|
|
|
| |
| | | |
Over den grond van de verscheidenheid van klank in de
verschillende vormen der ongelijkvloeijende werkwoorden.
Belangwekkend is zonder twijfel het verschijnsel, hetwelk ons door
de zoogenaamde ongelijkvloeijende werkwoorden wordt aangeboden, en hierin
bestaat, dat zich in verschillende vormen van een en hetzelfde werkwoord
verschillende vokalen vertoonen. Bestaat er hier eenig verband tusschen den
klank en de beteekenis, en duidt het vokaalverschil op eenigerhande wijze aan,
wat de vorm te kennen geeft? Of is de verscheidenheid van klank slechts aan
zekere invloeden toe te schrijven, aan welke de mensch bij het uitspreken der
woorden van zelf gehoor geeft?
Aan den klankvorm der woorden het vermogen toe te kennen om het
beteekende voorwerp af te beelden, ziedaar eene meening, die volstrekt
onaannemelijk is. De woordklank geeft niet het voorwerp zelf terug, maar drukt
eene gedachte over het voorwerp uit, en kan bij gevolg geen beeld vertoonen van
iets dat hij niet afspiegelt.
Maar, drukt de klank het beteekende voorwerp niet uit, wel vermocht
bij den oorsprong der taal de bedoeling van hem, die sprak, op den klankvorm
terug te werken. Ja! het is niet anders mogelijk, of, behalve het middel om die
bedoeling door toevoeging van klanken te kennen te geven, | | | | moest de
toon en des noods de klank der vokaal in overeenstemming zijn met des sprekers
bedoeling.
Wij verklaren ons gevoelen nader. Het woord zelf was het
voortbrengsel van de voltooide daad des denkens. Bij het eerste uitbrengen had
hij, die het sprak, nog geene bedoeling dan de bevrediging van den aandrang om
een uitwendig teeken te geven van hetgeen er in zijnen geest omging. De
vokaalklank, met welken het woord werd uitgebracht, was de ongewijzigde, van
zelf voortkomende a. De klank a derhalve kenmerkt het woord reeds
vóór zijne aanwending in de rede.
Doch drukt het woord niet meer de daad van het denken in hare
oorspronkelijkheid uit, maar moet het dienen om den inhoud van het denken,
hetzij als in de voorstelling van den spreker, hetzij als in eenig resultaat
voorhanden uit te drukken, dan laat het zich verwachten, dat aan hetzelve
eenige wijziging zal gegeven zijn, in overeenstemming met de veranderde waarde
en de bijzondere aanwending van het woord. Hoe toch zou het woord ongewijzigd
de gedaante hebben kunnen behouden, die het in zijne oorspronkelijkheid had,
wanneer het niet langer datgene moest uitdrukken, wat daaraan oorspronkelijk
het aanzijn gaf? Hoe zou hij, die sprak, hebben kunnen nalaten door een of
ander teeken te kennen te geven, dat het woord van aard veranderd was? Onder
andere hier aanwendbare teekens moest de wijziging van den stempel der vokaal
eene voorname plaats bekleeden. De vokaal dan, in plaats van eene
onwillekeurige uiting van het stemgeluid, gelijk de a is, te blijven,
werd het voortbrengsel eener opzettelijke wijziging van het stemgeluid in die
streek van den mond, waar bewegelijke organen die wijziging mogelijk maken, dat
is, hetzij in het midden van den mond, waardoor de i, hetzij
vóór in den mond, waardoor de u (oe) ontstond.
Het ligt in den aard der zaak, dat de gedachte-klank in zijne
grootste oorspronkelijkheid tot herkenningsteeken strekte van het waargenomen
feit in zijne zoo even aanwezige wer- | | | | kelijke verschijning. Maar
moest het woord niet het feit maar het begrip van het feit, in den geest
voorhanden, uitdrukken, dan onderging zijn klank eenige wijziging. Desgelijks
wanneer men het bezigde om van een voorwerp te zeggen dat het bedoelde feit er
mede had plaats gegrepen.
