|
|
|
| |
Grammatische Hoofdstellingen.
Vervolg van Jaarg. IV, blz. 289-306.
| |
Stelling III.
In verscheidene Indisch-Europeesche talen, voornamelijk in het
Oudgermaansch, lag het streven om in de verschillende vormen van een zelfde
woord het evenwicht te bewaren, wanneer er geene oorzaken bestonden, die zulks
onraadzaam of onmogelijk maakten; dat wil zeggen: Wanneer een woord door
het aannemen van uitgangen of achtervoegsels, soms ook van voorvoegsels,
verlenging of aanwas (en dus vermeerdering van gewicht)
onderging, dan werd
| | | |
de vocaal
1) van den stam, als deze een
tweeklank was, door een eenvoudigen klinker, als zij in een zwaarderen klinker
bestond, door een lichteren vervangen.
Het is duidelijk, dat eene stelling als deze niet door redeneering
kan bewezen worden; maar slechts door voorbeelden, waarbij het verschijnsel
waar te nemen is. Het sterkst spreken natuurlijk die gevallen, waar men, bij
verlenging van een woord, een eenvoudigen korten klinker de plaats ziet innemen
van een tweeklank of van een langen klinker, d.i. zulk een, die door de
zamensmelting van een tweeklank ontstaan is. Ik begin met voorbeelden, die ons
het naast betreffen, met Germaansche
In de sterke (ongelijkvloeyende) werkwoorden der 5de en
6de klasse, te weten in die, welke thans bij ons vervoegd worden als
blijven en rieken of ruiken, en die nagenoeg 200 bedragen,
heeft het eenlettergrepige enkelvoud van den onvolm. verled. tijd in het
Gothisch, Oudhoogduitsch en Oudnoordsch de tweeklanken ai (of ei)
en au (of ou). In het meervoud echter, dat ééne
lettergreep meer bekomt (in het Oudhoogd. in den eersten persoon twee wordt
ai of ei vervangen door eene korte i, en au of
ou door eene korte u. Voorbeelden: goth. staig (ik
en hij steeg), stĭgum (wij stegen); ohd. ih
steig, wir stĭgumês; onrd. ek steig,
ver stĭgum; goth. kaus (ik en hij koos),
kŭsum (wij kozen); ohd. rouh (ik rook),
rŭhhumés (wij roken); onrd. ek draup
(ik droop), ver drŭpum (wij dropen). Dat dit verschijnsel
inderdaad aan de vermeerdering der lettergrepen is toe te schrijven, wordt door
het Oudhoogd. buiten allen twijfel gesteld. Immers de 2de persoon
van het enkelvoud neemt daar eene i aan en wordt dus tweelettergrepig;
maar nu verandert ook deze de ei in i en de ou in u: ih
steig, du, stigi; ih rouh, du ruhhi. Het Gothisch en Oudnoordsch
daarentegen behouden in dien persoon de | | | | tweeklanken, omdat zij
slechts eene t aanhechten en het woord dus eenlettergrepig laten: ik
staig, thu staigt; ek steig, thu steigt; ik kaus, thu kaust; ek draup, thu
draupt. Men ziet, cessante causa, cessat effectus; als de oorzaak
ontbreekt, wordt ook de werking gemist.
Hetzelfde leert eene vergelijking van den indicativus met den
conjunctivus. Deze laatste is altijd insgelijks tweelettergrepig, en heeft
daarom ook slechts een korten klinker. Nevens goth. staig (ik steeg) en
draus (ik viel) staan stigjau (ik stege) en drusjau (ik
viele).
In het Angelsaksisch, Oudsaksisch en Oudfriesch ziet men hetzelfde
gebeuren; doch in die talen zijn de klinkers der tweeklanken tot een langen
klinker ineengesmolten. In het Ags. is ai dientengevolge eene lange
â geworden; met au schijnt dit insgelijks geschied te zijn,
doch deze heeft zich weder in eá opgelost. In het Osaks. is
ai veranderd in ê, au in ô, in het Oudfr.
ai insgelijks in ê, doch au in â,
terwijl de korte grondklinker u in deze werkwoorden in ĕ is
overgegaan. Neemt men dit in aanmerking, dan ziet men hetzelfde verschil in
quantiteit bij het enkel, en meervoud der overeenkomstige werkwoorden: ags.
ic stâg, ve stĭgon; ic ceás, ve
cŭron; ofr. ik hnêg, wi hnĭgen; ik
kâs, wi kĕren
1). | | | |
Ook buiten de vervoeging vinden wij sporen genoeg van het streven
naar evenwicht, b.v. bij goth. ahtau (acht) en
ahtŭda (achtste); waips (kroon of krans) en
wĭpja (hetzelfde), mêgs (schoonzoon) en
măgus (knaap, kind); quêns (huisvrouw) en
quĭnô (vrouw in het algemeen); fôn (vonk), in
den tweelettergrepigen genit. fŭnins, dat. fŭnin.
