|
|
|
| |
| | | |
Het Gothische Vokaalstelsel.
Het staat bij bevoegde taalkenners vast, dat de drie vokalen a,
i en u (oe), in onderscheiding niet alleen van de
tweeklanken, maar ook van de e en o, voor de oorspronkelijke
klinkers gehouden moeten worden. De waarneming, dat de grondvormen der
oorspronkelijkste werkwoorden in het Gothisch uitsluitend één
dezer drie vokalen vertoonen, bevestigt die meening. Maar, mogen wij de zaak
als uitgemaakt beschouwen, wat geeft zij ons dan niet aangaande de uitspraak
der oudste opbouwers der taal te denken? Die drie klanken zijn voorzeker de
zuiverste, de scherpst afgebakende, welke de menschelijke spraak vermag voort
te brengen. Dus gaf men oorspronkelijk niet toe aan eenigen invloed, die den
uitgebrachten klank door inmenging van een onwillekeurigen bijklank minder
zuiver kon maken. In de oorspronkelijke uitspraak was alles scherp bepaald en
onderworpen aan het bedwang van een beslisten wil. Het minder onderscheidenlijk
gearticuleerde is minder oorspronkelijk en, als het ware, van tweede formatie.
De onbestemdheid, eindelijk, de onvrijheid, en dan ook de boerschheid en de
barbaarschheid zijn in de taal niet het oorspronkelijke, maar het later
ingedrongene.
Hoe het zij, de oudste talen bevatten reeds verscheidene gemengde
klanken. De oorspronkelijke klank, namelijk, werd van zelf gewijzigd, hetzij
wanneer de lippen of een of ander gedeelte der tong in het spel kwamen om aan
het stemgeluid bij zijnen doortocht door mond of neus zekere | | | | leiding te geven; hetzij wanneer het geluid versterkt werd door
nieuwen toevoer uit de keelstreek. Door deze mogelijke wijzigingen won men
nieuwe klanken, om aan nieuwe eischen van uitdrukking of welluidendheid te
voldoen.
Het Gothisch bezit drie tweetallen verschillend gewijzigde
vokaalklanken: de ê en ô; de ei en iu;
de ai en au. Laat mij thans zeggen, wat mij dunkt van het wezen
dezer verschillende klanken.
De ê komt mij voor eene a te zijn, gewijzigd
door de halve vokaal j, en de ô houd ik voor denzelfden
klinker, gewijzigd door de halve vokaal w. De oorspronkelijke uitspraak
derhalve der ê zou nagenoeg aïj, die der
ô nagenoeg auw (aoew) geweest zijn. Werd een dier
klanken in de rede door eene konzonant gevolgd, dan kon aan de uitspraak der
halve vokaal j of w geen volkomen recht weêrvaren: zoo
bleef van die diphthongen, aïj en auw, alleen ai en
au (aoe) over, van welke klanken de ê en de
ô slechts andere teekens zijn.
In de ei en de iu erken ik vokalen oorspronkelijk door
eenen neusklank gevormd, en wel in de eerste de i, in de tweede de
u (oe), door de stremming van het geluid in den neus gewijzigd.
De neusklank (n) is onderhevig aan versmelting, waardoor eene i
(j) ontstaat. Dit blijkt uit de voorbeelden, die wij in het vorige
no. van dit Tijdschrift
1) uit het
Grieksch aanvoerden Dus kan het niet bevreemden, dat de uitvinder der Gothische
letters,
ulfila, den neusklank, welke oorspronkelijk die
vokalen kenmerkte, door eene i (j) heeft wedergegeven. Doch
waarom verkoos hij dan voor de i, door eenen neusklank gewijzigd, de
lettervereeniging êi te bezigen? Ongetwijfeld?, omdat de
verdubbeling van de i (ii), welke hij eigenlijk had moeten
aanwenden, in het Grieksche alphabet, dat hem ten voorbeeld strekte, iets
ongehoords was, en minder aan het doel scheen te beantwoorden, dan de
lettervereeniging êi,
| | | | voor welke hij in het Grieksch
het voorbeeld in de oneigenlijke diphthong hi (η) aantrof.
Ook tot het wedergeven van de u (oe), door eenen neusklank
gewijzigd, volgde ulfila het voorbeeld van het Grieksche alphabet:
immers, terwijl die klank beter door ui zou zijn uitgedrukt geweest,
schreef hij iu, en voor een vokaal iv, naar het voorbeeld van de
Grieksche schrijfwijze ευ, waar wij dezelfde omzetting
van teekens bespeuren: in de diphthong ευ toch is de
υ grondvokaal.
Hoe voor het overige de neusklank de i tot ei, en de
u tot iu (ui) kon wijzigen, blijkt duidelijk uit de
vergelijking van het Fransche fine met den mannelijken vorm fin,
en van brune met brun. Hier wijzigt de neusklank, zoodra hij de
voorgaande vokaal moet sluiten, de i tot eenen klank, die naar onze
ij, de u tot eenen klank, die naar onze ui zweemt.
