|
|
|
| | | |
Aan Dr. L.A. te Winkel.
Veroorloof mij, waarde vriend, u nogmaals met een paar bedenkingen
lastig te vallen; gij weet, dat mij daarbij geenerlei vitlust of betweterij,
maar alleen de zucht bezielt, onze dierbare moedertaal, in overeenstemming met
de wetten harer natuur, maar van allen schoolschen dwang vrij, te ontwikkelen
en aan te kweeken. In de eerste plaats behooren wij voorzeker haar daartoe van
het noodlottige dwangbuis weder te ontdoen, haar voor een goede vijftig jaar
van Staatswegen om de leden geworpen, en waartegen zij zich, in verschillende
handen, reeds zoo vele jaren lang is begonnen te verzetten. 't Verheugt mij
daarom van harten, dat ook de Woordenboek-Commissie (blijkens de mededeelingen
van onzen vriend
De Vries) dat, op verschillende hoofdpunten -
als 't herstel der y en ch, hopen wij ook der (, in hare
rechten - zal bevorderen. Ik heb u reeds vroeger - in enkele aankondigingen -
niet ontveinsd, dat uwe eigene al te behoudende spellingswetten ten deze mij
minder bevredigd hadden gelaten, en ik moet ook thans weder met de klacht tot
| | | |
u komen, dat evenzoo uw anders zoo doorwrochte stukjen (maar wat
zou er ooit ondoorwrochts uit uwe handen komen?) mij op 't punt van den
verkleiningsuitgang heeft teleurgesteld. Gij hadt daar zulken uitgezochte
gelegenheid, op nieuw een der willekeurige wetsartikelen van den
Staats-spellingmeester ter zij te stellen
1); en in plaats van
dat, zie ik u trachten, om gronden bij te brengen voor een gevoelen, waarop men
hem tegen
Bilderdijk, in dit opzicht, in 't ongelijk
moet stellen. Want al geef ik u, wat de bewijsgronden van laatstgenoemde
betreft, gaarne toe, dat Bilderdijk ook hier - gelijk zoo vaak op
taalgebied - aan een of ander inval van zijn vernuft botgevierd en hem een
onverantwoordelijk gezag heeft toegekend; zoo zult gij mij van uwe zijde ten
goede moeten houden, dat ik uw gewonen logischen redeneertrant mis, wanneer gij
nu, om 't ‘hersenschimmige en ondoordachte,’ dat zijn betoog ten
deze kenmerkt, maar klakkeloos alle verder door hem of anderen aangevoerde, of
aan te voeren gronden tevens verwerpt. Ik vind voorts nog die zelfde tijdelijke
afwezigheid van uw anders zoo logischen geest, wanneer ik u bladz. 111 zie
toestemmen, dat ‘het meerv. op s den uitgang op en
bewijst,’ maar gij daaruit voor het tegenwoordige niets wilt afleiden;
terwijl gij u bladz. 113 op de n van lezens, levens, enz.
beroept, om ons (en dat zeer te recht) de spelling lezen, leven, enz aan
te bevelen. Wat toch van 't eene geval geldt, geldt evenzoo van 't andere; en
gelijk ons hier de n gewaarborgd is, tegen ieder die leze of
leve zou schrijven (gelijk zoo veel Hollanders het spreken), evenzoo is
ons de deugdelijkheid van den uitgang jen of ken door 't meervoud
op s gewaarborgd. Dat nu, in beide voor-
| | | |
gaande eeuwen, vele
(en dan bepaaldelijk Hollandsche) schrijvers, de gewestelijke uitspraak
volgende, en, in 't begin dezer eeuw, de Hr.
Siegenbeek voor goed, den uitgang je
of ke hebben vastgesteld, mag ons evenmin weêrhouden jen of
ken te schrijven, als gij en
De Vries u, blijkens 't Woordenboek, thans -
in spijt van denzelven Hr. Siegenbeek - voor de y en ch
veklaard hebt Op grond dus, dat (volgens uw eigen volmondige instemming) de
n van nature aan dien uitgang eigen is, blijf ik er bij, dat ons de
gewestelijk-Hollandsche wanspraak (die vooral in onze infinitief-uitgangen zoo
hinderlijk uitkomt) niet dwingen mag, die uitgangen tegennatuurlijk te
verminken.
Een en ander aan uwe nadere billijke beschouwing onderwerpende,
verblijve, als altijd,
Deventer, 10 Dec. 1862.
van harten de uwe Van Vloten.
| |
Sedert ik 't bovenstaande schreef, gewerden mij ‘de
Grondbeginselen der Nederlandsche Spelling,’ van wege de Redactie van 't
Woordenboek uitgegeven. Terwijl ik mij voorbehoud, bij instemming op meest alle
punten, op een enkel nader terug te komen, begin ik met hier een daar
aangevoerden, anderen bewijsgrond voor je te weêrspreken; als zou
namelijk ‘het ineenvloeyen der e van 't verkleinend achtervoegsel
met een volgenden klinker in de poëzie (b.v. nedrig vogeltje
elks behagen), hetgeen noch bij de pluralia op en noch bij
de infinitieven kan plaats hebben,’ voor je pleiten. Daargelaten,
dat bij den dichter hier het Hollandsche taaleigen werkzaam was, vergeet de
Redactie buitendien, dat die ineensmelting mede plaats heeft bij den verkorten
vorm van 't lidwoord den, als die vóór een klinker
geapostrofeerd wordt, en dat dichters die den uitgang jen aannemen,
dezen evenzeer apostrofeeren en òf je' òf j'
schrijven.
24 Maart 1863.
v. V.
|
1)De Redactie, die voor het overige hoogen
prijs stelt op de medewerking en de bijdragen van den geëerden
briefschrijver, rekent zich verplicht te verklaren, dat zij niet deelt in het
hier geüite gevoelen aangaande de spelling van 1804. Zij is veeleer van
oordeel, dat die spelling, welke de taal uit de grootste verwarring gered en
voor eene volslagene verwildering behoed heeft, groote verdiensten bezit, en
dat het Staatsbewind in het nemen van maatregelen om hare aanneming te
bevorderen met groote gematigdheid is te werk gegaan.
|
|