In de oudste Grieksche werkwoorden, namelijk die op
-μι, nemen wij hetzelfde verschijnsel waar. De persoonsuitgangen
van het tweevoud en meervoud zijn daar zwaarder dan die van het enkelvoud.
Daarom heeft dit laatste een langen klinker of een tweeklank, terwijl de dualis
en pluralis de korte stamvocaal vertoonen:
| ιστημι (ik
plaats). | τιθημι (ik
zet). |
| ιστατον (gij
beiden
plaatst). | τιθετον. |
| ισταμεν
(wij
plaatsen). | τιθεμεν. |
| διδωμι
(ik geef). | δεικνυμι
(ik
toon). |
| διδοτον. | δεικνυτον. |
| διδομεν. | δεικνυμεν. |
| | | |
In het Latijn is het bedoelde streven zichtbaar, wanneer het woord
vooraan een aanwas bekomt, hetzij door het aannemen van voorvoegsels, hetzij
door herhaling van de stamlettergreep (reduplicatie). Daarbij vertoont zich
echter niet de terugkeer van den tweeklank tot den grondklinker, maar de
vervanging van een zwaarderen klank door een lichteren. Zoo ziet men i
en u in de plaats treden van a, - î en
û in die van de tweeklanken ae
1) en au; b.v. inde zamenstellingen
ac-cipio van capio, de-cido van
cado, per-ficio van facio, Ju-piter
van pater; in-culco van calco,
in-sulsus van salsus; oc-cīdo van
caedo, in-īquus van ae-quus,
ac-cūso van causa, defrūdo van
fraudo enz., en in de reduplicaties: ce-cin-i van
can-o, ce-cid-i van cad-o, enz.
Eene vervanging van u door de i merkt men op in de
zamenstellingen fructifer van fructus, en
manipulus van manus; hetgeen bevestigt, wat in
Stelling II aangaande de meerdere lichtheid der i boven de u
geleerd is.
Een ander, niet minder sterk bewijs is de verlichting van den stam
door het uitstooten van den neusklank, n of m, in redupliceerende
werkwoorden, b.v. tu-tud-i van tund-o, te-tig-i van
tang-o, pe-pig-i van pang-o, pu-pug-i van
pung-o enz.
Een nog sprekender blijk vindt men in die geredupliceerde vormen,
die de geheele stamvocaal hebben uitgestooten, terwijl deze in de niet
geredupliceerde terugkeert; b.v. in gi-gn-o, voor gi-gen-o
perf. gen-ui; in πι-πτ-ω, voor
πι-πετ-ω, aor. Doric.
ε-πετ-ον.
Het Sanskrit levert zoo vele en zoo in het oog loopende bewijzen
van het streven naar het bewaren van het evenwicht in de verschillende vormen
van een zelfde woord, dat het deze taal was, die aan Prof. Dr. Franz
Bopp tot het ontdekken der wet aanleiding gaf. In het Sanskrit worden de
per- | | | | soonsuitgangen der werkwoorden in twee soorten onderscheiden: in
lichtere en zwaardere. Dit verschil oefent op de stamlettergreep een merkbaren
invloed uit, daar deze voor de lichtere dikwijls eene versterking ontvangt, die
voor de zwaardere weêr teruggenomen wordt. Soms ondergaat de stam voor de
zwaardere eene geheele verminking. Zoo valt de wortelklinker a van
as (zijn), as-mi (ik ben), as-i, voor as-si (gij
zijt), as-ti (hij is), geheel weg in den dualis en pluralis, omdat deze
zwaardere persoonsuitgangen (met a) bekomen: 's-was, 's-thas, 's-tas,
's-mas, 's-tha, 's-anti, voor as-was, as-thas, as-tas enz. In het
Latijn ziet men bij dit werkwoord hetzelfde verschijnsel: ''s-um voor
es-um; es; es-t; 's-umus voor es-umus; es-tis; 's-unt voor
es-unt. Men vergelijke verder dzjahâ-mi (ik verlaat)
met dzjahî-mas (wij verlaten);
strinô-mi dat is eigenlijk: strinau-mi (ik
strooi) met strinŭ-mas (wij strooyen), yunâ-mi
(ik bind) met yunî-mas (wij binden) enz.
Het aangevoerde zal, vertrouw ik, toereikend zijn om den lezer de
overtuiging te geven, dat het gestelde beginsel werkelijk in sommige
Indogermaansche talen heeft geheerscht en zijnen invloed doen gevoelen; terwijl
de daarbij waargenomen verwisseling van a met i en u, en
van u met i tevens strekt ter nadere bevestiging van hetgeen
aangaande de quantiteits-verschillen dezer letters in Stelling II is beweerd.
Ik meen dus te kunnen overgaan tot de beschouwing van een verschijnsel in de
Germaansche talen, dat door die wet moet verklaard worden, en dat wederkeerig
hare waarheid in het licht stelt. Ik bedoel de zoogenoemde klankverwisseling,
hd. Ablaut, in de sterke (ongelijkvloeyende) werkwoorden der
1ste, 2de en 3de Klasse.
