[p. 145]

NEDERDUITSCHE SPREEKWOORDEN.

(Vervolg van blz. 288, 4de Jaargang).

 

'k Wil die wat lagchen, of wat housten = ik lach u liever wat uit; ik doe uw zin niet; daar kan niets van komen. Gron. Ik will di wat bottern. Holst. Idiot. I, 143. Mörgen brengen! Gron. Märgen brengen! Kleef I, 381.

Land blift Land, Land lopt to 'm Siel nig uut; landerijen zijn de zekerste bezittingen. Nedsaks. Wbk. III, 9. Siel = sluis, zeesluis; Gron. ziel, geschreven zijl.

Lands wijs, lands eer. Nederl. 's Lands wieze, 's lands eer. Gron. Landes Wise, Landes Ehre. Nedersaks. Wbk. III, 9. Landes wiese, Landesehre. Munster I, 297.

Lang borgen is geen kwijtschelden. Nederl. Ook Gron. Dial. Lange borgen is nig quit schelden. Nedersaks. Wbk. III, 410. Lange geborget is nach nit geschenket. Lengefeld I, 325. Lang geborgt es net quit geschlage. Aken I, 490.

Lechtmisz lecht, is de Bur en Knecht; Lechtmesz dunkel is de Bur en Junker. = Ligtmis licht, (helder) is de boer een knecht; Ligtmis (jonker) is de boer een jonker. Munster I, 297. Aldaar ook: Drüge April is Landmanns will. - Kollen Mai giff viel Heu. - Lechtmissen donker so is de Buur een Junker; Lechtmissen licht, so is de Buur een Knegt. Nedsaks. Wbk. II, 170. - Lechtmisse licht, mäkt den biuer t' m knecht; Lecht misse dunkel mäkt den biuer t' m Junker. Soest. I, 348.

Leer om leer; brui je mij, ik brui je weêr. Nederl. Da's

[p. 146]

leer om leer, Gron. Lär um Lär, sleist du mi, sla ick di wär. Oldenb. I, 232. Ledder um Ledder, sleist du mi, ik sla di wedder. Holst. Idiot. III, 17.

Leugens hebben korte beenen. Nederl. Op rijm: Al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt ze wel. - Lügen hebbt korte Beene. Oldenb. III, 26. Lögen hebt korte Bene. Nedsaks. Wbk. III, 80. Lögen heft korte Been. Holst. Idiot. I, 80. Legen hebben korte Ben. Strel. III, 70. Lägene häwe kaurt Biene. Noordfr. Bendsen, p. 442.

Leven as katten en honden = oneenig leven. Gron. Se leevt mitnander as Hünne un Katten. Holst. Idiot. II, 236. Já forlicke ás Hünne an Kātte = zij verdragen elkander als honden en katten. Noordfr. Bendsen p. 434.

Leven as vrunden en reken' as vijanden. Ook: Gouje vrunden wezen, moar 'n ander oet de buus blieven; wij zullen goede vrienden zijn, maar elk moet zijn aandeel betalen. Gron. buus, buutse = zak. Wi köönt woll gode Frönne wäsen, man wi möt us uut 'n Geldbüdel blieven. Oldenb. III, 26.

Liek of in 's zoo fwiet. = gelijk of nog eens zoo veel; is een voorslag aan de partij, om door het spel te laten beslissen of men niets, of het dubbele zal betalen. Op enkele plaatsen hoort men hiervoor ook: 't Gait om de zweep, 'twelk van hardrijderijen ontleend is. - Quiet off ins so schwiet! alles verloren of dubbel gewonnen! Ook: Quiet off ins so wied! Oostfr. en Westfaalsch Stürenburg p. 242. - Het Gron. liek wordt in verschillende beteekenissen gebruikt; de met bovenstaande het meest overeenstemmende geven wij hier op. Ik speul mien liek; hol mien liek = verlies of win niet; ik heb mien liek = wat mij toekomt; liek holt smieten met iemand = 't met hem vinden, met hem in gevoelen overeenstemmen; 't in 't lieke proaten, 't liek proaten = zoolang met elkander spreken, dat men het eens is; liek lai (lei) ook: liek stoat moaken = iets vereffenen; liek om liek ruilen = ruilen zonder iets toe te geven of toe te bedingen; de schalen bin liek = de balans is in evenwigt; liek = regt; liek oet = regt uit: ook: goed rond; lieklatje = liniaal. Het Br. Nedersaks. Wbk.

[p. 147]

en het Holst. Idiot. hebben: liek, ook als adj. en adverb. = gelijk, effen, overeenstemmende, billijk, regt; Goth. leiks, galeiks; As. en Frank.: lic, lik, lich, Eng. like, ZW. lijk = gelijk, Noordfr. lickto = regtuit, opregt. - Voor: gelijk, om het even, heeft het Gron. (gelieke). - Swiet beteekent: opmerkelijk, buitengewoon, zeer. Het Br. Nedsaks. Wbk. op: Swied, zegt: ‘dit is een overoud, maar bij ons nog zeer gebruikelijk woord, 't welk zoo veel beteekent als: zeer, valde, en bij dingen of handelingen, die meer dan alledaagsch zijn, wordt gebezigd. As. swithe, valde; swithor, magus, potius; swithost, maxime, potissimum; swithian, swithrian, invalescere, praevalere, Eng. swithe, vehemens, prompte.’ Oudfr. swithe, Oudsaks. switho. Het Oostfr.: schwiet = zeer, veel, sterk, buitengemeen. Het Gron. heeft het woord ook met attribut. gebruik. b.v.: swiete duur, swiete mooi, - 'n swieten goud = buitengewoon veel goed. - Ins, staat voor: nog eens, en zoo heeft het Gron. ook: ins nijt, voor: niet eens.

Liggen nog gijn balken onder, voegt men iemand schertsend toe, die niet op het ijs durft, al is het ook sterk genoeg. Gron. - Het Holst. Idiot. heeft: ‘Moses hett keen Balken ünnerlegt, zegt de gemeene Jood, en gaat niet op het ijs der Elbe. Thans echter meer dan voorheen,’ III. 144.

Litje kinder dokket, grote kinder rokket; hoe grooter de kinderen worden, hoe meer zij aan onderhoud in kleeding kosten. Nedersaks. Wbk. I, 223, dokken = met de pop spelen; rokken = gelijk, slicht, effen maken.

Laat hōm (of heur) veur degene dei hij is = laat hem voor dengene, die hij is, voor hetgene hij is, d.i. zeg geen kwaad van hem; wordt verondersteld dat er wel iets op dien persoon te zeggen valt. Gron. - Loot Ider, wie he es, dann bliefste selwer, wie de böös. Meurs I, 400. Loot em Idern, wat hei is, dann bliewest du auk, we du bist. Lengefeld I, 325.

Loat moar loopen. Deze uitdrukking wil zooveel zeggen, als: laat maar begaan, laat het maar aan het lot over. De zegswijze: Loat hom (of: heur) maar loopen, beteekent: hij is wel vertrouwd, dat hij los loopt, hij weet wel, wat hij drijft.

[p. 148]

Gron. - Laat man loopen, seggt Lütj, un pist in de Seef; apologisch sprw. op onbedachtzaamheid en vergeefschen, nutteloozen arbeid van toepassing. Holst. Idiot. III, 48.

Loopen as 'n spande hoas = loopen als eene gespande haas = zacht loopen, ironisch gezegd. - Het binden der achterbeenen der koe onder 't melken, noemt men spannen; het touw dat daartoe dient, en 't welk veelal van paardehaar gemaakt is, spantouw. Voor korte treden doen, hoort men hier: drei tree in 'n spintvat = drie treden in een spintvat; eene maat = de vijfkop. Gron. Het Holst. zegt: He löpt as en bunten Hase = hij loopt zacht. Idiot. II, 107.

Loop je niet, zoo heb je niet. Nederl. Lopst nijt, zoo keft nijt. Gron. Löpste niet, dann helpt deck Gott niet. Meurs I, 400. Dat geit hestu nig, so kannstu nig. Holst. Idiot. II, 117: dat gaat snel; zeer snel.

Loos as rout, ook: loos as 'n rouk wezen. Gron.; loos als roet, of: loos als een roek, eene soort van kraaijen. Men past het vooral op kinderen toe, die gevat, schrander zijn.

Het laatste is onzes bedunkens, de regte lezing, en moet de eerste als eene verbastering daarvan aangemerkt worden. Nedsaks. rook, röke, een raaf, Eng.: rook, dat ook looze schelm, gaauwdief beteekent. Het Nedsaks. heeft ook: He stilt as een Rook, ons: stelen als een raaf. Wbk. III, 520. - Sou klank as 'ne duale (HD. Dohle). Attendorn I, 357.

Lutje potjes hebben ook ooren, ook: Kleine potjes hebben ook ooren: kleine kinderen kunnen ook klappen van het gesprek; dient tot waarschuwing aan den verteller. Gron. Lüttje Potten hebbt ook Ohren: kinderen hooren meer dan men meent. Oostfr. Stürenb. p. 182. Lütje Müse hebt ook Oren. Nedsaks. Wbk. III, 207. Kleine Kitel hät de grötsten Ooren. Paterb. I, 362. Klehn Käszle hant gruhsze Uhre. Düren I, 483. Kleng Keiszele hant grusze Uhre. Aken I, 491 Klein Kässele han grosze Ohre. Keulen I, 471. Lājtt Kröge häwe ook Uhre. Noordfr. Bendsen, p. 442.

Lijve kinder hebben veul noamen = lieve kinders hebben vele namen. Hiermede wil men schertsend te kennen geven, dat

[p. 149]

men wel veel van iets houden moet, daar men er zoo veel verschillende namen aan heeft gegeven. Ontleend aan de lieve woordjes, waarmede men kleine kinderen aanspreekt. Gron. - Leve Kinder hebt vele Namen. Nedsaks. Wbk. II, 773. Leiv Kenger kant völ Name. Aken I, 491. Liaewe liou joutme folle nammen. Hfft. Oudfr. Sprw. p. 130: lieve lui geeft men vele namen.

Lijve tied! = lieve tijd! Uitroep van verwondering, met de toevoeging: Wat is de wereld wied, wat is de mouspot eng, dat er gijn stōkje spek meer in ken! Gron. - Moder, wat is de Welt doch groot, sä de Jung, do Keem he achter 'n Kohlhoff, Oldenb. I, 232. Du liewer Tiet, wat es de Welt wiet, Wat es de Hemmel hoch! Wat sind de Menschen gottloos. Meurs I, 400.

Mandegoud, schandegoud = mandegoed, schandegoed. Gron., het Nederl. Gemeen goed, geen goed; Dr. Mandegoed, schandegoed; onverdeeld goed wordt slecht beheerd. Dr. Volksalm. - Oostfr.: Mandekraam, Schandekraam; Mandegood, Schandegood; van gemeenschappelijk goed komt geen voordeel, maar schade en twist. Stürenburg p. 143. Overijss. ook: mandegoed = onverdeeld goed. Nedsaks.: Mandeel, het deel, dat van gemeenschappelijk hooiland den ingezetenen van een dorp, bij jaarlijksche deeling, door het lot toegewezen wordt. Wbk. III, 125. Het Gron.: mandijlig, Overijss.: mandeelig, ten naaste bij door: gemeenschappelijk, te verklaren., bestaat uit: mande, en: deelen; mande zou zijn het Oudfr.: monde = gemeen, algemeen. Met iemand in de mande doen, Gron. even als het dr., = voor gemeene rekening handelen; mantjen, mannen, in de man' doun = gemeenschappelijk eene kans in het spel wagen, in de winst of het verlies gelijk deelen; oet de man' of: mande wezen met iemand, zooveel als: geen vrienden meer zijn. - Volgens onze bescheidene meening verdienen de woorden: mandegoed, en mandeelig, alsmede het spreekw. Mandegoed, Schandegoed, eene plaatst in het Nederlandsch Woordenboek.

Man mut Bekkers Kinner keen Stuten geven; men moet groote lui niets schenken. Holst. Idiot. I, 59.



[p. 150]

Man segt wol van dem velen Drinken, averst nig van den groten Dost = men spreekt wel van het vele drinken, maar niet van den grooten dorst. Verontschuldiging van zuipers. Nedsaks. Wbk. I, 231.

Mansmour is zoo goud as de dúvel over de flour = man's moeder is zoo goed als de duivel over den vloer; waar de moeder van den man bij dezen inwoont, kan geen vrede zijn. Gron. Mannsmoor iss so good ass de Düvel ver de Floor. Oobtfr. Stürenb, p. 146 Voldoende reden hiervoor geeft het volgende spreekw. aan de hand: Twee Wiven ver een Dal is een to v hl. Stürenb. p. 29.

Men is nooit te oud om te leeren, of: Men moet leeren zoo lang als men leeft. Nederl. Het (Gron). zegt het laatste. - Men es zeleeve net ze alt för ze leere, saht et o't Wief, du leeret se noch hexe. Aken I, 491: men is zén leven niet te oud om te leeren, zei het oude wijf, en leerde nog heksen.

Men kan de menschen den mond niet stoppen. Nederl. Ook Gron. Dial. - De all Lie'den Snuten stoppen will, is väl Mehls van doont. Oldenb. III, 24. - Et es kenn Heu genug yewassen, öm de Lühd de Mond te stoppen. Meurs I, 400.

