De Taalgids. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Zesde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1864.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Losse aanmerkingen betrekkelijk woorden, bij Vondel voorkomende
door
Mr. A. Bogaers.

(Zie Dl. V. bl. 225 en Dl. VI. bl. 1.)

Bedut. Dut. Dutten.

In Vondels Helden Godes vangt het Bijschrift, getiteld Joseph, aldus aan:

 
‘Ick hadde in 's vaders hert de voorplaetze ingenomen:
 
Mijn Broed'ren zulcx verdroot: 't gheheym van myne dromen
 
Haer gramschap feller sleep, waerom als ick ghegaen
 
Op 't veld quam riepen zij: daer komt de droomer aen,
 
Dat geld hem zynen kraegh, zoo derf hy niet meer zuyghen
 
Uyt zynen duym, dat wy, elf sterren, voor hem buyghen,
 
Slae doot die jonghe wulp! maer Ruben noch bedut
 
Te weegh bracht datze in 't hol my lieten van een put.’

Dr. v. Vloten (I. bl. 106. k. 2) heeft in reg. 7 achter bedut en voor noch een comma geplaatst, en zegt dan in de noot no. 2, dat bedut staat ‘voor bedacht, beraden.’

[p. 107]

Het een, zoowel als het ander, is verkeerd. Wil men de ontbrekende leesteekenen aanvullen, zoo moet men bedut in parenthesi of tusschen twee commaas zetten, en, wat de beteekenis van dit woord aanbelangt, deze is nooit bedacht, beraden, geweest.

Gelijk (zie de Taalgids. D. V. bl. 226) reeds bij dutten het geval was, zoo heeft ook de geleerde aanteekenaar den zin van bedut niet gevat1).

Dut (Fr. Doute, Eng. Doubt) beduidt bij Vondel, o.a. twijfel, onzekerheid, en vandaar bezorgheid, vrees, enz.

Zoo roept, in zijn Joseph in Dothan, v. 1321, Ruben uit, als hij (gelijk in de hiervoren aangehaalde plaats) onzeker en beangst is omtrent het lot van Joseph:

 
‘Och, broeders, spreeckt recht uit, en help my uit den dut,
 
Och, zeght, waer Joseph bleef -.’

Even nu als beangst, bezorgd, de beteekenis heeft van beladen met angst, met zorg; op gelijke wijze wordt door bedut

[p. 108]

uitgedrukt: beladen met twijfel, onzekerheid, kommer, vrees, en de daaraan verwante beteekenissen.

Op meer plaatsen komt dit woord bij onzen dichter in dezen zin voor:

Zoo zingt hij, den moed verheffende, door Frederik Hendrik in zijne jeugd betoond (Poëzy, uitg. 1682. I. bl. 105):

 
‘- - ghy voerde 't heyr op d' alderuyterste oorden:
 
Daer ghy, hoe jongh en teer, de schorre donders hoorde,
 
En met uwe oogen saecht, (en waert niet eens bedut)
 
De blixems van het grof, en van het kleyn geschut.’

en in datzelfde 1ste Deel. bl. 139.

 
‘- Men hoorde Oranje lossen
 
Tot zevenmale toe al 't grof en kleen geschut.
 
De berghgoôn keken uit vol twijffels en bedut.’

Ook bij andere schrijvers komt het woord in den opgegeven zin voor.

De Brune, in zijn Jok en Ernst, bl. 33. r. 11 v.o., hecht er de beteekenis aan van ‘in 't onzekere zijnde, bezorgd,’ wanneer hij schrijft:

 
‘Koning Henrik de vierde was eens zeer bedut, omdat
 
hy niet en wist, wien hy voor Bolonje zou senden; dat
 
van al de weerelt voor onnemelik wiert gehouden,...’

Voor bekommerd, beangst, gebruikt Camphuysen het in zijne Stichtel. Rijmen (1649) bl. 269. kol. 2. r. 1;

 
‘'t Hert, geprangt, verlangt na hulpe, 't hert is angstig en bedut,
 
't Hert waer over lang besweken, waert door hoop niet onderstut,’

gelijk mede in zijne Uytbreyding over de Psalmen, Ps. 119. v. 41.

