LOSSE AANMERKINGEN, BETREKKELIJK WOORDEN, BIJ VONDEL VOORKOMENDE,
|
1) Mr. v. Lennep's Aanteekeningen op
Vondel bevatten ontegenzeggelijk veel goeds,
geestigs en waars. Dr. v. Vloten's werk kan er niet dan meê
winnen, zoo hij er nu en dan uit overneemt. Zulks echter dient met de noodige
zorg te geschieden, want geen graan zonder kaf. De hoogleeraar verliest dit wel
eens uit het oog. Nu en dan is hij wat al te goed van vertrouwen. Wij hebben er
vroeger reeds blijken van gezien en willen er hier nog een paar
aanstippen.
Als Vondel in zijn gedicht, de Roomsche lier getiteld, den lof van Horatius bezingt, kent hij dezen een eereplaats toe
Nu nog een staaltje van een anderen aard! In het IIde Boek der Altaergeheimenissen de wonderen des H. Sacraments beschrijvende, brengt Vondel het voorbeeld bij van Gorgonia, de zuster van Gregorius van Nazianze. Ten haren tijde heerschte bij de christengemeente het geloof, dat van de Αντιτυπα of Eucharistie eene genezende kracht uitging. Had de bloote aanraking van Jezus kleed eens heeling aangebragt (zoo redeneerde men), hoeveel te meer moest dan zijn vleesch en bloed zelf, in 't Sacrament aanwezig, die gezegende uitwerking hebben. Gorgonia nu, aan eene ongeneeslijke kwaal-lijdende, nam geloovig haar toevlugt tot dit vrome middel. Zij had iets van de Eucharistie bewaard, en, onder gebeden en verzuchtingen dit met hare ootmoedige tranen mengende, bestreek zij er haar ligchaam mede. Haar hoop werd niet bedrogen: zij genas. Vondel (met wiens overtuiging het kleingeestig zoude zijn den spot te drijven) brengt dit over in fiksche verzen op deze wijze:
Zeker hadden we van den hoogleeraar iets deeglijkers en juisters verwacht. In plaats van eene aardigheid van zijn voorganger goedschiks over te vertellen, had de Theol. doct. den Kerkvader eens moeten openslaan: als wanneer hij, ter regtvaardiging van den Dichter, ter teregtwijzing van Mr. v. lennep en ter inlichting zijner min kundige lezers, gevonden zoude hebben, dat Vondel bijna letterlijk het verhaal van gregorius nazianzenus gevolgd heeft. ‘Cum caput suum (lezen wij in zijne Opera omnia, ed. Par. 1778. T. I. fol. 228, 229.) pari cum clamore, lacrymisque, quibus abundabat, mulieris illius instar, quae olim Christi pedes rigavit, altari admovisset, nee se prius istud dimissuram esse denunciasset, quam sanitatem obtinuisset; ac deinde hoc suo pharmaco corpus totum perfudisset; et si quid uspiam antityporum pretiosi corporis aut sanguinis manus recondiderat, id lacrymis admiscuisset, (ô rem admirandam!) statim liberatam se morbo sentit…’ Wij zullen hier niets meer bijvoegen, maar slechts verwijzen naar hetgeen wij reeds vroeger zeiden D. VI. bl. 16. van dit Tijdschrift. |
|