Het feit in zijne zoo even aanwezige werkelijkheid stelt het
praeteritum aoristum; het begrip van het feit de infinitief; den
staat van het voorwerp, waarmede het feit heeft plaats gegrepen, het
participium perfectum voor. Zoo derhalve deze drie vormen door
verschillende vokaalklanken gekenmerkt zijn, en wel het praeteritum aoristum
door de oorspronkelijke a, kan dit ons niet bevreemden. Zulks nu zien
wij inderdaad plaats hebben in een aantal werkwoorden in de Duitsche talen, en
wel van die werkwoorden, welke men sterk of ongelijkvloeijend noemt.
Dat de klankverscheidenheid niet van nature tijdverschil uitdrukt,
blijkt daaruit, dat het participium perfectum een van de vormen is, welke die
klankwijziging ervaren. Bij het participium, namelijk, als naamwoord, valt het
begrip van tijd weg. Ook zien wij in het Grieksch den verbalen stam, als
substantief gebezigd, door eene gewijzigde vokaal gekenmerkt, bij voorbeeld
νομος,
λογος, τονος,
μονη, φθορα, enz. nevens
νεμω, τεινω,
μενω, φθειρω.
Maar de infinitief, als praedikaat gebruikt, en, na wegwerping, soms
(als in enkele werkwoorden in het Grieksch) met behoud van den uitgang des
infinitiefs (n), van de persoonsverbuiging voorzien, leverde een
werkwoord, dat nu niet meer het feit als zoo even werkelijk aanwezig, dat is
in praeterito, uitdrukte, maar als den spreker ter hand, als
thans voorkomend, dus als onbepaald tegenwoordig.
Tot voorbeeld van het aangevoerde strekke het Gothische en tevens
Nederduitsche brak. Deze vorm duidt het zoo even aanwezige feit aan. Met
gewijzigde vokaal en pronominaal achtervoegsel kwam daarvan de infinitief
brikan (breken), die het begrip van het feit te kennen geeft.
Deze vorm, met vervanging van den uitgang n door de
per- | | | | soonsuitgangen, als praedikaat gebruikt, leverde den
tegenwoordigen tijd brika(m), brikis, brikith, enz. Soms,
en wel in het Grieksch, bleef bij eenige praesentia de n van den
infinitief. Zoo toch meen ik de vormen
λαμβανω,
τυγχανω
λανθαω,
μανθανω, τεμνω,
δακνω, enz. te kunnen verklaren, die, behalve
dat de meeste de ook in het Latijn niet ongewone inlassching van den neusklank
in den stam vertoonen, eene n achter den stam bezitten, welke dan de
uitgang van den infinitief zijn zou.
De derde vorm, met de vokaal u (oe), met name het
participium perfectum brukans (gebroken), leverde, dunkt ons,
oorspronkelijk mede eenen tijd aan het werkwoord. Wij vinden daarvan een spoor
in het meervoud van het praeteritum van de sterke werkwoorden der tweede
klasse, bij voorbeeld bundum (wij bonden), hetwelk de vokaal
gemeen heeft met het partic. perf. bundans (gebonden)
1). Oorspronkelijk zal er nevens band
(ik bond), hetwelk een praeteritum aoristum was, een perfectum
bund bestaan hebben. Wegens de overeenkomstigheid van de beteekenis
zullen deze twee tijden (die in het Grieksch en andere talen van den
Indo-Germaanschen stam gescheiden zijn gebleven) vereenigd zijn geworden, in
dier voege, dat het perfectum den meervoudvorm aan het praeteritum leverde. In
den conjunctief bundjau (ik bonde) vindt men de vokaal van dit
meervoud terug. Geen wonder, zoo dit meervoud een overblijfsel is van het
perfectum: want het perfectum slechts kan eenen conjunctiefvorm bezitten, niet
het praeteritum, gelijk in het Grieksch slechts de hoofdtijden, waartoe het
perfectum behoort, eenen conjunctief hebben, en niet de historische tijden,
waartoe de praeterita behooren.
