OVER EENIGE ONPERSOONLIJKE UITDRUKKINGEN.De opmerking is gemaakt 1) , dat, wanneer de zin een gemeen zelfstandig naamwoord zonder determinatief woord of met het onbepaalde lidwoord, of wel een onbepaald voornaamwoord tot subjekt heeft, er gemeenlijk eene omzetting plaats grijpt, in dier voege dat het subjekt door het praedikaat wordt voorafgegaan, bij voorbeeld: er zijn menschen, er valt regen, er was een koning, er gebeurt iets. Aan deze opmerking dient nog eene bepaling te worden toegevoegd, namelijk deze, dat de bedoelde omzetting alleen plaats heeft bij existentiale zinnen 2) of zoodanige zinnen, die daarmede gelijk te stellen zijn, in zooverre als zij het voorhanden zijn van eenige zaak te kennen geven, zonder aan de wijze, waarop de zaak zich voordoet, gewicht te doen hechten. Dus zal men wel zeggen: er was een Koning; ook wel: er leefde een Koning; maar niet: er beminde een Koning hartstochtelijk zijne gemalin. Wel: er zijn menschen; ook wel: |
1) Zie mijne Syntaxis, S. 119. I. 2 (bl. 9, 2de uitg.).
2) Wat existentiale zinnen zijn, zie de aangeh. Syntax ald. II. 1 Aanm. (bl. 10).
|
|
er loopen menschen; maar niet: er zien menschen vaak schijn voor wezen aan. Deze opmerking geeft ons tevens de reden aan de hand, waarom die omzetting alleen dan plaats heeft, wanneer het subjekt in een zelfstandig naamwoord zonder determinatief of met het onbepaalde lidwoord, of in een onbepaald voornaamwoord bestaat. Immers van bekende zaken (door een zelfstandig naamwoord met een bepalend lidwoord of een determinatief, of wel door een aanwijzend voornaamwoord uitgedrukt) behoeft men het bestaan niet te vermelden. Daarom zegt men wel: er was een Koning, maar niet: er was de Koning; wel: er loopen menschen, maar niet: er loopen de menschen; wel: er gebeurt iets, maar niet: er gebeurt dit. En zoo zijn wij tevens den grond op het spoor gekomen, waarom in de hier behandelde uitdrukkingen de omzetting regel is geworden, zoodat de gewone orde of vreemd klinkt of gansch niet gebruikt wordt. Niemand zegt: menschen zijn (voor er zijn menschen), regen valt, een Koning was (maar er valt regen, er was een Koning). De reden is deze, dat in existentiale zinnen werkwoorden voorkomen, die men gewoonlijk als vormwoorden ontmoet, en op welke men derhalve niet gewoon is den klemtoon te leggen. Bij de woordorde: een Koning was, valt een hooge toon op was, en zulks is strijdig met den gewonen toon van dit gemeenlijk als koppelwoord voorkomend werkwoord. Omgekeerd, in zinnen, die, ofschoon zij een concreet werkwoord 1) bevatten, niettemin eenigermate de waarde van existentiale zinnen hebben, zou de gewone woordorde meer klem op het werkwoord leggen, dan met de verzwakte beteekenis, bloot van een voorhanden zijn, bestaanbaar is. Zeg ik er loopen menschen in de weide, dan beduidt dit zoo veel, als er zijn menschen in de weide, die aldaar loopen; maar zeg ik menschen loopen, menschen loopen in de weide, dan vermeld ik bepaaldelijk de handeling van loopen, als door die menschen verricht. |
1) Wat men door een concreet werkwoord te verstaan hebbe, zie men in mijne Spraakl. §. 90. B. I. 1 (bl. 269, 3de uitg.).