Men ken 'n por zoo lang trappen, dat hij kwakt = men kan eene pad zoo lang trappen, tot zij kwakt; ook de zachtmoedigste verliest eindelijk zijn geduld, als hij lang getergd wordt. Gron. Man kan de Pogge so lange treden, bet se quiket. Nedsaks. Wbk. V, 100. Ook: Man kan de Uetze so lange pedden, bet se quakket. Wbk. III, 280. Man kann 'n stummen Uze (pad) so lange träden, datt se quakkt. Oostfr. Stürenb. p. 189.

Men ken zōk an gijn voele poal schoon vrieven = men kan zich aan geene vuile paal schoon wrijven: men moet geen voldoening van lasteraars vragen. Gron. De sück an 'n Esel schürt, kriggt der Haar van. Oostfr. I, 18. De sick an 'n Esel schürt, kricht 'r Haare van. Oldenb. III, 26. An 'n fuhlen Pahl kannst du di nich schoon frieven, Oostfr. stürenb. p. 61

Men moet de beerehuid niet eer verkoopen, vóór men den beer gevangen heeft. Nederl. Ook Gron. Dial. Hd. Man musz nicht die Haut verkaufen, ehe der Bär gefangen ist. - Ungefangene

[p. 151]

Fiske sund nig good to Diske. Nedsaks. Wbk. I, 397. En: Man moot nig Hering ropen, man hebbe em den bi 'n Steerd. Wbk. II, 625. - Man moot nig eer: haalt Fisch! uutroopen, bit se fungen sünd. Holst. Idiot. IV, 323. Roop keen Haalfisch ut, eer du se hest. Idiot. III, 307. Me mot nit äer ‘herink,’ raupen, bis me ne buim stärte hiät. Soest I, 348. Me mot ni siegen: hering, bis me ne beim schwanse heat. Marsberg I, 321. Man kann ni aier heering seggen, bis me ne bei 'n swanse hett. Driburg I, 362. Rop nin haering, aerste se int net heste. Hfft. Oudfr. sprw., p. 187.

Men moet de tering naar de nering zetten. Nederl. Mann moot de Tären na de Nären setten. Oostfr. stürenb, p. 157.

Men moet het rijsje buigen terwijl het jong is. Nederl. Beug den Heister ehe hei te dicke wird. Lengefeld I, 325. heister = jonge boom, in 't bijzonder een eikenboompje.

Men moet het ijzer smeden terwijl het heet is. Nederl. Ook Gron. Dial hd. Man musz das Eisen schmieden, weil es heisz ist. Mit heten Bolten (bouten) strikt sik good. Nedsaks. Wbk. I, 14.

Men moet niet verder willen springen dan de pols reikt. Nederl. Men mout nijt wieder springen as de polsstok lank is. Gron. De wieder springen will, as de Stock reckt, fallt in de Schloot. Oostfr. I, 18. He will wieder springen, as sein Pattstock reckt. Oldenb. III, 12. Man moot sine Vöte nig vudder steken, as de Deke geit. Nedsaks. Wbk. I, 191.

Men mout de ijne geld geven en de ander betoalen = men moet den eenen geld geven en den anderen betalen; men kan even goed bij den een' als bij den ander' teregt, in allen gevalle moet men toch betalen. Gron. Den eenen mut ik betalen, den annern Geld geven: het is mij gelijk, wien ik in handen val, geen van allen geeft mij iets. Zoo ook: De een gift mi Geld un de andre betaalt mi = de eene kooper en betaler is mij zoo lief als de andere; baar geld lacht. Holst. Idiot. III, 20.

Men mout eten wat men lust en lieden wat men ken; men moet er zoo over denken: als het maar goed smaakt, kan

[p. 152]

men zich over de gevolgen niet bekommeren. Gron. Eeten wat man mag un lieden, wat der vör hört. Holst. Idiot. III, 33.

Men mout gijn olle schounen weggooijen veur dat men neien weer het = men moet geene oude schoenen wegwerpen, voor men nieuwe in de plaats heeft: men moet geene kost-winning, of betrekking, waar men van leven moet, varen laten, voor men er eene andere weer heeft. Gron. Smitj nian fül wether wech, iar rian wedder heeft = smijt geen vuil water weg, eer gij schoon water weer hebt. Noordfr. III, 2.

Men mout gijn pankouk bedarven om en ai = men moet geen pannekoek bederven om een ei: men moet het geheel niet bederven om een weinig meer kosten. Gron. Um een Ei moot man nien 'n Pankook schennen Oldenb. III, 26.

Men mout zōk nijt eerder oetklijden, veur men noa ber tou gait = men moet zich niet eer uitkleeden, vóór men te bed gaat, slapen gaat: men moet meester van zijn vermogen blijven, zoo lang men leeft. Gron. Man möt sick nich ähr uuttehn as bet m'n na Bädde geiht. Oldenb. III, 26. Sik nig eher uutteen, bet man to Bedde geit. Nedsaks. Wbk. I, 64. En: De sinen Kindern gift Brood, un lit sulvest Nood, de is weert, dat men em sleit mit der Küle dood. Wbk. I, 142. Man mott sick nich eier uttein, all wenn man to Bedde geit. Bielefeld I, 281. Me sall sech niet ehr uutkleien as me to Bett geit. Meurs I, 400. Man mot sick nich ehr uuttrekken, bed man tau bedde gait. Minden I, 359.

Men noemt geen koe bont, of zij heeft wel een vlekje. Nederl. Gijn kou hijt bloar, of hij het wel 'n vlektje, of: Gijn kou hijt bont, of hij het altied 'n vlektje = geene koe heet blaar, (of: bont) of zij heeft wel een vlekje; van slechte geruchten ten opzigte van personen, is altijd iets waar. Gron. bloar = blaar; bloarkou, bloarde kou = koe met eene bloar, d.i. witte kop met zwarte kringen om de oogen. Gron. Bij Weil. Bekn. Ned. Taalk. Wbk.: ‘blaar, eene vlak voor den kop der dieren, anders kol genoemd. Ook eene zwarte koe,

[p. 153]

die eene witte vlak voor den kop heeft.’ D'r heet geen koh blaar of se hett ook 'n witt Haar, of: D'r word geen koh blär heten of d'r is wol 'n Flekk an. Oostfr., etwas weisz gefleckt (von einem Rind etc.). Stürenb. p. 18. Et hit kenn kuh bont, of se het ock ennen Fleck. Meurs I, 400. Et het keine kau bunte, odder si hiät en pläksken. Soest. I, 348. 'T is gen kuh bont of ze hädd en pleckske. Kleef I, 381.

Men wordt eerder van 'n strontkar overjagt (of: overreden) as van 'n koetswoagen = men wordt eerder door een drekwagen overreden, dan door eene koets: men staat ligter aan eene grove behandeling van ingebeelde dan van werkelijke aanzienlijken bloot. Gron. - Me we'd ihder van en Drekkahr overfahre äls van 'ne Wagen. Aken. I, 491.

Men wijt nijt, wat men an hōm het, vis of vlijs = men weet niet, wat men aan hem heeft, visch of vleesch: men kan niet te weten komen, hoe men met hem staat, men kan hem niet leeren kennen. Gron. Man weet nig, of man Fisk edder Fleesk an em het. Nedsaks. Wbk. I, 397.

Met de deur in huis vallen. Nederl. Ook Gron. Dial. - De fallt mit de Dähr in 't Huus. Oldenb. III, 26. To fallem as de Flege in den Brij = onvoorzigtig op iets aanloopen. Nedsaks. Wbk. I, 409. - Dat is en rechten Fall in den Brie! Holst. Idiot. I, 148. 't Hd. Mit der Thür in's Haus fallen. - He fallt as en Oss in den Bree. Idiot. I, 308. - Dat is 'n rechten Sla' in 'n Breé. Oldenb. III, 26.

Met mosterd na den maaltijd komen. Nederl. Ook: Met het zout komen als het ei op is. Vooral het laatste ook in Gron. Dial. Wie Moster no et Eten kommen. Meurs I, 400.

Mien kop is gijn almenak! = mijn hoofd is geen almanak! ik kan niet alles onthouden! Gron. He hêt 't Almenāck äujn 'e kropp = hij heeft een almanak in zijn ligchaam. Noordfr. Bendsen p. 434.

Mien voader is gijn Bremer! of: is gijn Bremer west! = mijn vader is geen Bremer, of: geen Bremer geweest! d.i. ik laat hij mij maar zoo niet door u uit de handen nemen; in letterlijken zin, wanneer de ander zijne hand reeds uitstrekt,

[p. 154]

om iets te bezien of te verbeteren. Gron. - Ik bin keen Bremer. Daar wil men te kennen geven, dat men zich eene zaak niet uit de handen wil laten nemen. De reden dezer zegswijze zou te zoeken zijn in de eenvoudigheid van zulke Bremers, die nooit buiten de grenzen dier Stad geweest zijn, en zich bij de driestheid van andere lieden niet vrij genoeg weten te gedragen. Nedsaks. Wbk. I, 138.

Mist het den Oost in der kist; op mist volgt veelal eene heldere lucht, met Oostewind. Nedsaks. Wbk. III, 167. Wij zeggen hier ook, dat mist eene voorbode is van vorst.

Mis, zee de maid! = mis, zei de meid: = mis! niet getroffen! al spottend gezegd. Daarbij behoort nog: 't hemd zit er veur, of: 't hemd zit verdraid. Gron. Miss säh de Meid, 't Hemd sitt d'r v r. Oostfr Stürenb. p. 151. Aldaar ook: 't Iss doch nich heel miss, säh de Junge, do schmeet he na de Hund und raakde sien Steefmoor. Van gelijken aard zijn: Dat wohr getroffen, zei de Jong, do schmeet he sinn Moder en Aug uut de kopp. Meurs I, 400. Getroffen, getroffen, sag de Jung, då har he sin Mour 't Ouge ut smiëtten. Osnabr. III, 162. Dat es getroffe, saht der Jong, du worp he si Vaar en Og ut. Aken I, 491.

Mit de bril noa 't wijtou mouten zuiken (Old. Ww. tau) = met den bril naar et wiegetouw moeten zoeken; wordt gezegd, als een oud man met een jong meisje trouwt, in verband met: 'n Jonk ooi en olle vam, doar komt alle joar 'n jonk van. Gron. Met de Brehl an de Wieg setten, of: wiegen mötten. Meurs I, 400.

Mitgoan op 't huusblieverswoagentje = meegaan op 't huisblijverswagentje; spottend voor: te huis moeten blijven. Gron. Uutfaren up Jan bliev to Huus sinen Wagen. Nedsaks. Wbk. II, 685.

Mit 'n metworst noa 'n schink, of: noa 'n ziede, of: stuk spek gooijen = met een metworst naar een ham, of: naar eene zijde spek gooijen. Gron. zooveel als het Nederl. : Eeen spiering uitwerpen om een kabeljaauw te vangen. Weil. heeft ook: Een teling uitzenden om een eendvogel te vangen;

[p. 155]

iets weggeven om een grooter geschenk te ontvangen, - welk spreekwoord ook in deze provincie gangbaar is. - He smitt mie 'n Mettwust na 'n Sginken. Oldenb. III, 24. Mit der Metwurst na 'n Schinken smiten. Nedsaks. Wbk. III, 152. Schinken, sginken, Gron. Dr. Overijss Geld. schinke = ham (Old. Ww. schinke) verwant met: schonk, schenkel. - Hd. Schinken, Holst. Schinken, As. scenc, Deensch skinke. - He schmitt mit 'n Mettwurst na 'n Siet Speck Oostfr. I, 18. Mit der Wost na der Siehe Speck smieten. Hildesheim I, 183. He schmit met en Gerschtekörnschen no en Sit Speck. Meurs I, 400. Hai smitt mit der mettwust no de seien Spekk. Driburg I, 362. Hi leat an Swalk (-zwaluw) ütj flä an wal an Gus (gans) wedder ha. Noordfr. III, 2.

Mit 't gad in 't bottervat vallen, of: mit 't achterste in 't bottervat vallen; een zeer voordeelig huwelijk doen, waarvoor men ook in de plaats zou kunnen stellen: eene goede haven inzeilen, gelukkig aanlanden. Gron. Met de Fött en de Botter fallen. Meurs I, 400. Em is een klumpen Botter in den Brij fallen = hem is eene voordeelige zaak te beurt gevallen. Nedsaks. Wbk. I, 127. Deam einen fällt de leiwe up den butterweck, deam annern up den koudreck. Marsberg I, 326.

Mit 't regier oog in 't linker buusgat kieken (buus = zak), ook: in de ander week; ook: Hij kikt noa de Klundert, of de Willemstad in brand is. Gron. Wordt gezegd van iemand die scheel ziet. - No Holland kieken wennt en Broband brannt. Ook: He kickt met et rechte Aug en de linke Täsch, Ook: He kickt en de andere Week heren. Meurs I, 400.

Moak je nijt dik, dun is de mode = maak u niet dik, dun is de mode; maak u niet driftig, acht u niet te spoedig beleedigd, blijf maar koel en bedaard. Gron. Sik breet maken; zich opblazen uit trotschheid. Holst Idiot. I, 151.

Moes as mour; start en ooren hebben ze allemoal = een muis als zijn moeder; staarten en ooren hebben ze alle: zij zijn alle gelijk, er is geen onderscheid in, b.v. wanneer men de keus heeft tusschen verschillende gelijksoortige voorwerpen;

[p. 156]

alsdan hoort men ook: ik wil om de keur nijt van de balk vallen. Gron. balk, hier = zolder, zoo: koubalk, en peerstalbalk. Muus as Moer, Steerd un Oren hebt se alle; de eene is zoo goed als de andere. Nedsaks. Wbk. IV, 1028. Muus as Moor; Stärten hebben se all. Meurs I, 400. Hierbij het synon.: He is ook krumm, we he sik bukt: is niet beter dan de andere. Holst. Idiot. II, 355.