Deze werkwoorden hadden oudtijds in den tegenwoordigen tijd een
korte i, in het enkelv. van den verleden tijd eene a, in het
verleden deelw. deels i, deels u (oe); b.v. goth.
giba (ik geef), gaf (ik gaf), gibans
(gegeven); binda (ik bind), band (ik bond, oudt.
insgelijks band), bundans (gebonden). In de hedendaagsche
talen, ook in de onze, zijn die oorspronkelijke klinkers gedeeltelijk
gewijzigd. Zoo is de i van | | | |
niman, stilan, brikan, itan,
swimman enz. in nemen, stelen, breken, eten, zwemmen enz. in de
zachte e overgegaan; de a van ik band, zang, zank, zwam,
klank enz. in ik bond, zong, zonk, zwom, klonk enz. met o
verwisseld; en zijn alle u's (oe's) o's geworden in: genomen,
gestolen, gebroken enz. voor: ganuman, gastulan, gabrukan enz.
Deze wijzigingen zijn echter van lateren tijd, en moeten op
verschillende wijzen naar andere beginselen verklaard worden. De vraag, die
hier te beantwoorden is, betreft natuurlijk de onderlinge verwisseling der
a, i en u (oe). Hoe is de taal aan die verwisseling gekomen? Dat
zij opzettelijk uitgedacht zou zijn, is een vermoeden, hetwelk thans wel bij
niemand meer opkomt, die over spraak en spraakwording heeft nagedacht en heeft
leeren inzien, dat de taal een noodwendig product is van de menschelijke
natuur, van de zamenwerking van zijn geest en zijn lichaam, maar geene
beredeneerde uitvinding, geen voortbrengsel van overleg en nadenken over de
taal. Die verwisseling moet dus het gevolg zijn van oorzaken, in de taal zelve
gelegen. Daar elk niet zamengesteld woord, als zijnde eene eenheid, slechts uit
éénen wortel kan ontsproten en opgegroeid zijn, is de eerste
vraag: welke der drie klinkers a, i en u is de oorspronkelijke,
de eigenlijke wortelklinker? Hetgeen in het betoog van Stelling II gezegd is,
aangaande de wijze, waarop de a in het uitspreken gevormd wordt, doet
terstond vermoeden, dat die eer aan haar toekomt. En inderdaad, wanneer men nu
ziet, dat de overeenkomstige werkwoorden in het Sanskrit de a hebben als
ad (eten, at), sad (zitten, zat), was,
(wezen, was), wradzj (wreken, oudt. wrak), wah
(bewegen, bewoog, oudt. wag), bandh (binden, bond, oudt
band) enz., terwijl er in die Sanskritsche werkwoorden geene dergelijke
vocaalverwisseling plaats heeft, dan wordt dat vermoeden stellige zekerheid. De
a is dus in de werkwoorden der 1ste, 2de en
3de klasse als de wortelklinker te beschouwen; de i en
u (oe) derhalve als latere inkomelingen, of, juister gezegd, als
verzwakkingen van a. | | | |
Waardoor is die klankverzwakking veroorzaakt? Het antwoord ligt
gereed en voor de hand, en is, na alles wat wij omtrent het bewaren van het
evenwicht gezien hebben, volstrekt niet twijfelachtig. Het enkelvoud van den
verleden tijd, d.i. die waarin de oorspronkelijke a onverzwakt voorkomt,
is in het historisch bekende tijdperk eenlettergrepig: bad, gaf, nam,
stal enz., daar bestond dus geene aanleiding tot verzwakking, de a
kon en moest daar hare volle zwaarte behouden. De tegenwoordige tijd echter is
tweelettergrepig: goth. bidja, bidjis, bidjith, bidjam, bidjith,
bidjand; en zoo ook ita, giba, nima, stila enz., is het wonder, dat
de a van bad ten gevolge der aanhechting van de zware a in
bidja, bidjam, bidjand, en vroeger in alle personen: bidjas voor
bidjis enz., in de zwakke i overging?
De verleden tijd was in het meervoud insgelijks tweelettergrepig.
Dan werd echter geene lettergreep met a, maar met de lichtere u
aangehangen; de wortelklinker a behoefde hier dus geene zoo hevige
verzwakking te ondergaan als in den tegenwoordigen tijd, zij werd daarom niet
i, maar u: band (ik bond) - bundum (wij bonden):
fanth-funthum, du-gan -
du-gunnum.
