|
|
|
| |
Over de onderlinge verhouding der verbogene en der onverbogene
vormen van dezelfde woorden in de woordvorming en de spelling.
In eene recensie van het
Ontwerp der spelling voor het aanstaande Nederlandsch
Woordenboek, in den Tijdspiegel voor Juni, blz. 482-496, komt het
een en ander voor, dat min gelukkig is uitgedrukt en tot verkeerde begrippen en
gevolgtrekkingen aanleiding geven moet. Daar aan den geachten recensent
Dr. a. de Jager, als hoofd der
‘vormschool’ van toekomstige onderwijzers in de tweede stad van ons
vaderland, een niet onbelangrijke invloed op het volksonderwijs | | | | in
de moedertaal moet toegekend worden, veroorloof ik mij de vrijheid hem en alle
lezers van den Taalgids, inzonderheid de onderwijzers, het onjuiste in de
bedoelde uitdrukkingen te doen opmerken. Men verwachte hier echter geene
anticritiek, geene discussiën over practische spellingquaestiën. De
Redactie van het Wb. zal geene anticritieken geven op recensies haren arbeid
betreffende, en wel het allerminst, wanneer zij zelve den wensch heeft geuit,
om het oordeel van het deskundige publiek te vernemen. Hier zullen, naar
aanleiding van genoemde beoordeeling, alleen grondwaarheden worden
behandeld, die min of meer op de beschouwing van onze taal in haar geheel
invloed hebben, en die kunnen strekken tot vorming van juistere begrippen en
tot voorkoming of wegneming van dwalingen.
De geachte steller der recensie zal mij deze regelen des te minder
euvel duiden, wanneer ik begin met de bekentenis, dat ik misschien zelf aan
zijne dwaling voedsel heb gegeven, ofschoon dan toch buiten mijn weten, tegen
mijnen wil, en, zooals men zal zien, uit volstrekte noodzaak. In het
Ontwerp staat § 81 te lezen: ‘Deze [d.i. de onmiddellijk te
voren genoemde analogie] wil dat een onverbogen woord den medeklinker,
die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter
zal hebben; b.v. dat kwaad eindigen zal op de d van
kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op de g en w,
waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en vrou-wen
aanvangen.’ Die regel is, geloof ik, klaar en duidelijk; ieder, hij moge
hem goed- of afkeuren, verstaat wat er mede bedoeld wordt. Intusschen is hij,
hoezeer waar en geldig, niet geheel onberispelijk: het woord
‘onverbogen’ moet er niet in den uitgebreidsten zin, maar
alleen met betrekking tot den tegenwoordigen toestand der taal worden opgevat.
Het is gebezigd, omdat het, zonder eene wijdloopige omschrijving,
onvermijdelijk was. De regel ware zonder dat ten minste zesmaal zoo lang
geworden, en had dan eene menigte verwarrende bijzonderheden en uitzonderingen
moeten bevatten, die hem slechts onverstaanbaar zouden ge- | | | | maakt hebben. Het is er mede gelegen als met vele andere dergelijke
uitdrukkingen, die iedereen, kortheids en duidelijkheidshalve, gaarne voor lief
neemt, ofschoon er wel wat op aan te merken valt. Zoo verstaat b.v. iedereen,
wat men bedoelt met het zeggen: Het werkwoord drinken regeert een
vierden naamval; in de plaats van: Het begrip der werking, door
drinken uitgedrukt, brengt mede, dat men zich het vocht, hetwelk gedronken
wordt, als het geheel lijdelijke voorwerp der werking voorstelt, en daarom aan
den naam, dien het draagt, dien vorm geeft, welken men gewoon is den vierden
naamval te noemen. Niemand is met deze uitvoerige naauwkeurigheid gediend;
ieder is met de beknopte, ofschoon niet geheel juiste uitdrukking volkomen
tevreden, omdat zij duidelijker is. Iets anders zou het evenwel worden, indien
men precies uit het onjuiste in den regel gevolgtrekkingen voor de wetenschap
ging afleiden, en b.v. uit het woord ‘regeeren’ wilde
besluiten, dat het werkwoord drinken een vorstelijk persoon was, die
door erfrecht, opdracht of geweld van wapenen de heerschappij over alle
drinkbare vochten had gekregen. Zoo kan ook uit het woord onverbogen
eene verkeerde gevolgtrekking worden afgeleid. Het ziet hier blootelijk op het
uiterlijke der woorden, op hunnen vorm in den tegenwoordigen toestand der taal,
voor zoo verre de spelling betreft; en de bedoeling was geenszins iets te
zeggen, dat ook voor de etymologie kon gelden. Immers een vorm, die ons thans
als onverbogen voorkomt, is zulks in den regel niet altijd geweest en kan
daarom niet streng genomen onverbogen worden genoemd. Nu zal men zeggen:
waarom dan niet liever geschreven: thans onverbogen of schijnbaar
onverbogen? Dit is niet geschied, omdat er ook werkelijk onverbogen vormen
bestaan, die in het voorschrift moesten begrepen worden, maar die dan
uitgesloten waren geweest. Het woord geheel te vermijden was zoo goed als
ondoenlijk, dan had de regel in het Ontwerp uit drie afzonderlijke
regels moeten bestaan: één voor de substantieven,
één voor de adjectieven en één voor de verba. Die
voor de substantieven had dan moeten luiden: | | | | ‘De vrouwelijke
zelfst. naamw. hebben in alle naamvallen van het enkelvoud, en de mannelijke en
onzijdige in den derden en vierden naamval van het enkelvoud, en, zoo zij den
derden niet door verbuiging onderscheiden, ook in dezen naamval, dezelfde
sluitletter, die zij in alle naamvallen van het meervoud, en soms ook in den
derden van het enkelvoud, vertoonen; behalve 1o. wanneer deze eene
v of z is, want dan hebben zij eene f of s; en
2o. wanneer de vrouwelijke, die vroeger op eene toonlooze e
eindigden, deze deftigheidshalve weder aannemen.’ Men doorspekke dit nu
nog, ter opheldering met de noodige voorbeelden, het voorschrift zal er wel
langer, maar niet duidelijk door worden. De regels voor de adjectieven en verba
zouden uit hunnen aard nog veel langer en ingewikkelder wezen; daarom gaf de
Redactie, gelijk zij meende te recht, de voorkeur aan den boven uitgeschreven
korteren, welke die drie regels in weinig woorden omvat. Zij kon daarbij
bezwaarlijk voorzien, dat zij zoodoende misschien den schijn op zich zou laden
van verkeerde begrippen in de hand te werken, en meende, dat de welwillende
lezer de woorden overeenkomstig de bedoeling zou opvatten. Ook heeft het
Dr. de Jager hier niet aan welwillendheid
ontbroken; hij berispt de Redactie niet wegens de onnaauwkeurigheid in de
uitdrukking, maar hij strekt ‘ onverbogen’, tegen de
bedoeling, tot de vroegste tijden, namelijk tot de leer der woordvorming of
afleiding uit. Op blz. 487 van den Tijdspiegel leest men: ‘De d
van kwaad is er niet om de d in kwade, maar omgekeerd de
d in kwade om de d van kwaad; om de natuurlijke
reden, dat een verbogen woord afkomt van het onverbogen, en níet
omgekeerd. De regel, die hier had moeten gesteld worden, is niet: ‘een
onverbogen woord zal den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende
lettergreep begint, tot sluitletter hebben;’ maar: ‘in het verbogen
woord zal de volgende lettergreep beginnen met de sluitletter van het
onverbogen woord.’ Vleyend zijn die woorden niet precies, zoomin voor het
Brusselsche Congres, dat, naar luid daarvan, eene redactie be- | | | | noemde, die twaalf jaar later nog in de allereerste beginselen der woordvorming
en spelling zou moeten worden terechtgewezen; als voor de Redacteurs, die, zich
uitsluitend aan taalstudie wijdende, te zamen nu nog die beginselen niet
machtig zijn. Doch het plan van Recensent bracht nu eenmaal niet mede, dat de
recensie één eenig aangenaam woord bevatten zou; de titel:
‘Weder eene nieuwe spelling,’ toont duidelijk genoeg, dat hij de
gansche zaak afkeurde en er niets goeds in vinden zou. Wie Recensents
gehechtheid aan het oude kent, zal het hem, zoomin als ik, kwalijk nemen. Ik
zou alleen voor hem zelven hebben gewenscht, dat hij wat meer met een oordeel
des onderscheids ware te werk gegaan, dan zou dit geschrijf ook onnoodig
geweest zijn.