Opmerkelijk is het, dat naar de Hollandsche uitspraak de Gothische
diphthongen ei en iu, nadat de eerste overgegaan was in
î, en de andere in û (oe), weder tot hare
oorspronkelijke waarde schijnen teruggekomen te zijn. Hoe de neusklank wegvalt,
daarvan bieden verscheidene voorbeelden in meer dan ééne taal het
bewijs
1). Dus is het niet vreemd, dat de
ei en ui in het Oudduitsch in î en û
(oe) overgingen, zonder dat de oorspronkelijke neusklank een ander spoor
achterliet dan de verlenging der oorspronkelijke i en u
(oe). Maar hoe de neusklank om reden van welluidendheid terug kan komen,
bewijst het Fransch, waar de ou in eu (oeu) overgaat,
gelijk in meurs van mourir, in oeuvre nevens
ouvrage. Evenzoo ging bij ons de î in de gesloten
lettergreep, waar zij door een naauw aansluitende konzonant, even als vroeger
door den neusklank, gewijzigd werd, in ij, en de û
(oe) in ui over. Van striden kwam, eerst alleen in den
gesloten | | | | vorm: strijd
1); van muse
(moese, gelijk nog in Overijsel wordt uitgesproken), eerst alleen in den
gesloten vorm: muis. Later breidden zich de vokalen ij en
ui ook over de vormen met open lettergreep uit. Bij gevolg is de
wijziging van î en û (oe) tot ij en
ui volkomen gelijk te stellen met de wijziging, die de a, de
e en de o, van pade, wege, Gode, in de gesloten vormen
pad, weg, God ondergaan.
Nu schieten nog twee Gothische diphthongen over, te weten ai
en au. De oorsprong van deze klanken is algemeen erkend. De eerste wordt
gehouden voor eene gewijzigde i, de andere voor eene gewijzigde u
(oe), en wel dus gewijzigd dat vóór elk dezer letters de
keelvokaal (a) is aangebrach
2). Dat deze meening de ware verklaring
behelst, blijkt in het bijzonder ook uit het Gothisch, waar de i en de
u, zoodra zij door eene r of h gevolgd worden, in
ai en au veranderen. De r en h, namelijk, zijn
keelletters, en kunnen niet uitgebracht worden dan met begeleiding der
keelvokaal (a), welke bij de voorgaande i en u gemengd,
ai en au levert. Deze opmerking evenwel mag niet strekken tot
verwarring der Gothische ai, waar zij klankversterking is van i
(als in rais, risum), en waar zij wijziging is der i door den
invloed eener volgende r of h. Gemeenlijk kan men uit de analogie
bespeuren, of hetzij de ai, hetzij de au het eene of het andere
karakter heeft. Nemen wij, bij voorbeeld, het werkwoord vairpan
(werpen). Nu is de vraag: is hier de ai de guna van i, of
eene klankwijziging van i ter oorzake van de r? Deze vraag is
gemakkelijk te beantwoorden. Ware de ai eene klankversterking, het
werkwoord zou eveneens verbogen worden, als zulke werkwoorden, in welke de
ai werkelijk dit karakter heeft, bijvoorbeeld haitan
| | | | (heeten). Haitan nu heeft in het praeteritum
haihait, in het partic. perf. haitans. Alzoo zou vairpan,
wanneer de ai in dit werkwoord van dezelfde natuur ware, in het
praeteritum hebben vaivairp en in het partic. perf. vairpans. Dit
nu is niet het geval: integendeel, vairpan heeft in het praeteritum
varp: aldus wordt het verbogen naar het model der tweede klasse van de
sterke werkwoorden, die eene i in het praes hebben.
Deze klasse vertoont in het partic. perf., in het meervoud van het
praeter. indicativi en in het praeteritum conjunct. een u; bij
voorbeeld; bindan, band (bundum, bundjau), bundans. In
dezelfde vormen heeft vairpan niet eene u maar au: vairpan,
varp (vaurpum, vaurpjau), vaurpans. Alzoo levert dit
werkwoord tevens een voorbeeld, hoe de u door den invloed der volgende
r in au overgaat.
Grimm onderscheidt de verschillende natuur der
klanken ai en au voor het oog op deze wijze, dat hij, waar zij
eene klankversterking zijn van i of u, een accent plaatst op de
a (ái, áu); daarentegen, waar zij eene wijziging
zijn van i of u vóór r of h, plaatst
hij een accent op de i of u (aí, aú). Dus
schrijft hij háitan, maar vaírpan; skáuns
(schoon), maar vaúrpans (geworpen).
