De Taalgids. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Zesde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1864.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

Losse aanmerkingen betrekkelijk woorden, bij Vondel voorkomende,
door
Mr. A. Bogaers.
(Zie Dl. V. bl. 225.)

Meir. (Zee.)

In Vondels treurspel: de Amsteldamsche Hecuba, (uitg. v. 1628) luiden vers 315 en 316 aldus:

 
‘De zee haer baeren stilt, en langer niet meer woed,
 
En 't heele meyr bedaert, en mort met sachtren vloed.’

In het gebruik van meyr of meer voor zee ziet Dr. v. Vloten hier een germanisme. (D. I, bl. 173, k. 2 n. 13.)

Evenzeer als ten opzigte van het woord voorwerpen1), houden wij ons verzekerd, dat de hoogleeraar zich ten deze vergist.

[p. 2]

Meir is een oud Neêrduitsch woord, dat, in den voormelden zin, niet slechts ten tijde van Vondel, maar lang voor hem gebruikt werd, en, in den dichterlijken stijl nog ten huidigen dage gangbaar is.

Reeds in Maerlants Rijmbijbel, D. I, bl. 274, v. 6149. lezen wij:

 
‘- Hier wilde hi prisen
 
Marien, sterre van den mere.’

Ook in Maerlants Der naturen bloeme, D. I, bl. 448.

 
‘Delfijn, spreect Jacob eillustratie Solijn,
 
Dat wondre van den meere sijn,
 
Gheen dier, dat waent men wel,
 
Es in die zee so snel.’

Andere voorbeelden kan men vinden bij Melis Stoke, (zie zijne Rijmkronijk, B. III, v. 1069. B. VII, v. 1118. B. VIII, v. 46) gelijk ook later bij Herckmans, (z. der Zeevaert Lof, bl. 37, v. 5. bij Z. Heijns, (in het 4de gedeelte van Bartas Wercken, bl. 183. v. 9. v. o) bij J. de Decker, (Rijm-oeffeningen, D. I, bl. 115, v. 9) bij Poot, (Gedichten,

[p. 3]

(2de druk) D II, bl. 61, v. 1. v.o. en bl. 67. v. 6, v.o. enz.

Het kan dan ook geen bevreemding wekken, dat Vondel niet geschroomd heeft, zich menigmaal van dit woord in gez. beteekenis te bedienen; gelijk men, onder anderen, uit de navolgende plaatsen zien kan: als, het Pascha, (uitg. v. 1612) v. 750. v. 823. v. 1810. v. 1859, Ovidius Herschepp. B. VIII, vers 201. Ifigenie, v. 411. Maeghden, v. 482. Noah, v. 653. Hippolytus, v. 30 en v. 1265.

Ook uit dichters dezer eeuw zouden we menig voorbeeld kunnen aanvoeren, kortheidshalve meenen wij met de navolgende plaatsen uit Bilderdijk te mogen volstaan: Ondergang der eerste Wareld, (uitg. v. 1820) bl. 5, v. 13, bl. 103. v. 19, bl. 109, v. 2, bl. 111, v. 7, Krekelzangen, (uitg. v. 1822) D. I, bl. 7, v. 10, Vad. Uitboez., (uitg. v. 1815) bl. 23. v. 4, Nalezingen (uitg. v. 1833) D. II, bl. 1, v. 4. v.o. enz.

Hulde. (Gunst, genade.)

In het Inhoud van Vondels Hierusalem verwoest, (uitg. 1620) lezen we:

 
‘En hoewel de Keyzer hun vaeck hulde aanbood, en haer
 
beloofde in genade op te nemen, zoo zy haer goedwilligh
 
overgaven,…’

alsmede bl. 46, (vers 1505-1507).