Moud hebben as 'n peerd = moed hebben als een paard, ironische uitdrukking. Ook: Moud hebben as 'n peerd van 'n doalder, of: - as 'n stooters peerdje, ook: - as 'n schelvisch van drei daiten (duiten). Gron. Stooter = twee en halve stuiver; stooterskroam, eene kraam, waar veel kinderspeelgoed voor een stooter te koop is; eveneens heeft men: schellings-kroam. - He het Muth as en Perd on Mag as en Keckworsch, of: Flieg. Meurs I, 400.

Mouten is dwang! = moeten is dwang. Krijgt men ten antwoord, wanneer men iemand zegt, gij moet dat of dat doen, in plaats van: gij moest het doen, of: wilt gij het doen; zooveel als: ik laat mij niet dwingen. Gron. - Het Nedsaks heeft Möten is Dwang: voor den drang der noodzakelijkheid moet men wijken. Wbk. III, 190.

Mijnen het zoo mennig old wief bedrogen = meenen heeft zoo menig oud wijf bedrogen. Wordt iemand spottend toegevoegd, die zich verontschuldigt door te zeggen: ik mijnde etc. Ook: Mijnen ligt op Drenthe. Gron. - Meen ik is een Bedröger. Menen ligt in Flandern. Ik meende, dat de Vosz Hase was, un as ik to sag, was 't een Foder Hau. Nedsaks. Wbk. III, 148.

'n Ai is 'n ai = een ei is een ei: als 't in mijn kraam te pas komt, reken ik die dingen gelijk. Gron. - Een Ei is een Ei, segde de Pape, langde aver dog na 't grötste. Nedsaks. Wbk. I, 296. - Ei is en Ei, seed Jennereen, un lang na dat grötste; van een begeerlijk mensch, die zulks echter niet schijnen wil. Holst. Idiot. I, 295. En ei is en ei, saaggte de biur un nam dat gäuseei (ganzeëi). Werl. I, 350.

Na regen komt zonneschijn. Na lijden komt verblijden, Nederl.

[p. 157]

't Eerste ook Gron. Dial. Upp Reggen folget Sunnenschien. Langefeld I, 326. Efter Rinn kámt Sáunshín. Noordfr. Bendsen p. 438.

Natuur gaat boven de leer. Nederl. Ook Gron. Dial. Natur geit aver d'Lehr. Oostfr. I, 18.

'n Doen wief is 'n engel op berre = een dronke wijf is een engel op bed. Gron. E voll Wief es 'nen Engel ege Bett. Aken I, 491.

'n Doetje is moar stof; die hām nijt hebben wil wist hām of = een kus is maar stof, die haar niet hebben wil, wissche haar af. Gron. - 'n Soon iss 'n Stoff: de 'm nich, magg, wisk hüm off. Oostfr. Stürenb. p. 249.

'n Doode un 'n Bruut, de moten uut 't Huus heruut. Oostfr. Stürenb. p. 153.

Nei boer, nei wark = nieuwe boer, nieuw werk, zooveel als het Nederl. Nieuwe heeren, nieuwe wetten. - Ne'e Heeren settet ne'e Hecken. Oldenb. III, 26. Nije Heren settet nije Wetten. Nedsaks. V, 209. Nei Lidj, nei Wetten. Noordfr. I, 28.

'n Geven peerd mag men nijt in de bek kieken, of: wordt nijt in de bek keken = een gegeven paard mag men niet in den bek zien (om zijn ouderdom te onderzoeken): men mag de innerlijke waarde van een geschenk niet beoordeelen. Gron. - 'n Geven Perd word in d' Beck nich keken. Oostfr. I, 18. - Ennem geschenkedem Guhle süht me nit in de Muhle. Lengefeld I, 325. - M'r moss 'm geschankte Päed net en d'r Monk seen. Düren. I, 483. - Een joun goul siocht me naet ijne mouwl. Hfft. Oudfr. Sprw. p. 65. En shāngden Hájnst mäujt 'm ài äujn 'e Töle sijn. Noordfr. Bendsen. p. 440.

'n Gouje gevel versiert 't hoes = een goede gevel versiert het huis. Men past het schertsend toe op iemand, die een bijzonder grooten neus heeft. Gron. 'N groten Gäfel siert 't Huus. Oldenb. III, 26.

'n Gouje hoan is nijt vet = een goede haan is niet vet. Gron. 'Nen gauen Hahn es selde fett Aken I, 491. - En gauhsen Kräjdder wort sälten fātt. Noordfr. Bendsen p. 443.



[p. 158]

'n Goud pad krom, lopt nijt om = een goed pad krom, loopt niet om: een goed pad, al is het ook een omweg, is te verkiezen boven een slecht pad, dat korter is. Gron. - 'N lieken Weg het nien Kümmte. Oldenb. III, 26. lieke zal hier zoo veel beteek. als: effen, slicht. - Een good Weg umme, is kine krumme. Nedsaks. Wbk. II, 886. En goden Weg in de Krümm, is nig üm. Holst. Idiot. II, 355. - Goden Wech in de Krümm, is nicks üm. Strel. III, 70. - En gueden wiäg ümmen, Giet keine krumme. Soest I, 348. - 'Ne geere Weig, Es genge feere Weig. Ook: En gau Kröm es net öm. Aken I, 490.

'n Hartig woord holt 'n kerel van da hoed of = een brutaal woord houdt een kerel van 't lijf, d.i. stoutmoedigheid geeft respect. Gron. Baske Wörde holet den Man van der Döre. een forsch woord schrikt de tegenpartij af. Nedsaks. Wbk. I, 70. - En basch Woord holt en keerl van de Dör; ernst geeft gewigt. Holst Idiot. II, 243, I, 71.

'n Hoan het 'n groot regt op zien ijgen mis = een haan heeft een groot regt op zijn eigen mesthoop: elk heeft in zijn eigen huis het grootste regt. Gron. - Wenn de Hahn upp sien Messfaal steit, hett he groot Recht. Oostfr. Stürenb. p. 149. De Hane up sinem Messe het groot Recht, ook: Wen de Hane up sinem Messe is, so kraiet he: in zijn huis heeft iemand een groot regt; in zijn eigen huis heeft ieder de meeste vrijmoedigheid tot spreken, of om een ander de waarheid te zeggen. Nedsaks. Wbk. III, 150; I, 336. - 'N hane is fråit fuiner åigenen miste. Erwitte I, 344. - De Kräjdder ás Kinning àw sán Mjogsstālle. Noordfr. Bendsen. p. 438.

Niet genoeg hebben om te leven en te veel om te sterven. Nederl. Te min hebben om te leven en te veul om te starven. Gron. - Idt geit em as den Faselswinen, de etet nig satt unde hungert nig doot Nedsaks. Wbk. I, 354 faselswien 'T Gron. wintermōt, zeug.

Nieuwe bezems vegen schoon. Nederl. ook Gron. Dial. - Nije Bessen feget rein. Nedsaks. Wbk. I, 81. - Neu Beiszeme Kehre got, se feegen effer de Hötten net us. Aken I, 491. hötten = hoeken. - Nài Bäiseme fāge best. Noordfr. Bendsen. p. 538.



[p. 159]

'n Kus zander board is as 'n ai zonder zolt = een kus zonder baard is als een ei zonder zout. Dit spreekw. past natuurlijk alleen in den mond van een meisje: een kus van vriendinnen of kinderen mist den regten smaak, is voor mij van geene waarde: het moet eene zijn van een jongeling, of man, die een baard draagt, toch: een man zonder baard is niets waard. Ook Gron. - En Köösken ohne Bart schmäckt as enne Kuk ohne Salt. Meurs I, 400. An Kleeb sanner Biard as üs an Brei sanner Salt. Noordfr. III, 2.

'n Leven hebben as katten en honden: oneenig leven, vooral gezegd van man en vrouw. Gron. Se läft mit n'ander as Katt un Hund. Oldenb. III, 26.

Nog nijt dreug achter d'ooren wezen = nog niet droog achter de ooren zijn: nog jong, en alzoo nog laf, een snotterige jongen zijn. Gron. Nog nig dröge achter de Ooren wȧsen. Oostfr. Stürenb. p. 39: onervaren zijn. - He is nog nig dröge agter de Oren. Nedsaks. Wbk. I, 253. - Die büst nog nig drög achter de Oren. Holst Idiot. I, 257; IV, 54. Hä es noch net drui henner de Ohrn. Siegerland I, 519.

'n Olle bok lust ook nog wel 'n gruin bladje = een oude bok lust ook nog een groen blaadje: bejaarde mannen zij dikwijls nog niet ongevoelig voor de schoonheden van een meisje. Gron. - En aul Hippe (bok) löszt auch noch e grön. Blätschen. Solingen. I, 442.

Nood leert bidden. Nederl. ook Gron. Nüjd liert bähsigen. Noordfr. Bendsen p. 441.

Nijmand verzoep zien kinder, hij uijt nijt, wat er oet gruien ken = niemand verdrinke zijne kinderen, hij weet niet, wat er uit groeijen kan, d.i. tot welke aanzienlijke betrekkingen zij kunnen geraken. Gron. Nümms sla siene Kinner dood, he weet nich, wat d'r noch uut werden kann. Oldenb I, 232. Het Holst. heeft. Wat Gott nig ut en Minschen maken kann wanneer iemand tegen verwachting groot of rijk geworden is. Idiot. III, 101. -Nums drenke sine Kinder af, he weet nig, wat daruut weren kan. Nedsaks. Wbk. I, 247.

Nijt verder (of: wieder) Kieken as zien neus lank is - niet

[p. 160]

verder zien als zijn neus lang is; geen doorzigt hebben, niet nadenken. Gron. He kikt ni 'wieder as sien Nos lank is. Oldenb. III, 12.

'n Vranken meer mit 'n schoed tou 't hoes oetdroagen as 'n man der mit'n woagen imment = eene vrouw kan meer met een voorschoot het huis uitdragen als een man er met een wagen kan invoeren: eene spilzieke vrouw verteert de grootste inkomsten. Gron. De Froh kann mehr mit de Schude to 't Huus uutdragen, ass de Man mit de Heuwagen d r de Schüürdor drin farht. Oostfr. Stürenb. p. 236.

Oavendreden en mörgenreden komen voak nijt mitn'n ander overijn = avondpraat en morgenpraat komen vaak niet met elkander overeen: de des avonds opgevatte voornemens worden den volgenden dag meestal niet uitgevoerd. Vooral heeft dit betrekking op vroeg opstaan. In dit geval hoort men dan ook de waarschuwing: pas op dat 't ber'tnȳt heurt = pas op, dat het bed het niet hoort. Gron. Morgen- un Afendröde kahmt sellen avereen. Oldenb. III, 26. - Avend-rede un Morgen-rede kamet selden avereen, bij den dronk wordt dikwijls veel beloofd, en weinig woord gehouden, en: men kan zich niet altijd op het woord van een ander verlaten. Nedsaks. Wbk. I, 32. - Abendreede un Morgenreede kamt selden övereen = bij den dronk (des avonds) belooft men dikwijls, wat men na het uitslapen van den roes, niet houdt. Holst Idiot. I, 12.

Oavendrood brengt mooi weer an boord, waarbij nog behoort: Mörgenrood brengt woater in de sloot: avondrood is een voorteeken van schoon weder; morgenrood voorspelt regen. Gron. - Abendrood Morgengood, Morgenrood bringt Water in den Soot (bron). Holst. Idiot. IV, 159. Owendraud gud Wedder baut, Morgenraud de Bicke (beek) flaut (doet vloeijen). Lengefeld I, 325. Dat Maorgenrauth in den Gausken flaut, dat Aowendrauth guet Wiäder baut. Munster I, 297. Owendreöt gued Weär bedeöt, Moergenreöt fullet deän Peöt (put). Küthen u Mülheim, I, 344. Moargenräut füllt den päut, Aowendräut gued wiär bedäut. Soest I, 348.

Olle bokken hebben stieve horens = oude bokken hebben stijve

[p. 161]

horens: oude menschen staan gewoonlijk stijf op hun stuk. Gron. De äölsten Bükke heft stiefsten Häöne. Munster I, 297. - Ne ahlde Bock hät stihf Höhre. Duren I, 483.

Omdoch is gijn reden. Repliek op het antwoord: omdoch! of: ommeldoch! wanneer men de ware reden niet zeggen kan of wil. Staat voor: om toch! als verzekering, en dan moet dit: toch, den vrager voldoende zijn. Gron. Het Nedsaks. heeft: aldoch! ook: aldarum! dat raakt u niet. Voorts: Ik segge dat aldoch so man; ik zeg het maar zoo, het is mij geen ernst. Wbk. I, 11.

Om en grooten of om en blooten, zooveel als: alles op het spel zetten, veel winnen of alles verliezen; Kreupel of Keunink! (Kreupel of Koning.) Gron. He sleit en Grooten oder en Blooten = zijne waaghalzerij brengt hem er op of er onder. Holst. Idiot. IV, 105. Hierbij nog het Gron. As de velenk in 't land komt, kikt hij noa 't roadhoes of noa de galg.

Onbekend maakt onbemind. Nederl. Onbekend is onbemind. Gron. De nig geten het, dem plegt nig to hungern. Nedsaks. Wbk. I, 321.

Onbeslagen op het ijs komen. Nederl. Men mout nijt mit de klompen op 't ies komen, Gron. Blief met de klompen van het Ies. Meurs I, 400.