 
‘Het hert, benert, is angstig en bedut,’

Dit zij genoeg om aan te toonen, welke t. a. p. de ware beteekenis van het woord bedut is. Hoe verre 's hoogleeraars omschrijving door bedacht, beraden, daarvan afwijkt, loopt in het oog.

[p. 109]

Deunen.

In Vondels vertaling der Heldinnebrieven van Ovidius, bl. 90, leest men den navolgenden volzin, door Helena aan Paris gerigt:

Schoon ik niet stuurs van gelaet of trots van opzigt ben, mijn naem evenwel is zonder smet; en tot nogh heb ick zonder laster gedeunt: en geen overspeler heeft roem op mij.

Dr. v. Vloten (I. bl. 508, kol. 2) heeft gedeunt in geduurd veranderd. ‘Zoo lees ik (zegt hij in noot 1) voor gedeund, ‘en 't Lat. vixi.’

Dat laster hier staat voor euvel of misdaad is bekend; maar dat Vondel ooit van eene vrouw zou geschreven hebben, dat ze duurde, voor leefde; dit zal wel onbewezen blijven1).

[p. 110]

Een der beteekenissen van deunen (dat ook voor zingen, neurien, enz. gebruikt wordt) is schertsen, jokken, mallen enz. (ludere, jocare, nugari Kil.)

[p. 111]

In dezen zin komt het meer voor bij Vondel.

Zie b.v. den Gysbreght van Aemstel, v. 539; waar Willebord tot Diederick van Haerlem zegt:

 
‘'k Geloof gy deunt met my,’

en deze hem antwoordt:

 
‘'t Is errenst, en geen spel.’

Desgelijks lezen wij in den Inhoud van B. III der Vertaling van Ovidius Herschepping:

‘Jupiter korts hierna met Juno deunende, wie van hun beide Venus meest toegedaen was, stelde het geschil aen Tiresias uitspraeck.’

Ook in denzelfden XVIIden Heldinnebrief, als waarvan

[p. 112]

hier sprake is, wordt de uitdrukking in v. 153. ‘Lude, sed occulte,’ door Vondel, bl. 94, r. 7 v.o. vertaald: ‘Deun vry, maar heimelyck.’

Wel begrepen, beduiden dus de woorden van Helena, in den hoofde dezes vermeld, zoo veel als: ‘ik ben wel niet stuursch of norsch: vroeger moge ik soms geschertst (gebadineerd, gecoqueteerd) hebben; doch tot iets kwaads of misdadigs is het nooit gekomen.’

Wil men nu weten hoe het komt, dat, in plaats van Vondels tekst in dezen gezonden zin op te vatten, Dr. v. Vloten hem het wonderlijke geduurd in den mond heeft gelegd; de reden ligt voor de hand. De (toch zeer natuurlijke) twijfel, of Vondel niet eene andere lezing in den oorspronkelijken auteur gevolgd had, dan die de hoogleeraar kende, is bij dezen niet opgekomen. Die twijfel zou hem anders welligt tot onderzoek en tot de waarheid gebragt hebben. In oude uitgaven van den Latijnschen dichter (b.v. die bij Aldus. Venet. 1515. T. I. p. 45) wordt in vers 17 der XVIIde Heroïde niet gelezen:

 
‘- et adhuc sine crimine vixi.’

maar in plaats van vixi, lusi, hetwelk Vondel te regt door deunde vertolkte.

Dat de hoogleeraar dit niet wist, is zeer verschoonlijk; maar dat hij duurde, in plaats van deunde, liet drukken, dit kan er minder door. Eene vrouw, die duurde (voor leefde), is geen Hollandsch.

Uitgemaakt. Uitmaken.

