BEGIJN.Professor Brill doet dit woord, in zijne
uitmuntende
Nederlandsche Spraakkunst, van begiën, d.i.
biechten, afstammen; later evenwel herroept hij zijn oordeel, op gronden
aangevoerd door den Hoogleeraar
de Vries, die
Begga, de Heilige dochter des Frankischen
Hofmeijer
Pippijn, voor de grondlegster der Begijnen en den
oorsprong van haren naam aanziet. Met al den eerbied verschuldigd aan het
gevoelen van zulke uitstekende taalgeleerden, waag ik het hiertegen eene andere
opinie over te stellen. Hoe gaarne ik aan de bovengenoemde vorstin, de eer der
grondlegging zou gunnen eener religeuse inrichting, die men eene Nederlandsche
mag noemen, de historische waarheid, waarbij sympathie of antipathie geen stem
hebben, gedoogt dit niet.
Dr. Hallman, in zijne
Gesch. des Ursprungs der Belgischen Beghinen,
Berlin 1843, heeft naar mijn oordeel, voldingend aangetoond, dat de H.
Begga met onze begijntjes in hoegenaamd geene betrekking staat, en
haar ontstaan van veel later dagteekent. Gedurende de middeleeuwen, tot aan de
17de eeuw, dacht bijna niemand aan de H. Begga. men hield
het er toen bijna algemeen voor, dat zekere godvruchtige Priester te
Luik in België, en naam en ontstaan aan de Begijnen had
gegeven. De aanleiding tot de oprichting dier geestelijke vereeniging van
vrouwen vond Lambert le Begues of Le Beghe, zoo was zijn
naam, in het toenemend zedebederf des volks; waartoe de zorgeloosheid en de
ontstichtende levenswandel van het hoofd des diocees den Bisschop
Rudolf niet weinig bijdroeg. Dit toch bracht den vromen
Lambertus in het jaar 1180 tot het besluit, om eenige godsdienstige
maagden en weduwen, zoowel tot haar eigen volmaking, als ten voorbeeld voor anderen, onder zekeren levensregel te doen zamen wonen. Uit eigen middelen stichtte hij ook eene voor hen waardige verblijfplaats. Die vrouwen nu noemden zich naar haren stichter Beghinen of Begijnen, en de afgesloten ruimte hunner inwoning ontving den naam van Begijnenhof. Tot in de 17de eeuw bestreed men deze meening niet. De eersten echter, die hier tegen op kwamen, waren Ericius Puteanus en de Abt van Rijckel. Beiden hielden de H. Begga voor de stichteres der Begijnen, en zij beriepen zich hiertoe op de drie zoogenaamde Vilvoorder oorkonden, waarin zij het bewijs meenden te vinden, dat het Begijnenhof te Vilvoorden bij Brussel, reeds 100 jaar voor dat van Lambertus bestaan had. De kanunnik Coens van Antwerpen bestreed hen dapper, doch de reeds inwortelende valsche onderstelling uit te roeijen, vermocht hij niet. In 1843 echter kreeg de zaak een nieuwe wending door de onvermoeide nasporingen van Dr. Hallman, tijdens zijn verblijf in België. Hij leverde het ontegensprekelijk bewijs, dat de genoemde Vilvoorder oorkonden niet in de 12de, maar in de 13de eeuw te huis behooren. Uit den oorspronkelijken stichtingsbrief van het Vilvoorder Begijnenhof, zelfs, bewijst hij dat dit eerst in 1239 gesticht, en nog door Willem van Kamerijk in 1294 een nova plantatio genoemd werd. Daarbij komt dat de Vilvoorder oorkonden met karakters geschreven zijn, die de kenmerken der 14de, niet die der 12de eeuw dragen Redelijker wijze is dus Lambertus le Beghe voor den stichter onzer Begijnen te houden, en men heeft niet het minste recht, dien naam, van iemand of iets anders, als van den zijnen af te leiden. Wat voor recht men hebben kan, om gelijk sommigen deden de e met a te verwisselen en Bagijnen te schrijven, verklaar ik niet te begrijpen. De oorzaak hiervan te vernemen, zou mij aangenaam zijn.
Hilversum, 1865. W. Wessels.. |