De hier gegevene verklaring van de onderlinge verwisseling der
a, i en u noodzaakt ons evenwel volstrekt niet om aan te nemen,
dat de verleden tijd ouder zou zijn dan de tegenwoordige, dat de eerste
menschen, die om zoo te zeggen, nog geen verleden hadden, louter en alleen over
dingen uit hunnen goeden ouden tijd zouden gesproken hebben, en dat zij de
zaken, die hun tegenwoordig betroffen, met vingerlijzen op het bestaande en
voorhandene zouden hebben afgehandeld. Zulk eene voorstelling draagt het
kenmerk der ongerijmdheid op het voorhoofd. De zaak laat zich op eene andere
wijze en heel natuurlijk verklaren. Geene taal, het Sanskrit zoo min als het
oudste bekende Germaansch, vertoont ons de spraak in haar eersten,
oorspronkelijken vorm. Die oorspronkelijke taalvorm is thans | | | | nergens
meer aan te wijzen, reeds het Sanskrit draagt duidelijke blijken van
verbastering. Dit verhindert echter volstrekt niet, dat men niet betrekkelijk
heel veel aangaande ‘die Ursprache,’ zooals de Duitsche
taalkundigen haar noemen, zou kunnen te weten komen. Wanneer men de
veranderingen, die men de talen in het historisch bekende gedeelte van haar
leven ziet ondergaan, in aanmerking neemt, en, van dat bekende in omgekeerde
richting uitgaande, tot het vroegere onhistorische terugkeert, dan kan men met
eene zekerheid, die aan de mathematische grenst tot een aantal vroegere vormen
besluiten. Handelt men zoo ten opzichte der werkwoorden, dan komt men tot het
besluit, dat het onderscheid tusschen den tegenwoordigen en den verleden tijd,
ook in onze sterke of ongelijkvloeyende werkwoorden niet eeniglijk bestond in
een verschil tusschen de stamvocalen, maar ook in de uitgangen, zoodat de beide
tijden reeds daardoor kennelijk genoeg onderscheiden waren, al bleef de klinker
dezelfde. Alles toont dan aan, dat de hier bedoelde verzwakking eerst later en
niet bij het eerste menschengeslacht heeft plaats gegrepen, maar in den boezem
der Germaansche taal, nadat de oorspronkelijke stamtaal zich in hare
hoofdtakken had gesplitst.
In de werkwoorden der 4de klasse, als dragen-droeg,
droegen, graven-groef, groeven enz., zien wij een ander verschijnsel,
verschillend van het voorgaande, maar toch analoog. De grondvocaal a is
daar in den tegenwoordigen tijd onverzwakt gebleven; in den verleden tijd is
zij daarentegen versterkt door eene voorgevoegde u (oe). Onze oe
toch is, gelijk later bewezen zal worden, eene ineensmelting der klinkers van
den tweeklank ua, die eerst in uo, vervolgens in ue (oe
ë) en eindelijk in den hedendaagschen zuiveren klinker oe overging,
maar hier en daar, b v. in Friesland, nog wel als
oe-ĕ klinkt. Het Oudhoogduitsch stelt de hier bedoelde versterking
buiten allen twijfel. Ons dragen, droeg, droegen b.v. luidde bij
Otfried: tragu-truag, truagun enz. Wij
treffen hier dus dezelfde verhouding tusschen het prae- | | | | sens en het
praeteritum aan, doch niet door klankverzwakking, maar door klankversterking
bewerkt. Waar de oorzaak van dit verschil in gelegen is, zij voor het oogenblik
daargelaten, het verschijnsel, in zijn geheel genomen, kan ons niet
verwonderen. Toen men eenmaal aan een quantiteitsverschil bij de tijden der
meeste ww. gewend was, moest er een streven bestaan om het bij alle te doen
plaats grijpen.
Vatten we alles zamen, dan zien we, dat onze derde stelling, die
ongetwijfeld velen lezers bij den eersten aanblik vrij onwaarschijnlijk en
zeker tamelijk onverschillig zal geschenen hebben, aan geenen twijfel
onderhevig en voor Germanen allerbelangrijkst en merkwaardigst is, daar zij
strekt om eene der eigenaardigste eigenschappen onzer taal, de
klankverwisseling in onze sterke werkwoorden, te verklaren. Tevens strekt zij
tot nader bewijs van Stelling II.
| |
Stelling IV.
De tweeklanken ontstonden in den regel door de voorvoeging van
een klinker vóór een anderen; niet, omgekeerd, door
achter-aanhechting. De tweede klinker is derhalve als de
grondvocaal aan te merken; de tweeklank, in zijn geheel genomen,
als eene vocaalversterking van dien tweeden klinker.
Het spreekt van zelf, dat hier die gevallen niet medegerekend
worden, waarin de tweeklank onder toevallige omstandigheden ontstaat door het
zamentreffen en ineensmelten van twee klinkers, die beide reeds te voren
bestonden. Dit heeft plaats in zamenstellingen en afleidingen, wanneer twee
lettergrepen aaneengevoegd worden, waarvan de eerste op een klinker eindigt, en
de tweede met een klinker begint; b.v. in lat. neuter uit ne +
uter, goth. mais (meer) uit ma + is; in
τειχει uit
τειχε-ι,
αιδοι uit
αιδο-ι. Ook moeten niet gerekend worden de
gevallen, waarin uit een aanwezigen mede- | | | | klinker een klinker
ontstaat, die zich dan met den naaststaanden klinker vereenigt, b.v. in
zeide en leide, uit zegde en
legde.