Met de wijziging der drie oorspronkelijke vokalen a, i, u
(oe), tot ê, ô, ei, iu, ai, au, zijn, zou men zeggen,
alle mogelijke gevallen van klankverandering uitgeput. Maar wat dan te denken
van onze e en o, letters die ook in het Grieksche en het
Latijnsche alphabet voorkomen? Omtrent deze klinkers bestaat mede eene gegronde
meening der taalkenners. Zij houden ze voor ontstaan uit eene inmenging van
eenen a klank bij i of u (oe). E acht men =
a + i; o = a + u (oe). Alzoo zou de
e inderdaad de guna zijn van i, en de o de guna van
u (oe). Maar vanwaar dan het onderscheid tusschen de e en
de ai (ae), tusschen de o en de au? Voor het
Grieksch valt als punt van verschil dadelijk in het oog, dat ai en
au lange klanken, e en o, daarentegen, kort zijn. In deze
opmerking, zoo schijnt het mij toe, is de oplossing der vraag gelegen.
Inderdaad, de e
| | | | en de o komen mij voor niets anders
te zijn, dan de klanken ai en au zelven, ter liefde der
versbehoefte verkort. Het regelmatig onderscheid tusschen lange en korte
vokalen kon slechts ontstaan in talen van volken, die eene quantiterende poezij
bezaten, gelijk de Grieken. De versmuzijk is eene macht, welke, den dichter in
de zinnen spelende, zijne taal medevoert, zijne woorden schikt, en de
lettergrepen smeedt, ze rekt of inkrimpt, ten einde alles passe in de leest der
melodie. Die overmaat van diphthongen, in verhouding tot het drietal
oorspronkelijke van nature korte vokalen, kon niet anders dan belemmerend zijn
in eene poezij, waar ten behoeve van de vlugheid van het vers een genoegzaam
aantal korte klanken beschikbaar moest wezen, en wel bepaaldelijk in het
Grieksch, waar zoo menigmaal de oorspronkelijke a-klank was weggevallen
en dit verlies eene ophooping van konzonanten nagelaten had. Zoo kon men niet
missen de klanken ai en au menigmaal kort te maken, dat is, ze op
die plaatsen in het vers te bezigen, waar eene korte lettergreep vereischt
werd. Deze verkorting ging natuurlijk met eene verandering der uitspraak
gepaard, en ten laatste kwam er een ander teeken voor den van aard veranderden
klank in gebruik
1). Vandaar, dunkt mij, het
verschijnsel van het bestaan eener e en o, van ai en
au onderscheiden, hoezeer zij oorspronkelijk met ai en au
identiek zijn. Menigmaal schijnt ook de ι in het Grieksch eene ter
liefde van de behoefte van het vers verkorte diphthong ει,
de υ eene om dezelfde reden verkorte diphthong
ευ te zijn. Om kort te gaan, de afgemeten quantiteit der
vokalen schijnt in de taal een voortbrengsel der kunst te wezen. Waar, zoo als
in het Gothisch, geene quantiterende poezij bestond, kwam die onderscheiding
tusschen lang en kort niet tot | | | | stand. Vandaar dat de a, i en
u aldaar geene lange a, i en u nevens zich hebben;
vandaar ook, dat de andere vokalen ê, ô, ei, iu, ai en
au wel als gemengde klanken, maar niet als bepaald lange mogen gelden;
vandaar voorts dat zich in het Gothisch het onderscheid tusschen eene lange en
eene korte ai, tusschen eene lange en eene korte au, dat is
tusschen e en ai, en tusschen o en au niet heeft
voorgedaan, en vandaar dan ook dat ulfila geene zwarigheid kon vinden
om de teekens ai en au daar te bezigen, waar de i en
u vóór r en h eene wijziging ondergingen,
die ze naar onze e en o deden zweemen.
W.G. Brill.
|
1)Men denke slechts aan het Fransche
mesure (Lat. mensura); het Ital. teso (Lat.
tensus), en het Nederlandsche bracht van brengen; aan
Muiden voor Munden van mond, en zuiden voor
zunden, Oudhgd. sundan.
1)Pontus Heuiterus
schrijft werkelijk slechts in de gesloten lettergreep eene ij; wordt de
lettergreep open, dan keert bij hem de i terug. Dus schrijft hij
strijd, maar ( ten) stride.
2)Deze voorplaatsing der a voor
i en u heet in de Sanskritsche taalleer guna, zoo de
a kort, wriddhi, zoo de a lang is. Ik herstel hier eene
drukfout op bl. 199 van dezen Jaargang van dit Tijdschrift voorkomende: daar
staat guna ( aanwas). Men leze: guna ( kracht) en
wriddhi ( aanwas).
1)Eigenlijk schijnt aan het teeken
ε oorspronkelijk de waarde van de diphthong
αι, aan het teeken o de waarde van de diphthong
αυ te hebben toegekomen. Doch toen die ouderscheiding
tusschen korte en lange ai en au gevestigd was, schijnen de
teekens ε en ο voor den korten klank bewaard, en
voor den langen de lettervereenigingeu αι en
αυ ingevoerd te zijn.
|
|