LOSSE AANMERKINGEN BETREKKELIJK WOORDEN, BIJ VONDEL VOORKOMENDE.door Mr. A. BOGAERS. Achtslaan.In Vondels Hierusalem verwoest (uitgave van 1620 bl. 50) komen de navolgende versregels voor:
Mr. van Lennep (zie zijne uitg. van Vondels werken. I, bl. 729) wil, voor En, in op één na den laatsten regel, op gelezen hebben, daar anders, zoo hij zegt, de zin onduidelijk en krachteloos is. Zulks stemt Prof. van Vloten toe; (zie zijn Vondel. I, bl. 137) doch voor op verkiest hij in. Met de meening dezer beide kundige en ijverige uitleggers kan ik mij
in dezen niet vereenigen. Mij dunkt, onder verbetering, dat er hier in den
oorspronkelijken tekst niets behoeft veranderd te worden, indien men slechts
aanneemt, dat Vondel er het woord achtslaan als een bedrijvend
werkwoord heeft gebruikt; even gelijk nu nog het woord gadeslaan, dat hetzelfde beteekent, door ons gebezigd wordt. Dat overigens Vondel de eerste niet was, die zich op deze wijze van achtslaan bediende, kan men zien in Spieghels Hertspieghel, waar vers 448, Boek II, dus luidt:
Verdwijnen.In Vondels Gulden Winckel (uitg. v. 1613) heeft het LXIIste plaatje dit opschrift:
Mr. van Lennep (Vondel I, bl. 275) neemt dit verdwijnt in een transitieven zin voor verdrijft, doet verdwijnen. Prof. van Vloten. (Vondel I, bl. 49) beaamt zulks en teekent er bij aan: ‘Met overgroote dichterlijke vrijheid, niet van Tantalus, maar zijn dorst en honger te verstaan.’ De tegenwoordige beteekenis van verdwijnen heeft beide taalkundigen eene kleine vergissing doen begaan. In den geest van Vondel stond verdwijnen hier als een onzijdig werkwoord, en was het Tantalus, die niet verdween. Oudtijds toch (gelijk men bij Kiliaen zien kan) beduidde verdwijnen ook uitteren, wegtéren, wegkwijnen, langzaam sterven: tabescere, consumi, perire, emori. Wie er voorbeelden van verlangt, zie Maerlants Sinte Franciscus Leven, vers 8295; Ferguut. v. 1341, 1420 en 5098; D. Heynsii Nederd. Poëmata, (uitg. 1618) bl. 24 v. 15, v.o. Camphuijsens Sticht. Rijmen, (uitg. 1647) bl. 310, kol. 2 v. 4 enz. Dutten.In denzelfden Gulden Winckel luidt het opschrift van No. XL:
Ten opzigte van dit dut zegt Prof. v. Vloten (Vondel, I, bl. 44) ‘dut kan hier geen goeden zin geven en is alleen rijmshalve te verklaren.’ Ik maak bezwaar den geleerden aanteekenaar, die op zoo vele andere plaatsen bewijs levert van scherpzinnigheid, dit hier toe te stemmen. Zou Vondel niet hebben willen zeegen: ‘Ziet hoe de filosoof twijfelend of in twijfelingen verdiept aan deze tafel zit’? Dutten toch wordt bij onzen hoofddichter meermalen gebruikt in den zin van twijfelen, weifelen, wankelen, in het onzekere zijn, en van daar ook, zich bekommeren, zich verontrusten. Zoo leest men in den Salmoneus, (uitgave v. 1657) bl. 11 v. 17:
en in den Palamedes, (uitg. 1625) vers 2070:
Ook in den Joseph in Dothan, (uitg. 1640) vers 236 en 237, wordt op Judas vraag:
door Simeon geantwoord:
Heeft op de aangehaalde plaatsen dutten de duidelijke beteekenis van twijfelen en weifelen; in de Heerlijckheit van Salomon, (uitg. 1620) bl. 16, vertaalt Vondel dan ook de navolgende versregels van Du Bartas, (Oeuvres. édit: de Genève 1608, p. 476).