 
‘Hoe vaecken hebdy met een ingeboren haet
 
Mijn Keyzerlijcke gunst, en goedigheyd versmaed,
 
Als ick u hulde aanbood, en uyt een mild ontfarmen
 
U zwoer gezamentlijck voor onheyl te beschermen:’

Op beide plaatsen zegt Dr. v. Vloten (I, bl. 122 en 136) ten opzigte van het woord hulde, ‘Germanisme voor gunst.’

Onzes inziens had hij, in plaats van Germanisme, hier moeten schrijven: echt oud Neerduitsch, maar in dien zin thans niet meer in gebruik.

[p. 4]

Hulde, in de beteekenis van favor, gratia vinden wij reeds bij Maerlant, Melis Stoke, van Ruusbroec en anderen. Zie b.v. den Spieghel histor. D. IV. bl. 416, v. 37 en den Rijmbijbel, D. II, v. 18448. v. 20404, voorts Melis Stoke, D. I, bl. 366, en de daar door Huydecoper bijgebragte voorbeelden; alsmede Van Ruusbroec, in Dat Boec van Seven sloten, bl. 81, r. 6. enz. Dr. Jonckbloets Glossarium op Van den Vos Reinaerde, i. v. enz.

Ook later heeft Revius in zijne Over-Ysselsche Sanghen het woord in dien zin nog gebruikt; als hij (bl. 113. v. 5-7) zingt:

 
‘Sijn mont is vol van lieffelycke reden,
 
Ja hy is vol van boven tot beneden
 
Van huld' en heyl. -’

Kort en juist zegt Bilderdijk in zijne Verklarende Geslachtlijst op Hulde. ‘Bij de Ouden was het zoowel gunst benedenwaarts, als vereering of erkentenis opwaarts gerigt.’

Zich aan iets keeren.

Zich aan iets niet keeren.

In Vondels dichtstuk, getiteld: de Vaderen, luidt v. 244 aldus:

‘Ick moet ('t magh gaen soo 't wil) aen syn bevel my keeren.’

Dr. v. Vloten (I, bl. 80, kol. 1. n. 9) acht dit almede een germanismus: ook hier zijn wij het weder met dezen taalgeleerde oneens.

Zich keeren, of niet keeren aan iets, in den zin van ‘zich iets aantrekken, of niet; zich aan iets gelegen laten zijn, of niet; zich om iets bekreunen, of niet’ is, buiten twijfel, oud Neêrduitsch, en was (ofschoon thans verouderd1) voor en ook nog in Vondels tijd bij de geachtste schrijvers in gebruik.

Ter bevestiging dezer stelling dienen de navolgende aanhalingen:

[p. 5]

Maerlants Spiegh. histor. IV. D. (Amst. 1849) bl. 5. (vers 71) en bl. 101. (vers 69) Maerlants Rijmbijbel, D. II, bl. 141. (vers 15968). Heimelijkh. der heimel. (uitg. v. Prof. Clarisse, bl. 109, (vers 2072). Theophilus (uitg. van Mr. Ph. Blommaert) bl. 80. (vers 87.)

In later tijd hebben we Spieghel: Hertspiegh. B. V, v. 408, Six: Medea, bl. 3, v. 2. v.o. Hooft, Henrik de Groote, (uitg. v. 1638. in 4to) bl. 26, v. 18. bl. 97, v. 8. v.o. bl. 102 r. l. v.o. Hooft, Ned. Geschied, (uitg. 1677) fol. 905. r. 5, Revius, Over-Ysselsche Zangen, bl. 207, v. 7, Poot, Gedichten, (uitg. 1726) D. I, bl. 11, v. 4. v.o. enz.; alle ons gezegde stavende.

Geen wonder dan ook, dat Vondel niet eens of tweemaal, maar op eene menigte plaatsen deze spreekwijze gebruikt. Wij geven slechts de navolgende op, die we gemakkelijk zouden kunnen verdubbelen: Poëzij, (uitg. 1682) D. I, bl. 296, v. 23. D. II, bl. 593, v. 15, Davids Harpzangen, (uitg. 1696) bl. 297, v. 4. Altaergeheim, (uitg. 1645) bl. 39, v. 15, bl. 192, v. 32, Gijsbreght v. A., (uitg. 1659) bl. 64, v. 33, Virgil. in onrijm, (uitg. v. 1646) bl. 129, v. 3, Virgil. in dicht, (uitg. 1696) bl. 5, v. 12, bl. 175, v. 25, bl. 235, v. 18, bl. 244, v. 4.