Evenmin komt hier in aanmerking de oplossing of verdeeling van een
klinker in twee andere, die beide van den grondklinker verschillen; b.v. de
oplossing van i in eo in het Angelsaksisch.
De Indische taalkundigen onderscheiden twee vocaalversterkingen,
of liever twee graden van vocaalversterking, waaraan twee soorten van
tweeklanken hun ontstaan te danken hebben: 1) ê en ô,
die wij Taalgids IV, blz. 165, als oorspronkelijk uit de tweeklanken ai
en au bestaande, hebben leeren kennen; en 2) âi en
âu, eigenlijk aai en aau. De eerste, de lichtste
graad van versterking, die zij guna (goena), in den 1sten
naamv. gunas (deugd, kracht) noemen, bestaat in het voorvoegen eener
korte a, waardoor uit i eene ê (ai), en uit u
eene ô (au) ontstaat. De tweede, sterkere graad heet
wriddhi, in den 1sten naamv. wriddhis (wasdom), en
bestaat in het voorvoegen van eene lange â (aa). Geschiedt dit
voor i, dan ontstaat âi (aai), voor u, dan krijgt
men âu (aau).
Zoo ontstaat uit de
| wortels: | door guna: | door
wriddhi: |
| vid (weten) | vêdas (heilig
boek der Indiers) | vâidjas
(geleerd) |
| div (schitteren) | dêvas
(godheid) | dâivam (het goddelijke, het
noodlot) |
| budh (kennen) | bôdhati
(hij kent) | bâuddhas (aanhanger van
Boeddha) |
| tud (slaan) | pratôdas
(stok) | atâudsam (ik sloeg). |
Men ziet de klinkers, die in de wortels voorkomen, blijven in de
afleidsels, en bekleeden daar de tweede plaats, terwijl a en
â er vóórgevoegd worden.
Hetzelfde is ook waar te nemen in andere Indogermaansche talen,
waarin twee dergelijke vocaalversterkingen aan die in het Sanskrit
beantwoorden. Met
A. Schleicher onderscheidt men ze het best
door de woorden eerste en tweede; de eerste | | | | komt dan
met guna, de tweede met wriddhi overeen. Zij verschillen echter
hierin van de genoemde Sanskritsche, dat ook andere klinkers dan a ter
versterking dienen: i, u, e en o, evengoed als a, waarbij
het verschil in zwaarte, waarvan in Stelling II, in het oog moet gehouden
worden. Niet slechts is i lichter dan u, en zijn beide lichter
dan a, maar ook e, gr. ε, en o, gr.
ο, zijn lichter dan a, gr. α, terwijl de
e (ε), die aan i grenst, lichter is dan o
(ο), die, uit u ontstaan, het naast bij deze komt.
Wanneer men derhalve van de lichtste tot de zwaarste opklimt, volgen zij
elkander in deze orde op:
i (ι), e (ε), u,
o (ο), a (α).
Deze onderscheiding is noodig om te bepalen, welke tweeklanken als
de eerste, welke als de tweede versterking moeten beschouwd
worden. Houdt men die verschillen bij het schikken der onderscheidene
tweeklanken, in het oog, dan verkrijgt men de volgende tabel:
| Grondklinker | 1ste
Versterking | 2de
Versterking |
| a | ia | ua
(oea) |
| i | ui
(oei) | ai |
| ι | ει | οι |
| u | iu
(ioe) | au |
| υ | ευ | ου |
Ofschoon het Germaansch ons eigenlijk hier alleen ter harte gaat,
volgen hier, ten bewijze, dat de diphthongen door voorvoeging van klinkers
ontstaan, eenige voorbeelden, aan het Grieksch ontleend:
| Wortel. | 1ste
Verst. | 2de Verst. |
| λιπ
in ελιπον | wordt
λειπω | en
λελοιπα, |
| ιδ
in ιδειν | wordt
ειδον | en
οιδα, |
| πιθ
in πιθανος | wordt
πειθω | en
πεποιθα, |
| ελυθ
in εληλυθα | wordt
ελευσις, | en
ειληλουθα,
hom. |
| φυγ in
εφυγον | wordt
φευγω, | |
| πυθ
in
πυνθανομαι | wordt
πευσομαι, | |
| τυχ
in ετυχον | wordt
τευξομαι. | |
In de nieuwere talen hebben de meeste tweeklanken groote
veranderingen ondergaan, en zijn vele zelfs tot lange klinkers | | | | ineengesmolten. Zoo is, om een paar voorbeelden te noemen, de a
van ai bij ons eene e geworden in rein, goth.
hrains; de a van au eene o in bouwen,
goth. bauan; de tweeklank ua, ondl. uo is in den zuiveren
langen klinker oe overgegaan in boek, ohd. puach; en van
de diphthongen, die het Oudnoordsch bezat, is in het Zweedsch geene enkele
overgebleven. Hieruit volgt, dat de wording der tweeklanken het duidelijkst
gezien wordt in de oudere talen, waarin nog geene of veel geringere
verbasteringen hadden plaats gegrepen; b.v. in het Goth. en het Ohd. Aan die
talen zullen wij daarom onze voorbeelden ontleenen.