In het 2de bedrijf van Vondels Maeghden tracht de wigchelaar Beremond, met kracht van redenen, Attila van zijne liefde tot Ursul af te schrikken. Onder anderen waarschuwt hij hem, dat men doodvijanden niet vertrouwen moet, als voorbeeld aanhalende, hoe eens Holophernes verraderlijk om het leven was gebragt door Judith, die hem door hare

[p. 113]

schoonheid bekoord had. Bij deze gelegenheid wordt Judith (zie vers 757) genoemd:

 
‘ Een uytgemaeckte weeuw -’

Dr. v. Vloten (I. bl. 388. kol. 1. n. 4) verklaart uitgemaakt door uitgegeven voor.

Naar 's hoogleeraars voorstelling gaf dus Judith, geen weduw zijnde, (ten einde Holophernes te behagen) zich voor eene weduw uit. Dit luidt wel een weinig vreemd. Maar geeft misschien het geschiedverhaal (er staan zulke wonderlijke zaken in de Apocryphe Boeken) eenige aanleiding om te vermoeden, dat de Assyrische veldheer een bijzonder zwak voor weêuwen had? Wanneer men het Boek Judith opslaat vindt men niets van dien aard; maar integendeel leest men in Hoofdst. XII. v. 13, dat Judith wel degelijk een weêuw was, die naar alle waarschijnlijkheid (zie Hoofdst. VIII. v. 35.) zich voor eene jonkvrouw had laten doorgaan. Een uitgemaakte weêuw kan dus bij Vondel niet beduiden een maagd, die, om te bekoren, zich voor een weêuw had uitgegeven. Maar uitmaken heeft dan ook bij onze schrijvers nooit de beteekenis van uitgeven voor, doch wel (gelijk men bij Kiliaen zien kan) die van heimelijk uitzenden en ook van omkoopen; Clam submittere, Subornare. En nu wordt het duidelijk, dat de wigchelaar Beremond Judith wilde doen voorkomen als eene weduw, die verraderlijk uitgezonden of misschien wel omgekocht was om, in het belang van haar volk, diens vijand van het leven te berooven.

In dienzelfden zin treft men uitmaken aan in den Palamedes, vers 1050, en in het Kort Begryp van den Gysbreght van Aemstel, gelijk ook in Marnix Roemschen Bienkorf, (uitg. van 1572.) fol. 220. verso. r. 17 en fol. 236. verso. r. 9, alsmede bij Camphuysen in zijne Uytbreyding over de Psalmen: Ps. XXXV. v. 7.

[p. 114]

Hulden.

In Vondels Hymnus ofte Lof-ghesangh over de wyd-beroemde Scheeps-vaert der Vereenighde Nederlanden (vers 82) wordt aan 's Lands oude Overheid de naam gegeven van

 
‘- gehulde graven.’

Dr. v. Vloten (I. bl. 81. kol. 1. n. 10) teekent hier op aan: ‘verkeerdelijk voor gehuldigde.’

Dat verkeerdelijk past beter op 's hoogleeraars aanteekening, dan op het door Vondel gebruikte woord.

Hulden den lands-heere, is (zegt Kiliaen) Inaugurare principem, initiare principatui: praestare domino juramentum fidelitatis, vulgò homagiare.’

In onze oude Kronijken kan men tal van voorbeelden vinden, die het bevestigen. Zie (om er slechts één te noemen) die van den Klerk uit de laage landen, (uitg. 1740) bl. 47. r. 11. bl. 82. in de aant. bl. 149. r. 23. enz. De zaak is te bekend, dan dat wij er langer stil bij mogen staan.

Begrijzen.

In Vondels Pascha luiden v. 1773-1780, als volgt:

 
‘Die in 's Heeren straffe tijdich
 
Blijft verstoct, versteent partijdich,
 
Daer een yeder roe als vrient
 
Hem tot beteringhe dient:
 
Want de strengheyt Gods ten lesten
 
Yeder een kastijdt ten besten,
 
En syn geessel al begrijst
 
Op een grooter roede wijst.’

Dr. v. Vloten (I. bl. 25. k. 1. n. 11) zegt, dat begrijsd bejammerd beteekent. Dit is eene dwaling.