Na dit alles zal er wel ter bovenaangehaalde plaatse niet meer aan een germanisme te denken zijn.

Gezet. (Wet.)

In den Gulden Winckel, (uitg. van 1622) bl. 7, v. 7 lezen we:

 
't Gezet welck is gestelt door 't Goddelijck beleet.’

Dr. v. Vloten, (I, bl. 36, kol. 2 n. 7) ziet weder een germanisme in dit gezet. - Indien Vondel het daarvoor gehouden had, zou hij het gemakkelijk door De Wet hebben kunnen vervangen. Dit echter heeft hij niet noodig gerekend, en, zoo wij meenen, te regt. Gezet voor Wet is een regelmatig gevormd Neêrduitsch woord, dat, thans verou-

[p. 6]

derd moge wezen, maar voor en in Vondels tijd door de beste schrijvers gebruikt werd.

Zetten (gelijk bekend is, en nu nog uit het woord broodzetting blijkt) had oudtijds de beteekenis van verordenen, vaststellen: Statuere, Constituere. Bij Maerlant komt het in dien zin meermalen voor, en zoo vindt men het ook door Ten Kate opgegeven in zijne Aenleid. D. II, bl. 562.

Even goed nu, als van dichten, gedicht; van beden, gebed, enz., gevormd is, heeft aan zetten, gezet zijn oorsprong te danken. Het beteekent alzoo hetgeen verordend of vastgesteld is, met andere woorden, de wet, de verordening.

In Plantijns Woordenboek vinden we dan ook: Een Geset, Un Statut ou loy, en in dat van Kiliaen: Gheset, Lex, Constitutio1).

Gelijk Vondel het nog eens (zie Helden Godes, (uitg. 1620) bl. 4, v. 1) in dien zin gebezigd heeft, zoo treffen wij het ook aan bij Zacharias Heijns in zijne vertaling der werken van Bartas (uitg. in 4to) D. I, bl. 2, v. 7; bl. 17, v. l, v.o. bij H. de Groot, in zijne Ned. Gedichten, (uitg. 1844) bl. 242, v. 11. v.o. en bl. 279, v. 5, bij Roemer Visscher in zijne Brabbeling, (uitg. 1614) bl, 124, v. 20. bij Camphuysen in zijn Sticht. Rijmen, (uitg. 1647) bl. 137, kol. 1. v 11. v.o. en in zijn Uytbreyding over de Psalmen, Ps. 99, v. 6 bij Valentijn in zijne Overzetting van Juvenalis, (uitg. v. 1703) bl. 165, r. l, enz. enz.

Schele, oogschele.

In de Helden Godes, (uitg. v. 1727) bl. 23, v. 13-16, wordt de profeet Eliseus aldus sprekende ingevoerd:

 
‘De Weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaer
 
En zie dat myn weerdin haer zoon kust binnen 't jaer,
[p. 7]
 
Dien namaels ick verweckte, als zyn ghezicht gebroken,
 
De dood zyn lichten met zyn schelen had gheloken.’

Op het woord schelen teekent Dr. v. Vloten (I, bl. 111, k. 1. n. n. 2) aan: ‘schillen, vezels; verg. de spreekwijs van de schilllen die van de oogen vallen.’

