De Taalgids. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Zesde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1864.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De afleiding en spelling van omtrent.

Bedrieg ik mij niet, dan is Bilderdijk de eerste geweest, die den vorm van dit woord heeft zoeken te verklaren. In het 4de deel zijner Nieuwe taal- en dichtkundige verscheidenheden, blz. 33, leest men: ‘omtrent is omgetrant, dat is omgestapt, omgegaan, van om en tranten, waarvan 't naamwoord trant en het verbum frequentativum trantelen.’ Wat hij in zijne Spraakleer, blz. 246, zegt, is niet volkomen hetzelfde en zeer verward; hij dobbert daar tusschen het tegenwoordige en het verleden deelwoord, en houdt trant voor een substantief. ‘Omtrent is omgaande [tegenw. deelw.], of liever ‘(als participium praeteritum van een verbum neutrum) omgegaan, en derhalve van om en trant, d.i. loop, gang. Welk trant eigenlijk tre-end, participium van tre-en of treden is, en een frequentativum trantelen maakt.’ - In zijne Verklarende geslachtslijst is het wederom eenigszins anders. Aan het slot van het artikel trant heet het: ‘Ik merk nog aan, dat ons omtrent, in de omtreding is, van dit trant.’ Trant wordt daar genoemd een ‘participium van tra-en (treden).’

De verwantschap van omtrent en trant is zeer goed mogelijk, doch de afleiding van beide verkeerd, maar geheel in den geest van Bilderdijks tijd, toen men gaarne alle woorden

[p. 218]

tot stammen, of zoogenaamde wortels, van twee of drie letters terugbracht. De afleiding van treden gaat niet op, hoe men omtrent ook neemt, hetzij als tegenwoordig hetzij als verleden deelwoord. Treden vertoont in alle Germaansche talen de tongletter d, in het Hoogduitsche treten natuurlijk, overeenkomstig de wet der klankverschuiving, de t. Doch omtrent werd reeds gebezigd door Maerlant, Stoke, Van Velthem, Noydekin en andere Middelnederlandsche schrijvers; het bestond dus reeds, en dat wel in zijn hedendaagschen vorm, in het tijdperk, toen men nog niet, zooals tegenwoordig niet zelden geschiedt, de d tusschen twee klinkers uitwierp, maar er integendeel dikwijls eene invoegde, gelijk in belijden van mnl. li-en, bevrijden van vrij, wijden van mnl. wi-en, vlieden van vliegen en andere getuigen. Als men dat bedenkt, dan zal men erkennen, dat trant en (om)trent, als deelwoorden van treden niet veel waarschijnlijks hebben. Trant, met de a van den verleden tijd trad, behoort tot de onmogelijkheden: de tegenwoordige deelwoorden hebben steeds de vocaal van den tegenwoordigen tijd; en het verleden deelwoord van treden luidt niet getrad, maar getreden, vroeger, en in het Vlaamsch nog, getroden. Was omtrent zooveel als omtre-end, dan zou men, althans in het Middelnederlandsch, eene lange vocaal, omtréénd, moeten hebben, gelijk in vriend van vri-en (vrijen) en hd. Feind van fi-en (vrijen, haten); intusschen is het overal en altijd onveranderlijk omtrènt met de korte è.

Omtrent op te vatten als ongetrent, ongescheiden, van hd. trennen, scheiden, gaat ook niet. Het woord trennen is geen Nederlandsch, en omtrent heeft omgekeerd geen evenbeeld in het Hoogduitsch. Buitendien zou de overgang der n van on- in m, vóór een keelklank g, of een tongletter t, niet te verklaren zijn; ook is de beteekenis van ongescheiden, die omtrent dan zou moeten gehad hebben, met het gebruik van dit woord niet vereenigbaar.

Wij moeten derhalve die beide afleidingen laten varen en eene andere zoeken, die beter voldoet. Daartoe behoeven wij niet buitenslands te gaan, zij is te vinden bij onze landge-

[p. 219]

nooten de Friezen, namelijk in hunne oude wetten. Om echter het woord in andere talen te herkennen, moeten wij ons vooraf zijne vroegere beteekenis te binnen brengen. Deze is reeds door Clignet in zijne Bijdragen, blz. 65, bij de 10de fabel, opgemerkt en door voorbeelden uit andere schrijvers gestaafd. Het was oudtijds een voorzetsel van plaats en beteekende letterlijk rondom. In de genoemde 10de fabel wordt verhaald, dat een man eene slang verstijfd van koude vond liggen, haar opnam, koesterde en bijbracht; en dat de slang, haar bewustzijn herkregen hebbende, zich om (rondom) den man wond. Dit wordt uitgedrukt door de woorden:

 
Doe want (voor wand 't) omtrent sinen here
 
Ende het dedem daer soe sere.’

