WOORDEN UIT DE WATERLANDSCHE VOLKSTAAL.

Een der vorige jaargangen van de Taalgids in handen krijgende, viel mijn oog op de Bijdrage tot de kennis der Noordh. volkstaal, van D. van Kalken. - Veel der daar opgenomen voorden zijn in Waterland onbekend, of worden anders uitgesproken, daarentegen ontbreken de volgende woorden, die hier tot de levende taal behooren, geheel.

aars = anders. Ook in samenstellingen aarsom, enz.

aker = eikel, vrucht van den eik.

binksteken = zonder verlof de school verzuimen.

bòt = vliegertouw. Mijn bòt is 50 el lang.



[p. 309]

been (spr. uit bien) = voet. Opmerkelijk is 't, dat men hier altijd 't woord bien (been) voor voet gebruikt: koude bienen, natte bienen.

bakje (spr. uit bakkie) = schoteltje bij een kopje behoorende. Kop en bakkie (bakje).

brok = balletje, saletje, kokinje of hoe 't elders ook heeten moge. Ook in samenst. brokkeboer, balletjesmaker.

dakkie-de-man = krijgertje spelen. Een spel waarbij de een den ander onder 't loopen moet tikken, hier dakken.

démi = aanstonds. 't Zal démi gebeuren.

eens (spr. uit iens) arevs = van voren af beginnen. Ook wel van arevs (van aarts, eerst?) af.

hul = vrouwemuts met een breeden platten rand, die uitloopt in omgeslagen, wippende punten.

hengst = baleintje of rietje om de verstopte pijp door te steken.

hillekendal = geheel, geheel en al.

iemesdagen = korten tijd geleden.

koffielol = koffieketel. Bij den minderen stand permanent op de tafel, alleen bij 't middagmaal wordt hij verwijderd.

kadodder = jonge spreeuw, die nog geen veeren heeft.

kloet = kuiltje in den grond, om te knikkeren.

kloeteren = knikkeren.

knol = kleine karper.

konkelen = koffie drinken; t. w. 's morgens omstreeks elf uur, ook 't halfelfje genaamd.

loof = moede, afgemat. Ook in: ‘Ik ben hem allang loof;’ d.i. Hij verveelt me, hij is me een last.

loezem = klap, dien men iemand toebrengt.

meugebet = hij die tot een ambt geroepen wordt, nadat een eerst beroepene bedankt heeft. N. Beets gebruikt meugebet in zijn verhandeling over het populaire.

mier = tegenzin. Een mier aan iets hebben.

netje = zakje, waarmeê men in de kerken omgaat, om liefdegaven te innen.



[p. 310]

noozen = hinderen, leed doen. Het noost me, dat ik dien man ongeholpen moet laten gaan.

non = kop van een taatstol.

nettes = 't Is waar. Hoe algemeen ook, wordt dit enkel in den mond van kinderen gehoord.

paplok = pappan; n. l. pap voedsel, van zeer jonge kinderen.

poepekool = boerekool. Poep is hier ieder vreemdeling.

sabel = wollen das, bouffante.

schier = misschien, alligt. Wilt ge ook schier alles hebben?

sels = zeldzaam, vooral als parodie. ‘'t Is wat sels!’ zegt men b.v. als men muziek hoort, die niet veel te beteekenen heeft en voor wat goeds moet doorgaan.

snirs = een zeer kleine hoeveelheid.

strooijen = verliezen. Hij heeft zijn boek gestrooid.

snaar = aangehuwde zuster.

stuk (spr. uit stik) = boterham.

schelden = knorren. ‘Hij heeft schelden van meester gehad.’

stikziende = bijziende.

triem = sport van een stoel.

temèt = bijna. 't Kind was temèt verdronken.

toet = kindermond. 't Kind heeft een vuilen toet.

troet = een mengsel van water en meel.

verschieten = verschrikken.

vinken = stukje uitgebraden vet; elders kanen.

vliegen = hard of snel loopen.

vlook = ondiep. De sloot is te vlook.

 

G. Pilger, Lz.