Blijkbaar heeft de hoogleeraar den laatsten versregel niet wel begrepen. Meermalen gebruikt Vondel (gelijk de Latijnsche dichters lumina) lichten in den zin van oogen, (zie b.v. Hierusal. verwoest, (uitg. v. 1620) bl. 44, v. 13. en bl. 73, v. 10) en schelen, oogschelen zijn niets anders (zie Kiliaen) dan de oogleden, die het oog van het licht scheiden of schedelen, zoo als het oude frequentatief luidt. In Ovid. Heldinnebrieven (uitg. 1716) bl. 81, r. 15-17 leest men dan ook: ‘sdaeghs zag ik u met mijn oogen, 's nachts met myn gemoedt, wanneer de oogschelen van den gerusten slaep geloken zijn.’ - De bovenaangehaalde versregel heeft dus met vezels en schillen die van de oogen vallen, niets te maken, maar beduidt alleen: ‘als de Dood over des jongelings oogen de oogleden toegesloten had1).’

Onaardig.

 
Onaerdige! gaet heen, ontdraeght te deser stonde
 
Mijn' geest die eer, waar toe mijn' deughd u heeft verbonden.’
[p. 8]

Dus luiden (volgens het verhaal van den heraut Talthybius, in Vondels Amsteldamsche Hecuba, vers 305 en 306) de woorden, door de schim van Achilles den Grieken toegesproken.

Met het woord onaerdige schijnt Mr. v. Lennep (II, bl. 247) niet wel te regt te hebben kunnen komen. Dr. v. Vloten poogt in 't geheel niet, er eene verklaring van te geven, maar zegt kortaf, (I, bl. 173. Kol. 2. n. 7) dat het verkeerdelijk voor nalatige gebruikt is.

Dit afkeurend oordeel des hoogleeraars komt ons niet aannemelijk voor.

Naar we meenen, levert het vers niet alleen geen verkeerden, maar zelfs een zeer gepasten en krachtigen zin op, wanneer wij slechts door onaerdige, slechtgeaarden, ontaarden verstaan. Deze uitdrukking voegt immers volkomen in den mond van Achilles tegen de ondankbare Grieken, die hem het offer onthouden, waarop hij regt beweert te hebben. Opmerking verdient het dan ook, dat in het XIIIde Boek der Herscheppinge van Ovidius, waar, bij dezelfde gelegenheid, als in de Amst. Hecuba, Achilles geest sprekende ingevoerd wordt, Vondel hem (zie vers 634 en 635) deze woorden in den mond legt:

 
‘o Grieken, roept hij, zultge ondankbaer en veraert
 
Vertrekken, zonder aen mijn dapperheên te peizen?’

Dat veraert, bij de ouden, voor ontaard geldt, is genoegzaam bekend; maar dat onaardig ook in dien zin en voor slechtgeaard, verbasterd, snood, gebezigd wordt, willen wij met eenige voorbeelden staven

Bij Revius, in zijne Over-Ysselsche Sanghen, bl. 31 leest men:

 
‘De doren en de roos wt eene wortel spruyten,
 
Soo draecht oock eenen stam en vrome luy en guyten.
 
Het roosgen wort ge-eert, de dorenen veracht;
 
Soo is een deuchtsaem man een eer van zijn geslacht,
 
Maer een onaerdich soon maekt met sijn quade seden
 
Dat den gehelen stam te minder is geleden.’

Bij Camphuysen, in zijne Uytbreyding over de Psalmen, Ps 137. v. 4.

[p. 9]
 
‘Beschimpte ramp verdubbeling van lijden,
 
T' onaerdigh volck dat ons in onheyls tijden
 
Gevangen hiel' ontsloot (ach bitter lot!)
 
Ontsloot den mondt ter goddeloosen spot.’

Vergelijk ook Spieghels Hertspiegh, B. II, v. 270. B. V, v. 194. B. VI, v. 374, de Kantteekening no. 42 op Job. XXXIX, in den Staten-Bijbel, (door Dr. de Jager in zijne Latere Verscheidenheden, bl. 302, opgegeven) voorts Hooft, Tacitus, fol. 119, r. 13. v.o. fol. 203, r. 20. Anslo, Poëzij, bl. 36. v. 1. bl. 126, v. 12, v.o.; eindelijk de Woordenboeken van Plantijn en Kiliaen, waarin ook onaerdio̤h, in de beteekenis van degener, te lezen staat.