Op deze wijze verkrijgen wij mede een geschikt middel | | | | om
het verschil tusschen de vokaal van het enkel en die van het meervoud van het
praeteritum der sterke werkwoorden van de eerste en de derde klasse te
verklaren. Ook in deze klassen is het meervoud en dan ook de conjunctief van
het praeteritum, naar het mij voorkomt, het overblijfsel van een perfectum, en
wel van een perfectum, door reduplicatie gekenmerkt. Door de reduplicatie,
welke een in den geest vasthouden van de voorbijgaande verschijning beteekende,
werd van het oorspronkelijke praeteritum aoristum een perfectum. Van nam
zal aldus nainam, van lag, lailag geworden zijn, en is het waar,
dat nêmum (wij namen), lêgum (wij
lagen), kunnen beschouwd worden als ontstaan door terugneming (absorptie)
van de reduplicatie in den stam, gelijk fêci uit fefici,
cêpi uit cecipi, pêgi uit pepigi enz., dan mogen
wij nêmum, lêgum, als ontstaan uit nainamum, lailagum
beschouwen en, zoo als ik zeide, voor het overblijfsel van een reduplicerend
perfectum houden. - In het Latijn heeft het perfectum zich insgelijks in de
plaats van het praeteritum aoristum gedrongen. Maar voor het Gothisch schiet de
vraag over: hoe komt het, dat hier het perfectum alleen voor het meervoud van
het praeteritum in de plaats is gekomen? Dat de vokaal van het perfectum zich
beter met de meervoudsuitgangen verdraagt, dan de a van het praeteritum,
kan de reden niet zijn. Immers, mocht het (volgens de leer van Dr. L.A. te
Winkel)
1) verkieselijk heeten, de volle en zware a van het
eenlettergrepige enkelvoud in het meerlettergrepige meervoud door de lichtere
en schralere u vervangen te zien, zulk een grond kan niet gelden om te
verklaren, waarom de voorkeur gegeven werd aan een vorm als nêmum,
lêgum, die in weerwil van de tweelettergrepigheid een vokaal vertoont
veel voller en zwaarder dan het eenlettergrepige enkelvoud nam, lag. Wij
zien dus naar eene andere oorzaak om, die ons verklaren moet, hoe het perfectum
juist in het meervoud het praeter- | | | | itum heeft verdrongen. Letten wij
op de vormen van het sterke praeteritum (enkelvoud), dan bespeuren wij, dat
deze tijd niet rijk was aan duidelijk onderscheidene persoonsvormen: de derde
persoon is er aan den eersten gelijk, en de tweede heeft eenen uitgang
(t), dien wij nergens in dezen persoon terugvinden. Dus mag men stellen,
dat het oorspronkelijke praeteritum zich door armoede en zonderlingheid van
persoonsverbuiging onderscheidde. Dit nu kan de oorzaak geworden zijn, dat men,
ten einde een middel te hebben om den persoon en tevens het getal behoorlijk en
gemakkelijk te onderscheiden, het meervoud aan eenen tijd heeft ontleend, door
welken dat praeteritum zich, wat de beteekenis betreft, liet vervangen.
Zoo meenen wij het verschil van vokaal in de verschillende vormen
van de sterke werkwoorden der eerste drie klassen genoegzaam verklaard te
hebben. In de derde klasse evenwel valt nog op te merken, dat hier het
participium perf. geen eigen vokaal bezit, maar zijne vokaal met het praesens
gemeen heeft: lisan, las (lêsum), lisans (lezen,
las, gelezen). Dit duidt aan, dat de werkwoorden dezer en der andere
klassen, bij welke hetzelfde plaats heeft, de vaststelling hunner vormen te
danken hebben aan eenen tijd, waarin de vrije wijziging des klanks reeds
beperkter geworden was. Men bezat den infinitiefvorm, b.v. ligan, in
welken zich de vokaal van het praeteritum (lag) gewijzigd vertoonde, en
ging nu met de wijziging niet verder: die infinitiefvorm was reeds (als ik zoo
spreken mag) eene onbewegelijke grootheid geworden, waaraan men niet scheen te
kunnen roeren zonder de grondbeteekenis verloren te doen gaan. Dus stempelde
men den infinitief met onveranderde vokaal eenvoudig tot een adjektief
(ligan werd ligans), en het particip. perf. was aanwezig. Hoe de
vokaalklank een voor alle wijziging onvatbare grootheid kan geacht worden,
blijkt ons uit onze denominatieve werkwoorden. Deze kunnen niet
ongelijkvloeijend zijn, omdat, bij wijziging van de vokaal, de voorstelling van
het beteekende voorwerp verloren | | | | zou gaan. Zoo kan niemand van
vijlen een Imperfect veel vormen, als van lijden, leed;
noch van luiden, lood, als van sluiten, sloot, omdat de
beteekenis vijl, (ge)-luid, aan deze vormen met die
bepaalde vokalen zoodanig gebonden is, dat bij wijziging het voorwerp niet meer
voor de voorstelling van spreker en hoorder komen zou.