Hier toch is eene noodzakelijke onderscheiding der woorden verzuimd.
Men moet volstrekt onderscheid maken tusschen die woorden, welke van het
vroegste begin af bestaan hebben, die reeds door onze voorvaders uit Azië
zijn medegebracht of althans vóór
Ulfila in de Algemeene Duitsche taal aanwezig
waren, en die, welke later in den schoot onzer eigene taal zijn gevormd, of uit
andere overgenomen en naar ons taaleigen gewijzigd.
Dat verzuim is de oorzaak van de eerste der twee onjuiste stellingen
in het boven uitgeschrevene, en vervat in de bewoordingen: ‘om de
natuurlijke reden, dat een verbogen woord afkomt van het onverbogen.’ Hoe
natuurlijk dit moge voorkomen aan een schoolknaap, die Hollandsche declinaties
zit te schrijven, het is niet zoo natuurlijk als het blijkt te schijnen; en een
vlugge Latijnsche jongen, die mensa declineert, zal het, zoodra hij aan
den dativus plur. mensis gekomen is, zelfs heel ònnatuurlijk
vinden, indien hij slechts van zijn leermeester eens gehoord heeft, dat onze
taal, het Hoogduitsch, het Latijn, het Grieksch, ja bijna alle talen van Europa
oorspronkelijk ééne en dezelfde zijn geweest. Die stelling is dan
ook op zijn best genomen, slechts voor een vierde waar; zij zal ontkennend dus
moeten luiden:
De verbogen vormen der van oudsher in de taal aanwezige
| | | |
woorden komen niet af van de vormen, die ons thans als
onverbogen to schijnen; eene zoodanige afstamming kan alleen plaats gehad
hebben bij jongere, in latere tijden uit den bestaanden voorraad nieuw gesmede,
of uit andere talen ontleende en naar ons taaleigen verbogen woorden
1).
De regel moet op de oudere woorden gegrond zijn, niet
op de nieuwere, deze moeten als uitzonderingen worden beschouwd.
Immers de oudere en oorspronkelijke bepalen het eigenaardige, het wezen onzer
taal, zijn van zelve als het ware de grond, waar de jongere uit ontsproten of
in overgeplant zijn. Zij maken bovendien verreweg de groote meerderheid uit, en
zijn verreweg de meest gebruikelijke, doordien de meeste uitdrukkingen van de
meest dagelijksche en onmisbaarste dingen, en van alle gewone
levensverrichtingen, handelingen en begrippen tot die oudere woorden behooren.
Geen volzin, waarin zij niet de overhand hebben. De nieuwere, hoezeer hun
aantal later ook nog moge toenemen, kunnen en zullen uit dien hoofde nimmer het
wezen der taal uitmaken, zij zijn en blijven uitzonderingen. | | | |
De waarheid mijner stelling blijkt duidelijk, wanneer wij de
geschiedenis nagaan van de veranderingen, welke die oudere woorden ondergaan
hebben, en vooral wanneer wij de oudste vormen beschouwen. Nemen wij b.v. het
woord zoon, dat, blijkens het Sankr. sûnus, tot dezulke
behoort, die uit het Aziatische stamland zijn medegebracht. De hedendaagsche
vormen luiden:
| Enkelv. | Meerv. |
| 1. de
zoon, | 5. de zonen, |
| 2. des
zoons, | 6. der zonen, |
| 3.
den zone, | 7. den zonen, |
| 4.
den zoon; | 8. de zonen. |
Hier komen 1 en 4 als onverbogen voor, doch neemt men ook het lidw.
den in aanmerking, dan wordt de vierde nv. den. zoon reeds
verdacht; alleen de 1ste, de zoon, schijnt de grondvorm te
wezen, waarvan alle overige naamvallen, ook de 3de, zijn
gevormd.
Het Middelnederlandsch, dat eenige eeuwen nader aan den oorsprong
ligt, verboog aldus:
| Enkelv. | Meerv. |
| 1. die
sone, | 5. die sonen, |
| 2. des
sones, | 6. der sonen, |
| 3.
den sone, | 7. den sonen, |
| 4.
den sone; | 8. die sonen. |
Hier blijkt, dat nnl. zoon de grondvorm niet kan geweest
zijn, veeleer sone; maar de vormen van het lidwoord, die alleen de
consonant d, dus een onuitspreekbaar element, gemeen hebben, stellen
alles op losse schroeven.