dien ten gevolge (D. I. bl. 368) het woord af. ‘Vondel (zegt hij) spreekt hier verkeerdelijk van verguldsel.’ Naar onze overtuiging, verdient de oude dichter deze beschuldiging niet en verkeeren beide zijne uitleggers in eene dwaling. Vondel heeft geen Fransch, maar een Hollandsch woord willen gebruiken om weder te geven het émail, dat op beide plaatsen bij du bartas wien hij navolgde, te lezen staat. Vermalen is schilderen, beschilderen, in welken zin hij het woord meer dan eens gebruikt. Zie b.v. Poëzy (uitg. v. 1682), I. bl. 159. r. 12, Hippolytus (uitg. v. 1628), v. 61, en de Heerlyckheyd van Sal. v. 942. Het zaaklijk deel van dit w.w. heeft de Dichter als znw. in den zin van schildering, beschildering, gebezigd om het Fransche émail, dat toch ook eene schildering met brandverw is, weder te geven: en dat hij de eenige niet geweest is, die het in dien zin gebruikte, blijkt uit de Lijst van verouderde woorden in meijer's Woordenschat, waarin men leest vermaal, geschilder. Pronken.Als Vondel, in de fabel van den Vos en de Kraan, (zie Vorst. Warande, VII) aan laatstgenoemde door haar ondengenden gastheer de spijs laat toedienen op een platten schotel, waarvan zij met haar langen puntigen snavel niets nuttigen kan, zegt hij:
Op pronckten teekent Dr. v. Vloten aan (I. bl. 56. k. 1. n. 6) ‘prijkte, (vergelijk ons te pronk staan).’ Deze uitlegging is niet de ware: de hoogleeraar had beter gedaan te schrijven: ‘vertoonde een strak, ontevreden gelaat.’ Zulks komt overeen met den zin, waarin prijkte volstrekt niet voegt, en laat zich buitendien voldoende staven 1) . In Kiliaen's Woordenboek lezen we: ‘pronck. vetus. Nubilum, nubes.’ en ‘pronck. Frons nubila, supercilium nubilum, supercilii nubes, frontis nubecula.’ Voorts ‘Proncken. Nubilare, nubilum fieri. en ‘proncken. Vultum, componere, adducere: frontem subducere, induere vultum severum, contrahere supercilium: obnubilare vultum.’ eindelijk ook nog ‘pronckende weder. Nubilus aer: caelum caligans.’ en ‘pronckende opsicht. Frons nubila: vultus caligans.’ Nagenoeg hetzelfde geeft mellema in zijn schat der Duytscher tale; terwijl we in tuinman's Fakkel, als een der beteekenissen van pronken, pruilen vinden. Men ziet dus, de eigenlijke beteekenis van het oude woord pronck is wolk, nevel: van daar proncken, nevelen. In een onverdragtelijken zin werd dit toegepast op het menschelijk gelaat; en, evenzeer, als het weder, wanneer het er betrokken of druilig uitziet, pronkend genoemd werd, zoo ook werd de mensch gezegd te pronken, als er een zweem van strengheid, zwaarmoedigheid of ontevredenheid zijn voorhoofd bedekte. |
1) De min juiste verklaring van pronken
in Mr. v. lennep's, vondel, D. II. bl. 92, te vinden, schijnt Dr.
v. Vloten op den dwaalweg gebragt te hebben.
|
|
Het pronken van Juffrou Kraen in de fabel, bij de teleurstelling en de snakerij, die zij ondervond, was dus niets anders dan het vertoonen van een strak, ontevreden gezigt. Vondel gebruikt het woord nog op eene andere plaats; t. w. in zijn Helden Godes (uitg. v. 1620), bl. 35. v. 13. Dáár, na beschreven te hebben job, bedekt met booze zweren en zittende op een mesthoop, laat hij deze versregels volgen:
Dat pronken dáár een ernstig en bedrukt gelaat vertoonen, beduidt, is in het oog loopend. Ook in het Vde bedrijf van den Gijsbreght van Aemstel komt het voor. De hoofdpersoon dezes treurspels, het verhaal gevende van zijn vlugt en ontkomen, zegt onder anderen: (zie v. 1372-1378.)
