|
|
|
| |
| | | |
Aan de Redactie van 't Nederlandsche Woordenboek.
Waarde Heeren en Vrienden!
Tandem bona causa triumphat. Er zal eindelijk - door uw
afdoende maatregelen - een einde komen aan den noodlottigen willekeur, waarmede
men, sedert bijna zestig jaar, op het gebied der Nederlandsche spelling van
staatswegen is te werk gegaan. Gij hebt, even naauwlettend als doordacht, in
uwe Grondbeginselen, den weg aangewezen, waarop een meer natuurlijke
spellingswet verkregen worden moet, en ik mag mij te meer in uw streven
verblijden, als ik op de meeste, en vooral de voornaamste punten, uwe
instemming met mijne eigene denkbeelden heb mogen ervaren. Wanneer ik thans de
pen opvat, is het, om - uw bondig boekjen doorloopend - èn wederkeerig
mijne toetreding te betuigen tot enkele van de mijne afwijkende wijzigingen,
èn op enkele punten een en andere bedenking, omtrent uwe uitgedrukte
meening, aan uw beter oordeel te onderwerpen. Ik voldoe daarbij tevens aan uw
bescheiden wensch, om de ‘aan- (lees liever op-) merkingen in 't
openbaar of schriftelijk meê te deelen.’
Met genoegen zie ik u (bladz. 23 en volg.) de plompe ie in
lettergrepen weren, waar zij niet door den klemtoon gevorderd wordt, en dus
b.v. fabrieken maar tevens fabrikant, | | | | en wel
objectief maar tevens romantisch schrijven; dat -iesch
vooral, waaraan zich sommige onzer schrijvers verslingerd hadden, maakte voor
mij steeds een wanstaltige vertooning. Ik had echter die ie, als
uitgang, gaarne door y vervangen gezien in woorden als poësy,
harmony, melody
1), en mis bij u eene opmerking omtrent de maandnamen
January, February enz., waar ik evenzeer die y zou willen
aannemen. Deze toch, die oorspronkelijk een dubbele i (als ij
geschreven) uit het Latijn medebrachten, kunnen die thans, nu die ij als
ei wordt uitgesproken, niet behouden, en worden dus het best met
y geschreven; de enkele i of de ie zal er toch wel door
niemand gaarne in gezien worden. Ook voor uw koffie zou ik liever
koffy blijven schrijven, en diezelfde y ook in woorden als
gracy, nacy, enz. aannemen; de uitgang tie in beide laatste en
derg. wenschte ik, als onregelmatig, vaarwel te zien zeggen.
Wat de ch betreft heb ik twee opmerkingen. Gij schrijft ik
placht, enz.; die t is daar echter overbodig; heeft zij zich ook
in 't meervoud allengs onvermijdelijk ingedrongen, en zou hare uitwerping daar
zelfs niet wenschelijk zijn, in 't enkelvoud kunnen wij daarentegen zeer goed
ik plag, gij placht, hij plag blijven schrijven. Mijne
tweede opmerking geldt nochtans, waarvoor ik uwe spelling moeilijk
aannemen kan. Gij wilt daar de g in houden, om dit nog van 't
ontkennende te onderscheiden. Vooreerst echter komt mij dat in een
zamenstelling minder noodig voor, en kan het, mijns inziens, in geen geval
opwegen tegen het veel grootere bezwaar, dat men door zoo te spellen de taal
zelve geweld aandoet. De t toch is hier alleen door de scherpe ch
uit de d van dan geboren, en zoo min als gij 't nu van u
verkrijgen zoudt, bij verzachting dier ch tot g, de
oorspronkelijke d weder aan te nemen (wat anders toch geheel in den haak
zou zijn), even- | | | | min moogt gij ook die g daar in de plaats der
ch stellen, die door de t dringend gevorderd wordt.
Het achtervoegsel aard zou, als een met hard, om die
reden, zijn d behouden kunnen, en onderwierp ik mij ten deze gaarne aan
uwe uitspraak, al spelde ik vroeger -aart, ware het niet dat ik vreesde
voor een daaruit af te leiden meervoud op -en, dat er in 't
onbehaaglijke Spanjaarden reeds door ingedrongen is, maar zoowel in dit
als andere woorden met hand en tand geweerd worden moet.
Met de v van dievegge en de z in zamen,
en zijne afleidingen, vereenig ik mij gaarne, en acht, even als gij, de eerste
zelfs naar den aard der zaak vereischt.
Bij de reeks ondeelbaar-zaamgestelde woorden (op bl. 34) mis ik
litteeken, dat gij toch zeker, met mij, wel op deze wijs zult willen
spellen, al werd het uit lijk- (of blijk-) teeken
zaamgetrokken. Een d mag er in geen geval in aangenomen worden, en een
k zou tot averechtsche opvatting leiden.
De spelling slabbakken, die gij hier voorstaat (tegenover het
slaphakken van bladz. 13), geef ik boven dat slaph. de
voorkeur.