Het zoo veel oudere Gothisch vergunt ons een veel dieperen blik in
de woordvorming, waarbij men in het oog moet houden, dat i in j
en u in w overgaat, zoodra er een klinker volgt, zoodat i
en j, u en w eigenlijk dezelfde letters zijn:
| Enkelv. | Meerv. |
| 1. sa
sunus, | 5. thai sunjus
(sunius), |
| 2. this
sunaus, | 6. thizê suniwê
(suniuê), |
| | | |
| 3. thamma sunau, | 7. tham
sunum, |
| 4. thana sunu, | 8. thans
sununs. |
Hier schijnt de 4de nv. enk. sunu de grondvorm te
wezen, waarvan de overige, deels door aanhechting van uitgangen, te weten van
s in 1, 2 en 5, van -e in 6, van -m in 7, en van
-ns in 8; deels door vocaalversterking, d.i. door invoeging van een
klinker, eene a of i, vóór de u, in 2, 3, 5
en 6, gevormd te zijn. Reeds de eerste naamval, dien men anders gewoonlijk als
den grondvorm wil beschouwd hebben, heeft hier eene -s, die niet in alle
andere naamvallen voorkomt, en die dus niet tot den grondvorm behoort, maar
kennelijk een buigingselement is. Ook de 4de nv. sunu kan
bezwaarlijk de grondvorm zijn, als men slechts let op het lid- of voornw.
thana, dat zeker wel niet tot grondslag van sa, this, thamma, thai,
thizê en thans heeft gediend.
Het Sanskrit stelt het buiten allen twijfel, dat niet
één enkele naamval onverbogen kan heeten, dat alle van een
verbuigingsuitgang voorzien zijn. Vooraf zij echter herinnerd, wat reeds zoo
dikwijls aangemerkt en bewezen is, namelijk, dat ô voor au
staat, en dat u, evenals in het Goth. voor een klinker in w
overgaat, zoodat, om juist te oordeelen, ô in au en
w in u moet veranderd worden:
| Enkelv. | Meerv. |
| 1.
sûnus, | 5. sûnawas
(sûnauas), |
| 2. sûnôs,
(sûnaus), | 6.
sûnûnâm, |
| 3. sûnawê
(sunauê), | 7.
sûnubhjas, |
| 4. sûnum; | 8.
sûnûn. |
Men ziet hier duidelijk, dat niet één enkele naamval
van een anderen is gevormd, dat alle met een buigingssuffix zijn voorzien,
zoodat niet één vorm onverbogen kan heeten. In alle treft
men sunu als kern aan, die in sommige naamvallen (2, 3 en 5) door eene
ingelaschte a versterkt is, en bovendien in alle een meestal
consonantisch achtervoegsel heeft aangenomen: in 1, s; in 2, -s;
in 3, -ê of -ai; in 4, -m; in 5, -âs;
in 6, -nâm; in 7, -bhjas, in 8, n.
En inderdaad alle zoogenoemde begripswoorden, d.i. sub- | | | | stantieven, adjectieven en verba, bestonden in de Indogermaaansche talen
oorspronkelijk uit twee bestanddeelen, uit eenen wortel,
hier sunu, en een pronominalen stam, die bij de naamwoorden het
naamvalsteeken, bij de werkwoorden den persoonsuitgang uitmaakte. Ik acht het
overtollig al de vormen van het adjectief en het verbum te doorloopen. De
deskundige weet, dat in het Gothisch alle naamvallen van het adjectief een
naamvalsteeken, en dat alle personen van het werkwoord een persoonsuitgang
hebben, behalve alleen de 1ste en 3de persoon van het
enkelvoud in den verleden tijd, b.v. bait, bait, ik en hij beet; in het
Sanskrit echter ontbreekt de persoonsuitgang ook in de overeenkomstige vormen
bi-bhaida en bi-bhaida niet, ofschoon ook deze kennelijk reeds
eene verminking hebben ondergaan.
Daar nu elk zoodanig verbuigbaar woord in de rede altijd de eene of
andere betrekking bekleedt, altijd in den eenen of anderen naamval of persoon
voorkomt, is zulk een woord onverbogen niet denkbaar. Alleen als eerste
lid eener zamenstelling kan de wortel on verbogen blijven, dewijl de onmisbare
buigingsuitgangen alsdan aan het tweede lid worden gehecht; doch dan is de
wortel geen eigenlijk woord, geen zelfstandig deel der rede, maar slechts een
deel van een woord.
In lateren tijd zijn de wortels in veel vormen als door afslijting
bloot geraakt, zoodat zij, ofschoon van verbuigingsuitgangen beroofd, de
functies van vroeger verbogen vormen bekleeden; ja niet zelden zijn zij
deerlijk verminkt. De nominativus van het woord, dat wij beschouwd hebben,
luidde in het Gothisch nog sunus; in den Oudhoogd. nominat. sunu
ligt de wortel bloot, doch nog onverzeerd; in het Mnl. sone is de
u in de eerste lettergreep o geworden, in de tweede tot de
toonlooze e verzwakt; in het Nnl. zoon is van die tweede u
niets meer overig, alleen de lengte der ó van
zóón, niet zòn, bewijst het vroegere
aanwezen van dien klinker; in het Engelsche son met de korte
ò is er geen enkel spoor van overgebleven. De genitief
zoons, mnl. sones is natuurlijk niet | | | | op nieuw, door
ons Nederlanders, van zoon gevormd, evenmin als de ohd. genitief
sunis van den nominatief sunu; maar zoons is uit
sones ontstaan, en dit uit sunaus. Zoons en sones zijn met
zoon en sone parallelloopende verzwakkingen van de oudere vormen
sunaus en sunus, die beide reeds bestonden, toen de stamvaders
der Indiërs, Perzen, Baktriërs, Slaven, Germanen, Grieken en Latijnen
nog allen bij elkander woonden, en één volk, ééne
groote familie uitmaakten, die, door verschillende oorzaken uiteenspattende,
zich in verschillende familiën verdeelde, welke, ieder onder eigene
lotgevallen, tot de genoemde volken uitdijden. Daar nu sunaus, gelijk
wij gezien hebben, niet van sunus afkomt, kan ook zoons niet
gezegd worden van zoon af te stammen; beide vormen zijn broeders, zonen
van hun gemeenschappelijken vader, den wortel sunu.