|
|
Maar hoe in het Hoogduitsch? Daar bezigt men wel degelijk die omzetting, ook buiten den existentialen zin en bij subjekten, van een determinatieve bepaling voorzien. Men zegt er: es liebte ein König leidenschaftlich seine Gemahlin; es betrachten die Leute oft als Wirklichheit was nur Schein ist; es lebe der König; es geschieht dieses. De reden, waarom men in het Hoogduitsch aan de omgezette orde ruimer gebied heeft kunnen toekennen, schijnt hierin te zoeken, dat aldaar aan het hoofd van zulke existentiale zinnen niet als bij ons een bijwoord van plaats (er), maar het onzijdige voornaamwoord es (het) geplaatst wordt. Bij het gebruik nu van dit voornaamwoord verraadt zich de zin niet zoo sterk als existentiaal, gelijk dit bij ons met het bijwoord er het geval is 1) . Was nu aan de zinnen, welken die omzetting in het bijzonder toekwam, het karakter eens existentialen zins niet duidelijk merkbaar, zoo kon die omzetting zich lichtelijk tot niet-existentiale zinnen uitstrekken.
Door de beschouwde omzetting komt het subjekt op de plaats te staan van het praedikaat. Dit is niet zonder zeker zonderling gevolg gebleven. Ik bedoel dit, dat het subjekt, waar het uit een abstrakt substantief bestond, eenmaal op de plaats van het praedikaat getreden, ook de gedaante van een praedikaat aannam en in een adjektief overging. Aldus in: het is warm. Deze uitdrukking zegt niets anders dan: warmte is. Maar ten einde den klemtoon op het werkwoord is te vermijden, wendde men de omzetting aan, en zeide: het is warmte (gelijk men voorheen sprak, in plaats van hetgeen wij thans zouden zeggen: er is warmte). Doch nu stond het zelfstandig naamwoord op de plaats, waar men gewoonlijk een adjektief aantreft; men zag den aard der uitdrukking niet meer goed in, stelde zich onder het voornaamwoord |
1) Dat het bijwoord er dient om het werkelijk bestaan uit te drukken, en dus voor een existentialen zin bijzonder geschikt is, zulks is door mij (na Dr. te Winkel) opgemerkt op de aangehaalde bladz. 9 mijner Synt. in de laatste regels.
|
|
het een onbepaald wezen voor, waaraan de hoedanigheid warm werd toegekend en de zin het is warmte, ontaardde tot de uitdrukking het is warm 1) . Op dezelfde wijze zijn wij aan de uitdrukkingen er wordt gedanst, er wordt gevochten, er is gevochten geworden of, kortweg, er is gevochten, gekomen. Zij beteekenen: dansen wordt (d.i. dansen geschiedt, vertoont zich), vechten wordt, vechten is geworden. Maar de omzetting alweder bracht de infinitief dansen, vechten, welke infinitief een substantieve vorm is, op de plaats van het praedikaat; vandaar dat men dien substantieven vorm door den adjektieven vorm des werkwoords, dat is, door het deelwoord en wel het volmaakte deelwoord, is gaan vervangen, en voortaan in plaats van: er wordt dansen, er is vechten geworden, den vorm bezigde: er wordt gedanst er is gevochten. Het komt mij voor, dat de uitdrukking: het geeft (mij) vreemd, mede moet verklaard worden uit zulk eene vervanging van een substantief door een adjektief, daardoor veroorzaakt dat het onderwerp bij omzetting de plaats van het gezegde had ingenomen. Vreemd in die spreekwijze schijnt oorspronkelijk een zelfstandig naamwoord te zijn, en wel een (vrouwelijke) stamvorm van het werkwoord vreemden in den zin van zich vreemd houden, zich vreemd aanstellen, zich vreemd vertoonen 2) . Zoo zou het substantief vreemde vreemd (dat tot het werkw. vreemden staat als vreeze of vrees tot vreezen), zoo veel beteekenen als vreemde vertooning, wonderlijk verschijnsel, wonder. Ook wordt het geeft (mij) vreemd afgewisseld met het geeft of het heeft (mij) wonder. De vorm fremde, die het woord in de zegswijze: es dünkt euch fremde bij den Hoogduitschen dichter Gryphius heeft 3) , in eenen tijd alzoo, toen het adjektief vreemd (fremd) sints lang den vokaalklank van zijnen |
1) Op dezelfde wijze is in het Fransch il fait chaud ontstaan uit il fait chaleur. Werkelijk kan men nog spreken van les chaleurs qu'il a fait.