op deze wijze:
Men ziet uit deze versregels ten klaarste, dat Vondel être en doute, en chanceler, hetwelk wij door in twijfel zijn en weifelen of wankelen zouden vertalen, door dutten uitdrukte. Voor wankelen, in een meer eigenlijken zin, bezigt hij dit woord in Euripides Feniciaensche, (uitg. v. 1668) bl. 56 en 57, waar Antigone tot haren vader zegt:
In het Latijn van Hugo Grotius, dat Vondel vertaalde, luidt deze plaats:
In de, aan twijfelen en weifelen verwante, beteekenis van onzeker zijn, zich bekommerd gevoelen, zich verontrusten, treft men dutten aan in de Maeghden, (uitg. v. 1644) vers 1517:
|
1) Zie Euripidis Tragoedia Phoenissae,
emendata ex manuscriptis et Latina facta ab Hugone Grotio. Parisiis
1630.
|
|
en in den Palamedes, (uitg. v. 1625) vers. 422.
Om alle deze redenen zoude ik van gedachte zijn, dat in Vondels Hierusalem verwoest, (bij Mr. v. Lennep, I, bl. 685, en bij Dr. v. Vloten, I, bl. 124) de woorden van vers 177:
verklaard behooren te worden: ‘als mijn vader in kommervolle onzekerheid verkeert.’ en wanneer later, in vers 2104 van datzelfde treurspel, de engel Gabriel tot de christen pelgrims, weeklagende op de bouwvallen van Jerusalem, deze geruststellende woorden spreekt:
dan vermeen ik, dat ook daar aan het woord dutten nagenoeg denzelfden zin behoort toegekend te worden. Ten slotte zij hier nog aangestipt, dat dutten bij Vondel ook voorkomt in de beteekenis van delirare, die Kiliaen opgeeft, bij wien die van twijfelen, enz. niet is te vinden. Zie Davids Harpzangen, (Amst. 1696) bl. 274 v. 21 waar men leest:
(In den thans gebruikelijken zin van sluimeren vindt men dutten in de proza-bijschriften van den Gulden Winckel. uitg. v. 1622. bl. 33 reg. 2 v.o.) Drenken, Verdrenken.Het is ook in den Gulden Winckel, (uitg. v. 1613. No. XXXIX) dat de volgende versregels gelezen worden:
Mr. v. Lennep (Vondel I, bl. 229) meent, dat drencken hier zich verdrinken beduidt: Prof. v. Vloten (I, bl. 44) zegt, dat het er rijmshalve voor verdrinken staat. Dat het daar verdrinken beteekent, geven wij gaarne toe, maar dat het slechts rijmshalve in dien zin gebruikt zoude zijn, komt ons niet zoo gegrond voor. Buiten het rijm toch vinden we bij Vondel zoowel drenken, als verdrenken in de lijdelijke beteekenis van verdrinken, door het water overstelpt worden, in het water omkomen. De navolgende voorbeelden strekken hiervan ten bewijze: zie Poëzy, (uitg. v. 1682) D. I, bl. 50. v. 20.
en in hetzelfde Deel. bl. 24. v. 15, overdragtelijk:
zoo mede in de Gebroeders (uitg. v. 1650) bl. 44. v. 1. v.o.
De taalkundige Revius heeft ook in denzelfden zin en buiten net rijm het woord drenken gebezigd. Op bl. 257 van zijne Over-ysselsche Zangen. Leyd. 1634. 1) luidt reg. 5 aldus: ‘Veel drencken in de gracht, veel smoren in de stroom.’ Dat, overigens, drencken oudtijds ook genomen werd voor in 't water smoren; in aqua suffocari, bevestigt ons V. Hasselt in zijne aanteekening op Kiliaen, bl. 121, waar we Ten Kate bij kunnen voegen. Zie zijne Aenleid. II, bl. 40. Ten besluite merken wij nog aan, dat drenken en verdrenken ook in een bedrijvenden zin bij Vondel gevonden worden. Zie b.v. zijne Poëzy. I, bl. 50 v. 4 v.o., bl. 120 v. 20, gelijk ook bl. 9 v. 17, bl. 453 v. 2 v.o. en II, bl. 662 v. 8. |
1) Eene nette bloemlezing uit deze
gedichten, verrijkt met eene belangrijke voorafspraak van Dr. v.