In het Gothisch ziet men ei en ai ontstaan uit
i, wanneer men urreisan (opstaan) en
urraisjan (oprichten) vergelijkt met urrists
(opstanding); beitan (bijten) en bait (ik beet) met
bitum (wij beten); threis (drie) met
thridja (de derde); disskreitan (scheuren, trans.)
met disskritnan (scheuren, intrans.). - De tweeklanken iu
en au ontstonden uit u. Dit merkt men op uit de vergelijking van
liubs (lief, waard) en galaubs (waard) met
galubs (waard); van driusan (vallen, ons
druisen) en drausjan (nederwerpen) met
drusts (val), van giutan (gieten) met
gutnan (uitgegoten worden); van kiusan (beproeven)
en kausjan (beproeven) met kusts (beproeving),
enz.
Maar vooral ziet men zulks in het groot aantal woorden, waarin
ai en au voor h en r staande, uit i en
u ontstaan zijn; b.v. in faihu, ohd. fihu; fauho, ohd.
fuhs; wair, ohd. wir, waurms, ohd. wurm; en in de
werkwoorden als thlaihan, part. thlauhans; bairan, part.
baurans enz. voor thlihan, thluhans; biran, burans enz.
Ook de Oudhoogd. ai en ei, au en ou
ontstonden uit i en u, op dezelfde wijze als in het Gothisch;
doch het zal overtollig zijn daarvan voorbeelden bij te brengen. Het Oudhoogd.
bezat echter een tweeklank ua, later uo, die uit a
ontstond, maar die in het Gothisch reeds ô geworden was, en
waaraan onze oe beantwoordt. Zoo ontstond de ua van
gruaba ons groeve, uit de a van
graban, ons graven; die in ginuac, ons
genoeg, uit de a van ginah (het is genoeg,
suf- | | | | ficit), die van pruah, ons broek, uit
de a van braccae; die van truah (ik droeg)
uit de a van tragan (dragen); die van buaza,
ons boete, uit de a van baz (goed) en van baten
enz.
Zelfs nog het Nieuwnederlandsch is aan dezelfde wet onderworpen
geweest, en levert daarvan voorbeelden op, ofschoon zulks uit de spelling niet
blijkt. Onze ij toch, die thans in de beschaafde uitspraak als
ei, d.i. è + i klinkt, maar vroeger algemeen eene
zuivere i was, en thans nog in een groot gedeelte van ons land
zóó uitgesproken wordt, is kennelijk door de voorvoeging van eene
è ontstaan. Immers lascht men in mnl. mi, rike, wiin,
siin, enz. eene è in, dan bekomt men mei, reike, wein,
zein enz., welke woorden men echter ter aanduiding van hun vroegeren vorm
mij, rijke, wijn, zijn schrijft.
Van het ontstaan van ou uit u (oe) leveren de min of
meer platte vormen jou en nou voorbeelden op. Deze woorden
luidden mnl. ju (lees: joe) en nu (noe); voegt men in
joe en noe eene ò, dan bekomt men jou en
nou. Door dezelfde klankversterking is het Friesche dou ontstaan
uit doe, welke beide vormen in Friesland, doch in verschillende streken,
in gebruik zijn. De, vooral voor den Hollander, zoo vreemde en zonderlinge
Groningsche uitspraak: mouder, kouke, goud, vlouken enz. voor moeder,
koek, goed, vloeken is slechts eene toepassing van dezelfde wet.
Het aangevoerde zal vertrouw ik, toereikend wezen om den lezer van
de waarheid der stelling te overtuigen, dat tweeklanken, in den regel, door
voorvoeging ontstaan, en dat derhalve de tweede
klinker bijna altijd te beschouwen is als de wortelklinker, als de
voornaamste, wil men hem zoo noemen, als de
‘hoofdklinker.’
Hiermede vervalt dan tevens de redeneering van den recensent in
den Gids van Juli 1862, blz. 66-71, die van het tegenovergestelde
beginsel is uitgegaan.
Er bestaat echter geen regel zonder uitzonderingen, geene wet
zonder afwijkingen; dit wordt ook hier bewaarheid. | | | | Reeds boven is
aangemerkt, dat een klinker soms wordt opgelost in twee andere, die beide van
den oorspronkelijken klinker verschillen, gelijk b.v. de ags. i in
eo. Zoo iets heeft ook in het Nederlandsch plaats gehad met de lange
û en de lange î. De lange û van mnl.
gheluut, ruken, gebruken enz. is in het Nnl. ui geworden in
geluid, ruiken, gebruiken. Let men hier alleen op de spelling, dan zal
men zeggen, dat hier eene i achter de reeds aanwezige u gevoegd
is; bij nader inzien zal men bemerken, dat men, zoo sprekende, niet juist
oordeelt. De vroeger aanwezige u was lang, klonk als uu in
huur, duur, vuur enz.; doch ui bestaat niet uit die
û en eene i, maar is de korte ù, die in
bul, dun, ruk enz. gehoord wordt, gevolgd door de i; ui is
ù + i, maar niet uu + i. De lange klinker is
hier derhalve als het ware in twee korte gesplitst; de eenheid is in twee
helften gebroken.