Ondank is 's werelds loon. Nederl. Stank veur dank is 's werelds loon, Gron. Stank is mien Dank; ondank is mijn loon. Nedsaks. Wbk. IV, 1037. Stank vör dank. Holst. Idiot. I, 203.

Ongegund brood wordt het meeste gegeten. Nederl. Ook Gron. Dial. - Ungünnt Brod ward uck äten. Oldenb. III, 26. - Kat, du sallst weeten, ungünnt Brod wart ook eeten. Holst. Idiot. II, 237.

Ongenuigde gasten worden achter deur zet = ongenoodigde gasten zet men achter de deur: die ongenoodigd komt, moet eene onvriendelijke ontvangst verwachten. Meestal schertsend gezegd. Gron. - Ungebedene Gäste settet man agter de Döre. Nedsaks. Wbk. I, 490.

Ongewoonte moakt bloaren: ongewone arbeid valt zuur. Vooral is dit van toepassing op het verrigten van zwaren

[p. 162]

arbeid, waarvan het ligchaam alsdan onaangename gevolgen ondervindt. Het is waarschijnlijk ontleend van menschen, die, geen handenarbeid gewoon, alligt door graven als anderszins blaren in de handen krijgen, Gron. - Ungewande Arbeit maakt Queesen (blaren). Oldenb. Ungewennte Arbeit bringt, of: makt Bulen; ongewone arbeid veroorzaakt ongemak. Holst. Idiot. I, 180.

Onkruud vergait nijt = onkruid vergaat niet. Gron. Hiermede wil men, zoo schertsend als in ernst, te kennen geven, dat groote deugnieten wel lang leven. Gron. Onkrut vergeht niet. Kleef. I, 381. - Anders heet onkruid hier roet, en het komt ons daarom voor, dat het eene navolging is van het Nederl. - Unkrüdd forgungt ài. Noordfr. Bendsen p. 438.

Onregt goed gedijt niet. Ook Gron. Unregt Good dijet nig. Nedsaks. Wbk. I, 203. Unrecht Gud gedigget nit, en: Unrecht Gud Kümmet sellen an den dridden Erwen. Lengefeld. I, 326. Unrecht gued digget nit. soest. I, 348. - Onrääch Goht deiht net. Oüren. I, 483. - Ünrôgt Gäujd däit ài. Noordfr. Bendsen p. 442.

Oost, West; 't huis best. Nederl. Ook Gron. Dial. Oost, West, to Huus best. Nedsaks. Wbk. II, 675. - Oost en West, to Huus is 't Best. - Holst. Idiot. III, 177. Ost en West, de Heme am best. Iserlohn III, 186. Heme = 't Gron. hijm = heem, erf: Eng. at home = te huis. - Osten on Westen, ter Heeme am besten. Hattingen a. Ruhr I, 369.

Op de doem knippen: op den duim knippen; een teeken, dat men zich verheugt, bv. over den goeden uitslag van iets. Het is eigentlijk niet: op den duim, maar met den duim en den langen vinger een klappend geluid voortbrengen. Gron. Hei fleutjet uppen Dumen = hij fluit op den duim; hij verheugt zich. Hildesheim. I, 185.

Oppassen is de boodschap! Nederl. Oppassen is de bosschōp. Gron. - Uppassen is de Bösskupp. Oostfr. Stürenb. p. 302. Zoo veel als: wel acht gegeven; goed opgepast, zich wel gedragen.

Opstait, stee vergait = die opstaat, diens stee vergaat,

[p. 163]

ook: opstait plaats vergait; opgestaan, plaats vergaan. Waarschuwing, dat iemand, die van zijne plaats opstaat, daar vervolgens geene aanspraak op behoudt, maar dat elk die wil, er mag gaan zitten. Behoort in de kinderwereld te huis. Gron. Opgestanden, Platz verlore, Keulen. I, 471.

Op 't onderste beuntje komen (beun = zolder) = het onderspit delven, de minste worden. Gron. He word upp 't underste Bööntje settd, wordt vernederd, gestraft. Oostfr. Stürenb. p. 298.

Op ijn bijn ken men nijt loopen = op één been kan men niet gaan, zegt de gulle gastvrouw, wanneer gij met één kopje koffij of thee te drinken, bedankt, door het kopje in het schoteltje om te keeren, en schenkt nog een in. Daarop volgt nog ligt een nuigelkopke, d.i. een kopje, dat na noodigen (nuigen) wordt ingeschonken (Old. intapt. Ommel insloagen). Gron. - Up een Been Kann man nich stahn. Dit hoort men dikwijls in Holstein van gastvrouwen bij het noodigen tot het tweede kopje. Bij het derde heet het: alle goede dingen bestaan uit drie; bij het vierde: drie is oneven, en ten laatste nog een voor 't noodigen. Technologie van de kunst van het noodigen. Zie: Idiot. I, 79.

Op zien dreve wezen = op zijne dreef, op de dreef wezen = in zijn schik zijn. Gron. Up sinen Dreve wesen. Ned. Saks. Wbk. I, 251.

Op zien elvendartigste = op zijn elf- en dertigste, bv. in: hij mout 't alles op zien elvendartigste hebben: zoo als het gemakkelijkst is, niets moet hem in den weg staan, hij moet alles op zijn gemak kunnen afdoen. Gron. In het Oostfr. Wbk. van den Heer Stürenb. beteek.: Up sien elv'nundartigste: in volle kracht, geheel in orde. Het zou oorspronkelijk op de voltalligheid eener oud Friesche Stendenvergadering aan deze zijde van den Eems betrekking hebben, aan welke elf en dertig stemgeregtigden of plaatsvervangers deel plachten te nemen, p. 47. - Et es alles op sech elfondertegs. Meurs I, 400.

Ort zel wel vour worden = ort zal wel voeder worden.

[p. 164]

Ort (Ommelanden): ört (Oldambt, Westerw.) = overblijfsel, brokken van brood of restes van ander eten; wordt zoowel van vee- als van menschenvoedsel gezegd. Wij hebben ook het meerv. orten = overblijfsels van verschillende soorten van spijs, en het diminut. ortjes; voorts het ww. orten, voor: wegwerpen, verstrooijen, vermorsen van voedsel, door kinderen of dieren. Noordholl. ort = stalvuil; Oostfr. ort, ört, örtsel, örtels = afval, overgebleven of versmaad voeder, in 't bijzonder van hooi en stroo; Noordfr. örte, aarte, urte, yrte; Oudduitsch ürzen = bij het eten iets overlaten. Nedsaks. orten, verorten, het beste uit het voedsel uitzoeken, en het overige als onnut wegwerpen of overlaten, uit lekkerheid veel overlaten; en ort, örtels, ook met de beteek. als het Gron. Volgens het Br. Nedsaks. Wbk. zou ort een oud Celtisch woord zijn, en daarvoor zou het Eng. ort, Iersche orda = brokken, overblijfsels van eten, ten bewijze strekken. Outzen dunkt, dat het van or, ur = ait, in den zin van: uitschot, afkomt, en niet van oerte, of uerte, eene slemppartij. Zie Glossar. p. 240. en Nedsaks. Wbk. III, 272. Het spreekwoord zegt zoo veel als: er zal wel een tijd komen, dat hij datgene wel gaarne heeft wat hij nu versmaadt. Van gelijke beteek. is het Nedsaks.: Nu sunt et Holtjes, un den sunt et Smoltjes. Wbk. II, 653. Smoltjes, (het Hd. Schmalz, ons: smout;) in 't bijzonder uitgebraden vet van ganzen, varkens enz. Hiervan welligt het Gron. smantje (Old.) voor: lekker beetje, en daarvan: smantjen = smullen.

Oude liefde roest niet. Nederl. Ook Gron. Dial. Oolde Leefte rustert nig. Ned. Saks. Wbk. III, 59, 565.

Overleg is het halve werk. Nederl. Ook Gron. Dial. - Practica est multiplex, seed de Buur, un bunn de Scho mit Wormd to. Holst. Idiot. IV, 374. Wörmd = Wermuth, Wermuthstengel, alsemsteel. Bonn, seth Fei, do trock se ennen Pier uut de Fott on bont sech den Hoos dormet op. Meurs I, 400. - Het Nederl. heeft ook: Practica et multiplex, zei de duivel en sneed den boer de ooren af.



[p. 165]

Paarden, die den haver verdienen, krijgen die niet. Nederl. Ook Gron. Dial. Dat Peerd, dat den Havern verdenet, krigt en nig. Nedsaks. Wbk. III, 308. - Dat Päed, dat de Haver verdehnt, krit se net. Düren I, 483. Dat Pääd, dat den Haver verdehnt hät, kritt in 'n nit. Keulen I, 471.

Pissen gait veur 't dansen. Gron. Met dezelfde beteek. als het Nedsaks. Pissen geit vor danzen: de noodzakelijkste en dringendste bezigheden gaan voor de minder dringende. Wbk. III, 323. Hfft. Oudfr. Sprw. heeft: Pissen for donsjen, sey de faam, waar het vertaald wordt door: Vrijen voor dansen, zegt het meisje. p. 172. Ofschoon wij de waarde der conjecturen van den geleerden Hoeufft niet kunnen beoordeelen, komt het ons aannemelijkst voor, hier bij de letterlijke opvatting te blijven; meestal hooren wij toch de spreekwijze bezigen in den zin van: de natuurlijke verrigtingen des ligchaams gaan voor alles, ook de aangenaamste bezigheden of uitspanningen moeten zoo lang wachten.

Plukschulde, - ook: plukkelschulde en stofregen - dringen deur. = Kleine schulden en stofregen dringen door: vele kleine schulden groeijen eindelijk zóó aan, dat zij tot een grooten last worden. Gron. Plikkschulden un Stoffregen dringen toletzt dör. Oostfr. Stürenb. p. 178. - Plikschulden un Stoffregen dringet, dör. Nedsaks. Wbk. III, 328. plik, eene kleinigheid, een klein stuk of gedeelte. - Schmieszreen (stofregen) en Lappeschold drängt dörch. Aken I, 491.

Poesten en hollen 't meel in de mond = blazen en houden het meel in den mond. Wordt op menschen toegepast, die naar hun zeggen, wel iets goeds willen tot stand brengen, maar er steeds op bedacht zijn om het geld in den zak te houden. Gron. - Hij wil wal poesten, maor 't maal in de buutse hollen, Dr. Volksalm , 't welk de Heer Lesturgeon verklaart door: hij houdt van meedoen, zonder dat het hem zelf iets kosten moet. Het Gron. en Dr. poesten = blazen; ook in Friesl. Overijss. en Gelderl. alsook bij Kil. - Nedsaks. en Holst., puusten, Deensch. at puuste, Noordfr. püsten, Hd. pusten. Het Gron. heeft mede de tautol. poesten

[p. 166]

en blaozen, waarmede o.a. de klankmethode door minkundigen wordt aangeduid, en beteekent ook: amechtig zijn. Voorts: poesten en stennen = steunen, klagen; poester = kleine blaasbalg; poestentreder, poestentrapper = orgeltrapper; poestig, achter da poest wezen, Nedsaks. puustig, pusig = achter adem, door hard loopen of hitte. - Dr. buutse, Gron. buutse; buus, búze; Friesch: buis = zak in een broek of jas; ook voor den zak, dien de vrouwen dragen; zal = buis zijn, om de overeenkomst van vorm met eene buis of pijp. Wij voegen hier nog bij de zegswijze: Vroom veur de lú wezen, en de dúvel in de buutse hebben = schijnheilig zijn, den fijne spelen.

Proaten as'n metworst, dei 't vet ontloopen is: babbelen, praten in 't wilde, zonder slot of zin, iets ongerijmds voor den dag brengen. Hiermede is synoniem: Proaten of: Kweteln as 'n zwalfke op 'n boonstok = praten als eene zwaluw op eene boonstaak. Gron. In de Ommel. proaten, Old. Ww. proten. Het Gron.: metworst voldoet aan de bepaling, die Weil. van sausys geeft. - Snakken as ene Metwurst, de an beiden Enden apen is. Nedsaks. Wbk. III, 152. - He schnakkt ass'n Mettwust, de 't Fett entlopen is. Oostfr. Türenb.. p. 228.

Proaten is goudkoop. - Proat is gijn jenever. - Proatjes vullen gijn goatjes. Zooveel als: beloven kost geen geld; met praten is het niet goed. Hiermede is synoniem: Froaten is niks, moar doun is 'n ding = praten beteekent niets, maar doen is de zaak. Gron. - Proten is gotkoop, man Dohn is 'n Ding. Oostfr. Stürenb. I, 18. Proten iss goodkoop, stuurder iss doon. Oostfr. Stürenb. p. 184. stuurder = 't Gron. stoerder, compar. van stoer = zwaar, moeijelijk. - Snakken is good koop = woorden kosten niet veel. Nedsaks. Wbk. IV, 875, En: Seggen is good, man doon is een ding. Wbk. IV, 736. - Snak is good koop, Holst. Idiot. II, 319. En: Praatjes Sünd keen Gaatjes. Idiot. III, 229. Het Idiot. voegt er bij, dat het Hollandsch is, doch in Holstein veel gebezigd wordt. - Kallen es kenn Geld. Meurs I, 400. - Muhle send Kehn Stüvre = woorden zijn geene stuivers.

[p. 167]

Düren. I, 483. - Folle wirden follen nin seck = vele woorden vullen geen zak. Hfft. Oudfr. Sprw. p. 81. Gauhs Urde māge de Küjl ài fātt = mooije woorden maken de kool niet vet. Noordfr. Bendsen p. 440.

