NOG IETS OVER ANDERS IN DE PROFASIS VAN HYPOTHETISCHE ZINNEN.

Op blz. 77 en v. van den vorigen Jaargang heb ik van het woordje anders, voorkomende in een vers van Vondel's Lucifer, eene verklaring beproefd, waartegen de heer J.P. Gz. te recht is opgekomen; zie blz. 213 en v. Gaarne erken ik, dat ik daar geheel heb misgezien; en ik vereenig mij volkomen met de gegevene uitlegging. Slechts tegen ééne bijzonderheid meen ik te moeten protesteeren, namelijk tegen het vermoeden aangaande de oorzaak mijner

[p. 44]

dwaling. De heer P. brengt, beleefdheidshalve, Horatius' bekende uitdrukking betreffende Homerus in herinnering. Doch gedommeld heb ik niet, toen ik den misslag beging; daartoe ontbrak het mij aan tijd. Mijn stukje draagt veeleer nog andere blijken van overhaasting. Ook zou ik bijna durven beweren, dat Horatius heeft misgetast, indien Homerus voor een tijdschrift gewerkt heeft; vooral indien hij zelf er de redacteur van was, en zich dus van tijd tot tijd in de noodzakelijkheid bevond eene bladvulling te schrijven, terwijl de zetter ongeduldig om het restje kopij riep.

Anders heeft in dergelijke zegswijzen, als die bij Vondel, ongetwijfeld de waarde, die de heer P. er aan toeschrijft. Daarmede vervalt niet alleen mijne verklaring van de beteekenis van het woord, maar ook mijne qualificatie. Anders is alsdan, daar evengoed als elders, een bijwoord. Zelfs al wilde men indien anders, te zamen genomen, als ééne voegwoordelijke uitdrukking aanmerken, waarvoor wel iets te zeggen zou zijn, ook dan nog zou anders op zich zelf de waarde van een bijwoord behouden.

Ik mag deze palinodia niet eindigen zonder den heer P. mijn oprechten dank toe te brengen voor zijne heusche terechtwijzing, en hem de verzekering te geven, dat de Taalgids zich ook voor het vervolg voor zijne bijdragen ten zeerste aanbevolen houdt.

 

L.A. te Winkel.