[p. 73]

BAKBOORD.

De afleiding van bakboord is, evenals zijne beteekenis, sedert lang bekend; het kan dus overbodig schijnen dit woord nogmaals ter sprake te brengen. Indien men echter bedenkt, dat er te dien aanzien ook verkeerde gevoelens in omloop zijn; dat de ware afleiding nooit eigenlijk gezegd bewezen is; dat zij tot eene bedenking aanleiding geeft, die, hoewel bij mijn weten nooit geopperd, toch, als voor de hand liggende, al heel licht aangevoerd kon worden en dan wederlegging zou vereischen, dan zal men het niet zoo streng afkeuren, zoo ik het woord hier in behandeling neem, en zelf de bedenking in het midden breng en oplos, ten einde, gelijk ik mij vlei, de zaak voor goed uit te maken.

Hoe men overigens ook over het woord zelf dacht, zijn vorm heeft nooit aanleiding tot twisten, verdeeldheden of scheuringen onder de taalgeleerden gegeven. Het luidde te allen tijde bakboord, geschreven overeenkomstig de spelregels, die gelijktijdig heerschende waren. Toen de ck in de mode was, moest backboord zich natuurlijk die overtollige c ook getroosten; en men schreef het met d, t, of dt al naar gelang het gebruik zulks medebracht en b.v. ook hond, hont of hondt wilde.

Volkomen eenstemmig oordeelde men steeds over de beteekenis van het woord in zijn geheel genomen, alsmede over het laatste lid: -boord. Bij de taalkundigen, zoowel

[p. 74]

als bij de zeevarenden, was bakboord onveranderlijk de linkerzijde van het schip, dat boord, hetwelk iemand, die vooruit kijkt, aan zijn linkerhand heeft. Zoo was het al in 1598, toen Kiliaan het verklaarde door: ‘Nauigij sinistra pars,’ en zóó is het nog. Over de beteekenis van -boord kon uit dien hoofde wel moeilijk verschil ontstaan. Indien toch eene kerkdeur te allen tijde eene deur, en een appelboom een boom was, dan moest boord in bakboord, evengoed als in stuurboord, ook een boord, een scheepsboord, beteekenen. Daar is dan ook nooit over geharreward.

Anders was het met de beteekenis van het eerste lid: bak-. Dit kon, uit een zuiver taalkundig oogpunt, de stam zijn van het werkwoord bakken, synoniem van braden, welke stam in bak-oven en bak-trog voorkomt; het kon ook het zelfst. naamw. bak, in den zin van houten nap of trog, wezen.

Kiliaan was het eerste gevoelen toegedaan. Nadat hij de gebruikelijke beteekenis: linkerzijde van een schip, heeft opgegeven, laat hij volgen: ‘Pars nauigij quae furnum et focum continet,’ ‘die kant van een schip, waar de oven en de haard staan.’ Hij dacht dus blijkbaar aan het bakken in een oven, en hield het bakboord voor de zijde, waar gebakken werd. Ik geloof niet, dat men in vroeger tijd, toen de benaming ontstond, inderdaad gewoon was de kombuis, die boven op het dek getimmerd wordt, in stede van in het midden, gelijk thans geschiedt, aan éénen kant te plaatsen, en zoo doende het eene gangboord te versperren; wie eenigszins met de inrichting van een schip bekend is, zal het bloote vermoeden reeds ongerijmd noemen. Daar komt nog een groot bezwaar bij. Het is wel niet zeer waarschijnlijk, dat men zoo vroeg al aan boord brood heeft gebakken; en dus een oven heeft noodig gehad; de spijsbereiding zal wel bij koken en braden hebben opgehouden. Vanwaar anders de scheepsbeschuit, die men van wal medeneemt? Het Latijn spreekt wel van panem coquere, letterlijk: brood koken; doch van het omgekeerde gebruik bij ons, van het bakken van thee- en koffiewater, zijn mij geene feiten bekend. Kiliaans