De vierde klasse bevat werkwoorden van eenen gansch anderen aard. In
deze klasse zijn het praesens en het partic. perf. gekenmerkt door de vokaal
a, het praeteritum door de vokaal ô. Hier derhalve missen
wij geheel en al het stelsel, dat zich aan ons in de eerste drie klassen
openbaarde. De a, die wij in den oorspronkelijken vorm des werkwoords,
welke het feit in praeterito aoristo te kennen gaf, op hare plaats vonden,
treffen wij hier in den tegenwoordigen tijd en in het partic. perf. aan. De
redelijkste weg om dit verschijnsel te verklaren, is deze, dat wij aannemen,
dat de vorm, die oorspronkelijk een praeteritum was, een praesens is geworden,
gelijk bij menig ander werkwoord het geval is geweest, onder anderen bij die
onregelmatige werkwoorden, welke deswegens verba praeterito-praesentia of
werkwoorden met verschoven praeteritum genoemd worden. Het valt licht zich voor
te stellen, hoe zulk een overgang van de waarde van een praeteritum tot die van
een praesens mogelijk is geweest. Immers zijn er verscheidene praeterita met
eene beteekenis van dien aard, dat zij nederkomt op die van een ander werkwoord
in praesenti. Het Latijnsche novi en het Fransche je sus (ik
vernam) kunnen inderdaad zoo veel als: thans weet ik; het Grieksche
εσχον, en het Fransche j'eus (ik
verkreeg), zoo veel als: thans bezit ik, beteekenen. Stellen wij
dus, dat bij voorbeeld far (stam van faran, varen) oorspronkelijk
ik raakte in beweging beduidde, dan komt deze beteekenis neder op die
van ik beweeg mij thans (ik vaar); deze beteekenis nu is die van
een praesens. Was aan far eenmaal die beduidenis eigen geworden, zoo lag
het voor de hand dezen vorm als een praesens te beschouwen en als zoodanig te
verbuigen: fara, faris, farith
| | | | enz. Zoo was hier een
praesens gewonnen zonder tusschenkomst van eenen infinitief. Integendeel de
infinitief en dan ook het particip. perf. werden hier gevormd naar het
voorbeeld van het praesens.
Was bij eenig werkwoord de vorm, die te voren praeteritum was,
praesens geworden, zoo ontbrak aan dit werkwoord van nu aan het praeteritum.
Dit gemis moest aangevuld worden. Bij de onregelmatige zoogenaamde
praeterito-praesentia is dit dus geschied, dat er een zwak praeteritum is
gevormd, bij voorbeeld, nevens kann (ik kan) kuntha (ik
konde); nevens skal (ik zal) skulda (ik zoude).
Als een zwak praeteritum kunnen wij fôr (ik voer) niet
aanmerken. Alzoo is bij de sterke werkwoorden der vierde klasse (bij aldien
onze beschouwing van den aard dezer werkwoorden waarheid behelst) op eene
andere wijze in het ontstane gemis van het praeteritum voorzien. Hebben wij de
lange vokaal in nêmum, lêgum erkend als door absorptie van
de reduplicatie ontstaan, zoo mag ook de ô in fôr
(voer) op dezelfde wijze ontstaan zijn. Zoo zou fôr staan
voor faifar, hetwelk een reduplicerend perfectum van den stam zijn zou.
Op deze wijze zou het perfectum, hetwelk zich bij de werkwoorden der eerste
drie klassen in het meervoud van het praeteritum ingedrongen heeft, bij de
werkwoorden der vierde klasse het geheele praeteritum vervangen hebben.