Begrijsen komt meermalen bij onze oude schrijvers voor, niet in den zin van bejammeren, maar wel in dien van ‘met een dwars, wrevelig of nijdig gezigt aanzien, begrimmen, begrijnzen, enz.’

[p. 115]

Zoo, b.v. als Ovidius (Art. amat. L. 1. v. 313 en 314) van Pasiphaë zingt:

 
‘Ah quoties vaccam vultu spectavit iniquo,
 
Et dixit, Domino cur placet ista meo?’

dan geeft de dichterlijke Mr. J. van Heemskerk (zie zijne Minne-Kunst. Amst. 1626. B. I. bl. 20. bovenaan) dit in deze woorden weder:

 
‘Helaes! hoe vaeck heeft sy een Koe met quade oogen
 
Begresen, en geseydt; waerom heeft dees 't vermogen
 
Dat sy mijn Lief behaeght? -’

Men ziet, dat hij, niet, gelijk Vondel, het deelwoord begrijsd, maar begresen gebruikt: zoo doet ook Anna Bijns in het IIIde Boek harer Refereynen (Antw. 1567). Refer. 59. v. 8.

 
‘En hy is verresen
 
Die van den Joden versmaet was en mispresen
 
In haren raet bespot en begresen.’

Ook Huygens heeft begrijsen: (zie zijne Korenbloemen, (uitg. v. 1672) D. I. bl. 446. r. 12. v.o.) door Bilderdijk is er, in het D. V. zijner uitgave, op aangeteekend: ‘Begrijsen, waarvoor wij thands begrijnzen zouden zeggen, d.i. begrimmen.’

Overigens wat de bovenaangehaalde versregels van Vondel aanbelangt, zoo is het duidelijk, dat zij eene algemeene aanmerking inhouden, wier zin is, dat God den mensch ten zijnen beste kastijdt, en dat, al wordt Gods straffende roede met een grimmig gelaat aangezien of met wrevel gevoeld, zij toch den mensch opmerkzaam maakt, dat, zoo hij zich niet betert, hem hier namaals een nog strenger roede wacht.

IJzen, eizen.

In den Sofompaneas, (uitg. v. 1635) v. 293-296, leest men:

 
‘Soo sleet die droeve tijd, tot dat
 
't Gesicht des konings hart deê ysen,
 
En hy verbaest d'Egyptsche wijsen
 
Vergeefs om raed versocht en bad.’
[p. 116]

Op ysen teekent Dr. v. Vloten (I. bl. 311. k. 2. n. 3) aan: ‘Rijmshalve voor eizen.’

Ieder mingeoefend lezer moet hieruit opmaken, dat Vondel een woord, anders met ei door hem gespeld, nu eens, om te rijmen, met een y heeft geschreven. In een gezonden zin kan rijmshalve niets anders beduiden. Moest het alleen beteekenen, dat ysen en wijsen gebruikt waren als rijmklanken, dan zou bij al de rijmwoorden van Vondel Rijmshalve aangestipt kunnen worden.

De bij den onkundige alzoo verwekte waan, dat onze hoofddichter yzen of ijzen slechts om 't rijm gebruikte en anders niet, wordt nog versterkt door dat de hoogleeraar in zijne uitgave overal stilzwijgend eizen in plaats van ijzen heeft gelieven te laten drukken.

Ondertusschen staat het vast, dat Vondel nooit het w. w. eizen, maar altoos het w. w. ijzen gebezigd heeft.

Waar is het echter, dat in ons oud Neêrduitsch eizen voor afschrik gevoelen, horrere, voorkomt. Huydecoper heeft het reeds aangeteekend, (en het is hem dikwijls nagezegd) dat dit eizen een Gothischen oorsprong heeft.

Doch niet minder waar is het, dat ook ijzen (van ijs afgeleid) tot onze taal behoort en daarin de beteekenis van vriezen, bevriezen, heeft. Zoo leest men bij Plantijn (die het w. w. eizen niet schijnt opgenomen te hebben) ijsen, ijs werden, vriesen. Devenir glace, glacer. Glaciare, gelare.