waar de woorden van v. 1377 beteekenen: ‘toen ik in dien boom een poos, ontzet, met een strak gelaat, had zitten uitkijken.’ Bij deze voorbeelden, door Vondel ons aan de hand gedaan, zullen wij er ten slotte nog een paar voegen uit aldegonde's Bijen-Corf, (uitg. 1620). Op fol. 29 verso, onderaan, lezen wij: Ende tot dien eynde worden sy ernstelijck van den Paus vermaent, dat sy sullen te biechten gaen, ende voorts des Woensdaeghs, Vrydaeghs ende Saterdaeghs vasten, ende dan des Sondaeghs Hooch-tijdt houden, in de Processien gaen proncken, ende haer Aelmissen geven: - Dat proncken hier beduidt met een ernstig en stemmig gelaat zich vertoonen bij de processiën, bewijst de geheele zin. In dezelfde beteekenis, maar ironicè, gebruikt hij het ook fol. 16. verso. r. 12, waar hij verhaalt van een oud wijf te Venetië, dat zich een grooten naam van heiligheid verworven had door soms vijf of zes dagen, onder devote contemplatiën, in haar celleken te vasten. Zij nam slechts (zegt hij) twee groote boeken meê ‘van eender formaet ende groote, daervan het een was een Bijbel ende het ander een kistken van binnen hol, gemaect, effen gelijck met sloten als een boeck, dat vulde sy met platte Flesschen vol Malveseyn, ende met goede leckere Marcepeyn, die sy selve van 't Spier van Capuynen ende velthoenderen, met Suyker ende Amandelen bereyt hadde, als eenen Bagijnenbout: Ende daer ginc sy henen met dese twee boecken in een Celleken proncken, ende bleef daer alleen in hare devote contemplatien, wel somwijlen vyf of ses daghen, biddende voor hare vrome campvechters, ende lesende wel devotelijck, so langhe tot dat de Bybels heel uytwaren, -’ Ten slotte stippen wij nog aan, dat hèt zich gereedelijk laat begrijpen, hoe uit de beteekenis van pronken, als met een strak en streng gelaat, te voorschijn komen, de thans nog levende beduidenis van dit woord, als vertooning maken, in het oogloopend opgeschikt in het openbaar zich voordoen, en pralen zich ontwikkeld heeft. Vergissen, als bedr. w.w.In den Joseph in Egypten zijn v. 691-693 van den volgenden inhoud:.
Vergissen beteekent volgens
Dr. v. Vloten (I. bl. 441. k. 1. n. 2)
verkwisten. Dit wijkt niet ver af van hetgeen Mr. v. lennep III. bl. 834, in de noot, gezegd had; t. w.: ‘Vergissen is hier voor vergiessen, vergieten, weggooien.’ Beide heeren vergissen zich. Vestigen wij eerst de aandacht op gissen! Het beduidt: naar waarschijnlijkheid berekenen. ‘Conjectare, conjecturam facere, aestimare conjectura:’ zegt Kiliaen. Als de schipper, die er belang bij heeft te weten, wanneer het vloed of eb zal zijn, het getij naar waarschijnlijkheid berekent, wordt hij gezegd: het tij te gissen. Nu kan het gebeuren, dat hij verkeerd gist, en dan drukt men dit uit door de spreekwijs: ‘zijn tij vergissen.’ Dat het voorvoegsel ver meermalen dien zin aan de w. w. bijzet, is overbekend: men denke slechts aan verkijken, verzeilen, enz. Bij de dichters wordt dit tij vergissen dikwijls overdragtelijk gebruikt voor zijn kans verzuimen, zijn slag niet wel waarnemen. Zoo lezen we bij Vondel in de Maeghdebrieven. (Zie v. lennep's uitgave, IV. bl. 315. v. Vloten, I. bl. 526. k. 2. reg. 2.)
en bij anslo, Poëzy, (uitg. v. 1713) bl. 438. v. 1 en 2.