Maar zal men zeggen, welk een willekeur! Bij nêmum,
lêgum, liet gij uit de ai + a van nainamum,
lailagum, eene ê ontstaan, en in fôr (voor
faifar) laat gij uit de vereeniging van dezelfde klanken eene
ô ontspruiten! Doch deze klanken ê en ô
(ziedaar wat ik antwoord), hoe ver uiteenliggend, zijn niettemin vatbaar om in
elkander over te springen. Men denke slechts, in het Gothisch zelf, aan het
praeteritum van têkan, hetwelk niet taitêk maar
taitôk luidt. Hier derhalve en in de even zoo verbogen werkwoorden
is de ê in ô overgesprongen. Ook ziet men,
ongetwijfeld door dezelfde overspringing, de Gothische ô (Oudhgd.
uo, Eng. o, Nederl. oe) aan de Grieksche ν, de
Dorische en Latijnsche ā, beantwoorden, | | | | in moeder, Gr.
μητηρ, Lat. māter; broeder, Gr.
φρατηρ, Lat frāter; Oudhgd.
ruoba, Lat. rāpum; Eng. root, Lat. rādix.
Werkelijk komt de klankverwisseling, die wij opmerken in het Goth. fara,
fôr, volkomen overeen (gelijk Grimm opgemerkt heeft) met die
in het Grieksche φανω,
πεφηνα; θαλλω
τεθηλα
1), en in het Lat.
lăvo, lāvi; făveo, fāvi, enz. - De overgang van
ê in ô komt eigenlijk op de verwisseling van i
(j) met u (w) neder, die wij in honderd voorbeelden in
verschillende talen zien plaats grijpen. Inderdaad, de ê is gelijk
te stellen met eene a, welke, aangehouden, in j uitloopt; de
ô met eene a, die uitloopt in w. Bij gevolg, zoo wij
onmiskenbaar in menig voorbeeld deze klanken j en w zien
afwisselen, kunnen wij geene zwarigheid vinden in de verwisseling van
ê en ô in het Gothisch. In het Hebreeuwsch gaat de
w van den aanvang van den stam in j over: walad wordt
jalad. In onze taal zeggen wij kouw nevens kooi;
(oudtijds) houw nevens hooi; dauw (Eng. thaw) nevens
dooi; schreeuwen nevens schreijen; luw nevens lij; nieuw
nevens het oude nij. In het Fransch staat eau voor ai
(aqua), en is chevaux ontstaan uit chevax (d.i.
chevajs of chevals met versmolten l). In het Angelsaksisch
eindelijk gaat de Gothische ai geregeld in â over, welke
vokaal met eene harde o overeenkomt; Goth. saian
(zaaijen), Angels, sâwan, Eng. to sow; Goth.
rais (rees van rijzen), Angels, râs, Eng.
rose. - Trouwens de afwisseling van die klankelementen is voor eene
slordigheid te houden. Dat men den klank als onverschillig beschouwde, in
welken de vokaal van zelf uitliep, is een bewijs, dat die oorspronkelijke
bestemdheid in de uitspraak, bij welke niets onverschillig of zonder beteekenis
was, had plaats gemaakt voor dat breede en slepende, hetwelk verraadt, dat de
spraakklank in al zijne elementen niet meer | | | | onder het beheer staat
van den naar uitdrukking strevenden geest.
Zoo zijn wij gevorderd tot de vijfde en de zesde klasse der
ongelijkvloeijende werkwoorden. Ook bij deze werkwoorden nemen wij aan, dat het
praeteritum door het perfectum als nagenoeg van dezelfde kracht, eerst
vervangen, daarna geheel verdrongen is. Het perfectum, ontstaan uit het partic.
perf., is door dezelfde vokaal met dat participium gekenmerkt. Deze vokaal nu
is bij de werkwoorden van de 5de klasse i (b.v. risans,
gerezen); bij die van de 6de u (b.v. budans,
geboden). Dus merken wij de vokalen van het meervoud van het praeteritum
der werkwoorden dezer klassen (risum, wij rezen; budum, wij boden) als
de oorspronkelijke aan; die van het enkelvoud achten wij met de voornaamste
taalkundigen door klankversterking ontstaan.
De klankversterking is eene wijziging van den klank blootelijk om
eene reden van aangenaamheid ingevoerd. Krijgt eene enkele lettergreep den
vollen nadruk, dan heeft de stem behoefte aan meer stevigheid bij den klank,
welke dien nadruk zal dragen. Er wordt als het ware dieper uit de bron des
geluids geput, en van deze inspanning getuigt de keelvokaal a,
vóór den anders te schralen klank i of u gehoord.