De overgang dezer beteekenissen op die van ijskoud zijn, ijskoud worden, ligt voor de hand, en, daar nu de gewaarwording bij afschrik en afgrijzen een gevoel van kilte en koude is, (dikwijls ook bij Vondel uitgedrukt), zoo valt het ligt te begrijpen, dat men bij overdragt er toe kwam om te zeggen ijzen van schrik, of afschuw; gelijk de Franschen de spreekwijze gebruiken van être glacé d'effroi, d'épouvante, etc.

Ook is het niet onnatuurlijk, dat dit ijzen, waarvan 't algemeen de beteekenis verstond, en hetwelk duidelijk en krachtig tot de verbeelding sprak, allengs de voorkeur heeft

[p. 117]

gekregen boven eizen, welks ware zin slechts hun grondig bekend kon zijn, die met het Gothisch vertrouwd waren.

Bij Kiliaen intusschen vindt men beide woorden nog. Men leest bij hem IJsen. j. eysen. Horrere. en ook Eysen. quibusdam ijsen. Horrere. Doch men merke op, dat hij ook Eys. j. ijs. Glacies heeft, alsmede eyselickheyd en ijselickheyt, door hem omschreven (let wel!) als Frigidus horror, Gelidus terror, Gelidus timor.

Geen wonder derhalve, dat Winschooten in zijn Seeman. bl. 92 zegt: ‘IJsen, soo koud werden als ijs: oneigendlijk, soo schrikken, dat er als een ijsing door de gantse leeden gevoeld werd.’

Dat zelfde denkbeeld ziet men mede doorschijnen bij Vondel, wanneer hij in zijn Virgilius in dicht. (uitg. v. 1660 en 1690) bl. 168. r. 17 en 18, deze woorden gebruikt:

 
‘ Al 't leger stont verbaest om 't antwoort en Godts wil:
 
Het ijsde, kout van schrick, -’

Opmerking verdient het dan ook, dat Huydecoper ijzen geenszins heeft durven verwerpen, maar integendeel zijn gevoelen (zie Proeve II. bl. 343. r. 10 v.o.) dus zamenvat: ‘wij mogen dan ijzen en eyzen, schoon 't inderdaad bijzondere woorden zijn, onverschillig gebruiken: het eerste oneigelijk, even als Bevriezen, voor koud worden; hetwelk een uitwerking van den schrik is, het tweede eigelijk, als schrikken.’

Van dit verlof is echter geen gebruik gemaakt. Als een onbetwistbaar feit staat het vast, dat sinds de eerste helft der XVIIde eeuw ijzen het verouderde eizen (de tastbare reden hebben wij hiervoren opgegeven) geheel heeft vervangen. Tot den huidigen dag toe hebben alle schrijvers van naam en gezag (zonder uitzondering) ijzen gebezigd. Dit woord heeft (om zoo te spreken) eene praescriptio longissimi temporis in zijn voordeel, en, indien op taalgebied het gebruik die magt nog bezit, die Horatius reeds er aan toekende, dan zal het burgerregt er van wel tot de best gevestigde regten behooren.

[p. 118]

Dr. v. Vloten heeft dus (naar onze bescheidene meening) zeer verkeerd gedaan met Vondels ijzen overal in eizen te veranderen: maar dubbeld verkeerd, door het den minkundigen te doen voorkomen, alsof Vondel ijzen slechts rijmshalve gebruikte.

IJslijk, eislijk.

In de Heerlijckheyd van Salomon luiden v. 1003 en 1004 als volgt:

 
‘Hy venstert een geberght dat rijst nae boven ijs'lijck,
 
En temt flucx den porphier van d' eeuwen onverbrijs'lijck.’

