ZAAKREGISTER.A, hoe gevormd 243. in het enkel- en mv. der veil. tijden van werkw. 56. indic. en conjunct. 57. in redupliceerende ww. 59. van het ww, esse 50. F, hoe gevormd 253. G, hoe gevormd 255. nog eer dan ch een zamengest. letterklank 258. Germanismen. soorten 296. onbevangen 297. onverbeterlijk 297. voorwerpen 297. Geschiedenis der klassieke schrijftaal 123 v. Gothisch. vocaalstelsel der Gothen 274 v. wijziging der Gothische vocalen 279. Guna, wat 65. H, hoe gevormd 256. Herhaling 34, 35, 38, I, hoe gevormd 243. Ie, hoe ontstaan in sommige woorden 69, IJ, hoe ontstaan 68 Iu, hoe ontstaan 67. J, hoe gevormd 256. ingelascht 209. K, hoe gevormd 255. Keelletters, wat, hoe gevormd 250. Klankverschuiving 285 v. Klankverwisseling. a, i, u (oe) 60-63. a, oe 63. in de ongelijkvloeiende w.w. 190 v. Klankwijziging 281 v. Klinker, welke in den infinitief 192, 200, 201. het praeterit. aoristum 193, 199. het perfectum 193, 199. het particip. 195. beteekenis van het woord klinker 241. wat, hoe gevormd, 142. onzuivere en zuivere, welke 244. onvolkomene 245. toonlooze, wat 247. L, hoe gevormd 254. Letterklanken, wat 238, 239. Letters, wat 235 v. Letterschrift, wat 239. Letterteekens, drieërlei 240. geene afbeeldingen der spraakwerktuigen 240. Lipletters, wat, hoe gevormd 250. Logische orde, wat 22. M, hoe gevormd 253. Medeklinkers. de zachte gaan op het einde eener lettergreep in de verw. scherpe over 93-96 en 115. wat 242. hoe gevormd 248 v. klanklooze, wat 251. luidende, wat en hoe gevormd 251. N, hoe gevormd 255 v. ingelascht 201, 205 v. teeken van het meerv. 206. Naamvalsuitgangen. wezen, beteekenis enz. 105, 203. datief 110 v. genitief 112 v. genitief geen adjectief 114-121. O, hoe gevormd 243. Omzetting (inversio) van een oordeel 27-31. Onjuistheid in regels en bepalingen, in hoeverre te dulden 79. Ontploffingsgeruisch 249. Oplossing van î in ij 69. Oplossing van û in ui 69. Oplossing van î in ie 69. Ou, hoe ontstaan 68. P, hoe gevormd 252. Pleonasme 36, 37. Pronomina. verband tusschen de bezitt. en den genitief der pers. 117 v. Polysyndeton 35. R, hoe gevormd 254. linguaal, uvulaar 255. teeken van het meerv. 208 v. Ratelingsgeruisch 249. S, hoe gevormd, wat 254. ingelascht 207. teeken van het meerv. 208 Schuringsgeruisch. wat 248. Spelling van -aadje, -age 43. abdij 104. abdis 104. alleszins 41. beer (verscheurend dier) 289, beer (mannetjesvarken) 290, beer (muurstut) 290. beer (heiblok 292. beer (drek) 293. beer (schuld) 294. beer (waterkeering) 294. beer (stormtuig) 295. behalve 41. Brabant 104. buskruit 41. dievegge 41. Dinsdag 41. druisen 41. eigenlijk 41. fabrieken 89. fabrikant 39. fonkelen 41. genooten 71. -iesch 40. je of -jen 45 v. klant 104. klooven 71. kristendom 42. lichaam 263. -loos, -looze 71. Middelnederlandsch 41. Middelnederlandsch 41. nochtans 40. ph 42. placht 40. proosdij 104. romantisch 40. tehuis 41. tezoek 41. -tie 40. verven 41. zoogen 71. Spreekwoorden 145 v. Stembanden, stemspleet, wat 243. Suffixen. sch, sk 115. Syllabenschrift, wat 238. T, hoe gevormd, 253. dentale, alveolare, dorsale, wat 254. Taal, wat 20. Tongletters, wat, hoe gevormd 250. Tweeklanken, hun ontstaan 64. wat 247. U, hoe gevormd 244. U (oe), hoe gevormd 243. Uitdrukkingen van de begrippen wereld 5, 7, 9. zijn 13 v. met ons vijven 112. V, hoe gevormd 253. Verbindingsklanken in samenstellingen 205. Verbuiging van het attributieve adject. 210. Verdubbeling der ch 260 v. van sch 271 v. Verkleinwoorden 221 v. Vervoeging van werkw. worden 134 v. helpen 136. zwerven 136. sterven 136. verwerven 136. Vocaalversterking, wat 64. twee graden van wat 65. eerste en tweede wat 65. eerste in het Grieksch 66. W, hoe gevormd 253. welke soort van letter 240. Waarnemen, wat 19. Werkwoorden. praeterito-praesentia 196 v. achtslaan bedrijv. 225. Woorden te onderscheiden in oudere en latere 82. de oudere veranderlijke woorden komen nooit dan schijnbaar in onverbogen vorm voor 82-84. te onderscheiden in gesprokene en geschrevene 92. Woordschikking van een bevel van 26. een oordeel 22. een vrag. zin 25. een wensch 22, 25. Woordvormen. de vorm der oudere verbogen w. komen niet af van de schijnbaar onverb. 86-89. de geschrevene verschillen dikwijls van de gesprokene 93. Wriddhi, wat 65. Z, hoe gevormd 254. Zelfst. naamw., wat 71 v. Zin (wenschende) drieërlei 25. woordschikking 25. bevelende 26. vragende 25. |