Gelijk nu hij, die zijn tij vergist, zijne goede gelegenheid verzuimt; zoo wordt vergissen ook in ruimer beteekenis voor verzuimen en verachteloozen gebruikt. De versregel uit Vondel in den aanvang dezes aangehaald, strekt er ten bewijze van. Zijn tijd vergissen is daar zijn tijd niet wel waarnemen of verwaarloozen. Desgelijks schrijft anslo, bl. 446. v. 2. vo.
en in Vondel's Altaergeheimenissen. B. II. v. 947. (bij Mr. v. lennep. IV. bl. 536. en bij Dr. v. Vloten, I. bl. 582. k. 1 reg. 35) vindt men:
waar vergisse, verachtelooze beduidt. Ten slotte voegen wij hier nog bij een tweeregelig versje uit de brune's Jok en Ernst, bl. 166. r. 25, luidende:
vergist is ook hier verachteloost, of verwaarloost. Dat we thans vergissen niet meer als bedrijvend, maar slechts als wederkeerig w.w. gebruiken, weet ieder. Weren, b. w.w.In Vondel's dichtstuk: ‘Tot lof van de kuische en Godvruchtige Martelaresse St. Agnes,’ treft men de navolgende zinsneden aan:
Het woord weren, in den laatstvoorgaanden regel gebruikt, is door Dr. van Vloten (I. bl. 151. kol. 2. n. 3) veranderd in voeren, met bijvoeging dezer aanteekening: ‘Zoo lees ik voor het onzinnige weren, dat wel niet anders dan een drukfeil zijn zal.’ In dit vermoeden deelen we niet. Weren komt ons hier alles behalve onzinnig voor. Het is oorspronkelijk hetzelfde woord, als waren, (zie Ten Kate's Aenl. II. 723) en beteekent niet alleen verdedigen, maar ook bewaren, beschermen, beschutten. Op het einde van den Ferguut lezen we:
d.i. moge ons voor leed bewaren: en in het Fragment, door Prof. de Vries medegedeeld in de Verslagen en berigten, uitgegeven door de vereeniging ter bevordering der oude Ned. Letterkunde. IIde Jaargang, bl. 23. ‘Ende wy worden gheweert op een slot gheheyten Campaduck,’ d.i. bewaard. In de Spelen van Sinne, van 1539 (Antw. uitg.), fol. 186, verso. vindt men:
waar weert weder bewaart beduidt. Dienovereenkomstig heeft Kiliaen voor ver-weren, ver-weyren, zoowel defendere (verdedigen), als tueri (beschermen). In den zin van bewaring, beschutting gebruikt Vondel zelf (zie Pascha, vers 2087) het znw. verweyre. Desgelijks was oudtijds (zie melis stoke op verschillende plaatsen) were, weer, een sterkte, dienende evenzeer tot beveiliging, als tot verdediging. Weergeld beduidde in de oude Friesche Wetten 1) het geld, tot bescherming van het vee betaald, en nog gebruiken we borstweer, borstwering, om den muur aan te wijzen, die de borst beschut. Doorgaans echter bezigt Vondel in den bovenvermelden zin het woord waren, en, zoo Dr. van Vloten, met opgave van die reden, hetzelve in plaats van weren had laten drukken, er zou (ofschoon nogtans door Vondel en zijn tijdgenooten de a meermalen met de e verwisseld werd) iets voor die geringe verandering te zeggen geweest zijn; hetgeen voor zijn voeren, naar alle regels eener goede kritiek, het geval niet is. Voorbeelden van wat wij daar zoo even zeiden, ontbreken er niet. Zoo luidt in het Iste Boek van ovidius Herscheppinge, vers 189:
|
1) Uitgegeven te Campen en Leeuwarden,
1ste stuk, bl. 102 § 80.
|
en in het XIIIde Boek, vers 1185, 1186.
