De Taalgids. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Vierde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1862.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Eene opmerking omtrent het woord anders.

Op bl. 79 van dezen jaargang geeft de heer Te Winkel eene verklaring van het woordje anders, zoo als dit in den regel van Vondel:

‘Dit zal ick keeren, is het anders in mijn maght,’ en elders voorkomt, waarbij ik onwillekeurig aan het bekende oordeel van Horatius over den ‘goeden Homerus’ gedacht heb. Hoe kan Te Winkel een oogenblik in ernst geschreven hebben : ‘Wat is nu meer geschikt om het onzekere eener

[p. 214]

onderstelling te doen uitkomen, dan, door middel van het woordje anders, op het andere mogelijke geval te wijzen, den hoorder ook het geval, waarin het anders is, voor den geest te roepen.’ Het is, gelijk ik zeide, de verklaring die mij verbaasd heeft, niet de zeker geheel toevallige fout in de uitdrukking, ofschoon men zulke fouten waarschijnlijk zeer zelden in den stijl van den heer t. W. zal kunnen aanwijzen.

Ik zou meenen s. m. dat anders, in den zin van althans, immers, indien, een bijwoord is, dat niets anders beteekent dan: in andere gevallen. ‘Dat zal ick keeren is het in andere gevallen, op andere tijden, in mijn magt,’ d.w.z. zoo ik daartoe ooit in staat ben, dan voorzeker zal ik het thans doen. Evenzoo in den volzin: ‘Hij moet zich in dat geval naar den raad van zijnen vriend gedragen, wanneer hij anders verstandig is,’ d.w.z. wanneer hij ooit een verstandig man mag heeten, dan moet hij zich ook in dat geval naar den raad van zijnen vriend gedragen. En zoo ook in de andere voorbeelden. Misschien vergis ik mij, wanneer ik meen, dat ik bij Simon Stijl meermalen altoos in dien zin heb aangetroffen. In het Fransch bevat toujours, toutefois, in zulken zamenhang gebruikt, geheel hetzelfde begrip, en zou dit ook niet met ons immers plaats hebben, dat de heer t. W. zelf ter omschrijving van anders gebezigd heeft? Zoo wordt ook in het Hoogduitsch immerhin gebruikt. Misschien zijn er nog wel voorbeelden te vinden, waar immers niet vóór maar achter indien geplaatst is en men dus indien immers in dezelfde beteekenis van immers indien vindt, hetgeen de overeenkomst met anders nog duidelijker zou maken.

Ik voeg hier nog eene vraag bij: op welken grond noemt de heer t. W. dat anders een voegwoord? Welligt dat dit in verband staat met zijne beschouwing van zulke woordjes als wel, toch, immers, ook, gelijk er vooral in het Grieksch zoovele zijn, die door menigeen uit wanhoop eenvoudig partikels genaamd worden, daar de een beweert dat zij adverbia, de ander dat zij conjuncties zijn. Een opzettelijk onderzoek dier quaestie zou, naar het mij voorkomt, niet geheel over-

[p. 215]

tollig wezen en ik zou voorzeker de eenige niet zijn, die dat netelig onderzoek gaarne door den heer Te Winkel ondernomen zag.

 

J. P.Gz.