[p. 75]

uitlegging heeft dan ook, voor zoover ik weet, geene aanhangers gevonden; men verliet den bakoven om in een houten bak het noodige licht te zoeken. Winschoten in zijn Seeman, behelsende een grondige uitlegging van de Neederl. Konst-en Spreekwoorden voor soo veel die uit de Seevaart zijn ontleend, was op beteren weg, en zocht, ten minste aanvankelijk, ter plaatse waar het te vinden was, namelijk bij den stuurman. De benaming van de tegenovergestelde zijde, stuurboord, wees hem trouwens daar heen. Toen de zeevaart nog in hare kindsheid was, en zoo hoog klimt de oorsprong van het woord op, was het ongetwijfeld de post van den stuurman aan het roer te staan en van daar zijne bevelen te geven. Hij hield het roer met de rechterhand, en om deze vrij te hebben plaatste men, volgens het gevoelen van Winschoten, zijn etensbak aan de andere zijde. ‘Wel wat lastig voor iemand, die niet bepaald linksch was. Of het linksch zijn toen een vereischte in een stuurman gerekend werd, welks gemis op hongerlijden te staan kwam, heb ik niet met zekerheid kunnen te weten komen. In allen gevalle was het dineeren met het roer rechts en den bak links lastig genoeg om te maken dat de stuurman, toen er wat meer weelde aan boord kwam, ook meer zijn gemak nam, en, terwijl hij at, het sturen aan een ander toevertrouwde. Althans zijn etensbak verdween van het dek. Doch nu werd, ongetwijfeld ter vergoeding en om den naam bakboord toch in eere te houden, de bak of balie, waarin de visch of het vleesch geweekt werd, altijd aan de linkerzijde van het schip gezet. Ten minste Winschoten is van meening, dat dit zoo heeft kunnen zijn. Volstrekt onmogelijk is het dan trouwens ook niet, al voldoet de verklaring niet iedereen.

Er bestond ook nog eene derde mogelijkheid, die echter wel wat ver afligt. De matrozen worden in bakken verdeeld, in afdeelingen, die onder toezicht van den baksmeester uit denzelfden bak eten. De zóó in bakken verdeelde matrozen zouden steeds aan de linker- of bakboordszijde van het schip hebben gehuisd; de officieren, de kapitein en stuurlieden, aan wie het sturen van het schip was toevertrouwd,

[p. 76]

dus natuurlijk aan de hoogere hand, aan de rechter-, of stuur-boordszijde. Tegenwoordig is die plecht ook al van het schip, en logeeren de matrozen vóór, de superieurs achter.

Ten Kate, onze eerste eigenlijke taalkenner, was dan ook met geene dier verklaringen tevreden. In zijne bekende Aenleiding tot de kennisse enz. II, blz. 8, § VIII, ziet hij in het hier bedoelde bak het Angelsaksische baec, baece(rug) ‘zo dat ons bak-boord zo veel is als de Rugboord, naemlijk die zijde van 't Schip, daer de Stuerman, terwijl hy het roer in den Begterarm houd, den rug na toe keert.’ Deze verklaring is ontegenzeggelijk de ware, gelijk zij ook de natuurlijkste is. De benaming stuurboord, wier etymologie boven allen twijfel staat, wijst ons naar den stuurman, aan het roer staande. Hij zal, op de kleinere schepen, den helmstok doorgaans met de rechterhand of in den rechterarm hebben gehouden, al was het roer ook niet juist aan de rechterzijde van het schip bevestigd, gelijk van eik in zijne Scheepsbouwkunst ter liefde van de benaming stuurboord beweert, omdat ‘onze ouden het rechte verstand niet hadden om het achter aan te passen.’ Wanneer nu de stuurman ter meerdere krachtsoefening, wat niet zelden zal plaats gehad hebben, ook de linkerhand aan het roer sloeg, dan wendde hij natuurlijk het bakboord den rug toe, dan was dit voor hem werkelijk de rugzijde, het ruggeboord.

