best op hare plaats.
|
|