Ofschoon een wederzijdsche invloed der onderscheidene vormen van
één en hetzelfde woord niet altijd kan ontkend worden, zoo leert
de hedendaagsche toestand onzer taal ten duidelijkste, dat zij meestal
onafhankelijk nevens elkander hebben bestaan en voortgeleefd. Bij eene
beschouwing der sterke werkwoorden loopt zulks vooral in het oog. In de
verschillende vormen van het werkwoord gieten b.v. ziet men in het
Gothisch
giuta, gaut, gutum,
gutans,
duidelijk de gemeenschappelijke afstamming van den wortel
gut; doch welk phonetisch verband is er thans te ontdekken tusschen de
klinkers van het praesens giet en die van goot, goten,
gegoten? De tusschenvormen:
giëte, gout, goten,
gegoten,
leeren, dat iu eerst in den tweeklank ië en
vervolgens in onzen langen zuiveren klinker ie is overgegaan; dat
au eerst ou werd, voor hij in de scherplange oo van ik
goot overging; en dat u terstond de zachte o van wij
goten en gegoten opleverde. Iedere vorm heeft kennelijk zijne eigene
geschiedenis, maar een onmiddellijke afleiding, een overgang van ie in
oo en o is heden ten dage ondenkbaar. - Bij een | | | | groot
aantal zelfstandige naamwoorden ziet men hetzelfde. Zoo zijn stede en
steden blijkbaar geene vormen van ons hedendaagsche stad. Dit
werd in het Gothisch aldus verbogen:
| 1. staths, | 5.
statheis, |
| 2. stathis, | 6.
stathê, |
| 3. stathi, | 6.
stathim, |
| 4. stath; | 8.
stathins. |
De wortel of stam is hier stath, doch de i's in de
tweede lettergrepen van 2 stathis en 3 stathi veroorzaakten de
verandering der a in de e van den genit. en datief der
stede; de i's in alle naamvallen van het meervoud (ook goth.
ê is eene lange i) maakten, dat het geheele meervond thans
steden luidt; terwijl in 1 en 4, staths en stath, geene
i aanwezig zijnde, de a van stad bleef bestaan. Daar nu
eene volgende i thans niet meer de kracht heeft om eene voorgaande
a in e te veranderen, en wij zandig, onhandig, verstandig,
balie, tralie enz. uitspreken, niet zendig, onhendig, verstendig, belie,
trelie, zoo moeten stede en steden, vormen, ontstaan in het
tijdperk, dat i klankverzwakking bewerkte, sedert onafhankelijk van
stad hebben voortgeleefd
1).
De woorden bàk, vlàm, pèn, bèf,
pìl, nìs, pòp enz. zijn uit den vreemde ontleende
woorden, zij behouden in hunne meervouden, die op Nederlandsche wijze, volgens
de nieuwere Nederlandsche taalwetten gevormd zijn, den klinker van het
enkelvoud: bàkken, vlàmmen, pènnen, bèffen,
pìllen, nìssen, pòppen; niet báken,
vlámen, pénen, béven, pélen, nézen,
pópen. Zij bewijzen, dat de korte i thans niet meer in
e, en de à ook niet meer schijnbaar in á,
noch de è en ò in é en
ó overgaan. Daarom kunnen leden, reven, schepen, smeden,
speten, - dágen, páden, gáten, - gebéden,
bevélen, gebóden, slóten, enz. niet gezegd worden
‘af te komen’ van lid, rif, schip, smid, spit,
dàg, | | | |
pàd, gàt, gebèd,
bevèl, gebòd, slòt. Die meervouden zijn vormen,
ontstaan in een tijd, toen er andere taalwetten heerschten dan thans, en het
verschil van hun klinkers met die van het enkelvoud bewijst, dat de eene vorm
niet van den anderen afkomt.
Reeds boven bij de jongere woorden bak, vlam enz. is
aangemerkt, dat de meervouden bakken, vlammen enz. wel degelijk van de
enkelvouden zijn gevormd, hetzelfde is waar bij ritten van rit,
vaarten van vaart, en eenige weinige andere, want de d van
rijden en van mnl. vaerde kan eerst in het Nieuwnederlandsche
rit en vaart in de t zijn overgegaan. Wanneer men nu in
aanmerking neemt, dat in de meeste hedendaagsche woorden zelfs de wortels niet
dan verminkt voorkomen; dat deze, zoo zij al ongeschonden zijn gebleven, nu in
deze, dan in die vormen in hun oorspronkelijken staat worden aangetroffen
1); dat het natuurlijk niet van juist alle
woorden is uit te maken, althans nog niet uitgemaakt is, of zij tot de oudere,
dan wel tot de jongere woorden behooren, dan zal men moeten erkennen, dat er
geen algemeen geldige regel kan worden gesteld, die de verhouding tusschen de
verschillende vormen van een zelfde woord, noch zelfs hunne betrekking tot den
wortel bepaalt. Het eenige wat men doen kàn, en, gelijk wij uit dit
geval leeren, ook doen móét, is den regel, behalve voor de
betrekkelijk weinige, doch niet altijd met zekerheid aan te wijzen
uitzonderingen, te ontkennen, ten einde te voorkomen, dat er
verkeerde gevolgtrekkingen uit afgeleid en valsche stellingen op gebouwd worden
2). | | | |
Dat dit gevaar inderdaad bestaat, zien wij in Recensents tweede
stelling, wier geldigheid hij uit de behandelde stel- | | | | ling tracht te
betoogen. ‘De d van kwaad is er niet om de d in
kwade maar omgekeerd de d in kwade, om de d van
kwaad.... Die regel, die hier had moeten gesteld wor- | | | | den, is
niet: ‘een onverbogen woord zal den medeklinker, die in den verbogen
toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter hebben,’ maar:
‘in het verbogen woord zal de volgende lettergreep beginnen met de
sluitletter van het onverbogen woord.’ - Woorden, schijnbaar rationeel en
scherpzinnig voor ieder, die met de geschiedenis onzer taal onbekend is, maar
volstrekt onverklaarbaar, nu zij gevloeid zijn uit de pen van een man, wien
eene meer dan gewone bekendheid met onze vroegere letterkunde moet
toegeschreven worden. Hier is wederom eene onderscheiding verzuimd, de
onderscheiding van gesprokene en geschrevene woorden. De taal is
oorspronkelijk spraak, bestond oorspronkelijk uit geluiden, en uit de
herinnering of kennis van die geluiden en van hunne beteekenissen, van de
begrippen, daaraan verbonden. In dien staat bleef de taal tot aan de uitvinding
van het letterschrift; dit, en niets meer is zij nog voor allen, die niet
kunnen lezen. Doch door de uitvinding van het letterschrift kreeg zij voor de
lezenden en schrijvenden als het ware een dubbel bestaan, bekwam zij voor
dezen, om zoo te spreken, ook een lichaam, werd zij voor hen ook een zichtbaar
iets; sedert konden zij zich niet slechts de geluiden, maar ook de
schrifttrekken vertegenwoordigen. Intusschen bleef, en blijft nog, de
gesprokene taal de eigenlijke, de ware taal; de geschrevene was,
en is nog steeds, slechts eene navolging van de gesprokene. Daarom moet
men bij eene beoordeeling der woorden de geschrevene naar de
gesprokene, de navolging of afbeelding naar het model beoordeelen,
evenals men de deugdelijkheid van een portret naar den persoon, dien het
voorstelt, pleegt af te meten. Om uit het portret over den persoon te kunnen
beslissen, moet men zeker zijn van de gelijkenis; doch vooral moet men het
portret niet voor den persoon zelven aanzien. Hoe onverstandig dit laatste ook
is, men handelt in de grammatica dikwijls zoo, en stelt zich de woorden
blootelijk geschreven, als zichtbare dingen voor, de spraakgeluiden, die de
ware woorden zijn, buiten rekening latende, en vergetende, dat er soms | | | | een groot onderscheid tusschen het gesprokene en het geschrevene woord
bestaat. Men denke hier slechts aan mensch (mens), visch (vis),
thans (tans) enz., en aan de schrijfwijze, in het laatst der vorige eeuw
bij velen in gebruik: ik leez wel eenkel eens een eenvouwigen briev van zijn
huizbaaz. Aan deze verkeerde, hoewel eenigszins verklaarbare, handelwijze
hebben vele onjuiste beschouwingen haren oorsprong te danken; zij heeft ook
hier hare parten gespeeld. Recensent zou zijnen ‘regel’
waarschijnlijk niet gesteld hebben, indien hij niet eeniglijk het oog op de
geschrevene woorden had gevestigd gehouden, maar ook zijn oor voor de
gesprokene had opengezet. Dan zou hij hebben opgemerkt, dat de enkelvouden van
daden, plagen en vrouwen veel dichter bij daat, plaach en
vrou komen, dan bij daad, plaag en vrouw.