‘Toen wond het (het serpent) zich rondom zijn meester en deed hem zoo zeer.’

In den roman van Walewein wordt van eene jonkvrouw, Ysebele geheeten, gezegd, dat zij ringen omtrent (rondom, om) haar beenen had.

 
Ende Ysebele, die joncfrouwe fine,
 
Hadde omtrent hare bene vingherline.’

In den roman van Ferguut wordt gezegd, dat hij, aangevallen wordende, ‘al omtrent hem ghinc houwen,’ d.i. met zijn zwaard om, rondom zich heen begon te slaan. Zoo zeide men ook omtrent sich sien voor rondom zich kijken. - Later, toen men de ware beteekenis van omtrent vergeten was, kreeg het die van in de nabijheid, en dat niet alleen bij een voorwerp in de ruimte (omtrent de stad, omtrent het kasteel), maar ook, door uitbreiding en overdracht van beteekenis, bij een punt in den tijd en bij de grens eener hoeveelheid: omtrent den avond (nabij het tijdstip, waarop de avond begint), omtrent Paschen, omtrent den middag, omtrent een gulden (nabij de grens, waar de waarde van eenen gulden ophoudt), omtrent honderd personen.

Omtrent kan dus vervangen worden door: om, rondom, omstreeks, om en nabij; het begrip, door om uitgedrukt, wordt derhalve in alle opvattingen teruggevonden.

[p. 220]

Hieruit volgt, vooreerst, dat men in omtrent met het woord om, niet met het voorvoegsel on-, te doen heeft, zoodat, de spelling ontrent, bij vroegere schrijvers voorkomende, niet slechts met de uitspraak, maar ook met de afleiding strijdt.

Vervolgens blijkt, dat om het hoofdbestanddeel der samenstelling is, waaruit wederom voortvloeit, dat trent eene bepaling moet zijn. Dit schijnt in strijd te wezen met het Nederlandsche taaleigen, dat in den regel de bepaling vóór het hoofdwoord plaatst. Wanneer men echter bedenkt, dat bijwoorden niet zelden achteraan komen; dat bijna en intusschen, woorden van zeer abstracte beteekenis, kennelijk omzettingen zijn van nabij en tusschenin, die meer zinnelijke begrippen uitdrukken, dan kan de orde, in omtrent gevolgd, niet verwonderen; dan begint men te vermoeden, dat ook bij dat woord eene omzetting heeft plaats gegrepen, en dat men voorheen trent- of trendom zal gezegd hebben. Weet men daarbij ook, dat het Oudfriesch het begrip van rondom door trind umbe en trund om uitdrukte, en dat het Deensch nog heden ten dage trind om zegt, dan zal men niet aarzelen ons omtrent te erkennen voor de omzetting van twee woorden, die aan ofr. trind umbe en deensch trind om beantwoordden. Doch wat is nu eindelijk trent? Dit leert het Noordsch: trind is in het Deensch en Zweedsch een bijvoegelijk naamwoord, dat ook als bijwoord gebruikt wordt en rond beteekent, en dat in het Deensch, evenals round in het Engelsch, ook op zich zelf staande in den zin van rondom wordt gebezigd.

Omtrent is dus in den grond hetzelfde als rondom; de omzetting geeft te kennen, dat het een abstracter begrip uitdrukt.

 

Er blijft ons nog over van de spelling te handelen. De Oudfriesche, Deensche en Zweedsche schrijfwijze stellen buiten kijf, dat trent oorspronkelijk op een d heeft geeindigd; het Angelsaksische trendel (kring, cirkel), het Engelsche trendle (as in een molen) en to trundle (draaien, rollen), die alle het begrip rond bevatten, bevestigen het. Dit is echter voor ons geene reden om de gebruikelijke spelling te verlaten, en,

[p. 221]

gelijk sommigen op valsche gronden willen, omtrend, met eene d, te schrijven. Die verandering zou niet het geringste nut of voordeel aanbrengen.

Omtrend is voor ons niets duidelijker dan omtrent, dewijl wij de beteekenis van trend vergeten zijn; men weet er alleen verkeerde voorstellingen aan te verbinden, zooals uit de etymologie van Bilderdijk en anderen blijkt. Wij hebben den gemakkelijken regel aangenomen, aan de onverbuigbare woorden de scherpe medeklinkers tot sluitletters te geven, en zonderen alleen nog (adhuc, encore) uit, omdat zulks de verwarring met noch (nec, ni) voorkomt, en dus buiten tegenspraak de duidelijkheid bevordert; doch waarom zou men noodeloos het aantal uitzonderingen met twee vermeerderen? De consequentie toch zou dan ook de spelling wand (nam, car) eischen, vermits d daarin evenzeer als in omtrent door de etymologie gevorderd wordt.

 

L.A. te Winkel.