Leemtig, lemtig.

Als Vondel in zijn schoon en krachtig dichtstuk, getiteld: Lijckoffer van Maeghdeburgh, (Poëzy, I, bl. 62. v. 1) van Tilly's krijgsvolk spreekt, noemt hij die, met moord, roof en vrouwenkracht bezoedelde, horden

 
‘- leemtigh schuim.’

Dit leemtigh verklaart Dr. v. Vloten (I, blɹ. 291. k. 2. n. 8) door vuil; vermoedelijk op het voorbeeld van Mr. v. Lennep, die prof. Lulofs schijnt gevolgd te hebben.

Den jeugdigen of min geoefenden lezer, voor wien toch wel voornamelijk des eerstgenoemden taalkundige aanteekeningen geschreven zullen zijn, mag het welligt, bij eenig nadenken, bevreemden, dat de groote dichter, terwijl hij voor het overige met zulk een zwarte kool dit afgrijslijk geboefte teekent, zich hier vergenoegt met het blootelijk als vuil aan te wijzen.

Tot Vondels verontschuldiging zij dan ook gezegd, dat hij, en te regt, eene andere beteekenis aan leemtig gehecht heeft.

Leemte, of lemte, ook laamte (van Lamen, lemen; Minuere, mutilare) beteekent defectus, vitium, een gebrek, zoowel een ligchaams- als een zielsgebrek; en van daar beduidt leemtig

[p. 10]

of lemtig, vitiosus, behebt met ligchaams- of zielsgebreken, bedorven, slecht, snood.

Zoo vinden wij het woord ook gebruikt door De Brune in zijn Jok en Ernst (uitg. v. 1665) bl. 141 v. 14, v.o., waar hij spreekt van een ‘overgegevenen, eerloozen, lemptigen boozwicht.’

Dat het in dien zin door Vondel ter gez. plaatse genomen is, zal wel geen verder betoog behoeven.

Vlook.

In Vondels Poëzy (uitg. v. 1682) D. I, bl. 166 onderaan leest men:

 
‘De zeegodt, grijs van kop en kin en straf van oogen,
 
Die met zijn spitse vorck opborrelt uit den vloet,
 
En in een vloocke schulp van monsters wort getogen.’

Dr. v. Vloten (I, bl. 359, kol. 1, n. 1) verklaart dit vloocke, door vlotte, drijvende, en zulks waarschijnlijk op het voetspoor van Mr. v. Lennep (III, bl. 450); maar deze heeft later in eene aanteekening, voorkomende op bl. 465 van D. VIII (tot welke wij kortheidshalve verwijzen) zijne vroegere vergissing erkend en verbeterd. Grootendeels stemmen wij met dezen begaafden uitlegger daar ter plaatse overeen.

Naar onze bescheidene meening, beteekent vlook, in- of omgebogen, zoo dat het iets bevatten kan, en alzoo holachtig, welke laatste zin er door Meyer in zijn Woordenschat en door Hoogstraten in zijn Nederl. en Lat. Woordboek aan toegekend wordt.

Dat Vondel er ook voorzegde beduidenis aan gehecht heeft, blijkt vooral uit zijne vertaling van Horat. Carm. lib. II, Ode VII, v. 22 et 23. De woorden, daar voorkomende:

 
‘ - funde capacibus
 
Unguenta de conchis. -’

worden er dus overgezet:

 
‘Giet balssem uit de vloocke parlemoere schelpen.’

Duidelijk wordt almede de reden, waarom hij in zijn Eneas in dicht. (uitgaven van 1660 of 1696, die dezelfde paginatie

[p. 11]

hebben,) bl. 341, r. 14 de gersten korsten, welke bij het maal der Trojaansche zwervers tot teljoren dienden, en die hij in zijne proza-vertaling (bl. 251, r. 12 v.o.) vlacke korsten had geheten, liever den naam van vloocke korst gaf, als zijnde daardoor beter uitgedrukt dat holachtige, hetwelk, om de spijs te bevatten, aan een teljoor wordt gegeven.

