|
|
|
| |
Over de oorspronkelijke beteekenis van het zoogenaamde
koppelwoord (zijn), en de wijze, waarop de eerste menschheid zich het
worden en bestaan gedacht heeft.
Onder de uitdrukkingen onzer taal, die, bestaande uit een
zelfstandig of bijvoegelijk naamwoord of wel uit eene bijwoordelijke
uitdrukking met een transitief werkwoord verbonden, zoo veel beteekenen als
datgene doen bestaan wat het naamwoord of de bijwoordelijke uitdrukking
te kennen geeft
1), zijn er sommige, die meer bijzonder onze aandacht verdienen. Ik
bedoel dezulke, in welke als in vertrouwen stellen, betaald zetten, aan den
dag leggen, geloof hechten, den gek steken, geloof slaan, den gek scheren,
de woorden stellen, zetten, leggen, hechten, steken, slaan, scheren
voorkomen met de kracht van faktitieven van het werkwoord zijn. Dit moet
ons, dunkt mij, een middel aan de hand doen om te weten te komen hoe degenen
die zulke uitdrukkingen het eerst bezigden, en die uitdrukkingen verliezen zich
in de | | | | hoogste oudheid, zich het doen worden, het
scheppen eener zaak, en bijgevolg het bestaan voorstelden.
Zij stelden het zich voor, dit blijkt dadelijk, als een
plaatsen, een doen stand grijpen: aldus waar de woorden
stellen, zetten, leggen voorkomen; of als een vastmaken: aldus in
de uitdrukkingen, die de woorden hechten en steken bevatten; of
eindelijk als een raken, als een in de vlucht grijpen en vasthouden.
Deze laatste opvatting, die wij in slaan en scheren vinden, ligt
misschien niet zoozeer voor de hand. Evenwel is de zaak met weinig moeite
duidelijk te maken. Slaan is eene snelle beweging maken om iets te
treffen: vandaar dat het woord zich laat verwisselen met werpen: in
den blik slaan nevens den blik werpen. Dus is slaan zoo
veel als werpen, treffen, schieten, en werkelijk komen ook deze
werkwoorden voor in den zin van maken (doen bestaan), in een
vergelijk treffen, wortel schieten, in het Grieksche
φιλοτητα
βαλλειν,
καταβολην
ποιεισθαι
(stichten: men vergelijke de uitdrukking
καταβολη
του κοσμου,
grondlegging, eigenlijk nederwerping der wereld), in het Lat. icere
foedus
1),
en jacere fundamenta, aggerem, muros, en in het Fransche jeter les fondemens
d'un édifice. Scheren is desgelijks snel bewegen langs een
vlak om hetgeen zich daarop bevindt te rapen of te grijpen. In stand
grijpen komt grijpen zelf voor in den zin van doen zijn. Dus
hebben wij hier wederom een slaan en treffen. Inderdaad,
scheren is zinverwant met strijken, en strijken is
slaan en treffen, gelijk het Eng. to strike en het Hoogd.
Streich bewijzen.
Uit deze verklaring volgt, dat bij al die uitdrukkingen de
voorstelling aanwezig is van het treffen van een vast punt, het vinden van een
draagpunt. Men dacht zich een bodemloozen afgrond, schoot of vat, waarin alles
van alle kanten aange- | | | | trokken, ongezien, nederstortende is; maar wat
een bodem vindt in die bodemloosheid, wat vastgehouden wordt in dien val, wat,
te voren door alle hemelen gegoten, zoo als Goethe zich uitdrukt, een
middelpunt raakt en grijpt in dien zwaai, dat komt aan het licht, dat leeft en
ontwikkelt zich, dat staat en bestaat.
Maar, zal men zeggen, daar waar de woorden stellen, zetten,
leggen in den zin van doen bestaan voorkomen, daar dacht men zich
ten minste de aarde als den grondslag, waarop iets gesticht werd. Dit aan te
nemen verbieden ons de andere in denzelfden zin gebruikte woorden slaan,
treffen, werpen, schieten, scheren, grijpen. En bovendien
vóór onze nieuwere tijden, dacht de mensch, voor zoover hij
dacht, zich de aarde als leven en bestaan, als groei en
bloei, niet als dooden bodem. De aarde, die alles voortbrengt, dacht hij
zich niet als dragende, maar als zelve gedragen. Vandaar de aarddragende
olifanten en de werelddragende slang der Indiêrs; vandaar de mensch
Atlas, broeder van den mensch-schepper,
Prometheus, bij de Grieken. In de levende en zich
bewegende wezens wordt de hefboom gevonden, die alles torscht, en dat, gelijk
de Grieksche naam Atlas
1) te kennen geeft,
zonder inspanning.