Op dezelfde wijze is in eenige weinige woorden, namelijk drie,
gier, gierig, kiem, kriegel, wieg, wierook en zwiepen de lange
î, die in verschillende gewesten van ons Vaderland, en ook in
Westvlaanderen, nog voortleeft, maar die in de beschaafde uitspraak ij
is geworden, opgelost in den voormaligen tweeklank, nu zuiveren klinker
ie, die nog hier en daar werkelijk als tweeklank wordt uitgesproken:
Wie-ĕ rie-ĕp je hie-ĕr, lie-ĕve Pie-ĕt?
Eene vergelijking der opgenoemde woorden met hunne vormen in andere talen en
dialecten leert overtuigend, dat zij, om geheel regelmatig te zijn, thans
ij zouden moeten hebben; waarbij men in aanmerking moet nemen, dat goth.
ei aan onze ij beantwoordt. Drie luidt goth.
threis, ohd. drî, ags, thrî, nfri.
trij, vl. drij, nhd, drei. - Gier, de naam van een
geslacht van roofvogels, is ohd. gˆr, nhd. Geier. - Het
substantief gier, waarvan ons gierig, luidt goth.
geirô, ohd. (hove) gîri, gîrheit,
gîreda. - Kiem is ohd. kîmo, en komt van een
woord, dat goth. keian luidt. - Kriegel is bij Kiliaan
krijgel, en komt van krijg, krijgen (oorlogvoeren); kregel
is wel met kriegel verwant, doch niet hetzelfde woord. - | | | |
Wieg is ohd. wîg, niet wĭg. - Wierook,
heilige rook, staat voor wijrook, nhd. Weihrauch, van
wij-en, nu met ingelaschte d: wijden, gelijk belijden voor
belijen, mnl. li-en. - Zwiepen is goth. sweipan, ags.
swîpan.
Wij hebben hier dus eene verbreking of oplossing van een langen
klinker î in twee korte ĭ + ĕ. Daar
i + e thans echter tot de zuivere î is
ineengesmolten, zoo heeft in deze woorden, langs eenen omweg, een terugkeer tot
eene vroegere uitspraak plaats gehad. Niet voorbij te.zien is ook hier het
behoud van het evenwicht.
Uit onze stellingen en hare betoogen vloeit voort het vooral voor
onze spelling belangrijke
| |
Gevolg.
Woorden van denzelfden oorsprong, d.i. gevormd of afgeleid van
denzelfden wortel, hebben dikwijls zeer verschillende vocalen
1).
Immers wij hebben in Stelling III gezien, hoe het streven naar
evenwicht eene oorzaak van klankverzwakking was, in Stelling IV, hoe
behoefte om den wortelklinker te versterken tweeklanken deed ontstaan,
en hoe een lange klinker soms in twee korte wordt opgelost, door al hetwelk
dezelfde wortelklinker in verschillende afleidsels onder geheel verschillende
gedaanten verschijnt.
Ten opzichte van een aantal woorden, die thans nog verschillend
worden uitgesproken, is die waarheid, ofschoon nooit met zooveel duidelijke
woorden uitgesproken, nooit in twijfel getrokken, omdat twijfel onmogelijk was.
Men denke aan gift, vergiffenis, vergeven, gave, begaafd van den wortel
gaf; aan drinken, drank, dronk, drenken van den wortel
drank; aan graven, groeve, gegroefd, grift, griffel van den
wortel graf; aan blijken, bleek (bleik), bleeker,
gebleken, blik (bleek of wit metaal) van den wortel blik; aan
rieken, ruiken, rook (onl. rouc), reuk (mnl. roke)
van den wortel ruk (roek). | | | |
Bij andere woorden echter, die door tijdsverloop gelijkluidend
zijn geworden, heeft men dit soms, althans stilzwijgend, ontkend, en op zijne
ongegronde meening eene verkeerde spelling gebouwd. Zoo schrijven sommigen ten
onrechte (lot)genoten, (ouder)loze, kloven en
zogen met de zachte o, omdat zij geleerd hebben, dat de o
in de ongelijkvloeyende werkwoorden genieten, (ver)liezen,
kluiven en zuigen zacht is, en men dientengevolge: wij genoten,
verloren, kloven en zogen schrijft, en omdat in genot, los,
kluft en zog een korte klinker voorkomt, die insgelijks voor eene
zachte o pleit. Uit onze beschouwing moet gebleken zijn, dat de ware
aard der klinkers langs een anderen weg, hetzij door vergelijking met de oudere
talen, hetzij uit den aard van het woord zelf, moet opgemaakt worden. Van het
laatste hebben wij een voorbeeld in klooven, infinitivus, onderscheiden
van wij kloven van kluiven. In de verwante talen schijnt geen
werkwoord te bestaan, hetwelk in vorm aan klooven beantwoordt, zij
leveren niets wat onze spelling zou kunnen bepalen Het woord heeft echter de
beteekenis van het causativum van klieven, dat voorheen ook
intransitief, in den zin van splijten (findi), gebezigd werd. Nu weet
men van elders, dat de causatieven een langen klinker vereischen, die de tweede
klankversterking ondergaan heeft; dus in dit geval oo uit au.