Maerlant,
Stoke en hunne tijdgenooten, en velen na hen,
die in het enkelvoud daet en dach, maar in het meervoud
daden en daghen schreven, zullen nooit in
Recensents fout vervallen zijn, omdat het schrift er hun geene aanleiding toe
gaf. Uit oorzaken, die ik hoop bij eene andere gelegenheid duidelijker uiteen
te zetten, is het, bij onze uitspraak, volstrekt onmogelijk, aan het einde van
een woord, d.i. op het oogenblik, dat de stem het woord moet afbreken, eene der
zoogenoemde zachte medeklinkers, b, d, g, v en z,
behoorlijk uit te brengen, omdat deze juist het mede- en naklinken der stem
vereischen, wat bij de zoogenoemde scherpe het geval niet is. Dit is de reden,
waarom een zachte medeklinker, door afslijting van een volgenden klinker op het
einde van een woord rakende, of ten gevolge van verbuiging of afleiding
vóór eene scherpe komende, zooals men het noemt, verscherpt
wordt; b.v. dag, raad, kla-t van klagen, smid-se van
smeden moeten in de uitspraak noodzakelijk dach, daat, klacht en
smitse worden. Wie raad en dag met d en g
wil uitspreken, moet onvermijdelijk achter de d en g ten minste
eene zeer flaauwe toonlooze e laten hooren, gelijk de Engelschen bij hun
head en beg, de Denen bij hun blad en bag doen. In
de gesproken woorden kwade en plagen worden derhalve
de d en g
| | | | niet gehoord om de d en g van
kwaad en plaag, want die letters bestaan daar niet; zij worden er
in het geheel niet gehoord, evenmin als in ik leef en lees eene
v en z, die maken zouden, dat wij leven en lezen
uitspreken. Wat niet bestaat, kan moeilijk voor de oorzaak van iets gehouden
worden.
Geldt Recensents regel niet voor de levende, gesprokene woorden, hij
geldt evenmin voor de geschrevene; dit leert onze geheele, duizend jaar lange
spellinggeschiedenis, van de 8ste eeuw af tot in de vorige toe.
Immers toen men nog aan geene grammatica of regelmaat dacht, en door het
schrift de uitspraak, zoo goed als men kon, teruggaf, schreef men niet
quaed en dag, maar quaet en dach; en onze
hedendaagsche schrijfwijze met d en g is eene afwijking van de
uitspraak, later eeniglijk en alleen ingevoerd, om de verschillende vormen van
dezelfde woorden voor het oog meer in overeenstemming te brengen. Het eerst
begon men hiermede bij de ch; dach, plaech werden al vroeg dagh,
plaegh. Vervolgens lag de t van daet, lant aan de beurt, en
begon men daedt, landt, en daarop, gelijk thans, daad, land te
schrijven. Met de f en s van brief en huis
beproefde men het ook, doch vergeefs; de spelling briev, huiz heeft niet
willen opnemen. Een terugkeer tot de b heeft niet behoeven plaats te
grijpen. In het lange tijdperk, waarin men raet en dach schreef,
kwam de b nooit op het einde van een woord te staan, en veranderde zij
dus nooit in p. Men schreef en zeide steeds: ic hebbe, ebbe,
tobbe, zoodat er geene aanleiding bestond om hep, ep, top uit te
spreken en te spellen; en toen de e afviel en men, gelijk thans,
nagenoeg hep, ep enz. begon uit te spreken, was het reeds regel geworden
het onverbogen woord met het verbogene in overeenstemming te brengen.
Om zich te overtuigen, dat de zaak zich zoo heeft toegedragen,
behoeft men slechts eenige geschriften uit de verschillende tijdperken onzer
letterkunde op te slaan. Om niet al te uitvoerig te worden zal ik mij beperken
tot de d en g, waarop het hier eigenlijk aankomt. | | | |
In de bekende Oudnederlandsche psalmvertaling vind ik, LV, 2:
trat, doch 3: tradun; 2: got, doch 5: an
gode; LIV, 16: dot (dood), doch 5: duodis; 21:
hant, doch LVII, 3: hende; LIV, 13: fiunt (vijand),
doch LV, 3: fiunda enz.
Bij het opslaan van elk Middelnederlandsch geschrift treft men
tallooze voorbeelden aan, die bewijzen, dat de schijnbaar onverbogene vormen
van de verbogene zijn afgeweken en eene verscherping hebben ondergaan; b.v. in
het Leven van Jezus, door Meijer uitgegeven, blz. 32:
ghekerkert, lant - lande, stat - staden, sach, ghewarech - ghewaregke,
gherechtegheit - sihheden, doet (dood);
Maerlant,
Spiegh. hist. blz. 138: lach, sterfdach, ghesent
(van senden), blent (blind), menech - menege, snijt,
slouch;
Boendale,
der Leken Spieghel II, blz. 188 en 189: mach,
plach, Paesdach, verdient, doot, wech, plach, bekent, quaet; Esopet, Fabel
XVII: stont, hont, droech, mach, menech, vrient, waert, loech (van
lachen), quaetheit, nijt.