Riegt joe! zooveel als: gaat in de rij staan! Schertsend. Tegen de schapen zegt de schoapjong, d.i. de schaapmelker: hok op rieg! (Ommel.) Het Gron. rieg, riege = rij; het Nederl. rijgen = rijen. - Rieget ju, saag de Buer, då hadde he men en Piärd in den Stall. Rheine. I, 285. Rieget ju, sagg de Bur, das hadde ene Koh in 'en Stall. Munster. I, 297.

Rijd geld denkt scharp = gereed geld, baar geld denkt scharp; men kan het goedkoopst teregt, wanneer men terstond betaalt, en wie contant betaalt, wil zoo goedkoop mogelijk bediend worden. Gron. Eveneens: Dat bare Geld levet dem Verköper: de verkooper heeft gaarne contante betaling. Ned. saks. Wbk. III, 57. -Baar Geld lacht. Holst. Idiot. III, 2.

Schelden, schelden dut nijt zeer; sloagen, sloagen betert weer! (Ommel). In 't Old. Ragchen, ragchen dait nijt zeer, enz. - Deun, waarmede kinderen zich troosten, en tevens den plager sarren, wanneer zij gescholden worden. - Schell kümmt nich an 't Fell. Leehausen (Altmark) III, 121.

Schoel, zee de vos, en kroop achter 'n piontspier, ook: Lei, zee de vos, en kroop achter 'n raitspier. Schertsende uitdrukking, wanneer men zich achter iets verbergt, dat geen verschuil geeft, wanneer het verschuilen niets baat. Gron. piont, piontspier = veengras-halm; wordt hier veel gebruikt als pijpdoorhaler, en zoo zegt men in de Ommel. piepraai. - Hier is schuul, sä de Vosz, un Kroop achter 'n Bänthalm. Oldenb. I, 232. Schuul, säh de Foss, do satt he achter 'n Benthalm. Oostfr. stürenb p. 239.

Schraalhans is er keukenmeester. Nederl. Gron. Dial. Smaalhans is Kekenmeister. Holst. Idiot. II, 102.

Schijn bedriegt. Nederl. Ook Gron. Dial. De Skin bedrêgt. Noordfr. Bendsen p. 443.

Slomp ken 'n vis vangen, ook: Slompert ken 'n vis vangen, of ook: 'n beurt kriegen: het lot kan iemand gunstig zijn; -

[p. 168]

de fortuin is rond; een stuivertje kan raar rollen. Gron. - Blinne Henne finn 't uck woll mal 'n Arfke (erwtje). Oldenb. III, 26. Een blind Hoon findet ok wol ins Koorn (korrel); een eenvoudig mensch maakt ook wel eens zijne fortuin. Nedsaks. Wbk. I, 400. Me süht dat en blend Ferken en Eikel fend. Meurs. I, 400. 'Ne blinnes sueje (varken) finnet äuk woal 'ne jäkern (eikel). Soest. I, 348. En bleng Hon fengt auch wal e Körnche. Aken. I, 491. - Hierbij: Men ken nijt wijten, woar de oal lopt, zee de man, dou zette hij zien foek in 't woagenspoor, Gron. waarvoor in het Leeskab. 1856, no. 5, p. 157: Men kan niet weten waar de aal loopt, zei de man, en zette zijne fuik in het wagenspoor. - De zin dezer uitdrukking zal zijn om het vertrouwen op zulke gelukjes bespottelijk te maken. Well weet waar de Aal löppt, säh Jann, do sett'd he de Fuke in 't Wagenspoor, of: in 't Gôtegatt, ook: in de Schostein (schoorsteen). Oostfr. türenb. p. 63. - Wecker Glück hebben sall, den Kalvt en Osz. Strel. III, 70.

's Menschen zin is 's menschen hemelriek, of: leven: ieder is alleen dan gelukkig als hij zijn zin krijgt, naar zin en lust mag leven. Gron, Minschen Will is sin Himmelrick = des menschen wil is zijn afgod. Holst. Idiot. III, 101. - Des Minsche Wellen esz des Minsche Silligkeit. Keulen, I, 471.

Snötterge voolen worden de béste peerden = snotterige veulens worden de beste paarden. Gron. Ook van toepassing op jongens. - De klattrigen Valen geven de beste Peerde; de slordigste jongens, nl. op de kleeding, kunnen de fatsoenlijkste lieden worden. Nedsaks. Wbk. I, 336. En Wbk. II, 796 met de verklaring: uit een levendigen, onordelijken knaap groeit dikwijls de knapste man. - Auf en sháll Ràhser wort ofting en gauhs Niijtt, an auf en snōtigen Jōnge en dügtigen Kjàrl.; aus einem beschissenen (jährigen) Kalbe wird oft ein gutes Rind, und aus einem rotzigen Jungen ein tüchtiger Kerl. Noordfr. Bendsen. p. 442.

Speiers bin deiers, bij Weil. Spugende kinderen, Dijende Kinderen. - Spijers zijn bedijers. Noordholl. - Kinner, de speen,

[p. 169]

de pleggen to deën, of: Spie kinner, Deekinner. Oostfr. Stürendb., p. 31. Speekind, Deekind. Holst. Spiekind, Diekind. Dithmans. Holst. Idiot. I, 207. - Speie Keuger, gedeite Kenger. Aken. I, 491.

Speulen om de Kaizer zien board; dei 't wint zel hōm hoalen, dei 't, verlust zel hōm betoalen = spelen om des Keizers baard; die het wint moet hem halen, die het verliest moet hem betalen, d.i. spelen om niets, uit joks. Gron. - Wi spelet om des Kaisers Baart, de 'n winnet, schal en halen; wij spelen om niets. Nedsaks. Wbk. I, 57. - Se striën sech öm Keisersch, Bart on Kriegen noch kenn Hoor. Meurs. I, 400.

Spottershuuskes branden ligt = spottershuisjes branden ligt: het spotten kan ligt den spotter treffen. Gron. Spotters Huus bronnet am eersten, Nedsaks. Wbk. IV, 963. Spott nig mit de Botter, se is dür. Holst. Idiot. I, 142 het kon u duur te staan komen.

Spijkers met koppen slaan. Nederl. Ook Gron. Dial. Nägel met Köpp maken. Meurs I, 400. Nagel mit Koppen maken; de partij door schriftelijke contracten verbinden. Nedsaks. II, 846.

Stadsrais is 'n dagrais = eene stadsreis is eene dagreis; eene reis naar Groningen, naar stad, of: naar de stad, vordert een geheelen dag, daar gaat een geheelen dag meê heen. Gron. - Stad-Reis 'is en Dag-Reis. Seehausen. III, 121.

Stappen as 'n Koater in de morgendauw = er heen stappen als een kater in den morgendauw; er trotsch heen stappen. Gron. He stappt as 'n Pogg (kikvorsch) in 'n Maaneschien. Oldenb. I, 232. He strüüvt sükk, ass 'n Pogge in de Maanschien. Oostfr. Stürenb. p. 180. - Hi dä ham ap üs an Kriak un a Mist = maakt zich groot als de kraai in den nevel. Noordfr. III, 2. He peddet as de Pogg in Maanschien. Holst Idiot. III, 198.

Steket eerst den Finger in de Eerde, un rüket to, in wat Land ji sunt: maak u eerst met de zeden en gewoonten van een land bekend, vóór gij medepraat. Nedsaks. Wbk. IV, 1018.



[p. 170]

Stille waters, diepe gronden. Nederl. Ook Gron. Dial. Stille waters hebbt de deepsten Grünne. Oldenb. III, 26, - Stille waters sinn diep. Kleef. I, 381. Dāt stáll Wāhser hêt de diepste Grünn., Noordfr. Bendsen. p. 441. - De stillken Water hebt de deepsten Grunde. Nedsaks. Wbk. p. 1035. Aldaar leest men ook het volgende: De Heer Pastoor Renner te Dorum, vermeldt in zijn ongedrukt Gloss. Frisicum, dat hij eene oude schilderij in eene kerk heeft gezien, waarop twee vrouwen afgebeeld stonden, houdende het volgende gesprek: Trine, Leve Suster Hilke, Mijn Man Wilke, Is een Schalk stillken. Hilke. Leve Suster Trine, So is ook de myne.

't Bloud kröpt, woar 't nijt goan ken = het bloed kruipt, waar het niet gaan (loopen, vloeijen) kan: van familie kan men geen kwaad hooren, niet verdragen, dat zij belasterd worden: voor bloedverwanten zal men altijd partij trekken. Gron. - Dat Blood krupt, daar 't nig gaan kan: Nedsaks. Wbk. I, 101. Dat Bloot krüpt, daar et nig gaan kaann: bloedverwantschap laat zich niet verbergen. Holst. Idiot. II, 357. - Wo dat Blaut nich hen loopen kann, do krüppt et ken. Hattingen a. Ruhr. 1, 369. War 't Blood nich geiht, dar kruppt 't doch. Oldenb. III, 26. - Thiar 't Blüd egh kem kan, thiar kreapt het. Noordfr. III, 2.

't Dik het geld köst, of: 't mȳste geld köst: het dik, koffijdik, heeft het meeste geld gekost: wordt aardigheidshalve gezegd, wanneer iemand bedankt, omdat de koffij reeds troebel wordt, of ze zoo niet drinken wil. Gron. - Dat Dikke hett dat meiste Geld kostet. Volkswitz. Holst. Idiot. I, 221.

't Eene oor in en 't andere weer uit laten gaan. Nederl. Ook Gron. Dial. In een Ur geit 't rin un ut 'n annern werver rut. Stel. I, 70.

Te pas komen as'n mōt in 't jeudenhoes = te pas komen als een varken in een jodenhuis: in een gezelschap komen, wear men niet begeerd, en alzoo onvriendelijk ontvangen wordt. Ook: Gezijn (gezien, geacht) wezen as 'n mot enz.

[p. 171]

De mōt = zeug, speelt in meer spreekwoordelijke uitdrukkingen eene rol; o.a. heeft men: Hij ligt doar as 'n bakkers mōt = ligt daar zoo lui, als een varken; 't Handt hōm as 'n mōt 't haspeln = 't staat hem zeer onhandig, heeft er geen slag van. Verg. Weil. i. v. hand. Het Gron. heeft: handen ook in de beteek. van: bevallen, aangenaam zijn, nl. in de zegswijze: 't handt hōm nijt = : ('t hoagt hōm nijt) = heeft er geen zin in, verkiest het niet te doen, uit koppigheid, of luim - De kummt an as d' Mutt in 't Judenhuus. Oldenb. III, 26. Du warst daar ankamen, as de Söge in 't Judenhuus. Nedsaks. Wbk. IV, 911. En: Ankamen, as 't Swien in 't Judenhuus. Wbk. IV, 1124. - He kummt an as de Sög in 't Judenhuus. Holst. Idiot. I, 198, IV, 228. He es so wellkom as en Ferken en en Jödenhuus. Meurs I, 400. He queem to pass ass de Mutte in 't Jödenhuus. Oostfr. Stürenb.

't Gait as 'n lier = het gaat als eene lier, (draaiorgel): 't gaat flink van de hand, van eene werktuigelijke verrigting gezegd. Gron. Wij voegen hier bij: Frans, brannt de Lamp noch? - Jo Moder, as en Lier. - Abraham, wat dühste dann? Ek sett bei de Mäd an 't Füür. Meurs I, 400.

't Hart op de tong hebben. Nederl. Van zien hart gijn moordkoel moaken = van zijn hart geen moordkuil maken. Gron. Uut sien Hart kine Moordkule maken. Nedsaks. Wbk. II, 599.

't Hart zinkt hem in de schoenen, of: De moed zakt hem in de schoenen: hij heeft er geen moed toe. Nederl. 't Zakt hōm' in de bljnen = 't zakt hem in de beenen = hij brengt zijn voornemen niet ten uitvoer, 't zij uit gebrek aan moed of aan lust. Gron. Dat Harte fallt em in de Boxen. Nedsaks. Wbk. I, 129.

't Is altied gijn Maioavend, dat de kou botter schit - 't is niet altijd Meiavond, dat de koe enz.: men kan niet altijd smullen, te gast gaan. Gron. Wij hebben ook: 't Is altied gijn vetpot. - 't Regent nich alle Dag' Botter in de Riesbree. Oostfr. I, 18 riesbree = Gron. riezenbrei = rijstebrij.



[p. 172]

't Is altied 't vetst (of: vet) in andermans schuddel = het is altijd het vetst in eens anderen schotel: het lot van een ander meenen wij altijd wenschelijk boven het onze. Gron. 't Is altijd fet yn ien oormans schuyttel. Hffs. Oudh. Sprw. p. 204.

't Is gijn evangelie, of: 't is altemoal gijn evangelie, wat hij zegt, 't is niet altijd evangelie wat hij zegt: hij vergist zich wel eens, men kan niet altijd staat op zijne woorden maken. Gron. Idt sunt nig luter Evangiljen. Nedersaks. Wbk. I, 324.

't Is moar 'n overgang, zee de vos, dou trōkken z' hōm 't vel over de ooren = 't is maar een overgang, zei de vos, toen zij hem 't vel over de ooren trokken: alles gaat voorbij, aan alles komt een eind. Gron. Alles hat 'nen Övergang, saht der Vochs, du trocke se'm et Fell övergen Uhre. Aken. I, 491. - 't Iss man 'n vergang, säh de Foss, do trukken se hüm 't Fell ver de Ooren. Oostfr. Stürenb. p. 163. 'Tis man een Avergang, seg de Vos, as se em dat Fell aver de Oren togen - alle lijden duurt slechts kort. Nedsaks Wbk. I, 482. - Is alles en Oevergang, seggt de Buur, wenn he sin Fro mit de Mistfork sleit. Ook: I - seed de Voss as em dat Fell över de Ooren trokken wurr. Holst. Idiot. III, 163. 'Tis man 'n Avergang, sä de Vosz, as se em 't Fell aver de Ohren trukken Oldenb. IV, 232.