Met andere woorden: i wast aan tot ai, u tot au. Vandaar
dat het enkelvoud van het praeteritum der werkwoorden van de vijfde klasse den
tweeklank ai bevat, terwijl het meervoud de oorspronkelijke i
behouden heeft: rais, risum (ik rees, wij rezen). Desgelijks
vertoont het enkelvoud van het praeteritum der werkwoorden van de zesde klasse
den tweeklank au, terwijl het meervoud de oorspronkelijke u
behield: bauth, budum (ik bood, wij boden)
1). In het
Fransch wordt dezelfde behoefte op eene andere wijze bevredigd. Hier erlangt de
vokaal meer stevigheid door inmenging van eenen j-klank, waardoor
evenzeer een diphthong ontstaat. Dus ziet men | | | | uit de a den
klank ai, uit ou den klank eu, uit e de klanken
ie of oi ontstaan. In manuel blijft de zuivere a
van het Lat. manus; in mourir, mourons, avouer, in de tweede
syllabe van douloureux, in recevoir, recevons, chenil, tenir,
tenons, handhaaft zich de vokaal, die zich, waar de sterk geaccentueerde
laatste lettergreep wegvalt of door eene niet of zwak geaccentueerde vervangen
wordt, versterkt vertoont in main, meurs, meure, aveu, douleur,
reçois, reçoive, chien, tiens, tiendrai. Deze wijziging is
blijkbaar het gevolg van eene vrijheid, die men zich tot zijn gemak met den
klank veroorlooft. Juist het tegenovergestelde van het streven van den geest om
zich door wijziging van den klank te uiten, laat zich hier gelden. Derhalve kan
door zulk eene klankwijziging ook geen spraakkunstige uitwerking gewonnen
worden, dat is: een middel om grammatische eigenaardigheden uit te drukken kan
zij niet opleveren. Integendeel de logika ziet men tegen dat toegeven aan eenen
bloot phonetischen invloed opkomen, en daaraan paal en perk stellen. Ik bedoel
dit, dat men in het Fransch de versterkte vokaal ook daar invoert, waar zij
geene reden van bestaan heeft, of wel de klankversterking verwaarloost, ten
einde geene ongelijkvormigheid van klank in de verschillende vormen van 't
zelfde woord toe te laten. Zoo verbuigt men: J'aime, nous aimons, in
plaats van j'aime, nous amons, en je trouve, nous trouvons, in
plaats je treuve, nous trouvons.
Dit omtrent het verschil tusschen de vokaal van het enkelvoud en die
van het meervoud in de praeterita van de werkwoorden der vijfde en der zesde
klasse. Doch vanwaar bij deze werkwoorden de infinitief en het praesens met
hunne eigenaardige diphthongen ei (ij) en iu (ie of
ui)? Op deze vraag geven wij het volgende ten antwoord. - Daar bij de
werkwoorden van dezen aard de vorm, van welken oorspronkelijk door wijziging
van a tot i de infinitief gevormd werd, reeds door eene i
of u was gekenmerkt, zoo moest hier een ander middel tot wijziging en
verdere ontwikkeling worden aangewend. Dit middel werd gevonden in de inmenging
van | | | | eenen bijklank bij de i of de u van den
grondvorm. Dus ontstond van ris (onversterkt praeteritum) reisan
(rijzen), van bud (onversterkt praeteritum) biudan
(bieden). Doch hoedanig is deze ingemengde bijklank? In het Grieksch en
het Latijn ziet men vaak de ontwikkeling van infinitief en praesens uit het
praeteritum aoristum tot stand komen door inlassching van eenen neusklank. Dus
ontstaat λανθανειν uit
λαθ -,
μανθανειν uit
μαθ -,
τυγχανειν uit
τυχ -,
θιγγανειν uit
θιγ -,
φυγγανειν uit
φυγ -,
πυνθανεσθαι uit
πυθ -,
λαμβανειν uit
λαβ -; tangere uit tag -, pangere uit
pag -, rumpere uit rup -, tundere uit tud -, enz. Wanneer
men daarbij in aanmerking neemt, dat de neusklank voor versmelting vatbaar is,
en dat b.v. τιθεις ontstaat uit
τιθεντς,
πεισομαι uit
πενθσομαι,
λειπειν uit
λιμπειν (vgl.