Overigens, als hij in de versregels uit Virgilius vertaald, die de Opdragt voor zijn Hierusalem verwoest bevat, en die Mr. van Lennep bij de, door hem opgegeven, plaatsen had kunnen voegen, van

 
‘- de vloock gewelfde sterren’

spreekt, is het in het oog loopend, dat daarmede het koepelvormig hemelwelf wordt bedoeld, in welks open holte zich de sterren vertoonen1).

In eender geest schreef Hooft. Gedichten, fol. 250, 13.

 
‘Een vlooke boogh van buyen, staaghs beroert,
 
Is 't welfsel daar ghy 't hemelsch hof meê vloert.’

en Anslo, in zijne Poëzy, bl. 170. r. 1 (hoewel minder naauwkeurig):

 
‘Maalt hy de lucht, de vloocke wolken dryven.’

Juister is de uitdrukking in de plaats uit Brederoos ‘Het daghet uyt den Oosten’ (uitg. v. 1644), bl. 4, r. 6 v.o. (door den Heer Oudemans in zijn Woordenboek op dien schrijver aangehaald).

 
‘Ghy siet niet lievers dan de Vyand in 't gesicht:
 
Ghy siet niet lievers dan met grove kracht van ving'ren
 
De dolle bloed-vaen vloock, geestigh en zwierend' sling'ren.’

Uit al het voorgaande blijkt, dat vlook den vorm aanduidt van iets, dat zoo uitgehoold is, dat het iets bevatten kan, zonder evenwel gesloten te wezen. Daar wij in onze taal geen ander woord bezitten om dit denkbeeld naauwkeurig uit te drukken, is het jammer, dat vlook verouderd, ja, voor velen onverstaanbaar geworden is.

[p. 12]

Likken.

In Vondels Maeghden luiden vers 1552 tot 1556 als volgt:

 
‘- - haer diamante kroon
 
Verlichte straet en wal, door 't schitteren der steenen,
 
En 't kroonegoud, gelickt en goddelijck bescheenen
 
Van eenigh godlijck licht, dat met een ronden kring
 
Van tongen, rood als vier, om 't heiligh hulsel ging.’

Mr. v. Lennep (D. III, bl. 609) zegt: ‘Gelickt; dit woord behoort bij het in vs. 1556 volgende tongen: de konstruktie is echter vrij gewrongen.’ Dit is eene blijkbare vergissing, en zoo vergist zich niet minder Dr. v. Vloten, wanneer hij (I, bl. 395. k. 1. n. 3) gelikt door ontvlamd poogt uit te leggen.

Likken is niets anders dan glad maken; van daar, doen glansen, polijsten. Gelikt kroongoud is gepolijst kroongoud. De vurige tongen, die er hier op eene bovennatuurlijke wijze omheen schitteren, likken het niet, en hoe goud zou kunnen ontvlammen, blijft een raadsel.

Kiliaen, die 't oude adjectief Lick heeft, hetwelk aequus, planus (glad, effen) beteekent, geeft ook Licken op, maar in de onzijdige opvatting van geglansd zijn, Nitere. Bij Ghe-licken echter heeft hij Polire, complanare. Overigens vindt men het woord ook in den opgegeven zin in de meeste latere woordenboeken, en nog ten huidigen dage zegt men b.v. van verzen, die te zeer zijn geglad en gepolijst, dat ze te veel gelikt zijn.

Ongevallig.

In de Opdragt van het treurspel, Gebroeders getiteld, wordt van het rampzalige nakroost van Saul gesproken en daarbij ook Mefibozeth genoemd, die, als we weten, in zijn kindschheid door een val kreupel geworden was. Het epitheton hem door Vondel toegevoegd is ‘den ongevalligen Mefibozeth.’