't Is net zoo brijd as 't lank is = 't is net zoo breed als het lang is: men neme het, zoo als men verkiest, het geeft geen verschil. Gron. Dat is so lang as 't breed is. Nedsaks. Wbk. III, 12. Da es nett so breit wie es lank es. Meurs I, 400. - Et is so lang as et breet is: er is iets voor en tegen de zaak. Holst. Idiot. III, 9.

't Is 'n goud kind, dat noa zien voader oardt: 't is een goed kind, dat naar zijn vader aardt; voor: naar zijne ouders. Spottend voor: heeft hetzelfde gebrek als zijn vader, in zedelijken zin. Gron. E schönn Kent, wat noh si Modder aat. Aken. I, 491.

't Is'n weer, men zōl zien hond 'er nijt oet joagen = 't is

[p. 173]

een weder, dat men zijn hond niet naar buiten zou jagen: 't is slecht weder, onweder, Gron. - En Wedder, dat men keen Hund utjagen much. Holst. Idiot. II, 172.

't Oog is nog grooter as de moag = 't oog is nog grooter dan de maag: 't oog verlangt meer, dan de maag: 't oog is begeerlêk. Zegt men van kinderen die meer eten op hun bord nemen dan zij gebruiken. Gron. Sine Ogen sunt gröter as sien Mund, of: De Mund is eer vullet, as dat Oge. Ned. Saks Wbk. III, 259. De Ogen sünt gröter as de Buk. Strel. III, 70. De Augen sind grötter as den Buck. Meurs I, 400. Sing Auge sin grööszer als der Buch. Keulen I, 471.

't Oog wil ook wat hebben: de goede smaak heeft ook zijn eisch, men is ligt genegen, om de innerlijke deugdelijkheid aan den vorm, aan het uiterlijk aanzien op te offeren. Gron. Vollediger, maar meer in schertsende beteekenis heeft het Oostfriesch: Dat Oge will ook wat, sä de blinde Jabk, do frehd he na 'n mog Wicht. I, 18.

't Over een' anderen boeg wenden. Nederl. 't Over 'n andere boug gooijen, of: smieten. Gron. Ik moot idt up 'n andern Boog smiten, of: leggen. Nedsaks. Wbk. I, 107.

't Regent of 't mit emmers goten wordt = het regent, als of het met emmers (van den hemel) gegoten wordt. Van een plas- of stortregen gezegd. Gron. Idt reegnet, as wen 't mit Schuppen, of: Mollen, gut. Nedsaks Wbk. I, 501. III, 182. Et regnet, as wennt mit Balljen güt. Holst. Idiot. I, 63 - Et pladdert vom Himmel, as wenn 't mit Mollen gütt. Hildesheim, I, 185. Molle, 't Gron. mol, molle, bottermolle, melkmol, langwerpige, uitgeholde bak, waarin men melk te roomen zet (Ommel.) of de boter kneedt (Old.). Oostfr. Molle, Molde, Nedsaks. Mölken, Holst Mölje, Mölge, Hd. Mulde, As. mele = baktrog, houten bak, waarin het brood gekneed wordt. 't Holst. ballje, 't Gron. boalie.

Trou je buurmans dochter en koop je buurmans kou, den wor je nijt bedrogen = trouw de dochter - en koop de koe van uw’ buurman, wanneer gij niet bedrogen wilt zijn: wanneer men zijne gading in de onmiddelijke nabijheid kan bekomen,

[p. 174]

moet men die niet ver af zoeken. Ons spreekwoord heeft hier: buurman, waarvoor men anders altijd: noaber, zegt. Elk freh sien Nabers Kind, denn weet he, wat he findt. Oostfr. I, 18. Nimm Naobers Kind, so weet du, wat du finnt. Munster. I, 197.

't Uur op vief vörrel loopen = 't uur op vijf vierendeel (uurs) loopen = zonder noodzaak een omweg maken. Gron: vörrel = vierendeel, maar in de zegswijze: iemand een vörrel of zijn = voordeel, en zoo veel als: hem te gaauw af wezen. Zoo vörrelk = voordeelig. - Eene Mile up fief Varndeel gaan; Nedersaks Wbk. III, 160. De Mile hebt se mit dem Hund meten, un den Steerd to geven, van eene groote mijl gezegd. In Groningen spreekt men in die beteek. van Drentsche uren (uren gaans), en omgekeerd, in Drenthe van: Groninger uren. Deze tegenstrijdigheid laat zich welligt oplossen door te bedenken, dat een onbekende weg ons gemeenlijk lang valt. - En weg up Fiéfveerendeel = een omweg. Holst Idiot. I, 313.

't Verstand komt met de jaren. Nederl. Ook Gron. Dial. - Man ward nig eer wies und weten, eer man is half versleten. Nedsaks Wbk. V, 242.

Twaalf ambachten, dertien ongelukken. Ook Gron. Dial. - Achttien Handwark, is nägentien Unglück. Oldenb. I, 232. - Achtein Handwark is negentein Ungluk. Nedsaks Wbk. II, 589. - Teinerlei Handwark, un hunnerterlei Unglück. Holst. Idiot. IV, 255. - Drözeng (dertien) Handwerker, vezeng (veertien) Onglöcker, Aken. I, 491.

Twee gelooven op één kussen, Daar slaapt de duivel tnsschen: gemengde huwelijken zijn dikwijls niet gelukkig. Nederl. - Twee gelooven op ijn peul, is ijn te veul. Gron. - Twee Gloven up enen Pähl Is een to väl. Oldenb. III, 26.

Twee harde steenen malen niet goed. Nederl. Ook Gron. Dial. Twäier härd Stiene grünne ài gäujd. Noordfr. rendsen. p. 440. - Zwei hell Steng Mahle selde reng. Aken I, 491. - Twee harte Steen mahlt selten kleen. Oldenb. III, 26.



[p. 175]

Twee vliegen in één klap slaan. Nederl. Ook Gron. Dial. - Twei Fleigen mit einem Klappe slahn. Hildesheim. I, 185.

Twei kwoaje honden bieten 'n ander nijt = twee kwade honden bijten elkander niet. Men hoort dit zeggen, wanneer twee personen, die er beide wezen durven, een woordentwist krijgen; er ligt in opgesloten: het zal niet te ver loopen, het zal niet tot eene vechtpartij komen. Gron. - Een Krei hakt de anner keen Oog ut, plegg Hans to seggen, do leev he nog. Holst Idiot. IV, 93. - Ehn krohe peck d'r Ander keen Ohg us. Düren. I, 483. - De ihne Kräge hācket de ausere da 'Ugene ài ütt. Noordfr. Bendsen p. 442.

Twei over ijn is moorden = twee over een is moorden: één kan niet tegen twee vechten, het moet zijn: man tegen man. Behoort in de kinderwereld te huis. Gron. Twee ver Een sünt Möörners. Oostfr. Stürenb. p. 153.

't Zal mij benieuwen enz. Nederl. 't Zel mie ijs beneien = 't zal mij eens benieuwen: 'k ben er nieuwsgierig naar. - 't Schall mi doch nee doon, säh de Dären, to watt vör 'n Gatt datt uutloppt, do pissde se in 'n Teemse. Oostfr. Stürenb. p. 278.

't Zoo drok hebben as 'n mōt mit ijn tit, of: as 'n proekemoaker op soaterdag mit ijn klant = het zoo druk hebben als eene zeug met één tit (tepel), ironisch, voor: veel drukte vertoonen en niets uitrigten. Wij hooren ook: loopen op 'n proekemoakersdraffie. Gron. - He het et so dröck as de kukepann op Fasselowend, of: as en alt Hackmetz. Meurs. dröck hier eene woordspeling met het ww. drukken. - Het Holst. heeft voor een zeer bedrijvig, onrustig persoon, Se hett et so hild as Metj de dree Boonen to Für hett, un sik nig Tied lett, een to pröven. Idiot. I, 130. Voor: het zeer druk hebben: Se hett et so hild as de Muus in kindelbette. Idiot. II, 137.

Van de Eems in de Dollert komen. Gron. Met gelijke beteek. als het Nederl. Van den regen in den drup; Hd. Aus dem Regen in de Traufe - van de Scylla op de Charybdis vervallen. Het eerste ook in Gron Dial. Uut dem Regen in

[p. 176]

den Druppen fall kamen. Nedsaks Wbk. I, 262. Van der Matten up 't Stro kam en. Van der Platten in der Matten kamen. Wbk. III, 137. Van dem Peerde up 'n Esel kamen. Wbk. III, 307. Dat kumt van der Pladden in der Matten. Dat kumt uut Pladden (lappen, afgedragen goed) in den Plunnen (Hannover) Wbk. III, 324. Vun de Mat up dat Stro komen. Holst. Idiot. III, 87.

Wat onze Gron. zegswijze aanbetreft, hebben wij hier aan de Monden van de Eems, de Ooster- en Wester Eems, te denken, welke vaarwaters voorzeker gevaarlijker voor den zeemaan zijn dan het ruime sop der Noordzee. De Dollert staat evenwel nog ongunstiger bekend, en zou deswege zijn naam dragen. In deze prov. gebruikt men het woord: dol, niet alleen in den zin van: razend, gek, maar ook in de beteek. van: wonderlijk, vreemd; zoo noemt men iemand, die wonderlijke invallen heeft, die ruwe uitvallen doet, meestal met het doel, om anderen te doen lagchen, een: dollert. Nedsaks. dull = wonderlijk, en ook = zeldzaam. - Het woord is gevormd als: dommert, lompert enz. en wij zouden daarom de spelling: Dollert boven die van: Dollard, Dollart, of Dollaard verkiezen. In genoemde uitdrukkingen ligt het denkbeeld: van een slechten in een nog ergeren toestand komen. Het hiermede synonieme: Van den os op den ezel komen beteekent: in mindere, slechtere positie geraken, waarvoor men te Minden zegt: Hei kummet von 'n perd up 'n ezel. Deze lezing bevestigt tevens de meening, dat ons os, staat voor: ors = paard.

Van de hand in den tand. Nederl. Ook Gron. Dial. - Et geit uus des Hand en der Zand. Keulen, I, 471.

Van eens anderen leder is goed riemen snijden. Nederl. Van andermans leer is goud rijmen snieden. Ook: In andermans veen is goud törf groaven. Gron. Uut 'n Annern sien Ledder is good Reemen snien. Oldenb. III, 24. Van enes andern sien Ledder is good Remen snien. Nedsaks Wbk. III, 33. Uut Andermanns Leer us gud Riemen schniën. Meurs I, 400. Uus ander Lücks Ledder esz goht Rehme schnicke. Keulen I, 471.



[p. 177]

Van ende tot wende. Gron.: van 't begin tot het einde. - Van Ende to Wende. - Nedsaks. Wbk. I, 307.

Van heuren zeggen lōcht (of: lucht) men 't mijste = van hooren zeggen liegt men het meest: men moet voorzigtig zijn om de praatjes van anderen na te vertellen. Gron. - Van hören seggen kommen de Lögen. Meurs. I, 400.

Van hoog komof wezen = van aanzienlijke familie. Schertsend zegt men: Hij 's van hoog komof, zien voader was torenwachter. Gron. Den es van hoch kommaf, sinn Vader wont op de Sölder. Meurs. I, 400.

Van 'n scheet 'n dunderslag moaken. Gron.; een berg uit een molshoop maken. - He māget en Bäirig auf en Mäuslwjàrpel, - ook: En Elefant auf en Mâgg, eene olifant uit eene mug. Noordfr. Bendsen. p. 433. Uut 'n Schäät 'n Dönnerschlagg maken. Oostfr. Stürenb. p. 211. Ut 'ne scheet 'nen donderslag maake. Kleef I, 381. Sei määt uuf em Fooz 'nen Donnerschlaag. Keulen I, 471.

Van Pipen up de Lippen kumt Vrundschup under de Slippen: de liefde verleidt personen van beider geslacht van den eenen graad van vertrouwelijkheid tot den anderen. Nedsaks. Wbk. III, 321.

Van proat komt proat: het eene gebabbel brengt het andere voort. Gron. Van Snakk kumt Snakk. Nedsaks. Wbk. IV, 876. Vun Snakk kumt Snakk. Holst. Idiot. IV, 135. Vun snakken kamt klakken. Idiot. II, 277. Snakken = 't Gron. snakken, praten.

Van twalf uur an de middag, d.i. den kortst mogelijken tijd, bv.: hij kan het onthouden van twalf uur an de middag = 't is hem terstond weder vergeten, ook: dat duurt van twalf uur an de middag. Gron. - Dat hält van twelf Uhr bös Medag. Meurs. I, 400.

Veel geschreeuw en weinig wol. Nederl. Ook Gron. Dial. Väl Geschricht un weinig Wull. Oldenb. III, 26. - Veel Geschrei un wenig Wull, seed de Düvel, un schoor en Swien. Holst. Idiot. II, 28.

Veel hoofden veel zinnen. Nederl. Ook Gron. Dial. -

[p. 178]

Väl Köppe hefft väle Sinnen, sä de Knecht, as he mit 'n Wagen vull Buuskohl umsmeet, un de eene trüllde hierhen, de ander trüllde darhen. Oldenb. I, 232. buuskohl Gron. en Dr. boeskool, Overijss. boesekool, Hd. Busschelkohl = gewone witte kool. - So manngen Wuorst, so manngen Pinn, So manngen Kopp, So manngen Sinn. Iserlohn. III, 187.