Dr. v. Vloten heeft goedgevonden in zijne uitg. D. I. bl. 92. kol. 2. r. 19, stilzwijgende, voor ijs'lijck te laten drukken eislijk. Dit verdient dubbele afkeuring. De onbedreven lezer wordt er door in den waan gebragt, eensdeels dat Vondel ijslijk niet gebruikte, anderdeels dat hij wel eens ei met ij liet rijmen, hetgeen hij niet alleen nooit gedaan heeft, maar ook, wegens het verschil van uitspraak in zijn tijd, niet doen konde.

Ondertusschen is het waar, dat, evenzeer als Kiliaen zoowel Eyselick als ijselick, voor Horridus, heeft, dus ook door Vondel beide deze woorden gebruikt zijn, niettegenstaande alleen ijzen als w.w. bij hem voorkomt.

IJslijk wordt b.v. gevonden in de Maeghden, waar vers 1582 en volg. dus luiden:

 
Jul. ‘Daer komt het yslijck spoock en durf het overschryen.
 
Att. Is 't wonder dat mijn hair hier door te berge rijs?
 
Urs. Bevriest uw hart noch niet zoo stijf en kil als ijs?

Zie ook Peter en Pauwels, v. 801, Ovid. Herschepp. B. XII. v. 187. Amst. Hecuba. v. 757 en 1535. enz.

Eiselijk treft men aan in dezelfde Hecuba, v. 667 en 706. Zoo ook in het Pascha. v. 770, v. 802, v. 1877. enz. enz.

Na hetgeen in ons voorgaand art, gezegd is, behoeven we hier niet over de afleiding van beide woorden uit te weiden. Dat eislijk van eizen, en ijslijk van ijzen (ijskoud worden)

[p. 119]

afstamt, loopt in het oog. Kortelijk echter moeten we aanstippen, dat, schoon eislijk in Vondels jongeren tijd nog gebruikt werd, dit toen alreeds aan het verouderen was, en weldra door ijslijk geheel is vervangen. Zelfs bij Hooft ontmoet men alleen ijzen en ijslijk. Sedert is eislijk (even als eizen) geheel in onbruik geraakt. Gedurende meer dan twee eeuwen hebben al de schrijvers, die aan het hoofd onzer letterkunde staan, ijzen en ijslijk geschreven. Zoo zelfs heeft Bilderdijk gedaan, die ons oud, van het Gothisch afstammend, eizen kende, en overigens niet schuw was van een verouderd woord te gebruiken, wanneer het hem in het vers van pas scheen. Om al deze redenen (wij herhalen het) komt het ons voor, dat het geen gelukkige inval mag genoemd worden, toen Dr. v. Vloten in zijnen al te grooten ijver om Vondel te verbeteren, op de gedachte kwam om overal, waar deze ijzen en ijslijk verkozen had, hem eizen en eislijk, of 't ware, op te dringen; daarbij nog het den misleidenden schijn gevende, alsof Vondel-zelf slechts rijmshalve nu en dan van deze schrijfwijze afgeweken was.

Achtslaan.

Ter toetsing van Dr. v. Vlotens verdediging, (zie Taalgids, V. bl. 59) moeten we hier even terugkomen op de vroeger behandelde plaats uit Vondels Hierusalem verwoest, (uitg. v. 1620. bl. 50) luidende:

 
‘Wy Priesterlycke Reijen
 
- - - - - - -
 
Niet hebben acht geslagen,
 
En d' onverwachte plagen,
 
En 't voorspoock dat ons daeglycx met verwoesting dreygde:’

Wij hebben dezen volzin opgevat, als had Vondel het woord achtslaan, (naar het voorbeeld van Spieghel) even gelijk gadeslaan, als een bedr. w.w. gebruikt en gezegd: ‘wy, Priesterlijke Reijen hebben én de onverwachte plagen én 't voorspook, ‘dat ons daaglijks met verwoesting dreigde, niet gadegeslagen.’

[p. 120]

Bij die opvatting werd er in Vondels dichtregels niets veranderd.