Dr. v. Vloten (I, bl. 399, k. 1. n. 1) verklaard dit woord door onbehaaglijken, onbevalligen. Dit is verkeerd. Even als

[p. 13]

ongeval ongeluk - zoo beteekent ongevallig ongelukkig: gelijk bij Plantijn en Kiliaen te zien is.

J. v. Heemskerck in zijn Bat. Arcadia (uitg. v. 1678.) bl. 215, over de valsche beschuldiging van den ridder Jan van Vliet, en dezes ongelukkig uiteinde handelende, zegt: ‘soo wierdt deesen ongevalligen Edelman daer over in den Haege onthalst, en als een verrader gevierendeelt.’

Veil. (Veilig).

In de Warande der dieren (uitg. v. 1682) n. LVII, lezen wij:

 
‘Maer d'altijd kloecke Mier, verzorght in hare schuren,
 
De winter wonder veyl in weelde kon verduren.’

Op dit veyl teekent Dr. v. Vloten (D. L, bl. 65. kol. 1. n. 7) aan: ‘voor 't verlengde veilig.’ Op eene andere plaats heeft hij nagenoeg hetzelfde herhaald. Veil is, volgens hem, de oudere, later mingebruikelijke, korte vorm van dit adjectief.

Uit een vroeger door ons geschreven art. in dit Tijdschrift (D. IV, bl. 231) kan blijken, dat wij in een tegenovergesteld begrip verkeeren, en veil beschouwen, als ontstaan door een, meermalen o. i. bij de oude dichters voorkomende, licentie, t. w. door de weglating of afkapping van den uitgang ig.

Daar echter de hoogleeraar herhaaldelijk zoo stellig gesproken heeft, durven we vertrouwen, dat hij afdoende bewijzen bezit voor hetgeen, zonder eenige aarzeling, door hem verzekerd wordt. Hij, die in onze oudste Nederduitsche prozaschrijvers zoo t' huis is, en daaruit zelfs eene belangrijke bloemlezing heeft in het licht gezonden, zal er gewisselijk dat primitive veil in hebben ontmoet. In dat geval kan het zeker geene poëtische vrijheid wezen. Mogt hij het echter in proza niet aangetroffen hebben, dan zou het toch nog van veel gewigt zijn, indien hij ons aantoonde, dat de oudste Nederduitsche rijmschrijvers veilig niet, maar wel veil gebruikten. Hoe het zij, wij mogen niet denken,

[p. 14]

dat hij zijne bloote gissingen, als beproefde waarheden, aan de minkundigen, voor wie hij zijn Vondel uitgeeft, zou opdisschen. Derhalve schorten we ons oordeel op, en stellen we den hoogleeraar beleefdelijk in mora om, in het belang der waarheid, uit den schat zijner taalkennis de bewijzen bij te brengen, die zijne stellige en herhaalde verzekering boven allen twijfel verheffen.

Steekte.

In den Sofompaneas (uitg. v. 1655) v. 658-661 leest men:

 
‘- d'arts moet niet alleen
 
Verstaen, hoe hoogh de brand der koortse sij gestegen
 
En waer 't den siecke schort, wat steeckte hem verlegen
 
Van pijne kermen doet, maer d'oirsaeck zien…’

Dr. v. Vloten heeft hier (I, bl. 314, kol. 2. n. 7) steeckte in ziekte veranderd, dat wel niet zeer fraai klinkt, dewijl siecke pas voorafgaat; maar, zegt hij:

 
‘Zoo lees ik voor steekte, dat geen woord is.’

Vondel heeft er anders over gedacht. Kiliaen, gelijk ook Plantijn, staan aan zijne zijde. De eerste heeft stekte, Pungens dolor, de tweede Een steeckte, Une tranchée au ventre ou ailleurs au Corps, en eene steeckte in de zijde, une tranchée de costé.

Het vers had dus moeten blijven, zoo als het was, waarbij de welluidendheid gewonnen had1).