Later, toen men om de grammatica begon te denken en er zich naar te
regelen, keerde men, blijkbaar om de identiteit der verbogene en onverbogene
vormen te doen uitkomen, wel niet tot de vroegere uitspraak, maar toch tot de
vroegere spelling terug, doch niet op eenmaal noch geheel en al. Men schreef
b.v. handt met dt; de d was daar om de d van
handen, de t omdat men eene t uitsprak.
Onze Bijbelvertalers en hunne tijdgenooten waren nog in onzekerheid.
In
Genesis I en II vindt men de volgende spellingen:
Godt, goet, avont, vergadert, kruit,
zaet, aert, gevleugelt, wildt, gezegent,
geheylight, des velts, aerdtrijck, des
goets, des quaets, verdeelt, lant, genoemt.
Sla ik
Vondel op, b.v. Deel IV, dan vind ik blz. 322:
belooft, endt, kleet, bloet, 's Heilants,
doot, geswint, mont, gezont, gebedt,
gedaelt, gout, wel gemoedt, maar te gemoet,
schult, breedt, enz. Bij
Hooft,
Ned. Hist., blz. 43: yemandt, hoogheit,
bekent, 's landts, raadt, onderstandt, gedient,
brandt, woordt, duidtlijk, eedt. Bij
Poot, II: blz. 173: tyt, werelt,
bekent, hunt, padt, ront, ongeveinst,
vreemt.
Dat de terugkeer tot de oorspronkelijke d en g eenig
en | | | | alleen om de verbogen vormen is geschied, blijkt overtuigend
daaruit, dat zulks niet heeft plaats gegrepen in die woorden, waarvan geene
verbogene vormen bestaan. Zoo hebben het voegwoord want en het
voornaamwoord zich hunne vroegere d en g niet hernomen.
Nadat onl. wanda de a verloren en de, nu op het einde geraakte,
d tot t, en onl. sig tot zich verscherpt was, is
dit zoo gebleven, kennelijk alleen, omdat nevens die vormen geen wanden
en ziggen of zegen bestaan. Ook de 3de pers. enk. van
den tegenw. tijd en de 2de mv. van alle tijden: hij en gij
leest en gij laast, zouden, naar analogie der hedendaagsche
spelling, een d moeten hebben: hij en gij leesd, gij
laasd, gelijk goth. en ags. -th, oudsaks. d en hd. t
leeren; daar er echter geene vormen als leesde, laasde
bestaan, waarin de persoonsuitgang door een klinker gevolgd wordt, heeft
niemand er aan gedacht de regelmatige d te herstellen.
Ook de w in eeuw, leeuw, Zeeuw, vrouw, trouw enz. is
daar eeniglijk en alleen om de w in eeuwen, leeuwen, vrouwe en
vrouwen enz. In het Mnl. viel zij geheel weg, wanneer zij niet door een
volgenden klinker tegen afvallen behoed werd. Daarom werd goth. aiws en
saiws bij ons ee en see, wanneer er niet een klinker
volgde, gelijk in der ewe, ewelec, des sewes. Eega werd niet weder
eeuwga, omdat men daarin het woord eeuw, eeuwen niet herkende;
toen zee, dat eerst mannelijk was, later vrouwelijk werd, ging de vorm
des seewes te loor, en het meervoud kwam te zelden te pas om de
herinnering van zeeuwen te kunnen bewaren. Daarentegen bleef
Zeeuw als volksnaam bestaan, omdat dit woord eene afleiding was, door
een klinker gevormd: die Seewe of Seeuwe (de Zeelander).
Toen de e afviel, en het woord begon Zeeuw te luiden, was de
uitspraak te zeer gevestigd, om niet naar analogie van vrouw enz.,
onveranderd te blijven voortduren. Vrouw had in het Mnl. steeds eene
e, die het uitvallen der w uit vrouwe verhinderde; doch
waar die klinker ontbrak, verdween de w, namelijk uit vroude.
Door het afwezen der w kreeg de tweeklank ou vrij spel, en ging
hij in de scherpe | | | |
oo van vroolijk over, waarvan een
dialectvorm vrooyelijk, nog van het vroegere aanwezen der d
getuigt; men vergelijke dooyer, ooyevaar, roeyer van doder, oodevaer,
roeden. De w van ik bouw en vertrouw is daar om de
w in bouwen en trouwen, en deze om den klinker die volgt;
want bestonden deze verbogen vormen niet, de tweeklank was ook hier in de lange
oo veranderd, blijkens boom (bouwstof) van
bouwen en troost (toespraak om vertrouwen op de
toekomst te verwekken) van vertrouwen.
Cats en lateren, b.v. nog
Hoogvliet en
Poot schreven, gelijk bekendis, eeu, leeu,
vrou, trou enz.; bij Poot, I, 23, vindt men bij elkander: leeu,
leeusbanieren, doch leeuwen; de spelling leeuw enz. is dus
eene gewoonte, die eerst in lateren tijd algemeen gevolgd en op het meervoud
gegrond is.
Er zijn woorden, die dit schikken van den thans onverbogen vorm naar
den verbogenen nog overtuigender bewijzen. In lachen, goth.
hlahjan (lees: chlachjan), in genoeg, van goth.
ganahan (lees: ganachan), in zien, goth. saihwan
(lees: saichwan) heeft de wortelletter eene ch. Die wortelletter
bleef in het mnl. lach, genoech, loech, doch zij werd in
de verbuiging: wi loeghen en wi saghen. Wie nu nog
aan den ouden sterken vorm boven ik lachte de voorkeur wilde geven, zou
ongetwijfeld ik loeg schrijven; en wij allen spellen genoeg, ik
zag, met g; aan wat anders kan zulks worden toegeschreven, dan aan
de omstandigheid, dat wij thans wij vergenoegen ons en wij zagen
schrijven? De sluitende g is hier kennelijk eenig en alleen om de
beginnende in loe-gen, genoe-gen, za-gen.