Dr. v.Vloten is van een ander gevoelen geweest en heeft in zijn uitgave laten drukken:

 
‘Wij, Priesterlijke Reyen,
 
- - - - - - -
 
Niet hebben acht geslagen
 
In de onverwachte plagen
 
En 't voorspook, dat ons daaglijks met verwoesting dreigde.’

Onzes inziens behooren bij de kritiek deze twee algemeene regels vast te staan, t. w.

1o. dat men in den auteur niets verandere zonder volstrekte noodzakelijkheid, en

2o. dat, indien eene verandering volstrekt noodzakelijk gekeurd wordt, die verandering eenen goeden zin moet opleveren en in waarheid eene verbetering zijn.

Wat het 1e punt aanbelangt, zoo wil Dr. v. Vloten niet aannemen, dat Vondel, op Spieghels voetspoor, achtslaan hier als bedr. w.w. zou gebruikt hebben, ‘omdat een taalverwringer als Spieghel, bij zulk een ongewoon, om niet te zeggen onmanierlijk gebruik van het anders onzijdige werkwoord, geen gezag hebben kan.’ Dadelijk echter valt hierbij in het oog, dat het niet de vraag is, of Vondel wél gedaan heeft, op spieghels gezag, achtslaan, t. a. p. als bedr. w.w. te gebruiken; maar wel of het niet mogelijk is, dat de jeugdige Vondel hier éénmaal het voorbeeld gevolgd heeft van een man, die bij zijne tijdgenooten als een voortreffelijk dichter en kundig taalbeoefenaar bekend stond. Dat dit met Spieghel het geval was, weet Dr. v. Vloten, en wie het niet weet, kan er in IJpeijs Beknopte Geschiedenis der Nederlandsche Taal. D. I. bl. 409 en volg. de uitvoerige bevestiging van lezen. Die mogelijkheid nu (en dit is hier genoeg) valt niet te betwijfelen. Vondel kon niet anders dan met de schriften, door Spieghel uitgegeven, bekend zijn; ja, dat hij zelfs de onuitgegeven kende, blijkt uit de Opdragt van den Joseph in Dothan.

[p. 121]

Wat voorts 's hoogleeraars bewering betreft, dat, indien men hier achtslaan als bedr. w.w. aannam, er in den tekst, naar Vondels taalgebruik, noodwendig noch en niet en zou moeten gelezen worden; zoo meenen we, dat zulks zeer onjuist is. Niet altijd volgt bij Vondel noch op een voorafgaand negatief. Zoo leest men in de Heldinnebrieven, bl. 155. ‘Hebt gy door 't gerucht niets gehoort van de beroerte in vaders huis ontstaen en de droevige rampen ons overgekomen,’ en in de Poëzy, I. bl. 464. v. 7. ‘Zijn drietal, niet gezengt aen kleet en hair.’

Doch ten 2e (hetgeen hier alles afdoet) al ware Vondels tekst, zoo als die daar ligt, niet aannemelijk, dan nog blijft de verandering, die de hoogleeraar er in heeft laten drukken, verwerpelijk, omdat Vondel nooit zulk Neêrduitsch kan geschreven hebben. - 's Hoogleerars lezing:

 
‘Wy, Priesterlyke Reyen,
 
Niet hebben achtgeslagen
 
In de onverwachte plagen
 
En 't voorspook dat ons daaglijks met verwoesting dreigde.’

is en blijft wartaal; aangenomen zelfs de onverdedigbare opvatting; als stond in de plagen en in het voorspook voor onder de plagen en onder het voorspook. Achtgeslagen toch levert geen gezonden zin op, indien men er niet bij vermeldt, waarop acht geslagen wordt. Nooit heeft Vondel acht slaan, zoo geheel in de lucht hangend, gebruikt, en ook bij andere achtbare schrijvers zal Dr. v. Vloten geen voorbeelden er van weten aan te wijzen.

Genoeg om aan te toonen, dat, hoe men de zaak ook wende of keere, de verandering, door den hoogleeraar in den tekst gebragt, nooit had behooren gedrukt te worden.

 

Rotterdam, den 20sten Mei 1864.