En hiermede zijn wij op den weg gekomen om de vraag naar de
oorspronkelijke beteekenis van het zoogenaamde koppelwoord, het verbum
substantivum, te beantwoorden. Het zal een gesteld zijn, een grond
geraakt hebben moeten beduiden. En werkelijk laten zich deze beteekenissen
aanwijzen in de werkwoorden, die in verschillende talen de taak van koppelwoord
moeten vervullen.
Van het werkwoord, dat in alle Indo-Europesche talen geheel of
gedeeltelijk de vormen van het verbum substantivum levert, is as de
stam.
Bopps gevoelen, dat dit werkwoord niets anders
zijn zou, dan de stam âs, zitten, met ten gevolge van veelvuldig
gebruik en vluchtige uitspraak verkorte | | | | vokaal, komt volkomen
overeen met den eisch mijner redenering. Inderdaad zitten, wat is het
anders dan een gezet zijn? zetten in betaald zetten is werkelijk
het factitief van zitten. Ook het werkwoord, van hetwelk stellen
als het factitief kan aangemerkt worden, namelijk het werkwoord staan,
wordt in het Spaansch en het Fransch (étais, étant,
été, komen van stare) als verbum substantivum
gebruikt. Ja de wortel stâ bekleedt in het Sanskr. somwijlen de plaats
van het werkwoord zijn, even als to stand in het Engelsch, in
to stand guilty, he stands approved, en staan bij ons, in
schuldig staan, bekend staan. Ook vallen, hetwelk dan zoo veel
beduidt als geworpen zijn, grond geraakt hebben (daar valt een
steen, beteekent daar is een steen op den grond neêrgekomen),
treedt in onze taal als verbum substantivum op in uitdrukkingen als: er valt
niet aan te denken; zwaar vallen, lastig vallen; hij valt nog al niet
beschroomd. Ons wezen, de stam, aan welken het Hoogduitsch en het
Nederlansch het praeteritum en andere vormen van het verbum substantivum
ontleenen, is het Sanskr. vas, dat wonen beteekent; wonen
nu is een gezeten, gevestigd zijn.
Het resultaat van ons onderzoek moet grootelijks bevestigd worden,
wanneer ook in niet verwante talen dezelfde voorstellingen in de
oorspronkelijke beteekenis der werkwoorden, die zijn beteekenen,
terugkomen. Dit nu is werkelijk het geval in de Semitische talen. Het
Hebreeuwsche hâjâh (zijn), heeft even als het Arab.
hawaja, vallen tot grondbegrip, en het daarvan afgeleide hiwwah
beteekent val. Het verbum substantivum in het Arabisch
(kâna) en in het Aethiopisch (kôna) beteekent
eigenlijk overeind staan, daar het één is met het
Hebreeuwsche koun, overeind staan, welks factitieve vormen (pil. en
hiph.) op eenen grondslag vestigen beduiden.
Vasthouden derhalve of het vestigen van een bodem in den
afgrond is, naar de voorstelling der stamvaders van ons geslacht, het wezen van
hetgeen wij scheppen noemen. Vasthouden van een voorwerp te
midden van den oneindigen | | | | stroom der verschijnselen is ook het wezen
van het denken, en het woord, gevormd door den adem des monds, is de
schepping op dien bodem van het denken opgewassen
1).
Denken is, in zooverre, eene daad, waarin de mensch het werk Gods nadoet; het
is het bewijs, dat wij naar den geest der Goddelijke natuur deelachtig zijn, en
zoo de God, door wien alle dingen zijn geworden, met eene menschelijke benaming
moest worden bestempeld, die een beeld zou zijn van zijn wezen, zoo kon er
geene geschikter gevonden worden, dan die van
Λογος, en, in weerwil van de proeven
van den Faust van
Goethe om dit Logos liever met zin,
kracht of daad te vertalen, - beter dan door ons woord laat
het zich niet uitdrukken. Daarom blijve men lezen: In den beginne was het
Woord.
W.G. Brill.
|
1)Zie mijne
Syntaxis, 2 de uitg., bl. 44 en
45.
1)Niet de uitdrukking icere foedus is
ontleend aan het gebruik om een offerdier werkelijk te treffen, maar en deze
symbolische handeling en die uitdrukking vinden haren grond in de voorstelling,
die men zich maakte van het in het leven roepen van het niet aanwezige.
1)Uit den α privans en
τληναι, torschen.
1)Dat de benamingen van het denken en
van het woord het begrip vasthouden uitdrukken, heb ik aangetoond
in dit Tijdschrift, Jaarg. III. N o. 4. bl. 260. Noot 1).
|
|