Veel Rinderfoder givt wenig Kinderfoder = veel beestevoeder geeft weinig menschenvoedsel, zegt de landman, als tusschen de rogge veel gras groeit. Holst. Idiot. I, 329.

Vele handen maken ligt werk. Nederl. Ook Gron. Dial. - Mánning Häujnne māge hāftig ̄rbêd. Noordfr. Bendsen. p. 442.

Vele kleintjes maken een groote. Nederl. Ook Gron. Dial. Vele lütje maakt een Grotes. Nedsaks. Wbk. III, 107. Zwei Klenge maachen ee Grusz; zwei Wenige maachen ee Völ. Aken. I, 491.

Verbeelding is erger dan de derdedaagsche koorts. Nederl. Ook Gron. Dial. Inbillung is schlimmer as de Darddagskoll. Oostfr. I, 18. Inbilden is stuurer to verdrieven, as Dardendaags-Kolle. Stürenb. p. 30. Inbillung is arger as de Pestilenz. Swel. III, 70. Inbild is ärger as de anderdaagsze koors. Kleef I, 381. - Inbildung esz schlemmer osse de Pestilenz. Lipsl. I, 267.

Ver van je goud, digt bie je schoa = ver van uw goed, digt bij uwe schade. Gron. Het oog van den meester maakt het paard vet. Nederl. Weck (wijd, ver) van sengem Goht, es noh bei sengem Schade Düren I, 483. Fier fin huws, heyn by sin schae = ver van huis, digt bij zijne schade. Hfft. Oud Fr. Sprw. p. 74.

Vet wil boven drijven. Nederl. Ook Gron. Dial. Dat Fett drift baven; heeft de geringe man het met een voornaam en magtig persoon te doen, dan moet hij de minste wezen. Nedsaks. Wbk. I, 384. Dat Fett mut alltied baven driven. Holst. Idiot. I, 74. - Fett drifft baven, un wenn 't uck man van 'n Hund is. Oldenb. III, 26. Fett schwemmt boven on wenn et maar Hondsfett es. Meurs. I, 400. Fett schwemmt boven, un esz et auk man Ruen-Fett (hondevet.) Lipsl. I, 267.

[p. 179]

Fett schwömmt oove, Effel der Schum noch der bovve. Aken I, 461. At Smeer wal baawen wees, as 't uk fan an oalen Hünj. Noordfr. III, 2.

Veul swienen moakt dunne drank: Veul monden moaken leege schuddels = vele varkens maakt dunne spoeling. Gron. - Wo der swiene vieln sind, is et soap dünne. Driburg I, 362. Viel fiärken maket den speil dünne. Soest. I, 348. - Wo d'r Sau vel send, doh fält ät Gespöhles dönn. Düren I, 403. Veelal wordt dit spreekwoord toegepast, wanneer eene erfenis onder vele personen verdeeld moet worden. - Männing Muhssinge māge lāhsig Fāhse = vele monden maken ledige schotels. Noordfr. Bendsen, 443.

Veur geld ken men de dúvel loaten dansen = voor geld kan men den duivel laten dansen: voor geld kan men alles gedaan krijgen. Gron. - Vor Geld kann man 'n Düvel danssen sehn. Oldenb. I, 232.

Veur 'n enkeld moal ken men tegen 'n burgemeester teren: voor eene enkele keer kan men eene buitengewone uitgaaf doen. Gron. V r 'n enkelt Mal kann 'm woll tägen 'n Börgemester tären. Oostfr. Stürenb. p. 48.

Veur spek en boonen mit loopen, of: Veur spek en 'n metworst: niet voor vol gerekend worden, bijlooper zijn. Hierin ligt: hij kan maar weinig verdienen, niet meer dan den kost, en nog maar een schralen kost. De boon schijnt althans voorheen niet hoog in rekening geweest te zijn. Bij Weil. Niet eene boon achten, voorheen in gebruik voor: Klein achten, of verachten. Bekn. Ned. Taalk. Wbk. i. v. boon. In de zelfverwensching: Mag 'k 'n boontj wezen, ruw uitgedrukt: Mag mie de dúvel hoalen, zal boontje hier zijn het Noordfr. bana = moordenaar (Goth. bani = wonde) Outzen. p. 19. In Staats-Vlaanderen zegt men: Voor spek en appels meeloopen. V r Spekk un Bohnen mit lopen: voor den kost medearbeiden, maar daarbij ook niet veel uitrigten. Oostfr. Stürenb. p. 317.

Veur wat mout wat wezen: voor wat moet wat wezen: dwaze handelingen hebben slechte gevolgen. Gron. - Vör

[p. 180]

wat hört wat, Holst. Idiot. II, 164, en verklaart het door: Wie du mir, so ich dir. Het schijnt dus, dat de beteekenissen verschillen. - För wat hüürt wat. Strel. III, 70.

Violen laten zorgen. Nederl. Ook Gron. Dial. He let violen sorgen. Nedsaks Wbk. I, 395.

Visch let de mensch zoo as hy is: visch is niet voedzaam. Gron. Viss lett de Minsk ass he iss. Oostfr. Stürenb. p. 317.

Vlijs (of: vlais) wat, eerdappels zat = vleesch wat, aardappels zat: vleesch en spek kan men niet zoo veel eten als men wel lust, dat is bijzaak; met aardappels of ander gekookt eten moet men den buik vullen. De gemeene man noemt dit laatste ook: roegvour (ruigvoeder) in tegenoverstelling van körtvour (kort voeder). Eigentl. wordt met roegvour, hooi en stroo, met kortvour, haver, boonen, etc. bedoeld. Gron. De Peer möt hebben Water satt un Foder wat. Holst. Idiot. III, 200. Fleesch wat, 't änner satt. Seehausen. III, 121.

Vogeltjes, dei zoo vroug zingen, doar gait de kat mit vōrt, = vogeltjes, die vroeg zingen, daar gaat de kat mee heen: vroeg op den dag lustig, dikwijls laat op den dag verdrietig, treurig. Waarschuwend hoort men, vooral tegen kinderen: daor komt en stoepert op! Gron. - De Vagel, de frou singet den fretet des Avends de Katten. Nedsaks Wbk. I, 332. Een Vagel, de frö singe, huult des Abends. Holst Idiot. IV, 297. Dai vüele dai sëu frëu singet, freatet de kat. Driburg I, 362.

Voor den wind is goed zeilen. Ook: Voor wind en stroom is goed zeilen. Nederl. Ook Gron. Dial - Stroom daal un vor den Wind is good seilen. Nedsaks Wbk. IV, 735.

Voorzigtigheid is de moeder der wijsheid, of: - van de porceleinkas. Nederl. Ook Gron. Dial. - De Vörsech es de Moder van de Posteleinkaas. Meurs. I, 400.

Vreijer en vreister onder ijn dak is 'n groot gemak = vrijen onder één dak, is een groot gemak. Gron. - Idt, is dem Ossen-Willen, wen he bi der Ko im Stalle steit. Nedsaks. V, 257. Wan zwei sich freien onger een Daag, Dat brengt kleng

[p. 181]

Ihr en grusz Gemach. Aken. I, 491. - Kleng Ihr = weinig eer.

Vroagen is vrij, 't waigern der bij. Gron. - Fragen sünt free, man Een nig: is Mamsell nog Jumfer? (is mejufvrouw nog ongetrouwd?) Waarmede men het antwoord op eene onverstandige of ongepaste vraag ontwijkt. Holst Idiot. I, 332.

Vroeg gewend, oud gedaan, of: Vroeg gewend, oud gekend. Nederl. Ook Gron. Dial. - Freuch gewnnnt, alt gedohn. Lengefeld. I, 325.

Vroeg rijp vroeg rot. Nederl. Ook Gron. - Frou Hingst, frou Rune. Nedsaks. Wbk. III, 557.

Waar de Düvel sülfst nich hen düürt, daar stüürt he 'n old Wief hen. Oostfr. Stürenb. p. 270 = waar de duivel zelf niet durft komen, zendt hij een oud wijf heen. - Wiiwer un Gäuse hebb 't eeren eigenen Kopp; se richtet all mangsens wat uut, dat de Düüwel sick nich getrüwwet. Omabr. III, 162 = vrouwen en ganzen hebben haar eigen kop; zij rigten vaak wat uit, wat de duivel zich niet toevertrouwt. - Wo d'r Dühfel net komme kan, do scheck hä 'n aalt Wijf. Düren. I, 483. Al 'et Onheil en de Welt es van Wiewer on Papen angestellt. Meurs. I, 400. Wo der Düvel net komme kan, do scheckt he en o't Wief. Aken. I, 491.

Waar het hart vol van is, loopt de mond van over, of: - spreekt de mond van. Nederl. Ook Gron. Dial. Wo ät Stätz van vol es, doh lööf d'r Monk van övver. Düren. I, 483.

Waar hout gehakt wordt, vallen spaanders. Nederl. Het Gron.: Woar holt kapt wordt vlygen spoanen. - Woor man Holt hauet, dar fallet Spöne. Nedsaks. Wbk. IV, 963. - Wo keen Holt haugen ward, fallen keen Spöön. Schwerin I, 73. - Wo men häut, do fallen Spiene. Aken. I, 491.

Waar men mee verkeert, wordt men mee geëerd. Nederl. Ook Gron. Dial. - De mit Hunden to Bedde geit, steit mit Flöen up. Nedersaks. Wbk. I, 424. En: De sik under den Draf menget, den fretet de Swine. Wbk. IV, 741. Ook: De sik im Drank menget, den fretet de Farken, Hd. Wer Peck angreift,

[p. 182]

besudelt sich. Wbk. I, 248. Nog: De bi enen Goden sitten geit, de steit ook bi enen Goden wedder up. Wbk. II, 526 - Wei sik mank de drawe misket, mot leien, dat eane de sügge freatet. Marsberg. I, 321. - We sich onger de Kleie mengt, demm freisze de Säu. Aken. I, 491. - Wä sich onger de Kleie misch, da wird van de Färke fräsze. Düren. I, 483. - Hierbij het Nederl.: Die met pik omgaat wordl ligt besmet. Ook Gron. Dial Hoewel het verschil in beteekenis der opgegevene Nederl. spreekwoorden duidelijk is, schijnt het, dat het met de overige niet zoo bepaald het geval moet zijn.

Waar men zelf niet komt, wordt ons het hoofd niet gewasschen. Nederl. Ook Gron. Dial. - War man sülvst nich kummt, dar wart een de kopp nich wuschen. Oldenb. 111, 26. - Woar man sulfst nig kumt, dar ward enem de Kopp nig wusken. Nedsaks. Wbk. II, 846, IV, 1091, V, 202. (Hierbij: - Wenn ik nig kam, wart mi de kopp nig wuschen: het is eenerlei, of ik daar ben of niet. Holst. Idiot. II, 324.) - Komt overeen met: Zelf is het beste kruid. Nederl. - Zelve is best kruud. Gron. - Self is edel kruid. Oostfr. Stürenb. p. 243. - Selwe is guet krut, men et wäsz nig in Allemann Gaoden, I, 297. - Selwe ies gued kriut. Soest. I, 348. Sulfst is de Mann. Nedsaks. Wbk. IV, 1091.

Waar niets is, heeft de keizer zijn regt verloren. Nederl. Gron. Dial. - W'o nich me es, giet de Kaiser sien Recht verloeren. Recklinghausen I, 273. - Wo nüscht is, het de Kaiser sin Recht verloarn. - Stendal. In der Altmark. III, 122. - Wo nüüs en ös do' het d'r Kes'r et Räach v' lor. Kreise Euskirchen I, 509. - Wo nicks esz hät d'r Kaiser si Rech verlore, Dusseldorp I, 483. - Wo nex es hat d'r Kehser se Rääch verlohre. Keulen I, 471.

Waar rook is daar is vuur. Nederl. Ook Gron. Dial. - Woor Rook is, daar is ook Vüer. Nedsaks Wbk. III, 518.

Wachten, twei körten twei langen, d.i. zeer lang.Gron. Ik seet da twee lang un twee breet, ik zat daar zeer lang. Holst. Idiot. I, 151.

Wanneer de boom is groot, Dan is de planter dood, Nederl.

[p. 183]

Ook Gron. - Wenn de Boom is groot so is de Planter dood. Nedsaks Wbk. III, 299, 329. Dolst. Idiot. II, 74.

Wann 't up 'n P'stoor riegnet, drüppelt 't up 'n Köster: als het op een pastoor regent, druipt het op een koster. Osnabruck III, 162. - Wann 't op 'n pastor' riant, druppeld et op 'n köster. Attendorn. I, 357. - Wenn et op der Heer reent, dan dröpt et op der Knecht. Aken I, 491. - Hierbij: De Köster es de Selfkant van de Geislechkeit. Meurs I, 400.

Wat de boer nijt ken, dat vret hij nijt = wat een boer niet kent, dat eet hij niet. Is eene beschuldiging voor iemand, die weigert iets te eten, omdat hij het niet kent, of uit vooroordeel niet eten wil. Gron. - Wat de Buur nig kennt, dat frit he nig. Nedsaks Wbk. I, 166. - Wat de Buur nig kennt dat fritt he nig. Holst. Idiot I, 193. Het Hd.: Was weisz der Bauer von Gurkensalat! In Holst. Wat weet de Buur vun Augurkensalat. Idiot. I, 193. - Wat de Buer nich kennt, dat frätt he nich. Streb. III, 70. - Wat de Bur nig kent, dat frett he nig. Munster I, 297. - Wat de Buër ni kennt, dat frett h' ni. Paterborn. I, 362. - Wat de buer nich kennt, frett he nich. Recklinghausen I, 373. - Wt den Buur niet kennt dat frett he niet. Meurs. I, 400. Wat d'r Buer net känt, dat friss hä net. Düren I, 483. - Wat de biuer nit kennt, dat friet he nit. Soest. I, 348. - Wat der Buer net kennt, dat fräszt 'e net. Siegerland. I, 519. Wat der Buur net kennt, dat freszt he net. Aken. I, 491.