Klooven moet derhalve eene scherpe oo hebben, evenals zoogen,
causatief van zuigen, waarin de scherpte der o ook uit de
verwante talen blijkt.
L.A. te Winkel.
|
1)Het woord vocaal wordt hier
genomen voor vocaalgeluid in het algemeen; en omvat dus zoowel de
tweeklanken als de eigenlijke klinkers.
1)Uit het aangevoerde blijkt derhalve, dat
alle oudere Germaansche talen, het Gothisch, Oudhoogduitsch, Oudnoordsch,
Oudsaksisch en Angelsaksisch, - ook het Oudfriesch - in den
verleden tijd van de werkwoorden der 5 de en 6 de klasse
een zeer kennelijk en onloochenbaar onderscheid maakten tusschen de vocalen van
het enkelvoud en die van het meervoud, dat de laatste korte
klinkers waren, die van het enkelvoud tweeklanken of lange
klinkers, uit tweeklanken ontstaan. Dat in het Oudnederlandsch
hetzelfde verschil bestond, blijkt, wat ten minste de 5 de klasse
betreft, uit de bekende Oudnederl. psalmen. Het 8ste vers van
Ps. LIV luidt: ‘ Ecco firroda ic fliende inde
bleif an eudi,’ ‘Ecce elongavi fugiens, et
mansi ( ik bleef) in solitudine’; en Ps. LXVII.
5: ‘ Uueg uurkit imo, thia upsteig ouir
nithegang’ ‘Iter facite ei, qui ascendit
( opsteeg) super occasum.’ Ook in het Mnl. treft men nog de sporen
van het bedoelde verschil aan; b.v. weit voor weet, Walew. vrs
5278, 5578. Wij hebben hier dus den tweeklank ei, die de scherpte der
ee van het enkelvoud bewijst; en ook de hedendaagsche Vlaamsche
uitspraak, die der Gentenaars althans, welke in het enkelvoud ie, in het
meervoud e laten hooren, toont genoeg, dat wij hier met geene
hersenschim te doen hebben. Ongetwijfeld heeft de recensent in den Gids van
Juli 1862 van dat alles niets geweten, anders had hij zeker niet ongeloovig
gevraagd: ‘Maar is het ook wel waar? Wat grond is er om ‘aan te
nemen, dat in het Hollandsch de e in het enkelvoud ik reed van
een ‘andere aard en natuur zou zijn als in het meervoud wij reden?
Steunt die ‘bewering op taalvergelijking?’ - Zeker steunt zij op
taalvergelijking, maar bovendien ook op de kennis van ons Oud- en
Middelnederlandsch en op waarneming van dialecten. Bij taalvergelijking moet
men evenwel met verstand en oordeel te werk gaan, en niet, gelijk Recensent,
aan eene latere bedorvene uitspraak hooger gezag toekennen dan aan eene oudere
schrijfwijze, op zuiverder uitspraak gegrond. Het Nieuwhoogduitsch spreekt
thans ich ritt met de korte i uit, evenzoo als het meervoud,
wir ritten; doch niet slechts het Oudh. zei reit, ook nog het
Middelhd., zie onder andere Nibelungen, 1208, 1. Die nhd. i is
dus eene verbastering, waaraan wij ons niet te storen hebben; of men moest
stellen, dat het Oudhd. en ook ons Nederl., uit het Nhd. ontstaan ware. In het
Nfriesch heeft de verbastering juist den omgekeerden gang genomen; daar is de
korte vocaal van het meervoud, b.v. van ofr. gripen, niet
grêpen, lang geworden. Daar nu het Hollandsch niet van het
Friesch, en vooral niet van het Nieuwfriesch, afstamt, meen ik, dat wij ons om
alle dergelijke verbasteringen weinig te bekommeren hebben en ze zeker niet tot
norma voor spelling en taalbeschouwing moeten aannemen.
1)Dat ae, ofschoon thans als eene
e luidende, oorspronkelijk een echte tweeklank was, wordt algemeen
erkend, en blijkt onder andere daaruit, dat de Grieken, bij het overnemen van
Latijnsche woorden, ae door αι (ai) teruggaven, en de
Latijnen omgekeerd de Grieksche αι door ae. Ook ons
Keizer, lat. Caesar, en balein, lat balaena, kunnen
ten bewijze strekken.
1)Het woord vocaal genomen als in de
noot op bl 56.
|
|