2) Deze beteekenis is, ten minste in het Hoogd., aangewezen door Grimm in het d. Wörterb. in v. fremden.
3) Zie de plaats aangehaald bij Grimm, in v. fremd, 6).
|
|
uitgang 1) had afgeworpen, staaft de meening, dat vreemd hier werkelijk oorspronkelijk een substantief is 2) . Inderdaad de uitdrukking het geeft vreemd is volkomen analoog aan de zegswijzen: mich nimt angst, mick hât haele (d.i. verheling, verberging), mich nimt tûr (d.i. toorn), in welke overal het woord, dat op de plaats van het praedikaat staat, kennelijk een substantief is. Dat niettemin vreemd in het geeft vreemd, es nimt fremd, voor een bijvoegelijk naamwoord gehouden is, blijkt uit de omstandigheid, dat het door het bijwoord zeer bepaald wordt, bij Hooft: 't gaf hun zeer vreemdt en in Fischarts Bienenkorb: des halben nimt michs sehr fremd. Hoe het zij, al zulke uitdrukkingen acht ik door omzetting ontstaan: het geeft vreemd, het heeft of geeft wonder, staat, mijns bedunkens, voor vreemd (vreemde) geeft, wonder geeft of heeft, met dezen zin: wonderbaarlijkheid, dat is, iets wonderbaarlijks, een wonderlijk verschijnsel doet zich voor. Alzoo neem ik aan, dat geven, hebben, hier niet in den gewonen transitieven, maar in eenen subjektieven zin voorkomen, en zoo veel als zich geven, zich hebben, dat is zich vertoonen, zich aanstellen, zich opdoen, ontstaan, bestaan, beduiden. Op geen andere wijze wordt in het Fransch het werkwoord avoir, en in het Hoogd. geben gebruikt. Zeg ik in het Fransch il y a un arbre, zoo is arbre het logisch subjekt, en un arbre y a is hetzelfde als un arbre est-là. In het Hoogd. is in: es giebt ein Buch, het substantief Buch subjekt, en de uitdrukking beteekent: een boek, geeft zich, is aanwezig. Den subjektieven zin van geven drukt het Noordsch uit door den passieven vorm. Het Hoogduitsche es giebt, namelijk, luidt in het Zweedsch det gifves en in het Deensch det gives of der gives (er wordt gegeven). Ook in onze taal komt geven in denzelfden zin van aanwezig zijn voor, in: het geeft nog regen |
1) In het Oudhgd. namelijk luidde het framadi, fremidi (Goth. framathis), en nog in het Middelhgd. fremede, fremde.
2) Werkelijk komt in het Mhgd. een substantief fremde voor in den zin van vreemdheid, het tegenovergestelde van gemeenzaamheid, in Gottfried van Strassburg's Tristan: daz geschuof die fremde und die scham.
|
|
van daag. Dat men bij de Hoogd. uitdrukking es giebt, het substantief in accusativo gesteld acht, en schrijft: es giebt einen Mann, is slechts aan miskenning van den waren aard der zegswijze toe te schrijven. Mann is het logisch subjekt. Niet alleen geven en hebben worden op die wijze in existentiale zinnen in de beteekenis van ontstaan, bestaan, gebruikt, maar ook maken, als ik zeg: het maakt ijs, het zal van nacht heel wat ijs maken. Hier is ijs het subjekt, en maken is een subjektief werkwoord en beteekent ontstaan. Faire beteekent in het Fransch nagenoeg hetzelfde, als ik zeg il fait chaud, il fait beau, d.i. chaleur, beauté (du temps) existe 1) . In het oudere Hoogduitsch zijn er buiten hebben, geven en maken nog andere gewoonlijk transitieve werkwoorden, die aldus subjektief met de beteekenis zich opdoen voorkomen, te weten nemen (reeds vermeldden wij de uitdrukking mich nimt angst, mich nimt tûr), gaan, doen en steken. In mir thut Noth, is Noth subjekt, even als in het oudere mir gêt not 2) . Nemen is gelijk te stellen met grijpen 3) , en beteekent evenzeer doen bestaan, en, subjektief, bestaan. Ook het gebruik van steken in denzelfden zin van doen bestaan heb ik in onze taal vroeger aangewezen 4) ; neemt men nu ook dit werkwoord in subjektieven zin, zoo heeft het mede de beteekenis bestaan, die wij werkelijk aantreffen in de Hoogd. uitdrukking, mich sticht der fürwitz, die Grimm 5) aanteekent en zamenstelt met het Angelsaksische me bricdh 6) fyrvit, woordelijk mij breekt nieuwsgierigheid. Breken, namelijk, subjektief genomen, beteekent ontstaan (aanbreken) 7) , even als steken. |
1) Il fait bon is geen existentiale zin. Niettemin beteekent fait, even als a in il y a, hier zoo veel als est. De uitdrukking komt overeen met ons: het is lekker, het is prettig.