Wat 'er wezen mout, dat mout ter wesen = noodzakelijke uitgaven moet men zich getroosten. Gron. - Wat d'r wäsen mutt, dat mutt d'r wäsen, sä de Jung, do harr he sick 'n Muultrommel Koft. Oldenb. I, 232.

Wat het oog niet ziet krenkt het hart niet. Nederl. [Wat 't oog nijt zōcht, kreunt 't hart nijt. Gron.] - Wat ick nich weet Dat makt mi nich heet. Oldenb. III, 26. - Wat dat Oge nig sut, dat quält dat Harte nig. Nedsaks. Wbk. III, 259. - Wat ik nig weet, makt mi nig heet. Holst. Idiot. II, 123. - Wät ech net weisz, dät macht mech net heisz.

[p. 184]

Siegerl. I, 519. - Wat ik ni weit, dat makt mei ni heit. Pater Born I, 362. - Wat m'r net wees, määt ehne net hees. Düren. I, 483. Wat me net wees, Maackt net hees. Aken I, 491,

Wat in de melk hebben te brokken (= kruimen): wel bemiddeld zijn. Gron. He het wat in de Melk to brokken. Nedsaks. Wbk. I, 132. - He hett wat in de Melk to krömen. Holst. Idiot. II, 352.

Wat jong is, speelt graag, wat oud is, bromt graag. Nederl. Wat jonk is, dat speult geern, wat old is dat neult geern. Gron. neulen = brommen, pruttelen. Watt jung iss, spo lt gärn, watt-old iss, no lt gärn. Oostfr. Stürenb. p. 160. Wat jonk es, dat spelt gäer, wat aalt es, dat knottert gäer. Düren I, 483. - Jong bei Jong, en O't bei O't, denn wat jong es, dat speelt geer, wat o't es, dat knottert geer. Aken I, 491.

Wat men dronken doet, moet men nuchteren ontgelden. Nederl. Ook Gron. Dial. Wai besoapen stelt, mot nöchteren hangen. Driburg, I, 362. Watt m' in dunen Mood deit, mutt m' nöchtern uutsuren. Nedsaks Wbk. Oostfr. Stürenb. p. 307.

Wat van katten komt, weet van muizen. Nederl. gron Dial. En: Blaue doeven, blaue jongen. Gron. - Wat van Apen kumt, will lusen; wat van Katten kumt, will musen. Nedsaks. Wbk. I, 22. Ook: Aart wil van Aart nig; Dat spek wil van der Swaren nig: De Katte let dat musen nig. I, 26. Åårt lett nich von Åårt: de Katt lett dat Musen nich, de Schnirer lett dat Stälent nich un 't blivt all 'ns as 't is. Strel. III, 70. Art lett vun Art nich, de Katt de lett dat Musent nig. Holst. Idiot. I, 49.

Wenn alle Putten un Pöle vull sunt, so kumt de Frost: er komt zelden aanhoudende vorst, vóór het land doornat is van den regen. Nedsaks. Wbk. III, 350.

Wie bang is, moet op schildwacht staan. Nederl. Ook Gron. Dial. - De bange is, de moot schillern. Nedsaks. Wbk. IV, 654. - Wen bang es, mott Scheldwach stohn. Meurs. I, 400. - In den Plat-Duitschen Reintje de Vos: Deme blöden is dat gelüke düre, deme könen helpet dat eventüre. (De stoutmoedigen bezitten de wereld). Holst. Idiot. I, 304.



[p. 185]

Wie eenmaal steelt is altijd een dief. Nederl. Ook Gron. Dial. Wer een Mål stillt is ümmer 'n Deef. Seehausen in der Altmark. III, 121.

Wie geeft, wat hij heeft, is waard, dat hij leeft. Nederl. Ook in Gron. - De daar givt, wat he heft, is weerd, dat he leevt. Nedsaks. Wbk. I, 503. - Wen geft wat he het (of: düht, wat he kann) es werth, dat he löft. Meurs I, 400. Warr gitt, watte hät, esz wääth, datte lääv. Keulen I, 471. - Wö git, wat hä hät, as waet, dat ha läv. Düren I, 483.

Wie het laatst lacht, lacht het best. Nederl. Dei 't leste lacht, lacht 't beste. Gron, - Wecker to lest lacht, de ok to best lacht. Strel. III, 70. - Wie 't leste lacht, lacht et beste. Kleef. I, 381.

Wie looven wel an ijn God, moar nijt an ijn koop = wij gelooven aan één God, maar niet aan één koop, zegt de kooper, wanneer hij het met verkooper over den prijs niet eens kan worden. Looven heeft de beteekenis van: vertrouwen, en in dien zin hoort men ook: zij looven elkander niet. Gron. - Wi blievt wol bi eenen Gott, aver nig bi eenen Koop. Holst. Idiot. II, 319. - Wij voegen hier bij de zegswijs: Rug wendt, koop schendt = de rug gewend, de koop geschonden: gaat de kooper heen, zonder dat de koop gesloten is, dan zijn beide weder geheel vrij. - Wi löven wall Alle an Een Godd, man wi äten doch nich Alle uut Een Schöttel. Oostfr. Stürenb. d. 322.

Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt. Nederl. - Dessen Brood ik ete, dessen Woord ik spreke. Bremen. Dessen Brood ik ete, dessen Leed ik singe. Lubeck. Nedsaks. Wbk. I, 142.

Wie steuren ons an gijn strontedrek, wie wonen op 'n boven Koamer. Gron. - Watt geit uns de Götedrekk an, wi wonen upp de Uppkamer. Oostfr. Stürenb. p. 301.

Wieze (of: looze) hounder leggen heur aier wel ijs in 't roet = wijze hoenders leggen hare eijers wel eens in onkruid; wijze menschen, en vooral dezulke, die zich op kennis en doorzigt laten voorstaan, vergissen zich nog wel eens, laten

[p. 186]

zich wel eens misleiden, doen wel een dwazen stap. Gron. Wise Höhner leggen ook in de Nettels. Oostfr. Stürenb. p. 159. Wise Hönen legget ook in de Netteln. Nedsaks. Wbk. II, 654. III, 235. - Wiese Hönen leggt ook in de Netteln: wijze lieden dwalen ook: Holst. Idiot. II, 155. 'N klok Hon leggt ok mål in Nettel. Strel. III, 70. - Sinn eier in de nettelle leggen. Kleef. I, 381. De fiene Lühd (of: wiese Hennen) leggen de Eier leglech en de Netelen. Meurs I, 400. Wiese Hauner legget auk woel mål in de Nietteln. werl. I, 350. - Weise Heuner legget äk in de Niteln. Paterborn. I, 362. - De weisen hónner legget äuk wal mal in de nitel. Driburg I, 362. - Luhs Hoonder verlägen och ald ens de Eier. Keulen I, 471.

Woar volk is, is nering, zee de scheernslieper (of: mōsselman) en schoof mit de koar in de kerk = waar volk is, is nering, zei de scharenslijper (of: mosselkoopman) en schoof met de kruikar in de kerk. Gron. Wij kunnen de diepte van dit spreekwoord niet peilen, maar meenen, dat het volk het te pas brengt, wanneer er vele menschen bijeen zijn, en dan daarmee ten naasten bij wil te kennen geven: van die drukte is voor den een of ander altijd partij te trekken. - Bi den Lüden is de Narung, - Woor Ebers sunt, daar sunt ook Poggen = waar ooijevaars zijn, zijn ook kikvorschen: de natuur zorgt voor alles, en: waar aas is, verzamelen zich de adelaars. Nedsaks. Wbk. III, 93. - Bi den Lu'en es de Narunge, sach de Schärensliper un schof met der kar in de Kiärke.Iserlohn III, 185.

Wordt zoo mennig zak toubonden, dei nijt vol is = er wordt zoo menig zak toegebonden, die niet vol is: menigeen is het niet gegund zich zat te eten. Gron. Dar wart woll mennig Sack tobunnen, de nich vull is. Oldenb. III, 26. Wardt mannig Sak to bunden de nig vull is, antwoordde eene arme aan eene welgestelde vrouw, die haar vroeg, hoe zij met haar geringe verdiensten kon rondkomen? Hoe treffend! voegt het Wbk. er bij, - het verdiende een spreekwoord te worden, en het werd het. Holst. Idiot. III, 78. - Me bengt 'ne, Sack wal zau, ik he voll es. Aken I, 491.



[p. 187]

Wijn op melk, is goed voor elk; melk op wijn, dat is venijn. Nederl. - Wien op melk is goud veur elk; melk op wien is groot venien: drink wijn na melk, en niet omgekeerd. Gron. - Melk up Wien, dat is Venien; Wien up Melk, dat is vor elk. Nedsaks. Wbk. III, 143. - Wien up Melk, is vör Elk, Melk up Wien is Venien. Holst. Idiot. I, 93. En: Up Wien de Melk is nig vör Elk, Elk een sin Möge. Idiot. III, 93. - Melk upp Wien iss Venin. Oostfr. Stürenb. p. 308.

IJgen schuld ploagt 't mijste = eigen schuld plaagt het meest. Gron. Et göt ke gröter Leet, Als wat mer sech zelfs an deet. Dusseld. I, 438.

Zeuven is 'n galg vōl = zeven is eene galg vol. Gron. En Galgen vull = Zeven personen. Holst. Idiot. II, 8. - Söwen es en volle Galleg. Meurs II, 8.

Zich niet kunnen reppen of roeren. Nederl. In deze beteek. heeft het Gron. Zōk nijt kennen reugen. - Nijt rōggels of vörrels kennen - achter noch vooruit kunnen. 't Oostfr.: Nick vo rrels off ruggels. Stürenb. p. 318. He köhs hám wihsser rippe untig räire. Noordfr. Er konnte sich weder regen noch bewegen. HD.

Zien vouten onder ander mans toafel mouten steken = zijne voeten onder eens anderen tafel moeten steken, zooveel als: bij een ander moeten dienen. Gron. Hä musz sing Bein unger ander Luch 's Desch sätze. Keulen I, 471.

Zit op peerd en zöcht 'er noa = hij zit op het paard en zoekt er naar. Gron. Wordt iemand spottend toegevoegd, als hij iets zoekt, wat hij in de hand of in den zak heeft, in allen gevalle voor de hand ligt, waar hij over heen ziet. Om deze zegswijze te verklaren, vertelt men, dat zeker landbouwer, op hooge jaren gekomen, zijn land te paard rondreed. Eens zijn vee tellende, vermistte hij steeds één paard. Hierover ongerust, deelt hij dit aan zijn buurman mede, en beweegt hem om mede naar de weide te gaan. Deze telt ook niet meer dan elf, maar ziet nu, dat de oude man het paard, waarop hij zat, niet had medegerekend. - He sitt upp 't Perd un söcht darna. Oostfr. Stürenb. I, 18, - He söcht dat Peerd,

[p. 188]

un ritt darup. Holst. Idiot. IV, 155. - He sitt up 't Piird un söcht 't. Strel. III, 70. Hei sitt up et pêrd en sückt et.Kleef. I, 381.

Zōk 'n bōggel, lagchen = zich een bogchel lagchen: zich te bersten lagchen. Gron. Het Nedsaks. heeft: Ik woll mi mol to barste lachet hebben. Wbk. I, 56.

Zonder werk geen honig. Nederl.. Ook Gron. Dial. - De Katt de sik vört Mausen schamt mutt hungern. Holst. Idiot. III, 126.

Zoo als de ouden zongen, piepen de jongen. Nederl. Wat de ollen zingen, piepen de jongen. Gron. - As de Oolen sungen, so piept de Jungen. Oldenb. III, 26 - We de Ale song 'n, asuh flötn de Jony 'n. Firmmich u. Lechenich. I, 509. - Wie die Ale songe, so piffe die Jonge. siegerland I, 519. We de Ahle fleutet, su piefen de Junge. Keulen I, 471.

Zoo als de waard is, vertrouwt hij de gasten. Nederl. Ook Gron. Dial. - Man sogt Nums achter den Afen, oder man het sulfs darachter seten. Nedsaks. Wbk. I, 7. Man söggt nüms achter de Dör, oder man steit sülvst darvör. Holst. Idiot. I, 238. Me sockt genge henger 'ne Struch, of me hat selvs der henger geleege. Aken I, 491.

Zoo als het geluid is, zoo is ook de echo. Nederl. - As man (in) 't Holt ropt, so ropt idt wedder heruut = zoo als men 't bosch roept, roept het weder terug. Nedsaks. Wbk. II, 652. So de Gast, So de Quast; zoo de vraag zoo het antwoord.Holst. Idiot. II, 12.

Zoo doof wezen as 'n kwartel: zeer doof zijn: kwarteldoof = een weinig doof, ook: Oostinjes (Oostindisch) doof. Gron. - He es so dauf as en Quartel. Meurs I, 400.

Zoo gewonnen, zoo geronnen. Nederl. Zoo der an, zoo der van. Gron. - So gewonnen, so zerronnen. HD.: - As ik 'r kwam an, so kam ik 'r wedder van. Nedsaks. Wbk