VELUWSCH (UDDELSCH) TAALEIGEN,
EENE AANTEEKENING VAN A. AARSEN.

Aisk = walgelijk. - Waarschijnlijk een derivaat van 't oude eise, wonde, nog aanwezig in ijselijk, van den stam egen of eken, die iets puntigs, iets scherps, iets stekends beteekent.

Brullen, Brillen = hard, van groote droefheid, schreien, ook hier wel grienig, grinnig zijn.

Betuun = weinig, schaars. - Van betuinen = beperken.

Drammer = een lastig, schreeuwerig, altijd dwingend kind.

Dujen = wiegen.

Euvels = erg, zeer; b.v. een euvels zoet kind. 't Verouderde woordje evel, 't duitsche übel, had, als men weet, een ongunstige beteekenis, als blijkt uit; voeteuvel, euveldaad, iets euvel nemen. 't Gebeurt meer, dat woorden, wie 't geheel niet toekomt, tot versterking dienen van deze of die expressie, b.v. knap ziek, ijselijk mooi, enz.

Gôadelijk, gadelijk = voordeelig, kort. 't Lôapt gôadelijker, d.i. die weg is korter.

Hoozen = kousen. Hooft heeft, als 'k m'erinner, ook nog ergens hoosbandt, daarmêe den kouseband bedoelende. Breedvoerig is over dit woord onze Bilderdijk in zijn Aanteekeningen op den Muis- en Kikvorschkrijg.

Keeren, keren = schoonmaken, vegen, schrobben. 't Is 't zelfde woord, dat men vindt in de volgende zinsnêe, ontleend aan bl. 24 van 't Leven van Jezus, enz. uitgegeven

[p. 139]

door Prof. G.J. Meijer: ‘Hi heft sinen wayere in sine hant, en̄ hi sal kerren sinen vloer,’ d.i. Hij heeft zijnen waaier (wan) in zijne hand, en hij zal keren zijnen vloer.

Krang = verkeerd, omgekeerd, anders.

Kulen = werpen, gooien, met knikkers spelen, als de kinderen doen.

Kajen, kanen = uitgebraden vet in kleine stukjes, dobbeltjes gesneden.

Kopzeert = hoofdpijn. 't Is duidelijk 't duitsche kopfschmerze.

Langen, toelangen = verkoopen, geven, overgeven, toereiken. Kennelijk 't deensche lange, geven, aanreiken. Like, likewel, likewels = even, evenwel. In aard en oorsprong zijn 't engelsche woorden.

Nâar, naar = erg, zeer. Wat we aanmerkten bij euvels, geldt ook hier. Ook dit is een woordje van versterking, b.v. een naar lief kind.

Piepels = aardappelen.

Pal = verzameling, menigte.

Rechtevoort = thans, tegenwoordig. 't Woord komt ook voor in Mellema, Den schat der Duitscher Tale, 1608. Daar leest men: rechtevoort, maintenant, à c'est heure.

Spinde, spiende = een kast, bepaaldelijk ingericht tot berging van levensmiddelen.

Schap = een plank aan den muur of in een kast, waarop iets kan worden gezet.

Schrap = klaar, gereed.

Schulk = een lang boezelaar.

Slabben = morsen, storten.

Schoer = regen- of donderbui. 't Is duidelijk 't engelsche shower en 't dnitsche schauer. Wij troffen dit woord ook aan bij Melis Stoke, Rijmkronijk (III, 6):

 En̄ quam een donre scuere so groot,
 Dat water van den hemele vloot,
 Of ment met backen hadde ghegoten.

Sneêg, snedig = schoon, mooi.



[p. 140]

Scheper = herder, schaapherder. Kiliaen heeft Schaeper, Mellema Scheeper. 't Duitsch heeft Schäfer.

Schinke = ham. 't Is 't hollandsche schonk, schenk, schink, schinkel, schenkel, 't duitsche schinken.

Teller, teljoor, taljoor = etensbord. 't Fransch heeft tailloir, 't Duitsch teller.

Tuffen = spuwen, als door enkelen wel bij 't rooken gebruikelijk is. In den zin van de spijs teruggeven, overgeven, zegt men hier poephalzen, of meer gekuischt koekhalzen.

Trekken = kleeden.

Ulk = bunzing. Kiliaen heeft beurtelings ulck, ullick, ullinck.

Weteren = mesten, vet maken, van dieren gebezigd, b.v. een kalf weteren.

Zimme = een uitroep van verwondering.

 

Uddel, Hemelvaartsdag 1864.