2) Zie Grimm; d. Gramm. IV, S. 249.
3) Zie dit Tijdschrift, Jaarg. V, No. 1. bl. 13 enz.
4) Aldaar.
5) t. a. pl.
6) 3. sing. praes. indic. van brëcan.
7) Breken, transitief, beteekent eigenlijk doen open gaan, doen losgaan, los maken. Men vergel. een vat aanbreken, met het (subjektieve) aanbreken van den dag. De dag wordt gezegd te breken, in den voortijd ook te raken, d.i. te treffen (ein zu treffen), vandaar dageraat, d.i. dageraak (zie het opstel in dit Tijdschr. t. a. pl.). In het artikel aanbreken van het Woordenb. der Nederl. Taal door de Vries en te Winkel , waarvan juist de eerste Aflevering het licht ziet, wordt de meening geuit, dat aanbreken slechts bij metonymie van datgene zou gezegd worden, waarin de levensmiddelen geborgen zijn; dat men dus eigenlijk den wijn aanbreekt, en niet het vat. Wij kwamen tot een andere uitkomst, te weten, dat breken en aanbreken, open gaan, opgaan, en in transitieven zin open maken beteekenen, en dat dus het vat, niet de wijn wordt aangebroken. - Zoo zal men wel meer het een en ander op enkele bijzonderheden van dat ontzaggelijke werk aan te merken vinden. Niet anders gaat het, wanneer men ten behoeve van eenig speciaal onderzoek een van Grimm's groote werken raadpleegt: dan stuit men niet zelden op min juiste qualificaties van kleine feiten. Doch het zou eene groote mate van ijdelheid en ondankbaarheid verraden, wanneer de omstandigheid dat men zelf één van de ontelbare bijzonderheden, waaruit zulk een reuzenwerk bestaat, toevallig anders, misschien beter inziet, gebruiken wilde om ten koste van den auteur te triomferen. - Ook heb ik het verschil van gevoelen, dat hier in eene kleinigheid tusschen de auteurs van het woordenboek en mij bestaat, slechts vermeld, om de gelegenheid te hebben mijne landgenooten met het ‘aanbreken’ van het licht, dat het Woordenboek zal verspreiden, geluk te wenschen, als met eene gebeurtenis, die, terwijl zij ten spijt van kleingeestige vitzucht den duurzamen roem der Heren de Vries en te Winkel verzekert, ons vaderland en onze letterkunde tot groote eer verstrekt.
|
|
Maar, wanneer de werkwoorden in die zegswijzen als subjektieve werkwoorden te verklaren zijn, wat dan te denken van den accusatief, die ze verzelt? Dat de na den persoon bij zulke onpersoonlijke zegswijzen, zelfs in het geeft mij vreemd, het geeft mij wonder, de accusatief, en niet de datief is, blijkt onmiskenbaar uit vergelijking met het Hoogduitsch, waar het heet: mich gibt wunder, even als mich hât wunder, mich hat fremde, mich nimt wunder, mich nimt fremde, enz 1) . De vraag aangaande den aard van dezen accusatief betreft mede dien bij de onpersoonlijke werkwoorden, welke een inwendig gevoel te kennen geven, als mij dorst, mij hongert. Reeds het Gothisch kent ze: mik thaúrseith, mik huggreith. Daar nu deze uitdrukkingen een existentialen zin uitmaken, vermits zij zoo veel beteekenen als dorst, honger bestaat, zoo spreekt het van zelf, dat het pe |
1) Zie Grimm. d. Gramm, t. a. pl.