λιμπανειν),
λειχειν uit
λιγχειν (vgl. 't Lat.
lingere), τευξομαι
uit τυγξομαι,
πευσομαι uit
πυνθσομαι,
φευγειν uit
φυγγειν (vgl.
φυγγανειν), dan zou men
geneigd zijn om het ontstaan van de klanken ei en ui in de
infinitieven der werkwoorden van de vijfde en de zesde klasse mede aan de
inmenging van een later versmolten neusklank toe te schrijven. Doch dit zal
moeijelijk te bewijzen zijn. Genoeg is het, dat de wording van den infinitief
en dus ook van het praesens bij deze werkwoorden door inmenging van eenen
bijklank, die de diphthongen ei en ui opleverde, is tot stand
gekomen.
Nu schieten nog slechts de laatste vier klassen der sterke
werkwoorden ter onzer beschouwing over. Over deze valt niet veel te zeggen. Na
het aangevoerde over de vorige klassen verklaart de aard hunner vormen zich
zelven. De werkwoorden der zevende klasse, waartoe hahan
(hangen), haldan (houden), en dergelijke, behooren,
onderscheiden zich door eene a in het praesens. Dus schijnt ook hier een
vorm, die oorspronkelijk praeteritum aoristum was, tot praesens geworden te
zijn. Zoo doende ontbrak het praeteritum; maar het lag voor de hand het door
het perfectum te vervangen. Werkelijk zien wij in deze en de laatste drie
klassen een reduplicerenden vorm, welke naar hetgeen de vergelij- | | | | king met andere talen ons leert, niets anders dan een perfectum zijn kan,
de plaats van het praeteritum bekleeden.
De laatste drie klassen hebben dit eigenaardige, dat zij in hun
praesens, en dan ook in hunnen infinitief en hun particip. perf., dezelfde
vokaal vertoonen, als de praeterita (oorspronkelijk perfecta) van de
4de, de 5de en de 6de klasse. Immers behooren
daartoe werkwoorden als slêpan (de ê hebben wij
leeren kennen als verwisselbaar met ô), haitan en
hlaupan. Wat dus natuurlijker, dan ook hier aan te nemen, dat wij in het
praesens een oorspronkelijk praeteritum hebben. In deze stelling nu is
begrepen, dat het gemis van het praeteritum, praesens geworden, werd vergoed.
En zulks geschiedde door een perfectum, door reduplicatie gekenmerkt Vandaar de
praeterita saislêp, haihait en hlaihlaup. - In den loop
dezer beschouwing hebben wij meer dan eens van terugneming of absorptie der
reduplicatie in den stam gewaagd. In het verlies nu van alle reduplicatie in de
verbuiging onzer werkwoorden sedert het Gothische tijdperk kunnen wij de proef
van die onderstelling waarnemen: haihald werd hield,
saislêp werd sliep, haihait werd hiet (heette),
en hlaihlaup, liep.
En hiermede onderwerpen wij onze theorie der ongelijk-vloeijende
verbuiging aan den toets der taalkundigen.
W.G. Brill.
|
1)Is het partic. perf., als praedikaat
gebezigd en van persoonsuitgangen voorzien, de volmaakte tijd eens werkwoords
geworden, hetzelfde participium heeft in 't Gothisch ook lijdende werkwoorden
opgeleverd, b.v. andbundnan ( ontbonden worden), usgutnan
( uitgegoten worden), fralusnan ( verloren worden) enz., die
niets anders zijn, dan de participia andbundans, usgutans, fralusans,
tot werkwoorden geworden.
1)Zie Taalgids, Jaarg. V, bl.
62.
1)Alleenlijk moet; men bij deze vergelijking
aannemen, dat de η van πεφηνα,
τεθηλα, ontstaan is uit absorptie van de
reduplicatie, even als de lange a in lāvi. Zoo zou de
reduplicatie in πεφηνα,
τεθηλα later ontstaan zijn, toen het
bewustzijn was verloren, dat de oorspronkelijke reduplicatie reeds door de
verlenging der stamvokaal was gecompenseerd.
1)Men [zie] over deze klankversterking, in
het Sanskrit onder den naam guna ( aanwas) bekend, Dr. L.A. te
Winkel, in de Taalg., Jaarg. V, p. 55-58, en 65.
|
|