Uit het aangevoerde is, vertrouw ik, klaar genoeg gebleken, dat de
verbuigbare woorden op d, g en w, in den regel, daarom met deze
letters geschreven worden, omdat de verbogene vormen ze bevatten; dat, zonder
zulke verbogen vormen, die woorden op t en ch zouden eindigen, en
dat de tweeklanken eeu en ou uit aiu en au
ontstaan, zelfs geheel verdwenen zouden zijn. Aan den ‘regel,’ dien
Recensent ons wil opdringen, is dus niet te denken, zelfs | | | | voor de
bloote praktijk niet; want aan de uitspraak is niet te hooren, of men
laad of laat, dog of doch bedoelt; ook bewijzen alle
woorden met de onechte f en s, als lief, huis - liever,
huizen, dat de medeklinker in de verbogen vormen zich niet schikt naar dien
in de onverbogene. Maar moet dan de omgekeerde regel, dien Recensent verwerpt,
door ons gesteld worden? Ja en neen, Lezer. Als praktische spelregel, door het
gebruik ingevoerd, die leert hoe een woord schriftelijk moet worden
voorgesteld, zeker ja, want hij is met uitzondering van de woorden op eene
onechte f en s overal geldig, en bewijst ons dagelijks zijne
goede diensten; hij is geldig ten opzichte van alle woorden, die op b, ch,
d, g, k, l, m, n, p, r, t en w uitgaan, ook van die, welke op de
echte f en s eindigen, als straf, stof, les, gis; en zelfs
ten aanzien van vaart, gebint, rit, gezant, klant, verwant, die anders
inderdaad in het meervoud eene t hebben, omdat het enkelvoud er eene
heeft. Doch als meer dan een praktischen spelregel moet men hem niet
beschouwen, voor de uitspraak geldt hij niet; ook kan men hem niet, gelijk
Recensent doet, met de etymologie in verband brengen, want dan is hij nagenoeg
even onwaar als de omgekeerde in de recensie. De spelling heeft zich bij alles,
wat onder het bereik van den regel valt noch om de afleiding, noch om de
uitspraak bekommerd, zij heeft hier meest aan den Regel der Gelijkvormigheid
gehoor gegeven. In het Ontwerp der Spelling, dat geene grammatica wezen,
maar alleen de grondbeginselen der spelling ontvouwen en toepassen kon, en voor
het overige juiste begrippen onderstellen moest, werd dan ook natuurlijk alleen
de spelling bedoeld, en werd de regel niet eens regel genoemd. Het heet
daar: ‘de analogie wil,’ ‘de analogie zou eischen, d.i. de
regelmatigheid zou vorderen. Het gold daar de keus tusschen twee gebruikelijke
spellingen, waartusschen de uitspraak niet beslist en de afleiding niet
beslissen kan, er moest derhalve naar eene uiterlijke omstandigheid gezocht
worden, die bij het kiezen den doorslag kon geven. Dit was de analogie, het
over- | | | | eenkomstige handelen in overeenkomstige gevallen. De taal wil
dien regel juist hier meer dan overal elders gehuldigd hebben; immers de
spelling met de sluitende d en g is blootelijk eene poging om de
overeenstemming, die in de uitspraak verbroken is, althans voor het oog te
herstellen.
Moge deze bijdrage tot de kennis onzer woordvorming en spelling
toereikend wezen om de twee gevoelens, wier ongegrondheid bij eene nadere
beschouwing als van zelve in het oog springt, voor immer op te ruimen en naar
het gebied der geschiedenis te verbannen; moge zij velen de overtuiging geven,
dat ook in de taalkunde schijn bedriegt, en dat daar, evenals in de
wereldgeschiedenis, eene juiste waardeering van het heden onmogelijk is, zoo
men het gisteren niet kent of uit het oog verliest; met andere woorden, dat het
oordeelen over theoretische taalzaken, zoo het niet op historische taalkennis
is gegrond, een onding is, dat tot niets degelijks leidt.
In het volgende nummer hoop ik eene bijdrage te leveren tot eene
juistere kennis van onze letters.
L.A. te Winkel.
|
1)Ik spreek hier opzettelijk van
‘ verbogen vormen der woorden’ en van
‘vormen dierzelfde woorden, die niet verbogen
schijnen te zijn; en de Redactie spreekt in het Ontwerp opzettelijk
van ‘ een woord in den verbogen of in den onverbogen
toestand,’ omdat wij op de verschillende vormen van een en hetzelfde
woord het oog hadden. Daarom spreken wij niet, gelijk Recensent, ons berispende
en onze uitdrukking veranderende, wil dat wij hadden moeten doen, van
‘ een verbogen’ èn ‘ een onverbogen’
woord. De bedoeling moge goed zijn, de uitdrukking is onjuist, doordien
zij aanleiding geeft om het ‘ verbogen woord voor een ander
woord aan te zien dan het onverbogene, terwijl beide, inderdaad
slechts één, alleen verschillende gedaanten zijn, waaronder zich
een en hetzelfde woord vertoont. Wanneer men het begrip van eenheid niet
vasthoudt, heft men het onderscheid tusschen verbuiging en afleiding op. Een
woord blijft hetzelfde, of het verbogen is of niet, maar een
afgeleid woord is een ander dan het grondwoord, waarvan het
afkomt. Ik heb in mijn leerboekje
De Nederlandsche Spelling enz. het verschil
doen opmerken, en eene poging aangewend om die begrippen ook bij anderen
gescheiden te houden; daartoe moest § 37 dienen: ‘Bij al de
veranderingen, die een woord in de verbuiging ondergaat, blijft het
hetzelfde woord; b.v. Gods is hetzelfde woord als God;
menschen hetzelfde als mensch; gaf hetzelfde als
geven’. In §§ 48-51, wordt geleerd, wat afleiding is, en
aangemerkt, dat daardoor ‘ nieuwe woorden’ ontstaan,
dat b.v. het substantief koude een ander woord is dan het adjectief
koud.
1)Dat wij in bestendig van stand,
behendig van hand, inwendig van wand, ellende van land
eene e laten hooren, bewijst, dat deze woorden gevormd zijn in den tijd,
toen de bedoelde wet nog heerschte, dat zij veel ouder zijn dan zandig,
onhandig enz.
1)Zoo b.v. bij ik graaf - groef, draag -
droeg, val - viel enz. in het praesens; bij ik kom - kwam, neem - nam,
eet - at in het praeteritum.
2)Het is natuurlijk, dat ik in mijn
schoolboek, De Nederlandsche Spelling enz., geen melding kon maken van
een leerstuk, dat zonder een omslachtig vertoog niet begrepen zou worden, en,
gelijk de uitkomst geleerd heeft, in strijd zou zijn met het gevoelen zelfs van
mannen, van wie men anders met recht erkenning en toestemming verwachten zou;
een leerstuk, dat aan de taalkundigen algemeen bekend is, maar, van geheel geen
practische toepassing zijnde, voor het groote publiek geene waarde heeft. Ik
zou om alle misverstand te voorkomen ook nog genoodzaakt zijn geweest te
verklaren, wat men te verstaan heeft door wortels, waarvan men zich
doorgaans een geheel verkeerde voorstelling maakt; en dat zou weder eene
verklaring van den oorsprong der taal noodzakelijk gemaakt hebben, die de
bevatting van leerlingen verre te boven ging. Doch, kon ik de verhouding der
verschillende vormen van dezelfde woorden niet opgeven, ik heb zorg gedragen,
dat mijn leerboekje althans geene verkeerde begrippen dienaangaande verwekken,
maar die veeleer bij den nadenkenden gebruiker voorkomen of wegnemen kon. Voor
dit doel moesten §§ 38-45 (3 de druk) dienen, waar ik onder
andere deed opmerken, dat de onderscheidene verbogen vormen van verschillende,
niet volgens vaste regels van elkander af te leiden stammen gevormd zijn, b.v.