In het Treurspel Zungchin (vers 921, 922) zingt de rei:
Ware het noodig, wij zouden nog meer dergelijke plaatsen uit Vondel bij kunnen brengen, doch deze volstaan voor ons oogmerk. Weren en waren hebben de beteekenis van bewaren, beschutten, beveiligen, en die beteekenis beschermt hier den oorspronkelijken tekst van den ouden dichter tegen alle beschuldiging van onzinnigheid. Zweveling. Zweven.Zwerveling. Zwerven.De woorden van ovidius (Heroid. Epist. XV. v. 53 et 54.)
worden aldus door Vondel (Heldinnebr. uitg. v. 1716, bl. 73) in het Neêrduitsch overgebragt: ‘Maer gy Siciliaensche vrouwen en dochters zent mijnen
Door Mr. v. lennep is in zijne uitgave D. IV. bl. 229, in plaats van zweveling, zwerveling gesteld. Dr. v. Vloten (I. bl. 504 k. 1. reg. 30) heeft dit stilzwijgende gevolgd. Beter ware het geweest zulks niet te doen. Zonder volstrekte noodzakelijkheid moeten er geen woorden in Vondel's tekst veranderd worden, en die noodzakelijkheid was hier niet aanwezig 1) . |
1) Het is jammer (vroeger merkten wij het
reeds aan), dat prof. van Vloten wat al te dikwijls aan zijne
bezorgdheid om Vondel's tekst (zoo hij meent) te verbeteren gehoor
geeft. Soms maakt hij in zijne noten melding van die veronderstelde
verbeteringen; maar ook niet zelden verandert hij woorden zonder er iets van te
zeggen. Dit is een groot gebrek in zijne uitgave, dewijl men nu zoo als wij
reeds vroeger aanstipten, nooit met zekerheid weet of men Vondel's
woorden, dan wel die van zijn uitlegger, voor zich heeft. Het is niet dan
toevallig, dat men zulke veranderingen bespeurt, doch eenige, waarop onze
aandacht viel, zijn waarlijk niet gelukkiger dan de openlijk door hem bekend
gemaakte. Wij willen ze hier opgeven.
In Vondel's Pascha (uitg. v. 1612) luiden v. 1141 en 1142, als volgt:
Een ander voorbeeld! In de fabel van den Arend en den Vos (no. XXV van de Vorst. Warande) komen deze twee versregels voor:
Van de gezegde oude spreekwijze vindt men menig voorbeeld bij Vondel. Zie Ovid. Herschepp. B. XII. v. 645. ‘met wortelen met al.’ Salmoneus. v. 265. ‘Met koninckrijck met al,’ Salomon. v. 1898. ‘met stad met al’ Virgil. in onrijm bl. 218 v. 10. ‘met roer met al,’ en zoo ook op andere plaatsen. Desgelijks zegt camphuysen, Ps. LXXV. v. 22.’ ‘met heff' met al.’ Dit met al (ook wel met allen geschreven) had de beteekenis van gansch en al, geheel en al, omnino, die nog in ons niet met al, geheel niets, volstrekt niets, overig is. Nog een voorbeeld! In den VIIden der Heldinnebrieven (uitg. v. 1716. bl. 35 v. 8) schrijft Vondel. Op 't geleide van dezen Godt wordt gij op de ongestuimige golven geslingert…’en in den XVIIIden Brief (bl. 104. v. 11): ‘-de zee nogh ongestuimiger maken.’ Wat de hoogleeraar hier tegen dit ongestuimig heeft, deelt hij ons niet mede, maar stilzwijgende verandert hij het op de eerste plaats in ongestuime en op de tweede in onstuimiger; (zie zijne uitg. I. bl. 494. k. 1. r. 3. v.o. en bl. 512. k. 1. r. 12.) Daar dit ongestuimig dikwijls bij Vondel en de oude dichters voorkomt, had zijn uitlegger het niet moeten veranderen, waarmede nu buitendien een weinig inconsequent door hem gehandeld is: op andere plaatsen toch (zie b.v. I. bl. 639. kol. 1. r. 26, en kol. 2. r. 22. bl. 662. kol. 1. r. 6. v.o. enz.) heeft hij het woord onveranderd laten staan. Ten besluite: In v. 574 van het Pascha heeft Dr. v. Vloten in plaats van Gheleeckt laten drukken Geleek; daarbij aanteekenende (I bl. 14. k. 2. n. 2.): ‘Versta: geleek zij.’ Maar Vondel had Gheleeckt geschreven (zoo als bij de Ouden dikwijls voorkomt) in plaats van Gheleeck't, t. w. ‘het serpentynigh dier’ , dat het naaste voorafgaat. Met aan den dichter zijn eigen woorden te laten, behoudens het modernizeren van zijne spelling, had dus de uitlegger veel beter gedaan. In dat zelfde Pascha, vers 857, heeft 's hoogleeraars editie, I. bl. 17. k. 1. r. 14. ontvange, voor Vondels ontfanghen, dat de ware lezing is. Dit echter komt ons voor slechts een abuis of drukfout te zijn, gelijk er meer dergelijke onnaauwkeurigheden in zijne uitgave van dit tooneelstuk voorkomen, onder welke voorzeker niet de geringste is, dat er op bl. 21. kol. 1. twaalf Alexandrijnen (v. 1305 tot en met v. 1316) geheel zijn weggelaten. De uitgever had wel gedaan ze bij een ander dozijn tezoekgeraakten, dat in zijn Lijst van drukfeilen achter Dl. I. is opgenomen, een plaatsje te vergunnen. Het gemis in den tekst is ondertusschen zeer zinstorend. |
|
Gelijk van zuigen, zuigeling, van afkomen, afkomeling,
van zwerven, zwerveling gevormd wordt; even regelmatig ontstaat uit zweven, zweveling; en dat dit woord, niet minder juist dan zwerveling, het Latijnsche erro uitdrukt, lijdt dáárom geen twijfel, dewijl in onze taal zweven ook de beteekenis van zwerven (bij Kiliaen, vagari) bezit. In dien zin heeft Vondel in zijn Helden Godes het aan jacob in den mond gelegd, als deze (zie Dr. v. Vlotens uitg. I. bl. 106. kol. 2, waar dit woord, even als meermalen met oude woorden bij hem het geval is, ten onregte met stilzwijgen wordt voorbijgegaan) zich dus uitlaat:
en zoo ook, in de Ifigenie in Tauren v. 554, zegt orestes van den omdolenden ulysses:
Dat bij andere dichters zweven in dien zelfden zin voorkomt, kan met menig voorbeeld gestaafd worden. Zie hier er eenige: Six van chandelier, Poësy, bl. 325. v. 15.
en dezelfde dichter in zijne Psalmen (uitg. v. 1690) Ps. CVII v. 20.
Cats (uitg. Amst. 1828.) D. II. bl. 218. k. 1. v. 21. v.o.
Zie mede aldaar bl. 195. k. 1. v. 31. Camphuysens Sticht. Rijmen. (uitg. v. 1647) bl. 302. k. 1. onderaan.
en bl. 309. kol. 1. r. 5 en 6.
De decker in zijn Baptistes of Dooper. (Amst. 1656.) bl. 56. v. 20-22.
en in zijn Rijm-oeffeningen (uitg. v. 1726) D. II. bl. 122. v. 7.
ook aldaar bl. 200, v. 8.
Ook bij Bilderdijk, die zijn dichterlijk regt om van een oud woord, als het hem te pas kwam, gebruik te maken, nooit verzaakte, komt meermalen zweven in den zin van zwerven voor, b.v. Zedel. Gispingen. (uitg. v. 1820.) bl. 62. v. 4, v.o.
Nieuwe Vermaking. (uitg. v. 1829) bl. 53. v. 13.
Zie almede Afodillen. (uitg. 1814.) D. 1. bl. 3. r. 4. Deze voorbeelden, die gemakkelijk vermeerderd zouden kunnen worden, mogen volstaan. Vondel kon met volle regt zweveling voor erro gebruiken. |