|
|
soonlijk voornaamwoord bij dezelven onmogelijk geacht kan worden in den gewonen accusatief van het objekt te staan. Voor dezen accusatief is evenmin plaats in de zegswijzen het geeft mij vreemd, het heeft mij wonder. Bij gevolg dient men naar eene andere verklaring van den accusatief in zulke zegswijzen om te zien. Ik aarzel niet hem als een zoo te noemen zelfstandigen of absoluten accusatief te beschouwen, welke, gelijk zulks de accusatief in het Grieksch vermag, het voorwerp aanwijst, waarin de uitgedrukte hoedanigheid aangetroffen wordt. Zoo zegt men in deze taal αλγω τον δακτυλον (ik heb pijn den vinger), καμνω τον ποδα (ik ben vermoeid den voet). Eveneens nu meen ik, dat, als men bij eene uitdrukking, die zoo veel beteekent als dorst is er, reden tot verwondering is er, den persoon vermelden moest, die door den dorst bezocht, door de verwondering verbaasd werd, men niet anders doen kon, dan den naam van dien persoon in den accusatief er bij te zetten. Elke andere naamval zou hier misplaatst geweest zijn: de nominatief is niet anders denkbaar dan als de vorm van het subjekt in verband met een praedikaat; de datief zou een persoon aanduiden ten behoeve van wien de zaak bestond: dit nu komt hier gansch niet te pas; de genitief eindelijk geeft de oorzaak des gevoels te kennen, en kan dus den persoon niet aanduiden die het gevoel ervaart. Werkelijk kan in de bedoelde uitdrukkingen een genitief van de oorzaak voorkomen, bij voorbeeld: mich hats (de i. hat des) wunder; den kunec nam des wunder 1) . Wanneer er een substantieve zin bijstaat, bij voorbeeld: het geeft mij vreemd. dat hij niet is verschenen; het geeft hem wonder, hoe zij deze tijding zoo haast mochten gebracht hebben 2) , alsdan staat die zin in de betrekking van den genitief. Volledig zou de uitdrukking zijn: het geeft mij des vreemd dat enz. het gaf hem des wonder, hoe enz. Even zoo |
1) Grimm, t. a. pl. S. 247.
2) Deze voorbeelden uit Vondel levert mij Dr. de Jager in zijne Proeve uit zijn Woordenb. der frequentat. in de Tijdsp., 1864.
|
|
is te verklaren: mij droomde, dat ik koning was. Ook hier vulle men in de gedachte den genitief in: mij droomde des, dat enz. Ten slotte. In de uitdrukkingen mich nimt en mich hat wunder en dergelijke, zou men kunnen meenen, dat mich de objekts-accusatief was van nehmen en haben in transitieven zin, zoodat zij zoo veel zouden beteekenen als verbazing neemt mij in, grijpt mij aan, heeft mij bevangen, en men zou kunnen denken, dat deze verklaring daardoor bevestigd werd, dat in het Hgd. werkelijk gezegd werd: mich fängt verlangen, noth begreift mich 1) . Inderdaad wordt hier mich als den objeks-accusatief van fangen, (be-)greifen opgevat; maar niettemin schroom ik niet te beweren, dat de aard ook van deze uitdrukkingen oorspronkelijk anders en met de door ons boven beschouwde overeenkomstig geweest zal zijn. Vangen en grijpen zullen mede subjektief gebruikt zijn geweest. Ook vangen, even als grijpen en nemen, beteekende ontstaan. Men denke slechts aan aanvangen (beginnen), hetwelk tot vangen staat, als aanbreken tot breken (opengaan, ontstaan). Toen grijpen (greifen) in de uitdrukking: mich greift noth niet meer verstaan werd, zal men er met een kennelijken transitieven vorm noth begreift mich van gemaakt hebben.
W.G. Brill. |
1) Grimm, bl. 249.
|