Vloten, zag onlangs het licht bij den uitgever Roelants te
Schiedam.
|
Voorwerpen.‘Iemand iets voorwerpen’ in de beteekenis van ‘iemand iets met levendigheid te gemoet voeren, voorhouden of tegenwerpen’ komt meer dan eens bij Vondel voor. Prof. v. Vloten (zie zijne uitg. van 's Dichters werken. D. I, bl. 83, bl. 102 en bl. 120) noemt dit een germanismus, met welken naam het in dit Tijdschrift, bij eene andere gelegenheid, reeds door hem bestempeld was. Het regt is, dunkt me, hier niet aan 's hoogleeraars zijde. Niets is er in de zamenstelling van het woord, dat met den aard van ons Neêrduitsch strijdt. Waarom zou men niet, even goed als voorhouden, voorleggen, voorzetten enz., voorwerpen kunnen zeggen? voerwerpen, en veur-werpen, objicere, objectare, lezen we reeds bij Plantijn en Kiliaen. De latere Woordenboeken, dat van Weiland niet uitgezonderd, hebben dit gevolgd. Achtbare Schrijvers schroomden dan ook niet het woord in bovengemelden zin te gebruiken. Wil men, behalve de aangehaalde plaatsen bij Vondel , nog andere voorbeelden, men neme De Brunes Wetsteen der Vernuften, (uitg. v. 1665) bl. 30 boven aan, Hoofts Henrik de Groote, (uitg. in 4o.) bl. 101 r. 15. Poots Gedichten 1726, D.I. Berecht aen den Lezer, bl. 16, r. 3 v.o. Bilderdijks Edipus uitg. 1779 Voorafspraak, bl. 23 r. 4 v.o., de Vervaardigers van het Woordenboek op Hooft, D. IV, bl. 270, r. 13. Terwijl we meenen hiermede voor ons gevoelen te kunnen volstaan, oordeelen wij het niet ongepast (dewijl tegenwoordig maar al te dikwijls door oppervlakkigen de naam van germanisme aan woorden gegeven wordt, die hem niet verdienen) te dezer gelegenheid te herhalen, wat we reeds vroeger in dit Tijdschrift (Dl. IV, bl. 230) aanmerkten, toen we tegen Dr. Beets het woord verzwinden 1) verdedigden. |
1) Verzwinden. Reeds was voormeld
artikel gedrukt, toen ik nog in oude aanteekeningen, die mij uit het geheugen
waren gegaan, de navolgende plaatsen door mij aangestipt vond, waar ik
verzwinden had aangetroffen. Ter meerdere volledigheid zij het mij
geoorloofd ze hier bij te voegen.
Der Zielen Troost. Herlem 1484, fol. 82 verso. kol. 2. reg. 7 v.o. ‘Doe hi dat hoerde: doe voer hi heen ende verswant. fol. 83, kol. 1 reg. 12 v.o. ‘Daer sloech hi voer hem dat teyken des heylighen Cruys, al te hant verswan hi en was wech.’ en aldaar reg. 6, v.o. ‘al te hant verswant dat gout ende werde te niet.’ Roemer Visschers Brabbeling, Amst. 1614, in 32o. bl. 139. (No. 20 der Tuyters.)
|
|
Wij achten het, namelijk, zeer prijslijk, zelf zich van ware germanismen te onthouden en er anderen op eene bescheidene wijze tegen te waarschuwen; doch zeer omzigtig behoort men tevens te zijn, door overmatigen ijver geen woorden in een kwaden reuk te brengen, die, al komen zij ook bij de Hoogduitschers voor, niettemin tevens als echt Neêrduitsch mogen gelden. Dwaasheid zou het zijn op die wijze onzen taalschat te verminderen.
Rotterdam, den 19den Augustus 1863. |