ben, is mij dat voldingend gebleken1). Wat het uitgemaakte weêuw aangaat, ook daaromtrent is Mr. Bogaers bedenking juist; minder (naar 't mij voorkomt) echter zijne eigene verklaring van 't woord. Welke beteekenis dit elders moge hebben, hier schijnt het mij, in verband met het bijgevoegde weeuw, eenvoudig in den zin gebezigd te worden, waarin wij 't nog dagelijks gebruiken, wanneer wij bijv. van een uitgemaakte d.i. algemeen erkende, in bepaalden zin besliste, zaak spreken. Judith heet dan eene verklaarde, algemeen erkende weew. Omtrent achtslaan schijnt de Hr Bogaers er maar niet toe te willen overgaan, ook den vierden versregel in 't verband op te nemen, gelijk dat bij mij, van den aanvang af, verondersteld is; daardoor toch ware zijn bezwaar weggenomen, dat er niet wordt gezegd, waarop geen acht geslagen is. Het verband namelijk is: wij hebben niet achtgeslagen - al gaf God menig teeken; 'tgeen gelijk staat met wij hebben niet achgeslagen op de teekenen, die God gaf. Ongelukkig is, naar ik zie, in mijne uitgave achter dreigde de dubbele punt der vorige blijven staan, die beter in een komma veranderd waar, en heeft dit wellicht aanleiding gegeven tot Bogaers' misvatting mijner bedoeling.
Zijne aanteekeningen omtrent hulden en begrijzen zijn volkomen juist; omtrent eizen en eiselijk verwijs ik hem op de sedert uitgegeven bladz. 33 van het IIe Deel mijner uitgave, en aant. 1 in de eerste kolom aldaar.
Wat voorts het ‘verbeteren’ van Vondel aangaat, gelieve hij wèl in 't oog te houden, dat het verbeteren eener, 't zij vermeende of werkelijke, druk- of schrijffout in een schrijver of dichter, nog niet een betweterig ‘verbeteren’ van dezen zelf is2). Zijne opmerking dienaangaande zou anders