Uwe onderscheiding van fonkelen (figuurlijk) en
vonkelen (eigenlijk) acht ik wat al te spitsvondig; ook wordt zij door
ont-vonken weêrsproken. Ik zou er dus voor zijn, hier overal de
v te bezigen.
De l die gij in Middelnederlandsch aanneemt, zal wel
door de volgende n tot n moeten worden.
De uitwerping der t in eigentlijk, opentlijk, laat ik
gaarne gelden; al zou men zich voor 't tegendeel op de t van mijnent-
uwent-halve, enz. kunnen beroepen.
Over je- en jen, heb ik mijne meening, in 't voordeel
van 't laatste, in het IVen deels 4e stuk reeds
geuit.
Uwe beschouwing van behalve beaam ik volkomen, even als die
over druisen, enz., alleszins, enz. en neem ook de v in
verven, en ververij, de t in buskruit, rattenkruit
en de sch in schepter gaarne van u over.
Ik verblijd mij, ook door u de spelling dinsdag, voor 't
onhebbelijke dingsdag, te zien voorstaan. | | | |
Onder de met te zaamgestelde uitdrukkingen komen te
huis en te zoek voor; het eerste wordt echter steeds tot
thuis zaamgetrokken, en in 't laatste, zoo min als in te zeil,
wordt geen te meer gehoord; men schrijve deze dus òf (in
overeenstemming met thuis) tzeil en tzoek, òf (daar
de verscherping der z tot s wegvalt) zeil en
zoek.
Op 't moeilijke vraagpunt der bastaardwoorden heb ik een paar
bedenkingen. Daar ik de c zoo goed als de k, ook als keelklank,
voor Nederlandsch houd, hebt gij van mij geen tegenstand tegen uwe spelling van
concert en derg. te wachten; cingel zou men houden kunnen, daar
men 't geheel overeenkomstige cirkel heeft; oe (voor
ou) in soeverein en derg. even goed als ei (voor
ai), wat voor 't een geldt, geldt ook voor 't ander. Voor de Grieksche
χ bezige men overal k; zoowel in kristendom, als in
koor en kroniek, enz. Wat de ph betreft veroorloof ik mij
de opmerking, dat uwe onderscheiding in bekendheid tusschen deze en th
minder gegrond is; wij hebben de laatste niet alleen in thans en
thuis (waar zij als één geworden is), maar ook in
thee; niemand zal dus ook in hare uitspraak falen. De ph (als
f, want daarop komt het toch neêr; daar niemand, zelfs in 't
Grieksch, de oorspronkelijke kracht dier letter gelden laat); de ph is
ons zoo weinig bekend en schijnt ons zoo onnatuurlijk, dat men nog dagelijks
van menschen, die 't anders niet aan taaloefening noch beschaving ontbreekt, de
wanspraak potografie kan hooren; reeds dit zou tot hare vervanging door
f moeten noopen, waarmeê aan dergelijk misverstand voor goed de
weg ware afgesneden. Er is echter nog meer: uw eigen regel, dat
bastaardwoorden, uit talen ontleend, die 't Latijnsche letterschrift bezigen,
op de oorspronkelijke wijze geschreven worden, ‘voor zoo verre hun
uitspraak onveranderd is gebleven’, kan voor de ph niet
gelden, als die in uitspraak geheel gewijzigd en met onze f
vereenzelvigd is. Waarom haar dan ook niet overal door deze vervangen? En dat
te meer, daar gij zelf haar als slotletter voor de ph laat optreden,
zonder dat er zweem van verschil in uitspraak voor slot en begin | | | | bestaat. Wie -graaf, -throop, -soof enz. schrijft, kan, ja moet
ook fotograaf, filanthroop en filosoof schrijven. De vervanging
der s door z, in 't laatste, ware mede wenschelijk.
Hoewel zich voor den uitgang age (of liever agië)
wellicht beter azië bezigen liet, neem ik haar in overeenstemming
met logement
1), gaarne aan; 't is
in elk geval een goede ruil voor het onbruikbare aadje. De
æ in woorden uit het Latijn afgeleid zou ik, om alle verwarring te
voorkomen, gaarne aaneengeschreven en (als boven) door het zaamgestelde
letterteeken weêrgegeven zien.
Ziedaar een en ander mij, bij de lezing uwer Grondbeginselen,
uit de pen gevallen, en dat ik u voor zoo ver doenlijk, ter nadere overweging
aanbied.
Inmiddels, steeds van harte de uwe,
Van Vloten.
Deventer, 3 Maart 1863.
|
1)Er bestaat daar te meer aanleiding toe, als
de dichters rijmshalve ook bij u de vrijheid behouden, poezij, harmonij,
melodij te schrijven en de uiterlijke vorm dus minder verschillend is; 't
zelfde geldt ook voor malvezy of- zij, sakristy of
-tij.
1)Genie zal wel zijn uitheemschen vorm
moeten blijven houden, maar ware dan best cursief te drukken; in 't adj.
geniaal heeft de g de gewone uitspraak.
|
|