gebeds van den stam gebed; gebeden van den stam gebeed;
(ik) bid, (hij) bidt, (wij) bidden van den stam bid; ik en
hij bad van den stam bad, (wij) baden, (gij) baadt van den stam
baad, enz. Het opmerkzaam maken op die verschillende stammen, waarachter
de buigingsuitgangen gevoegd worden, maar die blijkbaar niet volgens bepaalde
regels van elkander kunnen worden afgeleid, achtte ik voor den schrandere
toereikend om de gedachte aan een algemeenen grondvorm, waarvan de andere
afkomen, verwijderd te houden. Ten overvloede merkte ik in § 40 aan, dat
de 1 ste nv. en de gebiedende wijs enkelv., die men doorgaans als
wortels aanziet, hun buigingsuitgangeu hebben verloren, waaruit van zelf volgt,
dat deze, evenmin als de overige naamvallen en personen, als grondvormen te
beschouwen zijn. Recensent schijnt echter het een en ander niet opgemerkt,
er althans niet over nagedacht te hebben. Was zulks geschied, het zou wellicht
voldoende zijn geweest om hem, toen hij zijne stelling: ‘verbogen woorden
komen af van de onverbogene’ ging neerschrijven, tot voorzichtigheid en
onderzoek aan te sporen. Zoo ik mij in mijne berekening heb bedrogen, het
schijnt voor een gedeelte daaraan toe te schrijven, dat
Dr. de Jager, gelijk uit alles blijkt, mijn
leerboekje niet zoo goed kende, als men van een recensent recht heeft te
onderstellen. Was hij er iets meer in te huis geweest, toen hij er in de
Recensie van het Ontwerp enz. in het voorbijgaan over oordeelde, eenige
zijner uitdrukkingen zouden wellicht aan juistheid hebben gewonnen. Het is
zelfs te denken, dat het opschrift der Recensie: ‘Wéér eene
nieuwe spelling’ eene kleine wijziging zou hebben ondergaan. Die woorden
toch onderstellen noodwendig drie spellingen: eene oude, eene nieuwe en nog
eene nieuwe: 1. die van
Siegenbeek, 2. die in mijn schoolboek, en 3.
die in het Ontwerp enz. Die beschouwing, is naar mijne bescheidene
meening, niet geheel juist. In mijn leerboekje heb ik, blijkens Voorbericht,
blz. II, getracht de spelling van Siegenbeek tot een stelsel te
brengen. Alleen die wijzigingen, zonder welke een systematiseeren volstrekt
ondoenlijk was, meende ik te mogen voordragen. Zij betroffen uitsluitend de
leer der vocalen, en zeer enkele, alleenstaande, in het oog loopende
onregelmatigheden in het gebruik der consonanten, louter gevallen, waarin
Siegenbeek met zijn eigen stelsel in strijd was geweest;
méér wijzigingen dan de volstrekt onvermijdelijke meende ik mij
niet te mogen veroorloven, zij zouden mijn boekje voor het onderwijs
onbruikbaar bebben gemaakt. Dat het voorgedragen stelsel toen reeds niet geheel
en al dat mijner keuze was, gaf ik in het Voorbericht te kennen met de woorden:
‘Eenige veranderingen, die door sommigen verlangd worden, en die ten
deele wenschelijk zijn, heb ik in de Eerste Bijlage aangestipt.’ Van
de veranderingen, in het leerboekje voorgesteld, is in het Ontwerp geene
enkele teruggenomen, behalve de spelling van dozijn - ook zal
prij waarschijnlijk zijne ij moeten behonden. Het leerboekje
bevat niets, wat niet òf tot het stelsel van Siegenbeek
òf tot dat van het Ontwerp behoort, er kan dus slechts sprake
zijn van twee spellingen. Wie, door het bijwonen van vergelijkende examens,
of langs andere wegen, bekend is met den toestand, waarin de kennis onzer taal
en inzonderheid onzer spelling voor weinige jaren verkeerde en gedeeltelijk nog
verkeert, zal toestemmen, dat die toestand allertreurigst was. Gebrek aan
belangstelling uit onkunde en vooral gebrek aan een bruikbaar leerboek waren
daarvan de oorzaak. Onze spelling was altijd maar bij stukken en brokken
behandeld, alleen naar aanleiding van twisten over enkele punten. De verhouding
van den eenen regel tot den anderen was nooit in het licht gesteld, misschien
nooit opgemerkt; het eigenlijke stelsel dat alle regels omvatte, was nog niet
geformuleerd. Ook Dr. de Jager, ofschoon hij twee Verhandelingen aan
de vergelijking der zoogenoemde Siegenbeeksche en Bilderdijksche spellingen
wijdde, had het niet beproefd. En toch het was dringend noodzakelijk én
voor het onderwijs én voor het aanstaande woordenboek, hetwelk volgens
de bepalingen op het Congres te Brussel de spelling van Siegenbeek,
gewijzigd, volgen zou. Er waren zoo veel gebrekkige en verkeerde begrippen
aangaande onze letters ea andere grammaticale zaken in omloop, die het rechte
verstand van het Ontwerp in den weg moesten staan; er moesten ten minste
pogingen worden aangewend om het verkeerde op te ruimen en het gebrekkige te
verbeteren. Er moest een voorlooper worden vooruitgezonden, die trachten zou
het Ontwerp, dat uit den aard polemisch zou moeten zijn, maar het
geheele stelsel niet kon ontvouwen, verstaanbaar te maken; ik bestemde er mijn
leerboek toe. Dat het zijn doel niet geheel bereikt heeft, is misschien
gedeeltelijk toe te schrijven aan gehechtheid aan oude, ingewortelde begrippen,
gedeeltelijk misschien daaraan, dat het eerst voor vier jaren is uitgegeven.
Vindt iemand dit laatste vermoeden gegrond, dan zal hij niet instemmen met
Recensents gevoelen, dat de uitgaaf ‘voorbarig’ is te noemen.
Misschien acht hij wel, dat het beter ware geweest, indien het een tiental
jaren vroeger was verschenen. Immers wat men in vier jaar niet heeft kunnen
leeren, zou men misschien in veertien hebben kunnen opmerken en zich eigen
maken.
|
|