Er bestaat tegen deze verklaring maar ééne, doch zeer wichtige zwarigheid. Men zal zeggen: ‘bak is geen Nederlandsch, het is Angelsaksich en Engelsch; en juist de Engelschen spreken niet van backboard, maar van larboard; atqui ergo’ Bak, in de beteekenis van rug, is zeker geen Hollandsch noch Vlaamsch; Plantijn noch Kiliaan kenden het; en de Friezen, die het woord wel bezitten, zeggen steeds bek: to bek is bij hen terug, efterbek en oerbek is achter den rug, achteruit. Reeds in het Oudfriesch had het woord eene e: bekfeng was achteruittasting, en bek hlep een sprong achter op iemands rug. Wij hebben het woord dus zeker wel niet van de Friezen overgenomen, wij zouden dan bekboord

[p. 77]

uitspreken, wat zelfs de Friesche schippers, voor zoo verre ik weet, niet doen. Wij moeten het van de oude zeevarende Saksen of Noormannen hebben ontleend. In het Angelsaksisch toch bestaat baecbord, in het Oudnoordsch bakbordh. Dit laatste heeft, met onderdrukking der k, het Zweedsche babord, en, met de gewone en geheel regelmatige verzachting der k in g, het Deensche Bagbord opgeleverd. In die talen beteekent bak, ags. baec, onrd. bak, zw. bak, dn. Bag, uitsluitend rug; en bakboord moet volgens hunne taal volstrekt rugboord zijn, dewijl een woord bak of bag, in den zin van houten nap of kuipje, hun geheel onbekend is. Bak, voor nap, is dan ook geen Germaansch; wij Nederlanders, de eenige Germanen die het kennen, hebben het van onze zuidelijke Romaansche naburen. Het Latijn heeft geen woord, dat als het etymon kan beschouwd worden; het is Keltisch. In het Gaelsch is bac een schip; in het Bretonsch (le Bas Breton) luidt dit woord bac en bag, en beteekent bagea: een schip bouwen. Het Fransch, dat reeds verscheidene benamingen voor schip bezat, als nef, navire, vaisseau, bâtiment enz. trok van dit woord wel partij, maar beperkte de algemeene beteekenis tot die platbodemige en bakvormige vaartuigen, die wij ponten noemen. Het Henegouwsche Waalsch zag op den vorm der ponten, en gaf aan bac ook den zin, dien wij er doorgaans aan hechten, dien van platte houten trog. Bak kan dus wel niet vóór de Henegouwsche regeering in onze taal zijn gekomen, waaruit volgt, dat de Denen en Zweden hun bak niet van ons hebben, dewijl het reeds bij hunne vaderen, de oude Noormannen en bij de Angelsaksen in gebruik was, lang vóór wij het van de Henegouwers konden overnemen.

Bakboord beteekent dus ongetwijfeld rugboord, gelijk achterbaks achter den rug, en is van vreemden oorsprong, even goed als bak, terug, in bakslaan, terugslaan, dat van het achter-uitslaan der zeilen wordt gezegd, wanneer men, te scherp in den wind zeilende, dezen voorin krijgt. In het Zweedsch is bak, in het Deensch bag ook als adverbium voor terug, achteruit in gebruik.



[p. 78]

Bakboord is niet de eenige zeeterm, dien wij van anderen hebben overgenomen: tjalk, jol, boot, bramzeil e. a. behooren er ook toe; giek laat zich alleen uit het Ags. verklaren.

Dat de Engelschen hun voorvaderlijk baecbord voor larboard hebben verruild, is zeker vreemd. Vreemder nog, dat zij het niet verstaan en voor Nederlandsch houden. Zij verklaren het door leederboard, dat Hollandsch zou wezen, en waarin leeder zooveel als linker zou beteekenen. Het Engelsch kent geen lar; in het Deensch is Laar, in het Zweedsch lor zooveel als dij of lende. Hebben de Engelschen dit overgenomen, dan worden we op nieuw naar den stuurman geleid, links van het roer staande, den helmstok alleen met de rechterhand houdende en vooruit kijkende; dan is larboard, dat boord, dat het dichtst aan zijne zij de of lende is, terwijl hij door het roer van het starboard gescheiden blijft.

 

L.A. te Winkel.